← België

Arrest 250710 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.710 Rolnummer: A. 227780/XIV-38001 Zaak: Arrest 250710 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.710 van 27 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.710 van 27 mei 2021 in de zaak A. 227.780/XIV-38.001 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valérie Henrion kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve place de l’Université 16/4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.629 van 27 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.310 van 9 mei
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.001-1/16 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021, om 15.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Oriane Todts, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker dient op 23 juni 2015 een verzoek om internationale bescherming in. Het dossier wordt op 13 april 2016 naar de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) gestuurd die met een beslissing van 28 januari 2019 de erkenning als vluchteling en de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus weigert aan verzoeker (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). XIV-38.001-2/16 Op 8 februari 2019 tekent verzoeker tegen de voornoemde beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 27 februari 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  6. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/57, 57/6/1 en 65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95), van de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van het recht van verdediging, van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ en van de artikelen 1319, 1320, en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek. Verzoeker wijst erop dat er volgens het bestreden arrest “geen redenen” zijn om de door hem voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. XIV-38.001-3/16 In een eerste middelonderdeel acht verzoeker artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ geschonden. Hij voert aan dat een rechtscollege op grond van die bepaling verplicht is om een voor dat rechtscollege opgeworpen prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In het bestreden arrest wordt enkel gesteld dat er “geen redenen” zijn om de prejudiciële vraag te stellen, zonder te motiveren op welke van de vier in het voornoemde artikel voorziene uitzonderingen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich daartoe steunt. In een tweede middelonderdeel acht verzoeker de artikelen 39/57 en 57/6/1 van de vreemdelingenwet geschonden. Hij voert aan dat het bestreden arrest de draagwijdte van deze artikelen miskent door te oordelen dat het twee aparte bepalingen betreft en dat verzoeker zich zou vergissen tussen de toepassing van deze bepalingen. Volgens verzoeker heeft de toepassing van de versnelde procedure, voorzien in artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet, wel degelijk gevolgen voor de beroepstermijn, voorzien in artikel 39/57 van dezelfde wet. Vermits de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van artikel 57/6/1, § 1, j), van de vreemdelingenwet, vormt de aanvankelijk bestreden beslissing wel een beslissing als bedoeld in artikel 57/6/1, § 1, derde lid van die wet. In een derde middelonderdeel acht verzoeker de draagwijdte van de akte geschonden. Hij voert aan dat volgens het bestreden arrest meerdere criteria werden aangewend in de aanvankelijk bestreden beslissing om toepassing te maken van de verkorte procedure, namelijk motieven van openbare orde en omdat verzoeker de autoriteiten zou hebben misleid door valse informatie over zijn identiteit of nationaliteit te verstrekken of door relevante informatie achter te houden. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar het gevaar dat verzoeker vormt voor de nationale veiligheid of voor de openbare orde, maar er wordt nergens in gesteld dat verzoeker de autoriteiten heeft misleid omtrent zijn identiteit of nationaliteit, zoals bedoeld in artikel 57/6/1, § 1, c), van de vreemdelingenwet. In de beslissing van de commissaris-generaal met betrekking XIV-38.001-4/16 tot verzoekers echtgenote is wel gebruik gemaakt van artikel 57/6/1, § 1, d), als motief voor de versnelde procedure. Door zich te baseren op een onjuiste lezing van de aanvankelijk bestreden beslissing om de weigering tot het stellen van een prejudiciële vraag te motiveren, miskent het bestreden arrest volgens verzoeker de draagwijdte van een geschreven akte en bijgevolg de artikelen 1319 e.v. van het oud Burgerlijk Wetboek. In een vierde middelonderdeel acht verzoeker artikel 149 van de Grondwet geschonden. Verzoeker voert aan dat zijn advocaat volgens het bestreden arrest zou hebben bevestigd dat de argumenten in verband met de vrees voor vervolging dezelfde zijn als de argumenten in het kader van de uitleveringsprocedure. Volgens verzoeker komt dit deel van het bestreden arrest dat de weigering om een prejudiciële vraag te stellen motiveert door een analyse in concreto van het recht van verdediging, niet overeen met objectieve elementen van het administratief dossier. Verzoekers raadsman heeft aangegeven dat elementen uit het verweer tijdens de uitleveringsprocedure zijn overgenomen in de huidige procedure, doch dit betekent niet dat het om dezelfde elementen gaat. Verzoekers raadsman heeft ook uitgelegd dat de controle door de onderzoeksgerechten niet dezelfde is als de controle in de asielprocedure en dat andere elementen moesten worden aangevoerd. Deze argumentatie wordt niet vermeld in het bestreden arrest. Het bestreden arrest is ook bekleed met onjuiste motieven wat verzoekers afwezigheid ter terechtzitting betreft vermits zijn raadsman de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen per e-mail heeft meegedeeld dat verzoeker persoonlijk wenste te verschijnen doch dat de gevangenis verzoekers overbrenging heeft geweigerd. Ingevolge het onjuiste motief dat verzoeker “de mogelijkheid had” om persoonlijk te verschijnen, acht verzoeker artikel 149 van de Grondwet geschonden.
