id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.709 Rolnummer: A. 230754/XIV-38341 Zaak: Arrest 250709 - Wapens - 27/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-01 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.709 van 27 mei 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 250.709 van 27 mei 2021 in de zaak A. 230.754/XIV-38.341 In zake: Robrecht WISSELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 mei 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 23 maart 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 18 maart
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het XIV-38.341-1/16 besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021 om 16:40 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nico Demeyere, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker dient aanvragen in voor het voorhanden hebben van verschillende vuurwapens verkregen uit de erfenis van zijn vader en tot registratie van verschillende vuurwapens via model
- 3.
- Op 18 maart 2019 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen verzoekers vergunningen in, alsmede het recht in hoofde van verzoeker tot het voorhanden houden van vuurwapens, in het bijzonder wat de in deze beslissing vermelde vuurwapens betreft. Tevens wordt verzoekers aanvraag tot registratie van de in haar beslissing vermelde vuurwapens niet ingewilligd. Tot slot wordt verzoekers aanvraag tot het bekomen van een vergunning tot het voorhanden hebben van de in haar beslissing vermelde vuurwapens, evenmin ingewilligd. XIV-38.341-2/16 3.
- De gemachtigde van de minister van Justitie verwerpt op 23 maart 2020 verzoekers beroep tegen de voormelde beslissing van de gouverneur. Die beslissing steunt op de volgende motieven: “[…] Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden vastgesteld dat er mogelijks problemen bestaan die zouden kunnen wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Concreet kan verwezen worden naar de pv’s wegens stalking, intoxicatie, wildplassen... Dergelijke feiten zijn onaanvaardbaar voor een wapenbezitter. U kwam herhaaldelijke keren met politie of justitie in aanraking voor feiten die een gevaar voor de openbare orde […] kunnen uitmaken. Weliswaar dateren sommige feiten van enige tijd geleden, toch doen deze twijfels rijzen omtrent uw moraliteit aangezien uit boven vermelde elementen vervat in de verschillende pv’s kan worden afgeleid dat u zich regelmatig bezondigt aan alcohol in het verkeer, wat getuigt van een onverantwoordelijke ingesteldheid. Daarnaast komt u regelmatig in escalerende conflictsituaties met anderen terecht wat erop wijst dat [u] niet over de nodige zelfbeheersing beschikt, die van een vuurwapenbezitter mag worden verwacht. Deze elementen vormen een risico voor de openbare orde en veiligheid. De adviezen van parket en politie zijn dan ook duidelijk op dat vlak. Op basis van de elementen aanwezig in het dossier kan worden geconcludeerd dat er voldoende twijfel bestaat omtrent uw algemene moraliteit en persoonlijkheid. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers.
- Beslissing: Met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat een van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wapenwetgeving net het beschermen van de samenleving en het vermijden van ongelukken is, is de minister van Justitie van oordeel dat een maatregel ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid zich opdringt. Uw vergunning tot het voorhanden houden van uw vuurwapen blijft ingetrokken; uw aanvraag tot registratie op model 9 en uw aanvraag voor nieuwe vergunningen worden geweigerd. Uw beroep tegen de beslissing van de gouverneur van Antwerpen van 18 maart 2019 wordt verworpen.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.341-3/16 IV. Toepassing van de kortedebattenprocedure Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van de artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de Wapenwet, van de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoeker doorstaat de bestreden beslissing niet de wettigheidstoets zoals de Raad van State die in zijn rechtspraak formuleert en dit om de volgende redenen: - uit de bestreden beslissing blijkt niet dat er een beoordeling plaatsvond van de juridische en feitelijke aspecten van het dossier en van de argumenten die verzoeker heeft aangebracht tijdens de administratieve beroepsprocedure; - de in de adviezen opgenomen relevante feiten zijn niet meer actueel; - uit feiten die niet objectief vaststaan en niet actueel zijn worden algemene veronderstellingen gemaakt omtrent de persoonlijkheid van verzoeker waaruit dan een risico voor de openbare orde wordt afgeleid. De bestreden beslissing is om deze reden niet afdoende gemotiveerd. Inzake het actueel karakter van de feiten, doet verzoeker gelden dat de bestreden beslissing niet de door de rechtspraak van de Raad van State vereiste afweging van de verlopen tijd maakt. Vooreerst stelt verzoeker vast dat de bestreden beslissing verwijst naar twee processen-verbaal wegens stalking tijdens de periode 2007-
