id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.672 Rolnummer: A. 224167/IX-9214 Zaak: Arrest 250672 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 26/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-07 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.672 van 26 mei 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.672 van 26 mei 2021 in de zaak A. 224.167/IX-9214 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van: - “de beslissing van 14 juli 2017 van de gedelegeerd bestuurder van het FAVV waarbij de cumulatiemachtiging aangevraagd [door XXXX] op 28 februari 2017 wordt geweigerd”; - “de beslissing van 30 oktober 2017 van de gedelegeerd bestuurder van het FAVV waarbij de cumulatiemachtiging aangevraagd op 28 februari 2017 nogmaals wordt geweigerd, ditmaal na verzoeker op 31 augustus 2017 te hebben gehoord”. IX-9214-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is controleur (niveau B) bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: het FAVV). IX-9214-2/23 3.
- Met een e-mail van 22 april 2014 brengt het diensthoofd van de provinciale controle-eenheid Antwerpen (PCE Antwerpen) van het FAVV de richtlijnen betreffende cumulatiemachtigingen en onverenigbaarheden in herinnering. 3.
- Verzoeker – die in het verleden reeds de machtiging verkreeg om zijn toenmalige functie van bestuursassistent bij de administratie BTW, registratie en domeinen te cumuleren met het zelfstandig bijberoep van diëtist en nadien ook de machtiging om zijn functie bij de Algemene Eetwareninspectie te cumuleren met die zelfstandige activiteit – dient op 24 april 2014 een ‘aanvraag tot cumulatiemachtiging’ in om naast zijn activiteiten van controleur bij de verwerende partij – die door hem worden omschreven als “uitvoeren van controles en audits in de distributiesector” – ook voedings- en dieetadvies te kunnen verlenen. Op het aanvraagformulier verklaart verzoeker dat deze activiteit – ook in de toekomst – geen aanleiding kan geven tot belangenvermenging en dat ze niet in strijd is met het koninklijk besluit van 8 maart 2004 ‘tot bepaling van de bijzondere aanwervingsvoorwaarden van het statutaire en het contractuele personeel van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot regeling van de dienst met het oog op het voorkomen van belangenconflicten’ (hierna: het koninklijk besluit van 8 maart 2004). 3.
- Met een brief van 1 juli 2014 wordt verzoeker in kennis gesteld van de negatieve beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij (hierna: de gedelegeerd bestuurder) omtrent zijn aanvraag tot cumulatiemachtiging. Deze brief luidt als volgt: “Op 2 juni 2014 heeft het Directiecomité uw aanvraag tot cumulatiemachtiging onderzocht. Na overleg met de leden van het Directiecomité dien ik over te gaan tot een negatieve beslissing in toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en van de artikel[en] 4 § 1, 1°, eerste alinea, en 3 § 1, a), van het koninklijk besluit van 8 maart 2004 tot bepaling van de bijzondere aanwervingsvoorwaarden van het statutaire en het contractuele personeel van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot regeling van de dienst met het oog op het voorkomen van belangenconflicten. IX-9214-3/23 Concreet hebben volgende elementen bijgedragen tot de weigering: - u in het geven van voedings- en dieetadvies voedingsmiddelen kan aanbevelen; - u in het aanbevelen van deze voedingsmiddelen bepaalde operatoren kan aanraden en anderen weer afraden hetgeen onverenigbaar is met uw functie voor het FAVV, zijnde het uitvoeren van controles en audits in de distributiesector; - er daarom niet [kan] worden uitgesloten dat u in contact zou komen met operatoren die onder de bevoegdheid van het FAVV vallen hetgeen uw neutraliteit als controlerende instantie in het gedrang zou brengen; - er geen interne maatregelen kunnen genomen worden teneinde deze conflicterende situatie te neutraliseren gelet op het feit dat de betreffende werkzaamheden geen specifieke doelgroep beogen. Uw aanvraag tot cumulatiemachtiging wordt bijgevolg geweigerd, hetgeen impliceert dat u, conform artikel 3 § 5, van bovenvermeld koninklijk besluit van 8 maart 2004: - oftewel een einde stelt aan de betreffende activiteit binnen de drie maanden na kennisgeving van deze beslissing; - oftewel u voor de duur van één jaar, en eenmaal hernieuwbaar, met verlof zonder wedde wordt gestuurd. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Gelieve dan ook het nodige te doen teneinde u in orde te stellen met de geldende reglementering. Een kopie van dit schrijven wordt eveneens naar uw PCE-hoofd verstuurd ter opvolging. Ik dien u tot slot te wijzen op artikel 14 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 2 oktober 1937: iedere inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtstraffen. U heeft de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing bij de Raad van State en dit binnen de 60 dagen vanaf deze kennisgeving. De verzending van het verzoekschrift naar de Raad van State gebeurt bij ter post aangetekende brief naar het volgende adres: Wetenschapsstraat 33 – 1040 Brussel.” 3.
