id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.700 Rolnummer: A. 228065/IX-9541 Zaak: Arrest 250700 - Tucht (openbaar ambt) - 27/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-07 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.700 van 27 mei 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.700 van 27 mei 2021 in de zaak A. 228.065/IX-9541 In zake: de GEMEENTE ANDERLECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181 bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Fransen en Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: XXXX woonplaats kiezend bij de ACOD gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van beslissing nr. GOO/2019/4/[G] van de kamer van beroep voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van 20 februari
- IX-9541-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XXXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 juli
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Manoël De Keukelaere, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-9541-2/14 III. Feiten
- Op 21 juni 2018 beslist de gemeenteraad van de gemeente Anderlecht een tuchtprocedure op te starten tegen de tussenkomende partij, vastbenoemde leerkracht in het gemeentelijk Nederlandstalig lager onderwijs te Anderlecht. Op 6 juli 2018 wordt de tussenkomende partij uitgenodigd om door de gemeenteraad gehoord te worden op 27 september
- De oproepingsbrief luidt: “Wij informeren u dat een tuchtdossier tegen u werd samengesteld en dat een maximale tuchtsanctie wordt beoogd ingevolge het vonnis […] van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel op datum van 12 januari
- Op basis van het principe van de hiërarchie van de tuchtsancties, kan u een maximale tuchtsanctie krijgen, overeenkomstig het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding van 27 maart
- Bijgevolg nodigen wij u uit, in uitvoering van de beslissing van de gemeenteraad van 21 juni 2018, om gehoord te worden door de gemeenteraad op 27 september 2018 […]. Hierbij bezorgen wij u een kopie van uw tuchtdossier. […]” Het verhoor wordt uitgesteld tot 25 oktober
- In de thans bestreden beslissing is te lezen dat de raadsman van de tussenkomende partij op de hoorzitting onder meer uiteenzet dat de oproeping niet voldoet aan het voorschrift van artikel 8, § 5, van het besluit van 22 mei 1991 van de Vlaamse regering ‘omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding’ (“tuchtbesluit”), omdat in de oproeping “een voorstel van tuchtsanctie” ontbreekt en dat de schending van die bepaling de nietigheid van de procedure met zich meebrengt. IX-9541-3/14 De gemeenteraad beslist op 22 november 2018 om de tussenkomende partij de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. De tussenkomende partij tekent hiertegen beroep aan bij de kamer van beroep voor het gesubsidieerd officieel onderwijs. De kamer van beroep beslist op 20 februari 2019 om het raadsbesluit van 22 november 2018 te vernietigen. Dat is de bestreden beslissing, die steunt op de volgende overwegingen: “4.
- Ten aanzien van de betwistingen inzake het niet in acht nemen door het schoolbestuur van de bepalingen die betrekking hebben op de regelmatigheid van de tuchtprocedure, doet de kamer van beroep in laatste aanleg uitspraak met een beslissing die devolutieve werking heeft. De kamer van beroep kan daarbij de gebreken in de procedure die de tuchtoverheid zelf heeft begaan, rechtzetten of herstellen behalve: 1) wat de regels betreft m.b.t. de verjaring van de tuchtfeiten en 2) de voorschriften die op straffe van onontvankelijkheid zijn voorgeschreven of 3) die van rechtswege de nietigheid met zich meebrengen. […] 4.4.
- [...] Uit [artikel 8, § 5, van het tuchtbesluit] volgt dat verzoekende partij [versta: de in deze zaak tussenkomende partij] bij haar oproeping om voor de gemeenteraad te verschijnen in kennis moet gesteld worden van de tuchtstraf die de tuchtoverheid overwoog te nemen. De tuchtstraffen zijn limitatief omschreven in artikel 64 van het decreet. De oproeping moest dus melding maken van één van die tuchtstraffen. 4.4.