- Beide vaststellingen gaven geen aanleiding tot vervolging en zijn bovendien niet meer actueel: ze dateren van meer dan dertien jaar geleden. In het advies geeft het openbaar ministerie overigens zelf aan dat “de situatie uiteindelijk terug genormaliseerd is geraakt, waardoor geen verdere vervolging meer nodig was”. Verzoeker besluit dat de vermeldingen over feiten van belaging uit 2007 irrelevant zijn om na te gaan of er in 2020 nog een actueel gevaar is voor de openbare orde. XIV-38.341-4/16 Vanuit dezelfde optiek is ook een proces-verbaal uit 2011 voor wildplassen niet alleen irrelevant om na te gaan of wapenbezit een gevaar voor de openbare orde kan betekenen, maar ook niet meer actueel. Het is onredelijk om aan te nemen dat een dergelijk feit van meer dan 9 jaar geleden op enige manier relevant en actueel kan zijn om het gevaar van wapenbezit voor de openbare te verantwoorden. De bestreden beslissing stelt echter uitdrukkelijk dat dergelijk feit “onaanvaardbaar” is en baseert dan de verdere motivering van de beslissing op dit feit. Verzoeker stelt dat voorts nog melding wordt gemaakt van twee feiten inzake alcoholintoxicatie uit 2008 en
- Beide feiten liggen minstens vijf jaar uit elkaar, waardoor er geen sprake is van enige herhaling of enig patroon waaruit regelmaat kan worden afgeleid. Er werden gedurende meer dan vijf jaar geen feiten van intoxicatie meer vastgesteld. Het is onredelijk om uit deze twee feiten af te leiden dat er sprake is van een feitenpatroon dat zich herhaalt en bij het nemen van de beslissing nog indicatief kan zijn voor het risico dat wapenbezit kan inhouden voor de openbare orde. Verzoeker doet gelden dat de bestreden beslissing mede steunt op een recent “feit” van 4 april 2018 inzake wederzijdse slagen en verwondingen. Hij doet gelden dat dit proces-verbaal er kwam op zijn aangifte daar het hijzelf is die slagen heeft gekregen en klacht indiende tegen de dader. Achteraf heeft de verdachte van de slagen aan de politie verklaard dat hij werd uitgedaagd door verzoeker. Nergens uit het dossier blijkt dat dit effectief zo zou zijn geweest. De gevolgen die de overheid koppelt aan de schermutseling in 2018 zijn dus louter gebaseerd op de eenzijdige verklaring van een verdachte zoals deze wordt samengevat in het advies van de procureur des Konings. Te dezen wordt uit de bewering van de verdachte de afleiding gemaakt dat verzoeker “regelmatig in escalerende conflictsituaties met anderen terecht kom” en dat hij “niet over de nodige zelfbeheersing beschikt, die van een vuurwapenbezitter mag worden verwacht”. Hieruit wordt het risico voor de openbare veiligheid afgeleid. Met andere woorden: aan de loutere verklaring van een verdachte die verhoord wordt naar aanleiding van een klacht die verzoeker in 2018 zelf heeft ingediend, wordt de XIV-38.341-5/16 waarde gegeven van een vaststaand feit waarop dan alle afleidingen en conclusies van de bestreden beslissing zijn gebaseerd. Uit wat voorafgaat, blijkt volgens verzoeker dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is omdat ze steunt op feiten die niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld en niet relevant zijn om te beoordelen of wapenbezit een actueel gevaar voor de openbare orde kan betekenen. De beslissing is in belangrijke mate gesteund op beweringen en veronderstellingen waarvan in een advies van de lokale politie wordt gezegd dat ze niet gedragen worden door objectieve vaststellingen. In de bestreden beslissing wordt trouwens ook uitdrukkelijk vermeld dat er twijfel bestaat, doch dat deze twijfel hier in het nadeel van verzoeker speelt. Deze stelling gaat in tegen de in artikel 11, § 1, tweede lid en artikel 13, eerste lid van de Wapenwet aan de overheid opgelegde verplichting om de beslissing met redenen te omkleden. Het is in dit opzicht onvoldoende dat de overheid zich baseert op niet actuele feiten die niet objectief zijn vastgesteld of louter gebaseerd zijn op niet-geverifieerde beweringen van derden om tot het besluit te komen dat er een gedragspatroon bestaat dat twijfel doet rijzen. Dit is onvoldoende om de bestreden beslissing te dragen. Minstens zou de bestreden beslissing moeten aangeven op basis van welke elementen redelijkerwijze kan worden aangenomen dat er een risico voor de openbare orde kan zijn. Het weergeven van vermeldingen uit adviezen en feiten waaraan de overheid zelf twijfelt is in dit opzicht onvoldoende.
