← België

Arrest 250715 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.715 Rolnummer: A. 227809/XIV-38005 Zaak: Arrest 250715 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.715 van 28 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.715 van 28 mei 2021 in de zaak A. 227.809/XIV-38.005 In zake :

  1. XXX
  2. XXX
  3. XXX
  4. XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.443 van 26 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.321 van 15 mei
  7. XIV-38.005-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021, om 14.40 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laura Lundahl, die loco advocaat Kati Verstrepen verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Eerste verzoeker dient op 29 januari 2008 een aanvraag in tot vestiging als echtgenoot van een in België verblijvende Unieburger. Op 9 juli 2008 wordt hij in het bezit gesteld van een F-kaart. 3.
  10. Eerste verzoeker dient op 5 juni 2012 een aanvraag in tot erkenning van een duurzaam verblijfsrecht. Op 11 december 2012 wordt hij in het bezit gesteld van een F+-kaart. XIV-38.005-2/12 3.
  11. Op 10 oktober 2018 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie een beslissing tot beëindiging van het verblijfsrecht van verzoeker (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). Verzoeker stelt op 31 oktober 2018 tegen die beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 26 februari 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekers werpen in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de artikelen 44bis en 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de zorgvuldigheidsplicht, van artikel 20 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, van de artikelen 24.2, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van het evenredigheidsbeginsel, van artikel 9 van het verdrag inzake de Rechten van het Kind, ondertekend te New-York op 20 november 1989 (hierna: het IVRK), van artikel 28.3 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, XIV-38.005-3/12 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38), en van de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). In een eerste middelonderdeel voeren de verzoekers in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ten onrechte voorrang geeft aan bepaalde taalversies van artikel 28.3 van richtlijn 2004/
  13. In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de inhoud van het arrest van 21 november 2017 van het hof van beroep te Luik miskent door te oordelen dat eerste verzoeker een vooraanstaande rol zou hebben gespeeld binnen het kader van een bende. Uit dit laatste arrest blijkt dat het hof van beroep hoegenaamd niet heeft vastgesteld welke rol verzoeker binnen deze bende zou hebben gespeeld. De verzoekers achten ook de beoordeling dat de onnauwkeurige weergave van de veroordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing geen determinerende invloed zou hebben gehad op de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde, in strijd met de aanvankelijk bestreden beslissing waarin de rol van eerste verzoeker als leidend persoon expliciet in aanmerking wordt genomen als element om de reële, actuele en ernstige bedreiging vast te stellen. In een derde middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht heeft geschonden door niet werkelijk in te gaan op de in het verzoekschrift tot beroep ontwikkelde argumentatie dat niet wordt aangetoond dat eerste verzoeker actueel een daadwerkelijk gevaar voor de openbare orde vormt.
  14. De verzoekers herhalen het middel in de memorie van wederantwoord. XIV-38.005-4/12 Met betrekking tot het tweede middelonderdeel voegen de verzoekers toe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich diende te beperken tot een wettigheidstoezicht zonder zich zelf uit te spreken over het gevaar voor de openbare orde dat van eerste verzoeker zou uitgaan. Met betrekking tot het derde middelonderdeel voegen de verzoekers toe dat de verwerende partij voorbijgaat aan hun concrete kritiek dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen motivering bevat betreffende het actueel karakter van de dreiging die van eerste verzoeker zou uitgaan voor de openbare orde. De in de memorie van antwoord uit het bestreden arrest geciteerde motivering heeft volgens de verzoekers betrekking op het ernstig karakter van de bedreiging van de openbare orde, maar niet op het actueel karakter ervan.
  15. In het verzoekschrift tot voorzetting doen de verzoekers uitdrukkelijk afstand van het eerste middelonderdeel. Het wordt hierna dan ook niet meer behandeld. Beoordeling Vooraf
  16. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, artikel 62 van de vreemdelingenwet en de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. De verzoekers laten ook niet gelden dat de inhoud van één van deze bepalingen of van deze beginselen zou zijn geschonden met het bestreden arrest. De verzoekers zetten nergens uiteen op welke wijze zij artikel 20 van het VWEU, de artikelen 24.2, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten XIV-38.005-5/12 van de Europese Unie, artikel 9 van het IVRK en de artikelen 8 en 13 van het EVRM geschonden achten door het bestreden arrest.
  17. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. Tweede middelonderdeel
  18. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat het hof van beroep te Luik eerste verzoeker op 21 november 2017 heeft veroordeeld “tot een definitief geworden gevangenisstraf van 6 jaar daar [hij] zich schuldig had gemaakt aan verdovende middelen te hebben ingevoerd, uitgevoerd, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft, namelijk cocaïne, het misdrijf een daad van deelneming zijnde aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de hoedanigheid van leidend persoon”. Hij stelt vast dat het hof van beroep de hoedanigheid van leidend persoon in hoofde van eerste verzoeker niet heeft aanvaard vermits uit het bestreden arrest blijkt dat de verzwarende omstandigheid van leider van een criminele organisatie niet bewezen werd geacht, reden waarom de strafmaat werd herleid van zeven tot zes jaar. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt eraan toe dat uit de lezing van het arrest van het hof van beroep blijkt dat niet duidelijk is of eerste verzoeker dan wel zijn kompaan T.F. de leider is van de bende, aangezien de betrokkenen elkaar tegenspreken. Hierna citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het vervolg van de aanvankelijk bestreden beslissing. Hij overweegt dat in deze beslissing, met referentie naar de relevante Europese rechtspraak, wordt gewezen op de ernst van georganiseerde drugscriminaliteit en de bijzonder negatieve impact op de samenleving en dat er ook op wordt gewezen dat eerste verzoeker handelde in het kader van een vereniging van misdadigers en uit zucht naar gemakkelijk en grof geldgewin, ten koste van de fysische en psychische gezondheid van de gebruikers, wat wijst op een gevaarlijke en asociale ingesteldheid die de openbare veiligheid ernstig in het gedrang brengt. Het feit dat het hof van beroep oordeelde XIV-38.005-6/12 dat niet kon worden uitgemaakt wie nu precies de leider van de organisatie was, doet volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen afbreuk aan de ernst van de tenlastelegging, die voor het overige bewezen werd geacht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het onbetwistbaar dat eerste verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan georganiseerde drugscriminaliteit en dat hij binnen het kader van de bende een vooraanstaande rol speelde. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat het feit dat de aanvankelijk bestreden beslissing, wat de verzwarende omstandigheid van het effectieve leiderschap van de bende betreft, de uiteindelijke veroordeling door het hof van beroep onnauwkeurig heeft weergegeven, in casu geen determinerende invloed had op de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde.