- Op 10 oktober 2014 wijst de gedelegeerd bestuurder een verzoek tot heroverweging van de weigering om verzoeker een cumulatiemachtiging te verlenen af in volgende bewoordingen: “Ik verwijs naar uw schrijven van 29 augustus 2014 waarin u namens uw cliënt, dhr. […], verzoekt om onze beslissing d.d. 2 juni 2014 inzake de weigering van een cumulatiemachtiging te heroverwegen en bovendien verzoekt om uw cliënt te horen teneinde dit verzoek tot heroverweging mondeling te komen toelichten. In de eerste plaats dien ik u erop te wijzen dat in ons aangetekend schrijven d.d. 1 juli 2014 duidelijk werd gemotiveerd waarom er in casu een negatieve beslissing werd genomen. De inhoud van dat aangetekend IX-9214-4/23 schrijven blijft dan ook onverkort gelden. Ik dien u in dit verband in de eerste plaats uitdrukkelijk te verwijzen naar artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel: artikel 12 § 1, 4e alinea van het bovenvermelde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 vermeldt duidelijk dat een cumulatiemachtiging slechts bekomen mag worden mits inachtneming van de wetten en reglementen die de uitoefening van de activiteit regelen. Voor het FAVV geldt er, in de tweede plaats, zelfs een specifieke reglementering, zijnde het koninklijk besluit van 8 maart 2004 tot bepaling van de bijzondere aanwervingsvoorwaarden van het statutaire en het contractuele personeel van het FAVV en tot regeling van de dienst met het oog op het voorkomen van belangenconflicten. In dat koninklijk besluit, zoals in ons aangetekend schrijven van 1 juli 2014 reeds uitvoerig is uiteengezet, wordt duidelijk in de artikels 3 § 1, a) en 4 § 1, 1° eerste alinea vermeld dat de gevraagde cumulatiemachtiging onverenigbaar is met de huidige functie van uw cliënt bij het FAVV. Het feit dat uw cliënt stelt dat het in realiteit gaat om het aanbevelen van voedingsmiddelen en niet om de verkoop van voedingssupplementen noch van dieetvoedingsmiddelen, doet er niet toe daar het niet kan uitgesloten worden dat uw cliënt in contact komt met operatoren (via het aanbevelen van bepaalde voedingsmiddelen) – al was het maar om zich te documenteren – die door het FAVV worden gecontroleerd, hetgeen totaal onverenigbaar is met de functie die uw cliënt uitoefent in de sector distributie van het FAVV: uw cliënt oefent namelijk via de cumul een commerciële activiteit uit in een sector die onder de bevoegdheden van het Agentschap vallen. Immers het voormeld koninklijk besluit van 8 maart 2004 is zo opgesteld (meer bepaald artikel 2) dat zelfs het vermoeden van een eventuele veronderstelling van een belangenconflict dient te worden gemeld en eventueel geremedieerd dient te worden: binnen het FAVV wordt als – controlemechanisme teneinde de veiligheid van de voedselketen te waarborgen – met de grootste aandacht de professionele onafhankelijkheid en objectiviteit van onze agenten gevrijwaard en de perceptie van professionalisme van onze controleurs hoog in het vaandel gedragen. Het is namelijk zo dat uw cliënt bepaalde producten van operatoren moet aanbevelen, terwijl hij andere van concurrenten moet afraden. Dit zou aanleiding kunnen geven tot kritiek van de operatoren. Het uitoefenen van deze cumulatie is bijgevolg onverenigbaar met de functie die betrokkene uitoefent in de sector distributie van het FAVV: het uitvoeren van controles en audits in de distributiesector combineren met het geven van voedings- en dieetadvies is niet cumuleerbaar. Daar is geen discussie over mogelijk en hierover wordt een gelijk beleid gevoerd ten aanzien van alle agenten. In dit verband wens ik uw cliënt ook te wijzen op de Omzendbrief nr. 573 van 17 augustus 2007 met betrekking tot het deontologische kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt, meer bepaald op het hoofdstuk ‘Onpartijdigheid’, nr. 16: IX-9214-5/23 ‘De ambtenaren hoeden zich ervoor om zich te plaatsen of geplaatst te worden in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin zij zelf of door een tussenpersoon een voordeel hebben dat de onpartijdige en objectieve uitoefening van hun ambt kan beïnvloeden of een gewettigde argwaan van zulke invloed kan wekken. De persoonlijke belangen van de ambtenaren zijn in principe gewettigd, maar dienen steeds verenigbaar te zijn met de onpartijdigheid die wordt vereist bij de uitoefening van het ambt.’ Evenmin doet uw verwijzing naar eerder toegekende cumulatiemachtigingen uit 1997 en 1998 ertoe: artikel 6 § 5 en 6 van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) verwijst naar specifieke reglementering teneinde ieder belangenconflict te voorkomen, namelijk het hierboven reeds meermaals genoemde koninklijk besluit van 8 maart
- Tot slot, wat betreft uw stelling dat – aangezien er (nog) geen Raad van Beroep is ingesteld, de beroepstermijn nog geen aanvang neemt en er een rechtsonzekerheid ontstaat, raakt deze kant noch wal: In de eerste plaats, zou het aangetekende beroep vanwege uw cliënt als onontvankelijk beoordeeld worden, daar de voorwaarde geldt dat het om een onverenigbaarheid dient te gaan waarvan niet kan worden afgeweken. In casu gaat het om een cumul[atie]aanvraag én kan er middels een interne maatregel – vb. het uitoefenen van een administratieve functie – van de vastgestelde onverenigbaarheid worden afgeweken en dus geremedieerd worden. In de tweede plaats: in mijn schrijven van 1 juli 2014 vermeld ik duidelijk aan uw cliënt dat er een mogelijkheid bestaat om beroep aan te tekenen binnen 60 dagen vanaf kennisgeving (zijnde 1 juli 2014). Er kan dus geen sprake zijn van enige onduidelijkheid, vermits dit daarenboven ook de enige beroepsmogelijkheid is – gelet op de aard van de aanvraag (cumulatie). Immers, elk besluit van een administratieve overheid met een individuele strekking – zoals in casu het geval is – dient door de overheid persoonlijk ter kennis worden gebracht van de betrokkene. Zonder deze kennisgeving begint de beroepstermijn voor het instellen van een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State (60 dagen), niet te lopen. Evenwel, voegt artikel 19, tweede lid van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State hier een erg belangrijke verplichting aan toe. Bij de kennisgeving van de beslissing dient de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State expliciet te worden vermeld. De sanctie, bij het niet naleven van deze bepaling, is dat de voornoemde beroepstermijn pas start 4 maanden na de kennisgeving, zodat men in feite 6 maanden tijd heeft om de betreffende beslissing aan te vechten bij de Raad van State. In casu is de beroepsmogelijkheid duidelijk vermeld en indien niet het geval was – quod non – was de enige sanctie dat de beroepstermijn later begon te lopen. Ik wens dan ook niet in te gaan op het verzoek van uw cliënt tot heroverweging, evenmin op zijn verzoek om gehoord te worden en herhaal integraal de inhoud van mijn aangetekend schrijven d.d. 1 juli
- IX-9214-6/23 Ik herhaal dan ook: dit betekent dat u[w] cliënt, conform artikel 3 § 5 van bovenvermeld koninklijk besluit van 8 maart 2004: - oftewel een einde stelt aan de betreffende activiteit binnen de drie maanden na kennisgeving van deze beslissing; - oftewel uw cliënt voor de duur van één jaar, en eenmaal hernieuwbaar, met verlof zonder wedde wordt gestuurd. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Gelieve dan ook het nodige te doen opdat uw cliënt zich in orde […] stelt met de geldende reglementering. Ik dien uw cliënt tot slot te wijzen op artikel 14 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 2 oktober 1937: iedere inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtstraffen. Dit schrijven gebeurt onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis. […].” 3.
