← België

Arrest 250658 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.658 Rolnummer: A. 233070/XIV-38614 Zaak: Arrest 250658 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-02 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.658 van 25 mei 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 250.658 van 25 mei 2021 in de zaak A. é.070 /XIV-38.614 In zake: Roger VERHILLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 1 maart 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken (Federale Politie, Directie van het middelen beheer en de informatie (DGR), afdeling juridische dienst) van 19/8/2020 en van 25/8/2020, houdende diens in disponibiliteitstelling, per mail doorgestuurd aan verzoeker op 31/8/2020 en door hem ter kennis genomen 14/9/2020”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.614-1/12 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021, om 14.15 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Siegfried De Mulder, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is sedert 1 mei 2002 als arts (curatieve geneeskunde) benoemd bij de Federale Politie. Op 15 november 2016 heeft hij aangifte gedaan van twee beroepsziekten waarbij “stress + pesterijen op het werk (klacht bij Rechtbank)” wordt opgegeven als oorzaak. Deze aangifte wordt op 12 december 2016 door de directie van het Personeel overgemaakt aan het Bestuur Medische Expertise van de FOD Volksgezondheid (Medex). 3.
  5. Bij nota van 9 augustus 2017 (“Ziektecontingent B - verwittiging”) wordt verzoeker door de directie van het Personeel - ‘Risks’ ervan XIV-38.614-2/12 in kennis gesteld dat hij op datum van 11 augustus 2017 nog recht heeft op 33 dagen ziekteverlof vooraleer hij in disponibiliteit wordt geplaatst. 3.
  6. Op 14 november 2017 licht Medex de verwerende partij in dat verzoeker bezwaar heeft aangetekend tegen de besluiten van de medische expertise van Medex. Op 29 oktober 2018 maakt Medex de besluiten van de medische expertise na beroep, over. Voor de beide aandoeningen wordt besloten dat verzoekers aandoeningen niet erkend kunnen worden als beroepsziekte, in essentie omdat er geen bewijs is, volgens de beschikbare gegevens en de huidige wetenschappelijke kennis, dat deze aandoeningen op een rechtstreekse en determinerende wijze worden veroorzaakt door de beroepsuitoefening. 3.
  7. Verzoeker vecht deze beslissingen met een verzoekschrift van 27 november 2018 aan bij de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank van Brussel. Bij tussenvonnis van 24 april 2019 heeft de arbeidsrechtbank een deskundige aangesteld. Deze gerechtelijke expertise is nog niet afgerond. 3.
  8. Bij nota van 19 augustus 2020 stelt de directie van het Personeel - ‘Risks’ vast dat het ziektecontingent van verzoeker is uitgeput en dat hij zich voor de periode van 22 juli 2020 tot 7 augustus 2020 in disponibiliteit bevindt. In deze beslissing wordt nog meegedeeld dat aan verzoeker gedurende de periode van disponibiliteit een wachtgeld van 60 % van zijn laatste activiteitswedde wordt uitbetaald, dat enkel een werkhervatting de disponibiliteit kan beëindigen, dat de disponibiliteit een proportionele vermindering van zijn jaarlijks verlof tot gevolg heeft, en dat verzoeker een wachtgeld gelijk aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde kan ontvangen indien hij een aanvraag indient met als doel de aandoening waaraan hij lijdt als een ernstige en langdurige ziekte te laten erkennen. XIV-38.614-3/12 Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  9. Bij nota van 25 augustus 2020 stelt de directie van het Personeel - ‘Risks’ op gelijkaardige wijze vast dat het ziektecontingent van verzoeker uitgeput is en dat hij zich voor de periode van 8 augustus 2020 tot 14 augustus 2020 in disponibiliteit bevindt. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  10. Bij aangetekend schrijven van 15 september 2020 vraagt de raadsman van verzoeker de bestreden beslissingen in te trekken. Bij brief van 24 september 2020 antwoordt de juridische dienst van de Federale Politie waarom er geen redenen zijn om de bestreden beslissingen in te trekken. 3.
  11. Met een nota van 23 december 2020 stelt de directie van het Personeel - ‘Risks’ vast dat verzoeker zich in disponibiliteit bevindt vanaf 7 september
  12. Deze nota wordt hem bij e-mail van 11 januari 2021 overgemaakt. 3.
  13. Bij brief van 10 januari 2021 vraagt de directie van de Financiën aan verzoeker de terugbetaling van 6.659,06 euro omwille van een herberekening van zijn geldelijk dossier ingevolge zijn in disponibiliteitsstelling waardoor hij slechts recht had voor die periode op een wachtgeld van 60% van de laatste activiteitswedde, dit op basis van de berekening door het Sociaal Secretariaat van de Geïntegreerde Politie (SSGPI). 3.