  19. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent net dat in de aanvankelijk bestreden beslissing eerste verzoekers hoedanigheid van leidend persoon in de bende wordt vermeld terwijl in het arrest van het hof van beroep van Luik die hoedanigheid niet wordt aanvaard in hoofde van eerste verzoeker. De verzoekers tonen dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat dat betreft de inhoud van het arrest van het hof van beroep zou hebben miskend. Met de overweging dat eerste verzoeker onbetwistbaar een vooraanstaande rol in de bende speelde, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis of inhoud aan het meergenoemde arrest van het hof van beroep te Luik die in strijd is met de bewoordingen van het arrest waarin wordt gesteld dat niet kan worden uitgemaakt of eerste verzoeker dan wel zijn kompaan T.F. de leider was van de bende. Met de voornoemde overweging geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook aan waarom hij van oordeel is dat de onnauwkeurige vermelding in de aanvankelijk bestreden beslissing dat eerste verzoeker door het hof van beroep te Luik als leider van de bende zou zijn beschouwd, geen invloed had op de inhoud van die beslissing. XIV-38.005-7/12
  20. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord voor het eerst aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn wettigheidstoezicht te buiten zou zijn gegaan en zich zelf zou hebben uitgesproken over het gevaar dat eerste verzoeker zou vormen voor de openbare orde, formuleert hij een nieuwe kritiek waarvan niet blijkt dat hij deze niet had kunnen opwerpen in het verzoekschrift tot cassatie.
  21. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Derde middelonderdeel
  22. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Met betrekking tot het gevaar voor de openbare orde stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.
  23. van het bestreden arrest vast dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit blijkt dat de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit onder het begrip “ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid” valt en waarin wordt bevestigd dat georganiseerde drugscriminaliteit een zodanig gevaar voor de samenleving vormt dat bijzondere maatregelen gerechtvaardigd zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt XIV-38.005-8/12 gespecificeerd dat eerste verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan internationale handel in cocaïne in het kader van een vereniging van misdadigers omwille van financiële motieven zonder zich te bekommeren over de nefaste maatschappelijke gevolgen hiervan en dat dit wijst op een gevaarlijke en asociale ingesteldheid, die de openbare veiligheid ernstig in het gedrang brengt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar het besluit in de aanvankelijk bestreden beslissing dat eerste verzoeker een reële, actuele en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de maatschappij vertegenwoordigt, gelet op de ernst van de feiten, het deel uitmaken van een vereniging met internationale drughandel, de duur van de periode, eerste verzoekers rol binnen de organisatie en zijn persoonlijkheid. Met betrekking tot de kritiek van de verzoekers omtrent het actueel karakter van het gevaar dat eerste verzoeker vormt voor de openbare orde, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het feit dat slechts sprake is van één veroordeling er niet aan in de weg staat dat de ten laste gelegde feiten zich uitstrekken over een periode van ongeveer anderhalf jaar. Ook het argument dat eerste verzoeker “veel spijt heeft” is volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in casu niet meer dan een algemene bewering”. Voorts blijkt uit het bestreden arrest dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de verzoekers niet bijtreedt waar zij menen dat uit het feit dat eerste verzoeker sedert zijn opsluiting in de gevangenis van goed gedrag is, moet worden afgeleid dat hij geen gevaar meer voor de openbare orde zou zijn, op grond van de overweging dat “uit de niet betwiste motieven van de bestreden beslissing (...) immers blijkt dat verzoekers handelen was ingegeven door winstbejag en dat de feiten blijk geven van georganiseerde criminaliteit die zich uitstrekte over een ruime periode”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat het oordeel dat de eerste verzoeker een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde niet onredelijk of onevenredig is, “gelet op de aard van de feiten, het georganiseerde karakter, de periode waarin deze werden vastgesteld, en het winstoogmerk”. XIV-38.005-9/12 Aldus blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk antwoordt op de argumenten van de verzoekers, ook wat het actueel karakter van het gevaar dat eerste verzoeker voor de openbare orde vormt betreft, en dat daarmee duidelijk en ondubbelzinnig de redenen worden uiteengezet die de eerste rechter ertoe brengen zijn beslissing te nemen. De verzoekers maken geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  24. Het derde middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
  25. Het enige middel kan niet tot cassatie leiden. V. Begroting van de kosten - rechtsplegingsvergoeding
  26. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij de verzoekers te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Vermits de verzoekers als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand genieten en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  28. De verzoekers worden verwezen in de kosten, begroot op een rolrecht van 800 euro, ieder voor een vierde, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.005-10/12 XIV-38.005-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.005-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.715 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.