- Met een brief van 23 december 2014 gericht “aan de bevoegde raad van beroep bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen” maant de raadsvrouw van verzoeker de raad van beroep bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 maart 2004 aan om een uitspraak te doen over het op 29 augustus 2014 ingediende beroep. Meer bepaald wordt verzocht om het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, namelijk om te beslissen dat er geen sprake is van een onverenigbaarheid waarvan niet kan worden afgeweken en om de gevraagde cumulatiemachtiging te verlenen. In dit schrijven wordt voorts vermeld dat bij gebrek aan een beslissing in de gevraagde zin binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van deze aanmaning met toepassing van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een beroep tot nietigverklaring tegen de stilzwijgende weigering zal worden ingesteld bij de Raad van State. 3.
- De gedelegeerd bestuurder beantwoordt op 23 maart 2015 het voormelde schrijven van 23 december 2014 als volgt: “Ik verwijs naar uw schrijven van 23 december 2014 waarin u namens uw cliënt, dhr. […], aanmaant tot het nemen van een beslissing over het beroep tegen de weigering van een cumul[atie]machtiging. Gelet op het feit dat u dit schrijven onterecht richt aan het adres van het FAVV, dienen wij uw cliënt opnieuw mee te delen dat in toepassing van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het IX-9214-7/23 rijkspersoneel u zich tegen de weigering van een cumul[atie]machtiging dient te wenden tot de Raad van State. De verzending van het verzoekschrift naar de Raad van State gebeurt bij een ter post aangetekend verzoekschrift naar het volgende adres: Wetenschapsstraat 33 - 1040 Brussel. […].” Deze “beslissing van 23 maart 2015”, alsook de “stilzwijgende afwijzende beslissing van de bevoegde raad van beroep bij het FAVV als bedoeld in artikel 6 van het KB van 8 maart 2004” worden door verzoeker aangevochten met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Bij arrest nr. 237.401 van 20 februari 2017 verwerpt de Raad dit beroep. 3.
- Op 28 februari 2017 dient verzoeker een ‘aanvraag tot cumulatiemachtiging en/of melding van belangenconflict(en)’ in om naast zijn activiteiten van controleur bij de verwerende partij – die door hem worden omschreven als “uitvoeren van controles in de distributiesector” – ook de activiteit van diëtist als zelfstandige in bijberoep te mogen uitoefenen. In het aanvraagformulier geeft verzoeker onder punt III.4 een ruime beschrijving van wat deze activiteit volgens hem precies inhoudt. Onder punt V verklaart verzoeker dat deze activiteit in overeenstemming is met het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937) en met het koninklijk besluit van 8 maart 2004, daarbij aangevend de volgende maatregelen zelf te hebben genomen om een belangenconflict te vermijden: “Deze aanvraag tot cumul[atie]activiteit verschilt van de vorige aanvraag in haar gedetailleerde beschrijving van de activiteit en het aanvullen ervan met waarborgen die als doel hebben een mogelijk belangenconflict of elk vermoeden ervan te voorkomen. De omschreven nevenactiviteit is in geen geval een onverenigbaarheid zoals omschreven in luik II. De omschrijving van de nevenactiviteit en de voorwaarden waaronder die zal worden uitgeoefend sluit ook elk mogelijk ander belangenconflict of onverenigbaarheid uit. Zij vormen de garantie dat de nevenactiviteit zich strikt binnen het kader van de gezondheidszorg afspeelt en niet binnen een domein of in een sector die onder de bevoegdheid van het FAVV valt.” IX-9214-8/23 3.
- Op 3 april 2017 verleent zijn hiërarchische meerdere een negatief advies over verzoekers aanvraag, dat als volgt wordt gemotiveerd: “De controleur werkt in de sector distributie en wenst advies te geven als diëtist. In dit advies wordt er ook gesproken over voedingsmiddelen van operatoren die onder de bevoegdheid van het FAVV vallen. Derhalve kan er potentieel een belangenvermenging ontstaan en is het advies voor de belangenaanvraag/cumul[atie]machtiging negatief.” Op 12 april 2017 zendt verzoekers hiërarchische meerdere het volgend schrijven in verband met de betreffende cumulatiemachtiging/belangenconflict aan het directoraat-generaal Controle: “In bijlage bezorg ik u een aanvraag tot cumulatiemachtiging en melding van belangenconflict. Het betreft een aanvraag van […] – Controleur DIS. Ter info: Dhr. […] heeft in het verleden dezelfde cumul[atie]machtiging/belangenconflict aangevraagd. Deze werd geweigerd, waarop hij een beroepsprocedure heeft ingesteld. Recent is er door de Raad van State een uitspraak in deze zaak geweest (uitspraak is mij[...] niet bekend). Op basis van deze uitspraak is hij van mening dat een nieuwe aanvraag kan ingediend worden.” Op respectievelijk 14 april 2017 en 21 april 2017 adviseren de directeur van het directoraat-generaal Controle en de directeur-generaal eveneens negatief en gaan zij akkoord met het advies van de hiërarchische chef. 3.