- Wat het actueel karakter van de feiten betreft, zet de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteen dat volgens haar de feiten van 2007 en 2018 doen blijken dat verzoeker niet op beheerste en gecontroleerde wijze omgaat met derden en dat hij zich daarbij laat meeslepen, zoals dat in het bijzonder blijkt uit de meest recente feiten van
- Om de zoveel jaar is er wel weer een proces-verbaal van de politie omtrent feiten waarin verzoeker is betrokken. Elk geïsoleerd feit op zich is dan misschien onvoldoende om het besluit te staven, maar het veelvuldig gebruik van de woorden “regelmatig” en “herhaaldelijk” in de bestreden beslissing duidt op de vaststelling dat de feiten doorheen de tijd in hun XIV-38.341-6/16 geheel wijzen op bepaalde kenmerken van verzoekers persoonlijkheid. Verzoeker concentreert zich in zijn verzoekschrift alleen op de aard van de feiten die misdrijven zouden uitmaken. De politie stelde evenwel in haar advies verzoeker niet te vertrouwen als hij wapens voorhanden zou hebben. De bestreden beslissing volgt dat advies waarin het voorhoudt dat een wapenbezitter moet beschikken “over de vereiste maturiteit en verantwoordelijkheidszin om [met wapens] om te gaan. Een wapenbezitter wordt geacht betrouwbaar te zijn en zich te allen tijde verantwoordelijk te gedragen.” De verschillende feiten doorheen de tijd geven een idee van de persoonlijkheid van de verzoeker, en het gevaar dat wapenbezit in hoofde van verzoeker kan betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Daarom zijn ook oudere feiten relevant voor de bestreden beslissing. De verwerende partij wijst er voorts op dat de omstandigheid dat zij zich enkel heeft gesteund op feiten van meer dan tien jaar oud om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven, zonder nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, op zich niet doet blijken dat de verwerende partij op onzorgvuldige wijze tot haar besluit is gekomen. De eis dat de mogelijke verstoring van de openbare orde nog actueel moet zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing belet immers op zich niet dat die feiten, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. In de bestreden beslissing geeft de verwerende partij er zich rekenschap van dat de feiten dateren van jaren geleden, maar zij stelt dat deze van dergelijke aard zijn dat ze getuigen van een ernstige vertrouwensbreuk en twijfel in de persoonlijkheid van verzoeker. De feiten en vaststellingen waarop de bestreden beslissing steunt, waren allen wel degelijk relevant. Tot slot antwoordt de verwerende partij dat zij in de bestreden beslissing uiteenzet waarom de argumenten die verzoeker in zijn beroeps- en zijn verweerschrift heeft uiteengezet - en die hij thans in het middel herneemt - niet van die aard zijn om voldoende te kunnen overtuigen van de aanwezigheid van een noodzakelijke betrouwbaarheid in zijn hoofde. De gegeven formele motivering laat verzoeker toe te beoordelen of zijn argumentatie aangebracht in zijn XIV-38.341-7/16 administratief beroep in de besluitvorming werd betrokken en of uit de bestreden beslissing (minstens impliciet) kan worden afgeleid waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Verzoeker kent zeer duidelijk de motieven. De elementen van de persoonlijkheid van verzoeker worden afgeleid uit de verschillende, over enkele jaren gespreide, feiten zoals die werden vastgesteld in processen-verbaal. Ook al gaven deze feiten (behalve een alcoholintoxicatie aan het stuur) geen aanleiding tot vervolging voor de strafrechter, toch geven de processen-verbaal voldoende informatie over de persoonlijkheid van de verzoeker en het risico dat wapenbezit zou kunnen opleveren voor de openbare orde en veiligheid. Beoordeling
- Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 XIV-38.341-8/16 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift organiseert een administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De beroepsinstantie beschikt te dezen over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van XIV-38.341-9/16 de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
- De mogelijke verstoring van de openbare orde moet voorts nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de beroepsinstantie erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De beroepsinstantie mag in het raam van het onderzoek van het beroep, hierbij rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recente feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recente feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. De beoordeling of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervoor is gesteld om in aanmerking te worden genomen, staat ter beoordeling van de beroepsinstantie, waarbij deze beoordelingsvrijheid, desgevraagd, door de Raad van State wordt getoetst in de zin als hiervoor is gesteld.
- Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. XIV-38.341-10/16
- De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven. Er wordt naar verwezen (supra punt 3.3.). Hieruit blijkt dat aan verzoeker wordt verweten dat hij herhaaldelijke keren met politie of justitie in aanraking kwam voor feiten die een gevaar voor de openbare orde kunnen uitmaken en, daarnaast, dat hij regelmatig in escalerende conflictsituaties met andere terechtkomt wat erop wijst dat verzoeker niet over de nodige zelfbeheersing beschikt die van een vuurwapenbezitter mag worden verwacht, om aldus tot de conclusie te komen dat er voldoende twijfel is omtrent verzoekers algemene moraliteit en persoonlijkheid. Om tot die conclusie te komen, verwijst de beroepsinstantie naar de elementen “aanwezig in het dossier” en “concreet” naar de processen-verbaal “wegens stalking, intoxicatie, wildplassen,…”. De conclusie van de beroeps- instantie is derhalve verbonden aan een geheel van feitelijkheden uiteengezet in de betrokken processen-verbaal die zich door de tijd heen voordeden en die tezamen doen blijken dat er voldoende twijfel bestaat omtrent verzoekers algemene moraliteit en persoonlijkheid. Elk van die draagt derhalve mee de bestreden beslissing. De omstandigheid dat, naar de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt, elk geïsoleerd feit op zich misschien onvoldoende is om de bestreden beslissing te dragen, maar dat “het veelvuldig gebruik van de woorden ‘regelmatig’ en ‘herhaaldelijk’ in de bestreden beslissing duiden op de vaststelling dat de feiten doorheen de tijd in hun geheel wijzen op bepaalde kenmerken van de persoonlijkheid van de verzoeker,” belet niet dat ook in dat geval recente feiten moeten voorliggen die er op wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren en waaruit aldus kan blijken dat aan de minder recente feiten, die samen de beslissing ondersteunen, niet ieder belang mag worden ontzegd. Tot die elementen aanwezig in het dossier behoren aldus recente en minder recente feiten waarvan de bestreden beslissing van oordeel is dat die XIV-38.341-11/16 tezamen twijfels doen rijzen omtrent verzoekers algemene moraliteit en persoonlijkheid die is vereist om wapens voorhanden te hebben, met andere woorden de beroepsinstantie is van mening dat aan die minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. Uit wat voorafgaat volgt dat derhalve in de eerste plaats moet worden onderzocht of de verwerende partij wat de recente feiten betreft, op wettige wijze tot de bestreden beslissing kon komen.
- Het actuele gegeven of feit waaraan de bestreden beslissing refereert is het aanvankelijk proces-verbaal van 4 januari 2018 inzake slagen en verwondingen die op die dag plaatsvonden. In dat proces-verbaal is te lezen dat de erin gerelateerde politietussenkomst volgt uit de aangifte door verzoeker zelf van het feit dat hij door een collega was geslagen op het werk. In het proces-verbaal wordt duidelijk vastgesteld dat verzoeker werd geslagen, alsook dat verzoeker door de interveniërende politiedienst werd geïdentificeerd als het slachtoffer van het misdrijf. Ook blijkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot administratief beroep heeft doen gelden dat uit het advies van de lokale politie blijkt dat hij zelf aangifte deed omdat hij door een collega werd geslagen en dat hij wel degelijk het slachtoffer was in die zaak en niet de dader. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker om de politietussenkomst heeft verzocht en dat de politie hem in het betrokken proces-verbaal beschouwt als slachtoffer. De verwerende partij mag te dezen verzoekers visie over zijn persoonlijke betrokkenheid bij de gepleegde slagen en verwondingen waarderen en op hun geloofwaardigheid toetsen, en desgevallend meer gewicht geven aan de verklaring van de andere partij in het interpersoonlijke conflict - waarvan het verhoor niet voorligt - , maar niet blijkt, noch wordt aannemelijk gemaakt, dat de verwerende partij verzoekers visie inzake de gebeurde feiten en zijn aangevoerde hoedanigheid van slachtoffer (en niet van (mede)dader) heeft mede betrokken bij haar besluitvorming dat verzoeker “regelmatig in escalerende conflictsituaties met andere terecht [komt].”. Dit klemt te dezen des te meer nu, zoals verzoeker terecht XIV-38.341-12/16 stelt, in het advies van de lokale politie waarop de verwerende partij zich mede steunt, zelf uitdrukkelijk is gesteld dat “niettegenstaande niet alle betichtingen gedragen worden door objectieve vaststellingen […] er genoeg vraagtekens over [blijven] om betrokkene niet te vertrouwen met wapens”, zodat ook op grond van dat advies evenmin kan worden besloten dat de besluitvorming steunt op correct gekwalificeerde feiten ter zake. De bestreden beslissing refereert ook aan het feit van alcoholintoxicatie achter het stuur, zoals opgenomen in een proces-verbaal van 3 februari