  14. Bij nota’s van 18 februari 2021 en 12 maart 2021 wordt vastgesteld dat verzoeker zich in disponibiliteit bevindt voor de periode van 7 september 2020 tot 18 december 2020 en van 21 januari 2021 tot 11 februari
  15. XIV-38.614-4/12 3.
  16. Verzoeker heeft het werk hervat op 12 februari
  17. VI. Ontvankelijkheid van het beroep
  18. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  20. Onder het kopje “[v]ordering tot schorsing” van zijn verzoekschrift zet verzoeker, wat het spoedeisend karakter van de vordering betreft, in essentie uiteen dat de bestreden beslissingen een duidelijke impact hebben op de statutaire toestand van verzoeker. De beslissing tot terugbetaling van 40 % van de verloning voor de periode van 7 september 2020 tot 31 december 2020 en het feit dat er ongetwijfeld nog een terugvordering zal volgen voor de periode van 1 januari 2021 tot 12 februari 2021, datum waarop verzoeker het werk heeft hervat, zijn duidelijk. Ook het verlies van minstens twee verlofdagen is duidelijk. XIV-38.614-5/12 Het gebrek aan pre-werkhervatting en medische opvolging heeft er voor gezorgd dat verzoeker pas op 12 februari 2021 terug aan de slag is kunnen gaan. Op die manier werden in totaal negen verlofdagen verloren. Daarnaast “is de impact toegelicht op diens anciënniteit, meer in het bijzonder diens opsparing van ziekteverlofdagen”: verzoeker werd bij ministerieel besluit van 23 april 2003 met ingang van 1 mei 2002 in zijn functie benoemd en jaarlijks krijgt hij 30 ziekteverlofdagen bij die worden opgespaard in het ziektecontingent en bepalend zijn om het ogenblik van disponibiliteit vast te stellen. De overheid dient verzoeker normaliter ten laatste zestig dagen voor het uitputten van het ziektecontingent te verwittigen, wat zou toelaten te werken aan een pre-werkhervatting om de in disponibiliteitstelling af te wenden, indien medisch mogelijk. Een pre-werkhervatting is ook een op de overheid rustende verplichting. Verzoeker werd pas verwittigd 1 maand en 8 dagen (in feite 1 maand en 22 dagen) nadat hij in disponibiliteit viel. Te rekenen vanaf de eerste dag van disponibiliteit, zijnde 22 juli 2020, had de overheid verzoeker derhalve ten laatste op 22 mei 2020 moeten verwittigen, hetgeen hem had kunnen toelaten te werken aan een pre-werkhervatting, maar ook om geen verlofdagen te verliezen en meer, om dertig dagen ziektecontingent bij te krijgen. Uit deze berekening volgt dat verzoeker de disponibiliteit zeker had kunnen uitstellen tot 23 juli 2021, hetgeen volstaat om op 1 mei 2021 (anciënniteitsdatum) 30 dagen ziektecontingent te verwerven. Verzoeker stelt dat aldus “[h]et belang wordt […] aangetoond om de ziektecontingenten zo min mogelijk onaangeroerd te laten zolang een ambtenaar nog in een procedure zit rond erkenning van een beroepsziekte en/of rond het bepalen van de gevolgen van de beroepsziekte”. Met verwijzing naar rechtspraak voert verzoeker nog aan dat het bestuur niet verplicht is om de ziektecontingenten A en B op te schorten in afwachting van een procedure voor de arbeidsgerechten. Omdat tegelijk ook is gewezen op de directe en indirecte gevolgen van beslissingen rond in disponibiliteitstelling, en omdat deze gevolgen zich onmiddellijk manifesteren, “is het fundamenteel deze beslissing niet alleen te vernietigen maar ook te schorsen”. XIV-38.614-6/12 Beoordeling
  21. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  22. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-38.614-7/12
  23. Verzoekers uiteenzetting waarom het “fundamenteel” is de vordering tot schorsing in te willigen – in het verzoekschrift wordt als zodanig geen gewag gemaakt van “spoedeisendheid” – leest eerder als een staving van zijn belang bij de vordering tot schorsing. Zoals uit de hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt volstaat het evenwel niet een louter belang bij of het nut van een (vordering tot) schorsing aan te tonen opdat aan de grondvoorwaarde van de spoedeisendheid zou zijn voldaan. Ter adstructie van de spoedeisendheid moeten concrete en verifieerbare elementen en gegevens worden aangebracht die aantonen dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten zonder zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen te bevinden. Verzoeker beroept zich in essentie op een financieel nadeel in zoverre hij verwijst naar de terugvordering van 40 % van zijn wedde voor de periode van 7 september 2020 tot 31 december 2020 en de