  7. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. XIV-38.001-5/16 Met betrekking tot het eerste middelonderdeel voegt verzoeker toe dat de overweging in het bestreden arrest dat er “geen reden” is om een prejudiciële vraag te stellen daar verzoeker artikel 39/57 van de vreemdelingenwet verkeerd zou interpreteren en er in casu geen schending van het recht van verdediging zou zijn, de grond van de zaak betreft en bijgevolg geen weigeringsgrond is die is opgenomen in artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel benadrukt verzoeker dat de aanvankelijk bestreden beslissing toepassing maakt van de in artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet bedoelde versnelde procedure, zodat de beroepstermijn ertegen verkort is. Verzoeker betwist het verweer als zou de beroepstermijn tot 30 dagen verlengd zijn doordat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een termijn van 15 werkdagen is genomen. Met betrekking tot het derde middelonderdeel voegt verzoeker toe dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet expliciet en duidelijk de omstandigheden vermeldt op grond waarvan de versnelde procedure wordt toegepast. Het bestreden arrest baseert zich op een onjuiste lezing van die beslissing om zijn weigering tot het stellen van een prejudiciële vraag te stellen. Met betrekking tot het vierde middelonderdeel voegt verzoeker toe dat de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting niet relevant is gezien de kritiek in het bestreden arrest dat verzoeker niet in persoon aanwezig was “terwijl hij de mogelijkheid had”. Verzoeker acht het verweer dat dit “slechts één van de argumenten is” niet relevant omdat hij de twee argumenten uit het bestreden arrest betwist en de vraag of één ervan een hoofdelement vormt, behoort tot de beoordeling ten gronde van de zaak. XIV-38.001-6/16 Beoordeling Algemeen
  8. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de artikelen 3 en 13 van het EVRM, richtlijn 2011/95/EU en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Eerste middelonderdeel
  9. Met toepassing van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet kan de commissaris-generaal in de in die bepaling vermelde gevallen “een verzoek om internationale bescherming volgens een versnelde procedure behandelen”. In die gevallen geldt een beslissingstermijn van 15 werkdagen. Overeenkomstig artikel 39/57, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet bedraagt de termijn om tegen dergelijke beslissing beroep aan te tekenen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 10 dagen, dit in plaats van de gewone beroepstermijn van 30 dagen. De voornoemde beslissingstermijn van 15 dagen is een termijn van orde waarvan de overschrijding enkel tot gevolg heeft dat niet meer de verkorte doch de gewone beroepstermijn van 30 dagen van toepassing is. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een termijn van 15 dagen was genomen (hoewel de verwerende partij de toepassing had aangekondigd van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet). Het gevolg hiervan is dat verzoeker dus beschikte over een beroepstermijn van 30 dagen. XIV-38.001-7/16 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat verzoeker binnen de 10 dagen beroep heeft aangetekend en hij wijst er “overigens” op dat verzoeker na de uitleveringsprocedure, afgesloten met een beslissing tot uitlevering van de minister van Justitie van 31 mei 2018, “aldus ruim de tijd [heeft] gehad om zijn argumenten inzake zijn uitlevering naar de Russische Federatie te staven, alsook om ze in een bredere context voor te leggen, zoals ook is gebeurd in onderhavig beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming”, dat verzoeker “nog ter terechtzitting een aanvullende nota met bijkomende informatie [heeft] neergelegd” en “ten slotte nog […] dat verzoeker ter terechtzitting niet persoonlijk is verschenen terwijl hij hiertoe de mogelijkheid had”. Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat en waarom er geen redenen zijn om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Bovendien houdt artikel 26 van de bijzondere wet van 26 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ geen algemene verplichting in tot het stellen van een prejudiciële vraag voor een rechtscollege waarvan de uitspraak vatbaar is voor cassatieberoep, zoals met het bestreden arrest het geval is. Net omdat de beroepstermijn voor verzoeker 30 dagen bedroeg, verzoeker hoe dan ook binnen de 10 dagen beroep heeft ingesteld en hij volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ruim de mogelijkheid heeft gehad om zijn middelen te ontwikkelen, was de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreffende het feit dat hij slechts beschikte over een beroepstermijn van 10 dagen in plaats van de gewone termijn van 30 dagen, niet onontbeerlijk om uitspraak te doen. Artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1986 ‘op het Grondwettelijk Hof’ is niet geschonden met het bestreden arrest. Tweede middelonderdeel
