← België

Arrest 250711 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.711 Rolnummer: A. 228657/XIV-38104 Zaak: Arrest 250711 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.711 van 27 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.711 van 27 mei 2021 in de zaak A. 228.657/XIV-38.104 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valérie Henrion kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve place de l’Université 16/4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juli 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 222.808 van 18 juni 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.466 van 17 september
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.104-1/12 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2021, om 15.30 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Oriane Todts, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster dient op 23 juni 2015 een verzoek om internationale bescherming in. Het dossier wordt op 13 april 2016 naar de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) gestuurd die met een beslissing van 28 januari 2019 de erkenning als vluchteling en de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus weigert aan verzoekster (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). XIV-38.104-2/12 Op 11 februari 2019 tekent verzoekster tegen de voornoemde beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 18 juni 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  6. Verzoekster werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/57, 57/6/1 en 65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95), van de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van het recht van verdediging, van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ en van de artikelen 1319, 1320, en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek. Vooraf wijst verzoekster erop dat er volgens het bestreden arrest “geen redenen” zijn om de door haar voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. XIV-38.104-3/12 In een eerste middelonderdeel acht verzoekster artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ geschonden. Zij voert aan dat een rechtscollege op grond van die bepaling verplicht is om een voor dat rechtscollege opgeworpen prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In het bestreden arrest wordt enkel gesteld dat het antwoord op de prejudiciële vraag “niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen”. Door te verwijzen naar het feit dat het verzoek om internationale bescherming niet werd behandeld volgens de versnelde procedure van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet en aan te geven dat verzoekster beschikte over een beroepstermijn van 30 dagen, miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van de aanvankelijk bestreden beslissing, waarin de toepassing van de versnelde procedure wordt aangehaald, en van de kennisgeving ervan, waarin een beroepstermijn van 10 dagen wordt vermeld. In een tweede middelonderdeel acht verzoekster de artikelen 39/57 en 57/6/1 van de vreemdelingenwet geschonden. Zij voert aan dat het bestreden arrest de draagwijdte van deze artikelen miskent door te oordelen dat het twee aparte bepalingen betreft en dat verzoekster zich zou vergissen tussen de toepassing van deze bepalingen. Volgens verzoekster heeft de toepassing van de versnelde procedure, voorzien in artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet, wel degelijk gevolgen voor de beroepstermijn, voorzien in artikel 39/57 van dezelfde wet. Vermits de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van artikel 57/6/1, § 1, j), van de vreemdelingenwet, vormt de aanvankelijk bestreden beslissing wel een beslissing als bedoeld in artikel 57/6/1, § 1, derde lid van die wet. In een derde middelonderdeel acht verzoekster artikel 149 van de Grondwet geschonden. Verzoekster voert aan dat de advocaat van haar echtgenoot op de terechtzitting betreffende de zaak van de echtgenoot volgens het bestreden arrest zou hebben bevestigd dat de argumenten in verband met de vrees voor vervolging dezelfde zijn als de argumenten in het kader van de XIV-38.104-4/12 uitleveringsprocedure van verzoeksters echtgenoot. Volgens verzoekster komt dit deel van het bestreden arrest dat de weigering om een prejudiciële vraag te stellen motiveert door een analyse in concreto van het recht van verdediging, niet overeen met objectieve elementen van het administratief dossier. De raadsman heeft aangegeven dat elementen uit het verweer tijdens de uitleveringsprocedure zijn overgenomen in de huidige procedure, doch dit betekent niet dat het om dezelfde elementen gaat. De raadsman heeft ook uitgelegd dat de controle door de onderzoeksgerechten niet dezelfde is als de controle in de asielprocedure en dat andere elementen moesten worden aangevoerd. Deze argumentatie wordt niet vermeld in het bestreden arrest. Het bestreden arrest is ook bekleed met onjuiste motieven wat verzoeksters afwezigheid ter terechtzitting betreft vermits haar raadsman een medisch attest heeft overgelegd waaruit bleek dat verzoekster niet aanwezig kon zijn wegens ziekte van haar kind.. Volgens verzoekster wordt de draagwijdte van de vermelding “présence obligatoire près de son enfant” in dit attest miskend door aan te halen dat in het opvangcentrum waar verzoekster verblijft “voldoende ondersteuning voor haar kinderen aanwezig is indien ze dit zou wensen”. Ingevolge het onjuiste motief dat verzoekster “de mogelijkheid had” om persoonlijk te verschijnen, acht verzoekster artikel 149 van de Grondwet geschonden.