- Met een brief van 14 juli 2017 deelt de gedelegeerd bestuurder het volgende mee aan verzoeker met betrekking tot zijn “[e]xtra motivatie van cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 na arrest van de Raad van State”: “Ondertussen heb ik kennis kunnen nemen van de uitbreiding van de motivatie van uw aanvraag tot het uitoefenen van een cumul als diëtist d.d. 24 april 2014 en van het arrest van de Raad van State d.d. 20 februari 2017 (nr. 237.401). Het arrest van de Raad van State gaat echter niet inhoudelijk in op uw initiële cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 en de weigering daarvan – in casu werd uw beroep bij de Raad van State tegen de weigering van een cumulmachtiging onontvankelijk verklaard wegens laattijdig ingediend – zodat de extra motivering d.d. 28 februari 2017 van uw initiële cumulaanvraag dient vergeleken te worden met uw oorspronkelijke IX-9214-9/23 aanvraag d.d. 24 april
- Ik dien echter vast te stellen dat deze extra motivatie in se geen nieuwe argumenten bevat teneinde de weigering van uw cumulaanvraag d.d. 1 juli 2014 te herzien: de motivatie bevat inderdaad een meer gedetailleerde beschrijving van de uit te voeren activiteiten en u beschrijft nu een aantal waarborgen teneinde een belangenconflict te vermijden, maar deze extra motivatie voegt niets toe aan de uitleg die u reeds gaf in uw cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 en aan uw toenmalig PCE-hoofd dhr. [J.D.] in een e-mail van 16 mei
- Het blijft immers een gegeven – zoals al reeds uitvoerig werd beschreven in de weigeringsbrief d.d. 1 juli 2014 en in de aangetekende antwoordbrieven aan uw advocaten d.d. 10 oktober 2014 en 23 maart 2015 – dat u een activiteit als diëtist wenst uit te voeren in een sector die onder de bevoegdheden van het FAVV valt, meer bepaald in een sector waarin u werkzaam bent als controleur, hetgeen totaal onverenigbaar is enerzijds met uw hoedanigheid als controleur bij het FAVV en anderzijds met de functie die u uitoefent in de sector distributie van het FAVV: de uitvoering van controles en audits in de distributiesector cumuleren met de uitoefening van een praktijk als diëtist is niet mogelijk. Zoals u weet, is daar geen discussie over mogelijk binnen het FAVV en is dit ook zo ten overvloede gecommuniceerd op de infosessies van het voorjaar
- Het heeft bijgevolg geen zin om uw aanvraag telkenmale opnieuw in te dienen, al dan niet met een gevarieerde omschrijving van de activiteit van diëtist. Temeer daar een vlugge opzoeking op Internet aantoont dat u zich wel degelijk profileert als ‘voedingsdeskundige – diëtist – sportdiëtist’. Ik dien dan ook te besluiten met een verwijzing naar de weigering van 1 juli 2014 – waarvan kopie als bijlage – evenals naar artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel: iedere inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtstraffen. In dit verband maan ik u dan ook opnieuw aan om de uitoefening van elke activiteit gerelateerd aan deze geweigerde cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 met onmiddellijke ingang te staken en elke mogelijke verwijzing naar de geweigerde cumulactiviteit onmiddellijk te verwijderen zolang u werkzaam bent bij het FAVV vermits het FAVV de grootste aandacht besteedt aan de vrijwaring van de professionele onafhankelijkheid en objectiviteit van onze agenten en zelfs de perceptie van een mogelijk belangenconflict wenst te vermijden. Gelieve dan ook het nodige te doen teneinde u in orde te stellen met de geldende reglementering. Een kopie van dit schrijven wordt eveneens naar uw PCE-hoofd verstuurd ter opvolging. Indien u wenst, kan u steeds een afspraak met mij maken teneinde hierover gehoord te worden.” Deze brief wordt door verzoeker aangemerkt als de eerste bestreden beslissing. IX-9214-10/23 3.
- Met een brief van 25 juli 2017 wijst de raadsvrouw van verzoeker erop dat de cumulatieaanvraag van 28 februari 2017 geen extra motivering betreft, maar wel een nieuwe cumulatieaanvraag met een andere omschrijving van de cumulactiviteit in vergelijking met de aanvraag van 24 april
- Daarnaast merkt zij op dat de cumulatiemachtiging geacht moet worden ambtshalve te zijn verleend daar de beslissingstermijn, die is voorzien in artikel 12, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, op 14 juli 2017 reeds was verstreken. Daarom vraagt zij de verwerende partij om de weigeringsbeslissing vervat in de brief van 14 juli 2017 in te trekken. Indien de verwerende partij niet zou overgaan tot intrekking, vraagt zij om te worden gehoord. 3.
- Op 31 augustus 2017 wordt verzoeker gehoord door de gedelegeerd bestuurder. 3.