  10. Zoals reeds blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, volgt uit de overschrijding van de in artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet bepaalde beslissingstermijn van 15 werkdagen dat niet de in XIV-38.001-8/16 artikel 39/57 bepaalde verkorte beroepstermijn van 10 dagen maar de gewone beroepstermijn van 30 dagen geldt. Verzoekers kritiek faalt wat dat betreft naar recht. Ten overvloede kan worden herhaald dat verzoeker wel degelijk binnen de 10 dagen beroep heeft aangetekend tegen de aanvankelijk bestreden beslissing zodat hij zelfs geen belang heeft bij zijn kritiek. In het licht van het voorgaande heeft verzoeker geen belang bij zijn kritiek betreffende de beoordeling in het bestreden arrest van de precieze omstandigheden waarop de toepassing van de in artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde versnelde procedure was gesteund. Derde middelonderdeel
  11. In het derde middelonderdeel richt verzoeker zich opnieuw tegen de beoordeling van de toepassing van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet. Om de bij de behandeling van het tweede middelonderdeel aangehaalde redenen dient ook verzoekers kritiek in het derde middelonderdeel te worden verworpen. Vierde middelonderdeel
  12. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of XIV-38.001-9/16 impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Zoals uit de behandeling van het eerste middelonderdeel supra blijkt, wordt in het bestreden arrest, wat de voorgehouden schending van het recht van verdediging betreft, in de eerste plaats overwogen dat verzoeker binnen de 10 dagen beroep heeft aangetekend tegen de aanvankelijk bestreden beslissing en dat hij na de beslissing tot uitlevering van 31 mei 2018 aldus ruim de tijd heeft gehad om de argumenten inzake zijn uitlevering naar de Russische Federatie te staven, alsook om ze in een bredere context voor te leggen, en dat verzoeker ter terechtzitting nog een aanvullende nota heeft overgelegd. In het licht van die niet onwettig bevonden motieven vormt de verwijzing “ten slotte” naar verzoekers afwezigheid ter terechtzitting slechts een motief dat de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. In de mate dat verzoeker de juistheid van de gegeven motieven betwist, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Conclusie
  13. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/57, 57/6/1 en 65 van de XIV-38.001-10/16 vreemdelingenwet, van de artikelen 3 en 13 van het EVRM en van de artikelen 1319, 1320, en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek. Verzoeker voert aan dat hij in zijn aanvullende nota van 19 februari 2019 bijkomende elementen heeft aangebracht betreffende zijn vrees voor vervolging in geval van uitlevering. Hij heeft in deze aanvullende nota duidelijk aangegeven op basis van welke elementen zijn situatie gelijkaardig is aan deze in het arrest van het EHRM van 25 maart 2014 in de zaak 59297/12, M.G. tegen Bulgarije (hierna: het arrest van het EHRM van 25 maart 2014), en hij heeft ook verwezen naar recente rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet geantwoord op en wordt geen rekening gehouden met deze objectieve elementen en rapporten. Indien de Raad van State zou oordelen dat het bestreden arrest wel rekening houdt met deze elementen, laat verzoeker nog gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onjuiste lezing geeft aan de aanvullende nota en de draagwijdte ervan miskent door te overwegen dat de elementen waarvan sprake enkel “het risico op oneerlijk proces” of “het lot van leden van mensenrechtenorganisaties” betreffen. Verzoeker wijst erop dat deze nota immers verwijst naar mishandeling en foltering in gevangenissen en de repressie in Noord-Kaukasus, ook met betrekking tot personen beschuldigd van jihadisme.
  15. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat de rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch niet enkel betrekking hebben op de detentieomstandigheden in gevangenissen van de Noord-Kaukasus, zodat het feit dat hij zal worden vastgehouden in een “gevangenis die aan de Europese detentievereisten voldoet”, geen antwoord is op deze rapporten. XIV-38.001-11/16 Beoordeling
  16. Artikel 65 van de vreemdelingenwet is opgeheven met de wet van 15 september 2006 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 39/57 of artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Met het bestreden arrest worden de erkenning als vluchteling en de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus geweigerd aan verzoeker, doch er wordt geen verwijderingsmaatregel opgelegd. Verzoeker kan bijgevolg niet op dienstige wijze een schending inroepen van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker werpt ook geen schending op van artikel 48/4, § 2, van de vreemdelingenwet, waarin de inhoud van artikel 3 van het EVRM is overgenomen. De schending van artikel 13 van het EVRM betreffende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Te dezen koppelt verzoeker de schending van artikel 13 van het EVRM enkel aan de schending van artikel 3 van het EVRM. Het middel is wat deze laatste verdragsbepaling betreft echter niet-ontvankelijk, bevonden. Vermits de schending van een ander door het EVRM beschermd recht of vrijheid dus niet aan de orde is, kan verzoeker niet op ontvankelijke wijze een schending van artikel 13 van het EVRM opwerpen.
