id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.716 Rolnummer: A. 227949/XIV-38029 Zaak: Arrest 250716 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:52 Fiche Arrest nr 250.716 van 28 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.716 van 28 mei 2021 in de zaak A. 227.949/XIV-38.029 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoinette Van Vyve kantoor houdend te 1050 Brussel Maliestraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blérotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.537 van 20 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.322 van 15 mei
- Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. XIV-38.029-1/8 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021, om 15.20 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat François Declercq, die loco advocaat Antoinette Van Vyve verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster dient op 12 oktober 2018 een verzoek om internationale bescherming in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) neemt op 13 november 2018 in hoofde van verzoekster een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). Op 3 december 2018 tekent verzoekster tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-38.029-2/8 Met een arrest van 20 maart 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen de beslissing van 13 november 2018 omdat dit beroep laattijdig zou zijn ingediend. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster werpt in een enig middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 14 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘houdende rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’, van het recht van verdediging, van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van “de verplichting om te oordelen met kennis van zaken” en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek wegens “miskenning van de bewijskracht en draagwijdte van een akte”. Verzoekster geeft eerst een theoretische uiteenzetting over de aangehaalde bepalingen en beginselen. In een eerste middelonderdeel voert verzoekster aan dat volgens het bestreden arrest de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing is gebeurd op 15 november 2018, verzoekster met haar stuk “bewijs dat verzoekster deze brief op 23 november 2018 heeft ontvangen” enkel aantoont wanneer zij de brief is gaan afhalen, 20 november 2018 bijgevolg de eerste dag van de beroepstermijn was en het op 3 december 2018 verstuurde verzoekschrift tot beroep dus buiten de wettelijke termijn werd ingediend. Verzoekster acht daarmee de draagwijdte van haar voormeld stuk miskend. Zij wijst erop dat de in artikel XIV-38.029-3/8 39/57, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) voorziene termijn van drie werkdagen slechts een vermoeden vormt. In het stuk dat het traject beschrijft van de aangetekende brief met de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing staat “Votre recommandé a été livré le 23 novembre à 10:33”. Dit betekent volgens verzoekster dat de brief werd “afgeleverd” en niet dat verzoekster de brief is gaan “afhalen”. Verder staat de laatste van de vier stappen van het traject op het voormelde stuk vermeld als “livré chez vous”. Uit alle elementen in de omschrijving van het traject blijkt dus dat de aangetekende brief bij verzoekster thuis is bezorgd op 23 november
- Verzoekster laat gelden dat de beroepstermijn logischerwijs niet kan zijn ingegaan op 20 november 2018 omdat de aangetekende brief op die datum nog steeds niet via de postbode was afgeleverd bij haar thuis. Zij besluit dat het bestreden arrest is gesteund op een onjuiste lezing van het Bpost-document, waardoor de draagwijdte van de geschreven akte en bijgevolg de artikelen 1319 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek zijn miskend. In een tweede middelonderdeel voert verzoekster aan dat zij ervan overtuigd was dat haar bij het verzoekschrift tot beroep gevoegd stuk van de website van Bpost een voldoende bewijs vormde dat de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing niet had plaatsgevonden binnen de in artikel 39/57, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet voorziene termijn van drie werkdagen. Als de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit niet voldoende achtte, had hij minstens moeten aannemen dat er twijfel was en eventueel verzoekster nader moeten horen over het traject van de aangetekende brief. Uit de brief van Bpost van 12 april 2019 aan verzoeksters advocaat blijkt dat “le recommandé référencé (…) a été déposé le 15/11/2018 et votre cliente ne l’a reçu que le 23/11/2018”. De ongebruikelijke termijn van acht dagen voor een aangetekende brief wordt verklaard door ernstige storingen bij Bpost in november
- Verzoekster brengt wat dat betreft een attest bij van Bpost, dat zij weliswaar niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft bezorgd. Zij besluit dat de Raad voor XIV-38.029-4/8 Vreemdelingenbetwistingen de verplichting om te oordelen met kennis van zaken en het recht van verdediging heeft geschonden. Beoordeling
- De laattijdigheid en daarmee de niet-ontvankelijkheid van verzoeksters beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vormt het enige weigeringsmotief van het bestreden arrest. Naar luid van artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet beginnen de in § 1 bepaalde beroepstermijnen te lopen, “wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst”. De behoorlijke verzending van de oproeping naar de gekozen woonplaats van de betrokkene volstaat niet. De betrokkene moet ook daadwerkelijk kennis kunnen nemen van de zending. De aanvang van de beroepstermijn vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief bij de postdiensten is overhandigd, is volgens het voornoemde artikel 39/57 met andere woorden slechts een vermoeden dat door de geadresseerde kan worden weerlegd.