  7. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel voegt verzoekster toe dat in de brief met de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet, zonder een onderscheid te maken tussen de dossiers waarin de beslissingstermijn van 15 werkdagen werd gerespecteerd of niet. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel benadrukt verzoekster dat de aanvankelijk bestreden beslissing toepassing maakt van de in XIV-38.104-5/12 artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet bedoelde versnelde procedure, zodat de beroepstermijn ertegen verkort is. Verzoekster betwist het verweer als zou de beroepstermijn tot 30 dagen verlengd zijn doordat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een termijn van 15 werkdagen is genomen. Met betrekking tot het derde middelonderdeel voegt verzoekster toe dat de aanwezigheid van haar advocaat ter terechtzitting niet relevant is gezien de kritiek in het bestreden arrest dat verzoekster niet in persoon aanwezig was “terwijl zij de mogelijkheid had”. Verzoekster acht het verweer dat dit “slechts één van de argumenten is” niet relevant omdat zij de twee argumenten uit het bestreden arrest betwist en de vraag of één ervan een hoofdelement vormt, behoort tot de beoordeling ten gronde van de zaak. Beoordeling Algemeen
  8. Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze de artikelen 3 en 13 van het EVRM, richtlijn 2011/95/EU en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Eerste middelonderdeel
  9. Met toepassing van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet kan de commissaris-generaal in de in die bepaling vermelde gevallen “een verzoek om internationale bescherming volgens een versnelde procedure behandelen”. In die gevallen geldt een beslissingstermijn van 15 werkdagen. Overeenkomstig artikel 39/57, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet bedraagt de termijn om tegen dergelijke beslissing beroep aan te tekenen bij de Raad voor XIV-38.104-6/12 Vreemdelingenbetwistingen 10 dagen, dit in plaats van de gewone beroepstermijn van 30 dagen. De voornoemde beslissingstermijn van 15 dagen is een termijn van orde waarvan de overschrijding enkel tot gevolg heeft dat niet meer de verkorte doch de gewone beroepstermijn van 30 dagen van toepassing is. Dat in de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing toch een beroepstermijn van 10 dagen wordt vermeld, doet geen afbreuk aan het voorgaande en betekent niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dit stuk een betekenis heeft gegeven die niet overeenstemt met de bewoordingen ervan. Na te hebben vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen een termijn van 15 dagen was genomen (hoewel de verwerende partij de toepassing had aangekondigd van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet) en dat verzoekster dus beschikte over een beroepstermijn van 30 dagen, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve op wettige wijze vaststellen dat het antwoord op de door verzoekster voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreffende het feit dat zij slechts beschikte over een beroepstermijn van 10 dagen in plaats van de gewone termijn van 30 dagen, niet onontbeerlijk was om uitspraak te doen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft hierbij duidelijk aan dat en waarom er geen redenen zijn om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Bovendien houdt artikel 26 van de bijzondere wet van 26 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ geen algemene verplichting in tot het stellen van een prejudiciële vraag voor een rechtscollege waarvan de uitspraak vatbaar is voor cassatieberoep, zoals met het bestreden arrest het geval is. Net omdat de beroepstermijn voor verzoekster 30 dagen bedroeg, verzoekster hoe dan ook binnen de 10 dagen beroep heeft ingesteld en zij volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ruim de mogelijkheid heeft gehad om haar argumenten inzake de uitlevering van haar echtgenoot te staven, ze in een ruimer kader te plaatsen en desgewenst een aanvullende nota in te dienen, was de XIV-38.104-7/12 door verzoekster voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreffende het feit dat zij slechts beschikte over een beroepstermijn van 10 dagen in plaats van de gewone termijn van 30 dagen, niet onontbeerlijk om uitspraak te doen. Artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1986 ‘op het Grondwettelijk Hof’ is niet geschonden met het bestreden arrest. Tweede middelonderdeel