- Met een brief van 30 oktober 2017 deelt de gedelegeerd bestuurder het volgende mee aan verzoeker met betrekking tot zijn “[e]xtra motivatie van cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 na arrest van de Raad van State”: “In bijlage kan u twee exemplaren terugvinden van het proces-verbaal van de hoorzitting d.d. 31 augustus
- Gelieve één exemplaar te ondertekenen en bij voorkeur per aangetekende zending terug te sturen ter attentie van bovenvermelde contactpersoon. Ondertussen heb ik naar aanleiding van de door u beantwoorde vragen op de hoorzitting d.d. 31 augustus 2017 volgende beslissing kunnen nemen: Gelet op mijn eerder aangetekend schrijven van 14 juli 2017 – waarvan de inhoud onverkort blijft gelden – waarin u opnieuw uitgebreid werd gewezen op de totale onverenigbaarheid van de betreffende cumulactiviteit als diëtist met de functie die u uitoefent in de sector distributie van het FAVV, namelijk de uitvoering van controles en audits in de distributiesector; Gelet op het feit dat uit het verhoor duidelijk blijkt dat uw onderhavige ‘aanvraag’ d.d. 28 februari 2017 dezelfde gevraagde cumulactiviteit behelst (het geven van dieet- en voedingsadvies) als de cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 en dat het voorliggende document louter een verduidelijking is van die aanvraag d.d. 24 april 2014 naar aanleiding van het recent tussengekomen arrest van de Raad van State d.d. 20 februari 2017 en dus niet als een nieuwe aanvraag wordt beschouwd; Gelet op het feit dat eveneens uit het verhoor duidelijk blijkt dat de essentie IX-9214-11/23 van het onverenigbare belangenconflict in de gemelde cumulactiviteit nog steeds aanwezig is, ondanks de toegevoegde motivatie en de extra gegeven waarborgen ten opzichte van de initiële aanvraag, namelijk het doen van uitspraken over levensmiddelen (i.e. al dan niet het effect ervan) die u tegelijk dient te beoordelen als controleur voor het FAVV. Het blijft immers een gegeven – zoals al reeds uitvoerig werd beschreven in de weigeringsbrief d.d. 1 juli 2014 en in de aangetekende antwoordbrieven aan uw advocaten d.d. 10 oktober 2014 en 23 maart 2015 – dat u een activiteit als diëtist wenst uit te voeren in een sector die onder de bevoegdheden van het FAVV valt, meer bepaald in een sector waarin u werkzaam bent als controleur, hetgeen totaal onverenigbaar is enerzijds met uw hoedanigheid als controleur bij het FAVV en anderzijds met de functie die u uitoefent in de sector distributie van het FAVV: de uitvoering van controles en audits in de distributiesector cumuleren met de uitoefening van een praktijk als diëtist is niet mogelijk. Zoals u weet, is daar geen discussie over mogelijk binnen het FAVV en is dit ook zo ten overvloede gecommuniceerd op de infosessies van het voorjaar 2015; Gelet op het feit dat deze toegevoegde motivatie, de extra waarborgen en de uitleg tijdens de hoorzitting d.d. 31 augustus 2017 niets toevoegt aan de uitleg die u reeds gaf in uw cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 en aan uw toenmalig PCE-hoofd […] in een e-mail van 16 mei 2014; Gelet op het feit dat tevens uit het verhoor blijkt dat u inziet dat naar het publiek het vermoeden ontstaat dat u door de uitoefening van de cumulactiviteit in se twee met elkaar onverenigbare taken tegelijk uitvoert, namelijk het controleren van levensmiddelen en tegelijk het formuleren van adviezen inzake diezelfde levensmiddelen en voedingssupplementen en dit ten aanzien van derden én van operatoren; Dien ik dan ook opnieuw te besluiten met een verwijzing naar de weigering van de cumulactiviteit d.d. 1 juli 2014 evenals naar artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel: iedere inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtstraffen. In dit verband – zoals ook voorgesteld op het verhoor d.d. 31 augustus 2017 – geef ik u middels dit schrijven de mogelijkheid om een andere functie uit te voeren voor het FAVV waarin deze absolute onverenigbaarheid niet aanwezig is en u bijgevolg de gewenste cumul wel kan uitoefenen, namelijk als: 1) administratief deskundige (niveau B) bij de Vulgarisatie- en begeleidingscel (dienst Communicatie) – diensten van de Gedelegeerd bestuurder op het hoofdbestuur te Brussel; 2) administratief deskundige (niveau B) binnen het GIP te Antwerpen. U vindt eveneens in bijlage de functiebeschrijving terug van een administratief deskundige (niveau B). Gelieve mij zo snel mogelijk te laten weten (uiterlijk vrijdag 16 november 2017) welke optie u prefereert. Indien u geen gebruik wenst te maken van een van deze voorgestelde opties, maan ik u dan ook opnieuw aan om de uitoefening van elke activiteit gerelateerd aan deze geweigerde cumulaanvraag d.d. 24 april 2014 met onmiddellijke ingang te staken en elke mogelijke verwijzing naar de geweigerde cumulactiviteit onmiddellijk te verwijderen zolang u werkzaam IX-9214-12/23 bent bij het FAVV vermits het FAVV de grootste aandacht besteedt aan de vrijwaring van de professionele onafhankelijkheid en objectiviteit van onze agenten en zelfs de perceptie van een mogelijk belangenconflict wenst te vermijden. Een kopie van dit schrijven wordt eveneens naar uw LCE-hoofd ter opvolging en per e-mail naar uw advocaat verstuurd.” Deze brief wordt door verzoeker aangemerkt als de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is. Zij is in hoofdorde van oordeel dat de beide bestreden beslissingen slechts informatieve mededelingen zijn, die geen rechtsgevolgen teweeg brengen en dan ook geen aanvechtbare rechtshandelingen zijn. Zij argumenteert dat uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat haar gedelegeerd bestuurder louter ter informatie aan verzoeker heeft meegedeeld dat zijn nieuwe aanvraag geen afbreuk deed aan de beslissing van 1 juli