- Te dezen is de in artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet bedoelde kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing verstuurd zonder ontvangstmelding. Om na te gaan of verzoeksters beroepschrift binnen de in artikel 39/57, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet bepaalde termijn was ingediend, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest derhalve niet enkel uit te gaan van de datum van overhandiging van de aangetekende zending aan Bpost, maar diende hij tevens na te gaan of uit de voorliggende stukken blijkt of de brief effectief werd overhandigd door de postdiensten aan de woning dan wel of de XIV-38.029-5/8 bevestiging voorlag door de postdiensten dat er een bericht van afwezigheid bij aanbieding werd achtergelaten als bewijs van overhandiging. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoekster als “bijlage 1” bij haar beroepschrift van 3 december 2018 tegen de aanvankelijk bestreden beslissing en bij haar verzoek tot horen van 1 februari 2019 een kopie van de briefomslag heeft gevoegd waarmee de aanvankelijk bestreden beslissing haar ter kennis werd gebracht. Op deze briefomslag is enkel een barcode van de aangetekende zending zichtbaar en een stempel “reçu le 22 NOV. 2018”. Er blijkt niet wie deze stempel heeft geplaatst. Op de briefomslag is geen spoor terug te vinden van de bevestiging door de postdiensten dat bij aanbieding van de brief een bericht van afwezigheid werd achtergelaten als bewijs van overhandiging. Verder blijkt dat verzoekster, nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er in zijn beschikking van 18 januari 2019 op had gewezen dat zich een probleem stelde inzake de tijdigheid van het beroep, een “bijlage 2” heeft gevoegd bij haar verzoek tot horen met daarin een overzicht van het traject van de aangetekende zending. Op dit stuk zijn vier iconen weergegeven, met bij het eerste icoon de tekst “Préparation par l’expéditeur”, bij het tweede icoon de tekst “Traitement par bpost”, bij het derde icoon de tekst “En route vers votre adresse” en bij het vierde icoon de tekst “Livré chez vous”. Er staat tevens op vermeld dat “Votre recommandé a été livré le 23 novembre à 10:33”. Rekening gehouden met het gebrek aan bevestiging op de briefomslag door de postdiensten dat een bericht van afwezigheid bij aanbieding werd achtergelaten en met de bewoordingen “Livré chez vous” en “livré le 23 novembre à 10:33” in de door verzoekster overgelegde bijlage betreffende het traject van de aangetekende zending, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zonder schending van de inhoud van de voormelde stukken oordelen dat de kennisgeving van de zending was gebeurd op 15 november 2018, dat de beroepstermijn was ingegaan op 20 november 2018 en XIV-38.029-6/8 dat het beroepschrift dus laattijdig was ingediend. In die stukken wordt immers nergens aangegeven dat verzoekster de aangetekende brief is gaan “afhalen”, noch dat een bericht van afwezigheid werd achtergelaten doch enkel dat het stuk werd afgeleverd (“livré”) op 23 november
- Verzoekster toont derhalve een schending aan van het beginsel van de bewijskracht van geschreven stukken overeenkomstig de artikelen 1319 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals deze golden op het ogenblik van het bestreden arrest, en van artikel 39/57, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet, waarop zij zich in de uiteenzetting van het middel ook beroept.
- Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het arrest nr. 218.537 van 20 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.029-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.029-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.