- Dit feit dateert van meer dan vijf jaar voor het nemen van de bestreden beslissing. Los van de vraag of dit te dezen een recent feit betreft, en hoewel de verwerende partij in beginsel bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren mag rekening houden met feiten die niets te maken hebben met verzoekers wapenbezit, mag zij niettemin niet zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het louter gegeven dat een verzoeker een dergelijk feit heeft gepleegd, (mede- besluiten dat verzoekers wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Te dezen blijkt niet uit de bestreden beslissing, noch wordt aannemelijk gemaakt dat dit feit van alcoholintoxicatie in het verkeer, gelet op de aard ervan, kan worden beschouwd als een actueel gegeven voor de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde. In het algemeen oordelen dat die feiten onaanvaardbaar zijn voor een wapenbezitter en dat verzoeker zich regelmatig bezondigt aan alcohol in het verkeer, volstaat daartoe niet.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt dat zij de actuele feiten waarop zij steunt op correcte wijze heeft beoordeeld en dat die feiten in rechte als recente feiten ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking mogen worden genomen. Aangezien, enerzijds, de beroepsinstantie tot haar beslissing is gekomen op grond van een geheel aan feitelijkheden die volgens haar tezamen XIV-38.341-13/16 doen blijken dat er voldoende twijfel bestaat omtrent verzoekers algemene moraliteit en persoonlijkheid en aangezien, anderzijds, blijkt dat met recent(st)e feiten ervan geen rekening mag worden gehouden, moet niet worden onderzocht of de overige aangehaalde minder recente feiten - de processen-verbaal inzake stalking in 2007, de alcoholintoxicatie in 2008 en het wildplassen in 2011 - op zich de bestreden beslissing kunnen dragen. Bij gebreke aan relevante recente feiten kunnen immers die minder recente feiten op zich niet worden opgevist ter adstructie van het standpunt dat er in hoofde van verzoeker voldoende twijfel bestaat omtrent zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid. Het standpunt van de verwerende partij tot slot dat uit het arrest nr. 241.000 van 13 maart 2018 blijkt dat de omstandigheid dat zij zich enkel heeft gesteund op feiten van meer dan tien jaar om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven, zonder hierbij nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, op zich niet doet blijken dat zij op onzorgvuldige wijze tot haar besluit is gekomen, leidt niet tot een andere conclusie. De in dat standpunt vervatte premisse ligt immers niet voor. Uit de bestreden beslissing blijkt immers niet dat de verwerende partij zich enkel op (de nog actuele relevantie van) die oude feiten heeft gesteund om tot haar conclusie te komen, maar integendeel op alle feiten - inclusief dus de recente - die, volgens haar eigen standpunt, in hun geheel wijzen op bepaalde persoonlijkheidskenmerken van verzoeker en waarvan hiervoor is vastgesteld dat de recente feiten die mede de beslissing dragen, in rechte niet ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking mogen worden genomen. Het argument dat de bestreden beslissing de adviezen van de politie en het openbaar ministerie volgt en bijtreedt, verleent voorts op zich geen wettigheid aan de bestreden beslissing te meer dat, zoals hiervoor is vastgesteld, het advies van de lokale politie waar het openbaar ministerie zich bij aansluit, zelf erkent dat niet alle betichtingen gedragen worden door objectieve vaststellingen. XIV-38.341-14/16 Met voor het eerst in de processtukken uitgedrukte motieven noch met de uitgebreidere motivering ervan, mag tot slot geen rekening worden gehouden.
- Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 23 maart 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen het besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 18 maart
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-38.341-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.341-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.709 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div