  10. Zoals reeds blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, volgt uit de overschrijding van de in artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet bepaalde beslissingstermijn van 15 werkdagen dat niet de in artikel 39/57 bepaalde verkorte beroepstermijn van 10 dagen maar de gewone beroepstermijn van 30 dagen geldt. Verzoeksters kritiek faalt wat dat betreft naar recht. Ten overvloede kan worden herhaald dat verzoekster wel degelijk binnen de 10 dagen beroep heeft aangetekend tegen de aanvankelijk bestreden beslissing zodat zij zelfs geen belang heeft bij haar kritiek. In het licht van het voorgaande heeft verzoekster geen belang bij haar kritiek betreffende de beoordeling in het bestreden arrest van de precieze omstandigheden waarop de toepassing van de in artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde versnelde procedure was gesteund. Derde middelonderdeel
  11. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en XIV-38.104-8/12 ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Zoals uit de behandeling van het eerste middelonderdeel supra blijkt, wordt in het bestreden arrest, wat de voorgehouden schending van het recht van verdediging betreft, in de eerste plaats overwogen dat verzoekster binnen de 10 dagen beroep heeft aangetekend tegen de aanvankelijk bestreden beslissing en dat zij na de beslissing tot uitlevering van haar echtgenoot van 31 mei 2018 aldus ruim de tijd heeft gehad om de argumenten inzake diens uitlevering naar de Russische Federatie te staven, alsook om ze in een bredere context voor te leggen, en dat verzoekster de mogelijkheid had doch niet heeft benut om nog een aanvullende nota over te leggen. In het licht van die niet onwettig bevonden motieven vormt de verwijzing “ten slotte” naar verzoeksters afwezigheid ter terechtzitting slechts een motief dat de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. In de mate dat verzoekster de juistheid van de gegeven motieven betwist, houdt dit geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Conclusie
  12. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel XIV-38.104-9/12
  13. Verzoekster werpt in een tweede middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/57, 57/6/1 en 65 van de vreemdelingenwet, van de artikelen 3 en 13 van het EVRM en van de artikelen 1319, 1320, en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek. Verzoekster voert aan dat haar echtgenoot in zijn aanvullende nota van 19 februari 2019 in de hem aanbelangende procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijkomende elementen heeft aangebracht betreffende zijn vrees voor vervolging in geval van uitlevering. Zij verwijst uitdrukkelijk naar die aanvullende nota en citeert de kritiek van haar echtgenoot in diens cassatieberoep, gericht tegen de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de hem aanbelangende zaak. Verzoekers echtgenoot heeft in deze aanvullende nota duidelijk aangegeven op basis van welke elementen zijn situatie gelijkaardig is aan deze in het arrest van het EHRM van 25 maart 2014 in de zaak 59297/12, M.G. tegen Bulgarije (hierna: het arrest van het EHRM van 25 maart 2014), en hij heeft ook verwezen naar recente rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch. Volgens verzoekster wordt in het door haar echtgenoot bestreden arrest niet geantwoord op en wordt geen rekening gehouden met deze objectieve elementen en rapporten. Verzoeksters echtgenoot heeft in zijn cassatieberoep nog laten gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onjuiste lezing geeft aan zijn aanvullende nota en de draagwijdte ervan miskent door te overwegen dat de elementen waarvan sprake enkel “het risico op oneerlijk proces” of “het lot van leden van mensenrechtenorganisaties” betreffen. Verzoeksters echtgenoot heeft erop gewezen dat deze nota immers verwijst naar mishandeling en foltering in gevangenissen en de repressie in Noord-Kaukasus, ook met betrekking tot personen beschuldigd van jihadisme.
  14. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij voegt toe dat de aangehaalde rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch niet enkel betrekking hebben op de detentieomstandigheden XIV-38.104-10/12 in gevangenissen van Noord-Kaukasus, zodat het feit dat haar echtgenoot zal worden vastgehouden in een “gevangenis die aan de Europese detentievereisten voldoet”, geen antwoord is op deze rapporten. Beoordeling
  15. Verzoekster herneemt letterlijk het tweede middel van haar echtgenoot in diens cassatieberoep, gekend onder het nr. 227.780/XIV-38.001, dat ongegrond werd bevonden met ’s Raads arrest nr. 250.710 van 27 mei
  16. Verzoekster heeft dan ook geen belang meer om zich op dezelfde kritiek te steunen, minstens blijkt de ongegrondheid van haar kritiek uit dit laatste arrest.
  17. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  19. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door XIV-38.104-11/12 Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.104-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.