- Verzoeker wenste immers opnieuw een cumulatiemachtiging te verkrijgen om het beroep van diëtist uit te oefenen, terwijl dit absoluut onverenigbaar is met zijn functie als controleur in de sector Distributie. Uit de formulering van de eerste bestreden beslissing blijkt dat het niet om een weigering van cumulatiemachtiging gaat, maar wel om een mededeling dat de beslissing van 1 juli 2014 onverkort blijft gelden en om een aanmaning aan verzoeker om zijn activiteiten als diëtist te staken. Dat verzoekers cumulatieaanvraag overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 werd behandeld, doet naar het oordeel van de verwerende partij geen afbreuk aan het feit dat de eerste bestreden beslissing slechts een informatieve mededeling betreft. Zij merkt op dat door de hiërarchische chef van verzoeker aan het directoraat-generaal Controle werd gemeld dat het verzoeker was die meende dat een nieuwe aanvraag kon worden ingediend naar aanleiding van het arrest van de Raad van State waarin zijn beroep tot nietigverklaring tegen IX-9214-13/23 de weigering van zijn cumulatieaanvraag van 1 juli 2014 werd verworpen. Voorts wijst zij er ook op dat, aangezien het een louter informatieve mededeling betrof, in het schrijven van 14 juli 2017 geen beroepsmogelijkheden werden vermeld, in tegenstelling tot wat het geval was in de beslissing van 1 juli
- Naar het oordeel van de verwerende partij moet dan ook worden aangenomen dat de rechtstoestand van verzoeker werd geregeld met de beslissing van 1 juli 2014 houdende weigering van zijn cumulatieaanvraag en dat de eerste bestreden beslissing een louter informatieve mededeling is van de gedelegeerd bestuurder aan verzoeker. De verwerende partij meent dat dit a fortiori ook geldt voor de tweede bestreden beslissing aangezien dit louter een brief betreft waarin de gedelegeerd bestuurder aan verzoeker meedeelt bij zijn standpunt te blijven, ook na verzoeker te hebben gehoord. In ondergeschikte orde is de verwerende partij van oordeel dat de bestreden beslissingen van 14 juli 2017 en van 30 oktober 2017 hoogstens kunnen worden gekwalificeerd als louter bevestigende beslissingen van de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014, waarnaar ze beiden verwijzen. Zij meent dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, er geen sprake is van nieuwe elementen die haar ertoe zouden hebben gebracht een nieuw onderzoek van de zaak te doen. De twee constitutieve elementen waarop de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 steunde, bleven immers aanwezig. Verzoeker oefent namelijk nog steeds de functie uit van controleur in de sector Distributie en hij wenst nog steeds een functie uit te oefenen van diëtist-voedingsdeskundige. De aangevraagde activiteit valt dan ook nog steeds onder een absolute onverenigbaarheid bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 8 maart 2004 en er diende geen nieuw onderzoek te gebeuren van de door verzoeker aangevoerde nieuwe elementen aangezien deze niet konden doen afwijken van het besluit vervat in de weigeringsbeslissing van 1 juli
- Dat in de brieven van 14 juli 2017 en van 30 oktober 2017 werd geantwoord op de argumenten van verzoeker, doet naar het oordeel van de verwerende partij geen afbreuk aan de voornoemde vaststelling. Volgens de verwerende partij kan het haar niet ten kwade worden geduid dat zij uit zorgvuldigheid heeft geantwoord op IX-9214-14/23 de door verzoeker aangehaalde argumenten. De verwerende partij meent ook dat verzoeker ten onrechte beweert een nieuwe cumulatieaanvraag te hebben ingediend. Zij doet gelden dat de cumulatieaanvraag die verzoeker naar aanleiding van arrest nr. 237.401 van 20 februari 2017 van de Raad van State heeft ingediend dezelfde activiteit betrof als deze die in de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 als een absolute onverenigbaarheid werd beschouwd in de zin van artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 8 maart
- Tot slot merkt de verwerende partij nog op dat ook de tweede bestreden beslissing niet als een nieuwe beslissing kan worden beschouwd, zelfs niet ten aanzien van de eerste bestreden beslissing. De tweede bestreden beslissing betreft immers niet meer dan een brief van de gedelegeerd bestuurder waarin de inhoud van de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 wordt bevestigd.
- Anticiperend op deze exceptie betoogt verzoeker reeds in het verzoekschrift dat de cumulatieaanvraag van 28 februari 2017 een nieuwe cumulatieaanvraag betreft met een andere en omstandigere omschrijving van de cumulactiviteit in vergelijking met de aanvraag die werd gedaan op 24 april
- Bovendien is ook de functiebeschrijving intussen gewijzigd: verzoeker is thans nog enkel belast met controles, niet meer met audits. Verzoeker merkt op dat artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet belet dat later een nieuwe cumulatieaanvraag wordt ingediend. Er staat immers geen beperking op het aantal cumulatiemachtigingen dat kan worden aangevraagd. Verzoeker is van oordeel dat de verwerende partij zich met de eerste bestreden beslissing duidelijk heeft gebogen over de nieuwe elementen van zijn aanvraag, die bedoeld waren om tegemoet te komen aan de bezwaren van de verwerende partij tegen de oudere cumulatieaanvraag. De verwerende partij stelt in de eerste bestreden beslissing immers vast dat verzoeker een aantal waarborgen heeft beschreven om een belangenconflict te vermijden en zij oordeelt vervolgens dat deze extra motivering niets toevoegt. Volgens verzoeker gaat het dan ook niet om een louter bevestigende beslissing, maar om een nieuwe beslissing. IX-9214-15/23 De tweede bestreden beslissing is naar het oordeel van verzoeker om dezelfde redenen geen louter bevestigende beslissing, zelfs niet ten aanzien van de eerste bestreden beslissing. Deze tweede bestreden beslissing werd immers ook genomen na een nieuw onderzoek van de zaak, meer in het bijzonder na verzoeker te hebben gehoord en na analyse van de antwoorden op de diverse vragen die hem werden voorgelegd. Ook hier kan de verwerende partij in redelijkheid niet betwisten dat een nieuwe beslissing werd genomen, na een nieuwe beoordeling van de nieuwe aanvraag en van de argumenten die werden uiteengezet op de hoorzitting, zo stelt verzoeker.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat de exceptie van de verwerende partij in hoofdorde voorbijgaat aan de bepalingen van artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en de gevolgde procedure. De verwerende partij erkent zelf de door voornoemd artikel 12 voorgeschreven procedure te hebben doorlopen. Zo heeft verzoekers hiërarchische meerdere een negatief advies verstrekt en dit via hiërarchische weg bezorgd aan de gewestelijk directeur van het directoraat-generaal Controle die het advies van de hiërarchische chef heeft bevestigd en de aanvraag heeft verstuurd naar de directeur-generaal van het directoraat-generaal Controle. Uiteindelijk heeft de gedelegeerd bestuurder de aanvraag geweigerd. De weigeringsbeslissing werd evenwel laattijdig genomen zodat overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 de cumulatiemachtiging geacht moet worden ambtshalve te zijn verleend. Om die ambtshalve verleende cumulatiemachtiging teniet te doen heeft de directeur-generaal op 14 juli 2017 alsnog een expliciete beslissing genomen om de cumulatiemachtiging te weigeren met verwijzing naar de eerste weigering uit