  17. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest eerst vast dat verzoeker dezelfde argumenten en rapporten met betrekking tot het risico op foltering in geval van uitlevering aan Rusland aanhaalt als in de XIV-38.001-12/16 uitleveringsprocedure en herneemt hierna de in de uitleveringsprocedure gemaakte beoordeling. Vervolgens vermeldt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers ter terechtzitting neergelegde aanvullende nota waarin wordt verwezen naar het arrest van het EHRM van 25 maart 2014 en naar rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht die zaak fundamenteel verschillend van verzoekers zaak. Hij wijst erop dat zowel Polen als Duitsland respectievelijk in 2004 en 2005 de status van vluchteling hadden toegekend aan M.G., dat M.G., die van Tsjetsjeense origine is, werd beschuldigd van feiten die zich hebben voorgedaan in Ingoesjetië en van deelname aan een gewapende groep, medewerking aan terroristische activiteiten en handel in toxische stoffen en wapens, dat M. G. werd tegengehouden aan een grenscontrole in Bulgarije

(2012)omdat hij bij Interpol geseind was, dat het EHRM in het vermelde arrest wijst op het actief opsporingsonderzoek van de Russische autoriteiten en ten slotte dat de Russische Federatie wel garanties had geboden doch dat deze onvoldoende waren. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt vervolgens dat de aangehaalde rechtspraak niet kan aantonen dat verzoeker een gerechtvaardigde vrees voor vervolging heeft bij een uitlevering aan de Russische Federatie, nu uit de beslissing tot uitlevering blijkt dat de Russische gerechtelijke autoriteiten meerdere diplomatieke garanties bieden ter ondersteuning van hun uitleveringsverzoek, die concreet worden opgesomd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit op grond daarvan dat de in de thans voorliggende zaak geboden waarborgen verder gaan dan deze in de zaak M.G. tegen Bulgarije en tegemoet komen aan de bezwaren van het EHRM in die zaak. Hij merkt op dat het EHRM veel belang hechtte aan het feit dat zowel Polen als Duitsland de vluchtelingenstatus hadden toegekend aan M.G., hetgeen te dezen niet het geval is. Met betrekking tot het CPT-rapport inzake de repressie en situatie in de gevangenissen in Noord-Kaukasus stelt de Raad voor XIV-38.001-13/16 Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker zal worden vastgehouden in een gevangenis die voldoet aan de Europese detentievereisten en dat het personeel van de Belgische ambassade in Rusland de mogelijkheid krijgt om de veroordeelde te bezoeken in de plaatsen van zijn detentie om de naleving van alle vermelde garanties te controleren. Ten slotte wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat verzoeker in zijn aanvullende nota een te groot belang hecht aan politierapporten die dienen als basis van de beschuldigingen van vredevolle protesten, wat niet kan worden verbonden met verzoekers zaak, en dat verzoeker zich nog minder kan vergelijken met het lot van leden van mensenrechtenorganisaties. Uit het voorgaande blijkt dat verzoekers aanvullende nota, zowel met betrekking tot het arrest van het EHRM van 25 maart 2014 als met betrekking tot de rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch, wel degelijk in aanmerking wordt genomen en beantwoord in het bestreden arrest. Verder blijkt uit de motivering van het bestreden arrest dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in verzoekers aanvullende nota aangehaalde rapporten niet uitsluitend heeft beoordeeld in het licht van het risico op een oneerlijk proces en van het lot van leden van mensenrechtenorganisaties, maar ook in het licht van de aangevoerde “mishandeling en foltering in gevangenissen en de repressie in Noord Kaukasus, ook betreffende mensen beschuldigd van djihadisme”. Zo oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat het CTP-rapport, in het bijzonder wat de repressie en situatie in gevangenissen in Noord-Kaukasus betreft, te dezen niet van toepassing is nu verzoeker zal worden vastgehouden in een gevangenis die voldoet aan de Europese detentievereisten en dat “bovendien het personeel van de Belgische ambassade in Rusland de mogelijkheid krijgt om de veroordeelde te bezoeken in de plaatsen van zijn detentie om de naleving van alle bovengenoemde garanties te controleren”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt voorts dat, wat het aangevoerde risico op een XIV-38.001-14/16 oneerlijk proces betreft, een te groot belang wordt gehecht aan politierapporten die dienen als basis van de beschuldigingen van vredevolle protesten, hetgeen niet kan verbonden worden met verzoekers zaak. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt ten slotte vast dat “verzoeker zich (nog minder kan) vergelijken met het lot van leden van mensenrechtenorganisaties”. Door aldus te motiveren miskent het bestreden arrest geenszins de draagwijdte van de aanvullende nota en geeft hij er geen inhoud of betekenis aan die in strijd is met de bewoordingen ervan. 16. Het tweede middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.001-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.001-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.