- De oproeping d.d. 6 juli 2018 maakt melding van ‘een maximale tuchtsanctie’. Die omschrijving stemt niet overeen met het bepaalde in artikel 64 van het decreet. Gewis stelt de oproeping verder: ‘Op basis van het principe van de hiërarchie van de tuchtsancties kan u een maximale tuchtsanctie krijgen, overeenkomstig het decreet van 27 maart 1991 (...)’ maar het geciteerde decreet bevat geen dergelijke opdeling van de tuchtstraffen in categorieën en dus mist de verwijzing naar de categorie van de maximumstraffen elke juridische grond. Overigens kon de gemeenteraad zich voor de verwijzing naar de mogelijke tuchtstraf ook niet steunen op of een parallelle toepassing maken van de geldende regeling voor het gemeentepersoneel dat niet onder het decreet van 27 maart 1991 valt (artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet), aangezien de specifieke regeling voor het Nederlandstalig onderwijspersoneel geen overlapping toelaat. De kamer van beroep stelt zich overigens, louter bijkomstig, de vraag of het gemeentebestuur met de verwijzing naar ‘een maximale tuchtstraf’ zoals verwerende partij daar inhoud aan geeft, wel een concrete strafmaat voor verzoekende partij beoogde, aangezien dat bestuur in een andere IX-9541-4/14 zaak waarin dezelfde dag een oproeping voor verhoor werd verstuurd, het voorstel van straf op een identieke manier formuleert, wat de schijn opwekt dat een algemene kwalificatie formule kan volstaan om het personeelslid in kennis te stellen van welke straf de tuchtoverheid in overweging neemt. 4.
- Verwerende partij had de verplichting om in de oproeping aan verzoekende partij duidelijk te stellen welke tuchtstraf, voorzien in artikel 64 van het decreet, de gemeenteraad voor ogen hield. De oproeping van 6 juli 2018 voldoet niet aan die voorwaarde. 4.
- De mededeling van het voorstel van tuchtstraf in de oproeping is op straffe van nietigheid voorgeschreven. De oproeping is derhalve nietig. Zij moet voor onbestaande gehouden worden. De nietigheid van de oproeping voor de hoorzitting betekent dat alle volgende stappen in de tuchtprocedure gebrekkig zijn (cfr. R.v.St. nr. 128.185 van 16 februari 2004, Provincie Antwerpen; GOO/2017/224 van 20 december 2017; GOO/2019/1 van 30 januari 2019). De kamer van beroep heeft bijgevolg geen grond om de zaak te onderzoeken, laat staan te beoordelen.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 64 en 69, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (“rechtspositiedecreet”), gelezen in samenhang met de artikelen 8, § 5, en 13, § 4, van het tuchtbesluit, evenals een “manifeste beoordelingsfout” en de miskenning van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoekster betoogt dat in de oproepingsbrief van 6 juli 2018 werd aangegeven dat de maximale tuchtsanctie werd beoogd, zodat er in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat er geen melding zou zijn gemaakt van de tuchtstraf die zij voor ogen had. Er was een mededeling van de voorgenomen tuchtstraf, “met name de maximale tuchtstraf”. IX-9541-5/14 Bovendien komt het haar voor dat het begrip ‘maximale tuchtstraf’ volstaat als melding van voorstel van tuchtsanctie. Verzoekster stelt dat de opsomming van de tuchtstraffen in artikel 64 van het rechtspositiedecreet een hiërarchie in het leven lijkt te roepen. Het kan moeilijk worden betwist dat de tuchtsancties in deze bepaling van licht naar zwaar worden opgesomd. In artikel 64 van het rechtspositiedecreet kan een gelijkaardige hiërarchie worden teruggevonden als in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet. Bovendien blijkt ook uit het rechtspositiedecreet dat er een hiërarchisch verband bestaat tussen de verschillende tuchtsancties. Zo volgt uit artikel 68, § 2, dat een onderscheid wordt gemaakt tussen lichte en zware tuchtstraffen, aangezien het schepencollege bevoegd is om de lichte tuchtstraffen van blaam, afhouding van wedde en schorsing bij tuchtmaatregel voor maximum één maand op te leggen en de tuchtmacht voor de overige, zware tuchtstraffen enkel kan worden uitgeoefend door de gemeenteraad. De hiërarchie tussen de tuchtstraffen volgt overigens eveneens uit artikel 13, § 4, van het tuchtbesluit waarin wordt gesteld dat de kamer van beroep de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet mag verzwaren. Meer nog, in het tuchtdossier dat ter kennis is gebracht van de tussenkomende partij, werd als eerste stuk een toelichtende nota van het OVSG aangewend. Hieruit kon zij perfect opmaken dat er een hiërarchie tussen de