- De eerste bestreden beslissing is daarom wel degelijk een individuele rechtshandeling met rechtsgevolgen en niet louter een informatieve mededeling. Het beroep tegen de eerste bestreden beslissing is derhalve ontvankelijk en hetzelfde geldt voor de tweede bestreden beslissing. Verzoeker merkt nog op dat het in casu een beslissing betreft na het doorlopen van een specifieke aanvraagprocedure waarbij het bestuur verplicht is IX-9214-16/23 een beslissing over de aanvraag te nemen. Het stilzitten van het bestuur wordt zelfs gesanctioneerd met een stilzwijgende cumulatiemachtiging. Wat de in ondergeschikte orde opgeworpen exceptie van de verwerende partij betreft, repliceert verzoeker dat van louter bevestigende beslissingen geen sprake kan zijn. Hij argumenteert dat er beslist is over een nieuwe cumulatieaanvraag met een andere omschrijving van de cumulactiviteit. Bovendien is zijn functieomschrijving intussen gewijzigd. De beslissing is ook genomen nadat de verwerende partij zelf de procedure via hiërarchische weg heeft gevolgd om over de cumulatieaanvraag te beslissen. Met de eerste bestreden beslissing heeft de verwerende partij zich duidelijk gebogen over de nieuwe elementen van de aanvraag en ook de tweede bestreden beslissing werd genomen na een nieuw onderzoek van de zaak. Het feit dat over een nieuwe aanvraag desgevallend eveneens een weigeringsbeslissing wordt genomen net zoals over een eerdere aanvraag, belet naar het oordeel van verzoeker niet dat er sprake is van een nieuwe aanvechtbare beslissing. Volgens verzoeker kan ook niet worden betwist dat het beantwoorden van de nieuwe argumenten aangevoerd in de cumulatieaanvraag (eerste bestreden beslissing) en tijdens de hoorzitting (tweede bestreden beslissing) tot gevolg heeft dat een nieuw onderzoek aan de zaak werd gewijd.
- In de laatste memorie handhaaft verzoeker zijn standpunt. Hij benadrukt daarbij dat de bestreden beslissingen zijn rechtspositie wijzigen doordat ze een eerdere ambtshalve verleende cumulatiemachtiging ongedaan maken. En voor zover zou moeten worden aangenomen dat er van een ambtshalve cumulatiemachtiging geen sprake is, meent verzoeker dat de bestreden beslissingen beletten dat zijn rechtspositie op een voor hem gunstige wijze wordt gewijzigd door expliciet de gevraagde cumulatiemachtiging te verlenen. Beoordeling IX-9214-17/23
- Een louter bevestigende beslissing is een beslissing waarvan het voorwerp identiek is aan de eerste beslissing. Dit is het geval wanneer de tweede beslissing dezelfde draagwijdte en gevolgen heeft en niet genomen is op grond van andere motieven of na een nieuw onderzoek ten gronde of na kennisneming van nieuwe gegevens. Een dergelijke beslissing is in regel niet aanvechtbaar voor de Raad van State, aangezien geen nieuwe beslissing genomen wordt maar verwezen wordt naar de reeds bestaande beslissing, hetgeen geen gevolgen in rechte heeft.
- Verzoeker heeft op 28 februari 2017 – en dus slechts enkele dagen na de verwerping door de Raad van State van het beroep tot nietigverklaring van de beslissingen van de verwerende partij in het kader van zijn eerdere cumulatieaanvraag van 24 april 2014 – bij de verwerende partij opnieuw een ‘aanvraag tot cumulatiemachtiging en/of melding van belangenconflict(en)’ ingediend om naast zijn activiteiten van controleur bij de verwerende partij ook de activiteit van diëtist als zelfstandige in bijberoep te mogen uitoefenen. Verzoekers hiërarchische meerdere heeft, na op 3 april 2017 een negatief advies te hebben verstrekt, deze aanvraag langs hiërarchische weg verzonden. Op respectievelijk 14 april 2017 en 21 april 2017 hebben de directeur van het directoraat-generaal Controle en de directeur-generaal eveneens negatief geadviseerd. Vervolgens heeft de gedelegeerd bestuurder verzoeker met een brief van 14 juli 2017 omtrent zijn vraag ingelicht, werd verzoeker op uitdrukkelijke vraag van zijn raadsvrouw door de verwerende partij op 31 augustus 2017 gehoord en heeft de gedelegeerd bestuurder verzoeker met een brief van 30 oktober 2017 opnieuw ingelicht over zijn vraag.
- Uit de lezing van de bestreden beslissingen van 14 juli 2017 en 30 oktober 2017 blijkt dat ze beide dezelfde draagwijdte en gevolgen hebben en op dezelfde motieven steunen als de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 waarnaar ze beide uitdrukkelijk verwijzen: verzoeker wordt geweigerd om zijn IX-9214-18/23 functie bij de verwerende partij als controleur in de sector Distributie te cumuleren met de activiteit van diëtist-voedingsdeskundige omdat het een absolute onverenigbaarheid betreft. 11.
- Anders dan verzoeker beweert, steunen de bestreden beslissingen niet op een nieuw onderzoek ten gronde van de (on)verenigbaarheid van de door verzoeker aangevraagde activiteit. 11.
- Dienaangaande kan worden vastgesteld dat de verwerende partij verzoekers aanvraag van 28 februari 2017 nooit heeft beschouwd als een nieuwe aanvraag die aan een nieuw onderzoek ten gronde moet worden onderworpen, maar wel als een “[e]xtra motivatie van [de] cumulaanvraag d.d. 24 april 2014” en dit omwille van het gegeven dat in de aanvraag van 28 februari 2017 de constitutieve elementen waarop de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 steunde nog steeds aanwezig waren [zoals dit het geval was in de cumulatieaanvraag van 24 april 2014]. Verzoeker is immers nog steeds controleur in de sector Distributie en hij wenst die functie nog steeds te combineren met de activiteit diëtist- voedingsdeskundige. 11.