terugvorderingen die “ongetwijfeld” ook nog in 2021 zullen volgen voor de periode vooraleer hij zijn werk heeft hervat. Naast de vaststelling dat deze terugvorderingen niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden beslissingen (vermits deze betrekking hebben op de periodes van 22 juli 2020 tot 7 augustus 2020 en van 8 augustus 2020 tot 14 augustus 2020), zodat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen het aangevoerde nadeel op zich niet ongedaan kan maken, moet er op worden gewezen dat het niet volstaat een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van verzoeker een zodanige impact heeft dat hij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde en die uitspraak onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoeker veilig te stellen. Een financieel verlies kan immers, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, worden hersteld na een annulatiearrest in welk geval een regularisering van de financiële gevolgen zich opdringt. Opdat een financieel nadeel de spoedeisendheid van de vordering zou kunnen aantonen is vereist dat verzoeker XIV-38.614-8/12 concreet aannemelijk maakt dat hij de duur van de annulatieprocedure niet zou kunnen overbruggen zonder dat hij door de bestreden beslissingen in een dermate precaire situatie terechtkomt dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen voor verzoeker persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure. Verzoeker vermeldt hier louter het financieel nadeel ingevolge de terugvordering zonder enigszins aannemelijk te maken dat dit hem in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen brengt. Hij brengt geen concrete noch verifieerbare gegevens aan nopens zijn financiële toestand, de impact van dat financieel verlies op zijn levensonderhoud, zijn gezinssituatie, zijn inkomsten en uitgaven, enzovoort. Niet blijkt derhalve dat hij in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van het door hem ingeroepen nadeel een zodanige impact heeft op zijn levensstandaard, dat hij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen dragen.
  24. In zoverre verzoeker verwijst naar de proportionele vermindering van het aantal verlofdagen ingevolge de disponibiliteit, valt niet in te zien dat dat nadeel niet zou kunnen worden hersteld door het rechtsherstel dat moet volgen na een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest. Op dat ogenblik zal immers een regularisering van het aantal verlofdagen moeten plaatsvinden. In ieder geval toont verzoeker niet in concreto aan waarom te dezen het verlies van een aantal verlofdagen hem onherroepelijke of onomkeerbare schadelijke gevolgen berokkent. Evenmin kan verzoeker worden bijgevallen in zijn argumentatie rond het opsparen van ziekteverlofdagen en de impact daarvan op (het tijdstip van) de disponibiliteit om de spoedeisendheid te verantwoorden. In zoverre hij daarover uiteenzet dat door het verzuim van de verwerende partij om hem tijdig te verwittigen omtrent de uitputting van het ziektecontingent, hij werd verhinderd om het tijdstip van de disponibiliteit uit te stellen tot juli 2021 en daarbij ook verwijst XIV-38.614-9/12 naar een miskenning door de verwerende partij van de te volgen procedure inzake de erkenning als beroepsziekte, wat een impact zou hebben op het ziektecontingent, dient vastgesteld dat deze argumenten de grond van de zaak betreffen. Verzoeker betwist aldus dat de verwerende partij rechtmatig heeft kunnen oordelen dat verzoeker zich in disponibiliteit bevindt wegens het uitputten van zijn ziektecontingent. Op die wijze koppelt verzoeker de grondvoorwaarde van de spoedeisendheid aan de voorwaarde van de aanwezigheid van een ernstig middel. De eventuele ernst van de middelen of de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissingen wijst evenwel niet uit dat de zaak voor verzoeker spoedeisend zou zijn. Het betreft immers twee afzonderlijke voorwaarden die ook afzonderlijk worden onderzocht en aan elk van beide moet zijn voldaan opdat tot een schorsing kan worden besloten. Verzoeker voert geen andere elementen aan, zodat de spoedeisendheid niet is aangetoond. VII. Conclusie
  25. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten
  26. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.614-10/12 XIV-38.614-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.614-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.658 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.