verschillende straffen bestaat en dat afzetting als zwaarste straf geldt. De nota verwijst naar de afzetting als de “hoogst voorziene tuchtsanctie”. Ondergeschikt merkt verzoekster op dat de nietigheid kan worden opgeslorpt in het kader van de beroepsprocedure voor de kamer van beroep. Zij wijst op het devolutief karakter van het beroep, dat tot gevolg heeft dat in principe geen acht moet worden geslagen op eventuele onregelmatigheden waarmee de rechtsgang voor de tuchtoverheid desgevallend behept zou zijn. IX-9541-6/14 De bestreden beslissing gaat er volledig aan voorbij dat het normdoel van het voorschrift om het voorstel van tuchtstraf mee te delen was bereikt. Aan de tussenkomende partij werd aangekondigd dat zij de maximale tuchtstraf kon verwachten, hetgeen impliceert dat zij zich in haar verweer kon richten op het ergste scenario. Het was dan ook op zijn minst buitengewoon formalistisch en onevenredig om te oordelen dat de melding ‘maximale tuchtstraf’ tot een sanctie van nietigheid moest leiden. Verzoekster laat gelden dat de Raad van State zelfs al heeft geoordeeld dat de schending van een zelfs op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift slechts tot nietigverklaring leidt, wanneer blijkt dat de schending van dit voorschrift de verzoekende partij heeft benadeeld. In casu is er evident niet de minste belangenschade en heeft de aankondiging dat er een maximale tuchtstraf werd beoogd de tussenkomende partij geen nadeel toegebracht. De bestreden beslissing licht niet toe welke belangenschade er zou zijn geweest zodat de motivering niet afdoende is en de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster haar argumenten, waarbij zij onderstreept dat een eventuele onregelmatigheid aan de tussenkomende partij geen nadeel heeft berokkend en het bereiken van het doel dat met de kennisgeving wordt nagestreefd niet onmogelijk heeft gemaakt. Zij verwijst nogmaals naar de toelichtende nota van het OVSG. Zij kan niet begrijpen dat de kamer van beroep meent dat een leerkracht bijgestaan door een raadsman met al deze informatie niet bij machte geweest zou zijn om zich een idee te vormen van hetgeen zou kunnen worden begrepen onder een maximale tuchtstraf, laat staan dat zij geen gericht verweer zou hebben kunnen voeren tegen “een maximale tuchtstraf”. Zij benadrukt dat ten tijde van de oproeping de afzetting was beoogd en dat zij, naar aanleiding van het verhoor, tot een milder oordeel kwam. IX-9541-7/14
- In haar laatste memorie verdedigt verzoekster dat zij mag uitgaan van het referentiekader van de “normaal voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst”. Dergelijk normaal voorzichtig en redelijk persoon – te weten een lid van het onderwijzend personeel – zou in dezelfde omstandigheden kunnen inschatten wat zij onder maximale tuchtstraf voor ogen had. Nogmaals verwijst zij naar de toelichtende nota van het OVSG die zij aan de tussenkomende partij had bezorgd, waarin alle tuchtstraffen van licht naar zwaar werden opgesomd en waarbij afzetting wordt gekwalificeerd als zijnde de “hoogst voorziene tuchtsanctie”. Bovendien is er volgens verzoekster enkel in een sanctie van nietigheid voorzien indien er geen voorstel van tuchtsanctie zou zijn. Nergens wordt bepaald dat het voorstel van tuchtsanctie ook exact moet overeenstemmen met één welbepaalde sanctie opgesomd in het tuchtbesluit. Verzoekster onderstreept nogmaals dat er geen belangenschade is. Zij verwijst naar de “potpourri I-Wet” die “de wil van de wetgever” moet aantonen om in burgerlijke zaken ervoor te zorgen dat een belangenschade zou moeten worden aangetoond – behoudens wat betreft vervaltermijnen – vooraleer een partij een nietigheid zou kunnen opwerpen. Zij verwijst naar de “Antigoonrechtspraak” in het strafrecht. Dit wijst volgens verzoekster op de “algemene tendens om afstand te doen van blind formalisme zonder oog te hebben voor de vraag of er ook belangschade was”. Nochtans gaf ook de verwerende partij zelf aan dat het omwille van de rechten van verdediging is dat men op straffe van nietigheid de voorgenomen sanctie moet omschrijven. Dit illustreert dat er evident een normdoel bestaat, te weten de rechten van verdediging, waaraan had kunnen en moeten worden getoetst vooraleer de kamer van beroep tot nietigheid mocht besluiten. In casu kan moeilijk worden betwist dat dit normdoel bereikt is, aangezien de betrokkene de kans heeft gekregen om een gericht verweer te voeren, rekening houdend met het ergste scenario. IX-9541-8/14 Beoordeling 7.