- Dat verzoekers aanvraag van 28 februari 2017 werd behandeld zoals voorgeschreven door artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. Zo blijkt de verwerende partij reeds van bij aanvang in vraag te hebben gesteld of de door verzoeker op 28 februari 2017 ingediende aanvraag wel als een ‘nieuwe aanvraag’ moest worden onderzocht. De hiërarchische meerdere, bij wie de aanvraag overeenkomstig artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 moet worden ingediend, heeft meteen bij het doorsturen langs hiërarchische weg van zijn beoordeling op 12 april 2017 te kennen gegeven dat het verzoeker is die van mening is dat een nieuwe aanvraag kan worden ingediend na het arrest van de Raad van State. Dat de hiërarchische meerdere ondanks de door hem geuite twijfels omtrent deze ‘nieuwe aanvraag’ IX-9214-19/23 toch advies heeft uitgebracht en de aanvraag heeft doorgestuurd, kan hem bezwaarlijk ten kwade worden geduid. Het doorsturen van de vraag tot cumulatie langs hiërarchische weg wordt hem immers voorgeschreven door artikel 12, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- Daarbij komt dat de hiërarchische meerdere niet de bevoegde instantie is om te beslissen over de machtiging tot cumulatie en dus ook niet om te beslissen of verzoekers aanvraag al dan niet als een nieuwe aanvraag moest worden onderzocht. Om dezelfde reden kan het evenmin de directeur van het directoraat-generaal Controle en de directeur-generaal worden verweten dat ook zij advies hebben verleend. Ook hen viel het niet toe om te beslissen over de machtiging tot cumulatie en dus ook niet om te beslissen of verzoekers aanvraag al dan niet als een nieuwe aanvraag moest worden onderzocht. Het getuigt net van zorgvuldigheid dat, ondanks de geuite twijfels omtrent verzoekers aanvraag, de procedure formeel werd gevolgd tot aan de instantie die bevoegd is om te beslissen over de machtiging tot cumulatie en dus ook om te beslissen of verzoekers aanvraag al dan niet als een nieuwe aanvraag moest worden onderzocht. Die bevoegdheid valt toe aan de gedelegeerd bestuurder, die heeft besloten de door verzoeker op 28 februari 2017 ingediende aanvraag niet te beschouwen als een nieuwe cumulatieaanvraag, maar wel als een “extra motivatie/verduidelijking” van de reeds eerder ingediende – en definitief afgewezen – aanvraag van 24 april
- Daarbij besluit hij met een verwijzing naar de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 omdat de decisieve elementen waarop de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 steunde nog steeds voorhanden waren in de door verzoeker op 28 februari 2017 ingediende aanvraag. 11.
- Dat de verwerende partij kennis heeft genomen van de door verzoeker in zijn aanvraag van 28 februari 2017 uiteengezette en op de hoorzitting van 31 augustus 2017 toegelichte argumenten, doet evenmin afbreuk aan de vaststelling dat de verwerende partij verzoekers aanvraag niet als een nieuwe aanvraag heeft beschouwd die een nieuw onderzoek ten gronde vereiste. De verwerende partij stelt daaromtrent immers louter dat verzoekers “extra motivatie” niets toevoegt aan de cumulatieaanvraag van 24 april 2014 omdat de constitutieve elementen waarop de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 steunt net IX-9214-20/23 zoals in de aanvraag van 24 april 2014 nog steeds aanwezig zijn, namelijk dat verzoeker zijn functie als controleur in de sector Distributie wil cumuleren met de activiteit van diëtist-voedingsdeskundige terwijl dit een absolute onverenigbaarheid betreft. Hoewel verzoeker argumenteert dat zijn functiebeschrijving bij het indienen van zijn nieuwe aanvraag is gewijzigd in vergelijking met voorheen omdat hij niet meer belast is met het uitvoeren van audits, ontkent hij niet dat hij nog steeds tewerkgesteld is als controleur en belast is met controles in de sector Distributie. Het gaat dan ook niet om een dermate fundamentele wijziging die ertoe kan doen besluiten dat er sprake is van een nieuw feitelijk element dat een nieuw onderzoek ten gronde van de verwerende partij vereiste.
- De verwerende partij mocht dan ook oordelen dat verzoekers aanvraag van 28 februari 2017 in vergelijking met de aanvraag waarover zij op 1 juli 2014 een beslissing heeft genomen, geen nieuwe gegevens bevat en dat het dus geen nieuwe aanvraag betrof die aanleiding moest of kon geven tot een nieuw onderzoek ten gronde. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, kan van een stilzwijgende ambtshalve verleende cumulatiemachtiging – omdat niet zou zijn geantwoord binnen de beslissingstermijn bedoeld in artikel 12, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 – waarop dan met de bestreden beslissingen wordt teruggekomen, geen sprake zijn.
- De verwerende partij heeft in de brieven van 14 juli 2017 en 30 oktober 2017 louter meegedeeld dat de constitutieve elementen van de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 nog steeds aanwezig zijn – namelijk dat verzoeker zijn functie als controleur in de sector Distributie nog steeds wil cumuleren met de activiteit van diëtist-voedingsdeskundige terwijl dit een absolute onverenigbaarheid betreft – zodat de beslissing van 1 juli 2014 onverkort blijft gelden. Met de brieven van 14 juli 2017 en van 30 oktober 2017 wordt IX-9214-21/23 de rechtstoestand van verzoeker geenszins gewijzigd. Verzoekers rechtstoestand was reeds bepaald met de beslissing van 1 juli 2014 genomen naar aanleiding van de cumulatieaanvraag van 24 april
- De brieven van 14 juli 2017 en 30 oktober 2017 zijn niet meer dan een loutere bevestigende mededeling van de weigeringsbeslissing van 1 juli 2014 waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen en die blijft gelden.
- De verwerende partij is dan ook terecht van oordeel dat de brieven van 14 juli 2017 en van 30 oktober 2017 niet als voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandelingen kunnen worden gekwalificeerd.
- Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk ratione materiae. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, IX-9214-22/23 Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9214-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.