- Artikel 64 van het rechtspositiedecreet somt de mogelijke tuchtstraffen op en luidt, voor zoveel als van belang: “In geval van tekortkoming aan hun plichten kunnen de personeelsleden één van de volgende sancties oplopen: 1° blaam; 2° de afhouding van de wedde; 3° de schorsing bij tuchtmaatregel; 4° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel; 5° de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling voor het personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt, de terugzetting in rang voor het personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt of het uitstel van vaste benoeming voor een bepaalde duur van het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur. De terugzetting in rang is niet van toepassing op de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten; 6° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de inrichtende macht beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra; 7° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.” Artikel 68, § 2, eerste zin, van het rechtspositiedecreet luidt: “In het gemeentelijk onderwijs ingericht door de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het schepencollege bevoegd om de blaam, de afhouding van wedde en de schorsing bij tuchtmaatregel voor maximum één maand op te leggen.” Artikel 69, § 2, van het rechtspositiedecreet luidt: “De kamers van beroep doen in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat een personeelslid heeft ingesteld tegen een tuchtstraf die de inrichtende macht heeft uitgesproken. De kamers van beroep hebben de bevoegdheid om de tuchtstraf te bevestigen of te vernietigen, of om een lichtere tuchtstraf uit te spreken. Ze doen tevens uitspraak in alle aangelegenheden waarvoor door of krachtens dit decreet bevoegdheid werd verleend.” IX-9541-9/14 7.
- Artikel 8, § 5, eerste en tweede lid, van het tuchtbesluit luidt: “De oproeping van het personeelslid om voor de tuchtoverheid te verschijnen moet betekend worden bij een ter post aangetekende brief. De oproeping dient op straffe van nietigheid melding te maken van: 1° de ten laste gelegde feiten; 2° het voorstel van tuchtsanctie; 3° de plaats, dag en uur van het verhoor; 4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman; 5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier bedoeld in § 3 kan worden ingezien.”
- Volgens verzoekster volstaat de mededeling van een voorstel van tuchtsanctie, is er enkel in een sanctie van nietigheid voorzien indien er géén voorstel van tuchtsanctie zou zijn en wordt nergens bepaald dat het voorstel van tuchtsanctie ook exact moet overeenstemmen met één welbepaalde sanctie. De Raad van State valt die lezing van artikel 8, § 5, van het tuchtbesluit niet bij. Gelet op het precieze, uitdrukkelijke voorschrift om “het voorstel van tuchtsanctie” mee te delen, is vereist dat aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld welke tuchtstraf concreet in overweging wordt genomen. Anders oordelen zou deze verplichting zinloos maken.
- Het tuchtbesluit vereist niet, dat de bedoelde mededeling in bepaalde, sacrale bewoordingen moet gebeuren. Maar anders dan verzoekster beweert, spreekt de oproeping niet over “de” maximale tuchtsanctie maar over “een” maximale tuchtstraf, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat enkel of precies de afzetting zou worden beoogd. In zoverre verzoekster stelt te hebben verwezen naar “de maximale tuchtstraf”, mist het middel voorts feitelijke grondslag.
- Verzoekster beweert dat zij initieel de afzetting had bedoeld en slechts in de loop van de procedure, na het horen van de tussenkomende partij, tot een milder standpunt is gekomen. Nog daargelaten dat de Raad van State hiervan geen onomstotelijk bewijs terugvindt in de motivering van het initiële tuchtbesluit IX-9541-10/14 noch in het administratief dossier, is dit argument niet ter zake. De tekortkoming die aan verzoekster verweten wordt, houdt immers geen verband met haar intenties maar met haar geschriften, namelijk met wat ten behoeve van het betrokken personeelslid al dan niet moet zijn opgenomen als vermelding in haar oproepingsbrief voor het verhoor.
- Verzoekster kan in zoverre worden bijgevallen, dat de in het decreet opgesomde lijst van tuchtstraffen een gradatie aangeeft. Een blaam is vanzelfsprekend lichter dan de afzetting. Terecht wijst verzoekster erop, dat het aan de kamer van beroep verboden is om de opgelegde tuchtstraf te verzwaren, wat eveneens wijst op een gradatie. Dat is evenwel niet het punt. Noch het rechtspositiedecreet, noch het tuchtbesluit onderscheidt formeel categorieën van tuchtstraffen, zoals lichte (minimale) en zware (maximale) – of lichte, zware en maximale. Ook een terugzetting in rang of een terugkeer tot de tijdelijke aanstelling mag een zware tuchtstraf worden genoemd of zelfs begrepen worden onder de “maximale” tuchtstraffen, want ze heeft een intense weerslag op de administratieve en geldelijke situatie van het getroffen personeelslid. De verdeling van de tuchtmacht tussen het schepencollege en de gemeenteraad waarop verzoekster wijst, spreekt dit niet tegen – integendeel, in die redenering behoort ook de terbeschikkingstelling tot de zware of maximale tuchtstraffen, waarvan de tuchtmacht is voorbehouden aan de gemeenteraad. Door de tussenkomende partij enkel ter kennis te brengen dat zij “een” maximale tuchtstraf overweegt, is verzoekster dus allerminst opgetreden met de precisie die het tuchtbesluit voorschrijft.
- Volgens verzoekster heeft de tussenkomende partij geen belangenschade aangetoond wegens de miskenning van dit vormvoorschrift. IX-9541-11/14 Zij betoogt ook, dat de kamer van beroep deze onregelmatigheid kan herstellen.
- Ook hierin vergist verzoekster zich. Aan de onregelmatigheid in kwestie heeft het tuchtbesluit uitdrukkelijk de sanctie van de nietigheid gekoppeld. Wanneer het verzuim ervan vaststaat, zoals hier het geval is, is de vernietiging door de kamer van beroep louter het gevolg van de toepassing van de (materiële) wet, die de kamer van beroep als orgaan van actief bestuur niet naast zich mag laten. Dat de kamer van beroep geen rekening mag houden met het normdoel, mag verzoekster “buitengewoon formalistisch” noemen. Het is evenwel kritiek die verzoekster niet moet richten aan deze tuchtoverheid, maar wel aan de regelgever. In de bestreden beslissing merkt de kamer van beroep op dat zij gebreken in de procedure die de tuchtoverheid heeft begaan, kan rechtzetten of herstellen behalve 1) wat de regels betreft over de verjaring van de tuchtfeiten, 2) de voorschriften die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven of 3) die van rechtswege de nietigheid met zich meebrengen. De kamer van beroep maakt hiermee een correcte analyse van de draagwijdte van haar hervormingsbevoegdheid. Aangezien de schending van dit vormvoorschrift de nietigheid van de oproeping en bijgevolg van de volledige tuchtprocedure tot gevolg heeft, kan deze onregelmatigheid niet meer worden rechtgezet of “opgeslorpt” en mocht de kamer van beroep niet meer onderzoeken of de tussenkomende partij hierdoor in haar belangen is geschaad, laat staan dat zij hieromtrent een bijkomende motivering in haar beslissing moest opnemen. IX-9541-12/14
- In het licht van wat voorafgaat, is wat de kamer van beroep nog nader overweegt over de hiërarchie van de tuchtstraffen een overtollig motief. Zelfs indien de kritiek van verzoekster op deze overweging terecht ware, zou ze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.
- Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de tussenkomende partij niet bekendgemaakt. IX-9541-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9541-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.