← België

Arrest 250723 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.723 Rolnummer: A. 227936/XIV-38027 Zaak: Arrest 250723 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.723 van 28 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.723 van 28 mei 2021 in de zaak A. 227.936/XIV-38.027 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Copinschi kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 93 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 19 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.564 van 20 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.341 van 4 juni
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. XIV-38.027-1/15 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021, om 14.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 8 november 2018 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ten aanzien van verweerder in een “bijlage 13septies L” een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten, terugleiding naar de grens en vasthouding met het oog op verwijdering (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). Verweerder stelt op 14 november 2018 tegen de voornoemde beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 20 maart 2019 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van 8 november XIV-38.027-2/15 2018 houdende bevel om het grondgebied te verlaten met terugleiding naar de grens. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  6. De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van artikel 28 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) iuncto artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het beginsel van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”.
  7. De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest overweegt dat een onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM dient te gebeuren bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten. Nochtans dient dit onderzoek pas te gebeuren bij het nemen van een gedwongen verwijderingsmaatregel, nadat de grens is bepaald waarnaar de betrokkene wordt teruggeleid. De verzoekende partij maakt een onderscheid tussen het nemen van de terugkeerbeslissing en het moment van verwijdering. Zij verwijst naar de punten B.5.1 en B.5.2 van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 89/2015 van 11 juni 2015 en citeert daaruit dat de verzoekende partij in het stadium van het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten “niet [dient] te beoordelen of de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten de artikelen 3 en 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens in acht XIV-38.027-3/15 neemt”. De verzoekende partij verwijst verder naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 13 december 2016 in de zaak nr. 41738/10, Paposhvili t. België, waaruit zij afleidt dat slechts sprake is van een door een lidstaat te voeren onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM wanneer de lidstaat het voornemen heeft om de betrokken vreemdeling daadwerkelijk te verwijderen, namelijk wanneer sprake is van expulsion of extradition. Te dezen zou verweerder niet op basis van de aanvankelijk bestreden beslissing gedwongen worden teruggeleid naar het land van herkomst, vermits in die beslissing duidelijk wordt overwogen dat de grens waarnaar verweerder moet worden teruggeleid nog dient te worden bepaald, nu verweerder niet beschikt over de vereiste documenten om deze grens vast te stellen. Volgens de verzoekende partij kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg niet voorhouden dat een onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM al moest gebeuren bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing. De verzoekende partij benadrukt dat in de Belgische rechtsorde gevolg werd gegeven aan het voornoemde arrest van het EHRM van 13 december 2016 met een actieplan en een wetswijziging van 10 april
  8. Zij citeert verder artikel 28 van de vreemdelingenwet en merkt op dat te dezen de grens waarnaar verweerder desgevallend zou worden teruggeleid, nog niet is bepaald aangezien verweerders nationaliteit nog moet worden bepaald. De verzoekende partij verwijst ook naar een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 8 februari 2018, gewezen in verenigde kamers, waarin het onderscheid wordt gemaakt tussen de beslissing tot verwijdering en de beslissing tot terugleiding. Die zaak betrof een beroep tegen een bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens waarin uitdrukkelijk werd vermeld dat de betrokkene “in geen geval zal worden teruggeleid naar het land van herkomst”. Ook in de huidige zaak was bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing nog niet duidelijk naar welk land verweerder zou worden teruggeleid en daarom werd gemotiveerd dat dit in een latere beslissing zou worden bepaald. De XIV-38.027-4/15 verzoekende partij benadrukt dat op het ogenblik van de beslissing tot effectieve terugleiding moet worden onderzocht naar waar de betrokkene zal worden teruggeleid, dat dan de mogelijkheid bestaat om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing tot terugleiding en dat pas in dat stadium een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het tegendeel aanneemt, acht de verzoekende partij artikel 28 van de vreemdelingenwet iuncto artikel 3 van het EVRM geschonden.
  9. De verzoekende partij voert in een tweede middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in het bestreden arrest overweegt dat een verplichting tot onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM reeds ontstaat bij het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten en in dit kader verwijst naar de arresten nrs. 241.623 en 241.625 van de Raad van State”, terwijl dergelijke interpretatie geen steun vindt in die arresten. In de beslissingen waarop de voornoemde arresten betrekking hebben moest de grens niet meer worden bepaald en verleende het bevel om het grondgebied te verlaten op zich een titel om de betrokkene te verwijderen naar zijn land van herkomst, terwijl in de beslissing die heeft geleid tot het thans bestreden arrest werd gemotiveerd dat nog geen beslissing tot terugleiding kon worden genomen omdat nog niet kon worden bepaald naar welk land verweerder dient te worden teruggeleid. Door verkeerdelijk aan te nemen dat met de voormelde arresten uitspraak wordt gedaan over een beslissing gelijkaardig aan de beslissing die tot het thans bestreden arrest heeft geleid, acht de verzoekende partij de inhoud en de bewijskracht van die arresten geschonden.
  10. In de toelichtende memorie gaat de verzoekende partij met betrekking tot het eerste middelonderdeel verder in op het arrest van het EHRM van 13 december 2016 waarin zij leest dat een onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM kan gebeuren tot vlak voor de gedwongen verwijdering, met dien verstande dat niet wordt tegemoetgekomen aan de bekommernissen van dit artikel indien er geen aanwijzingen zijn betreffende de omvang van dergelijk onderzoek en het effect ervan op het bindend karakter van XIV-38.027-5/15 het bevel om het grondgebied te verlaten. Zij verwijst opnieuw naar het na dit arrest opgestelde beleidsplan, in uitvoering waarvan een door de politie onderschepte vreemdeling die aangeeft niet te willen terugkeren naar zijn land van herkomst omwille van een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM, wordt gehoord en de aangevoerde mogelijke schending wordt onderzocht. Zo mogelijk gebeurt dit onderzoek voor de eigenlijke vasthouding. De verwijdering moet worden vermeden indien de vreemdeling ernstige elementen aanhaalt om een risico op schending van artikel 3 van het EVRM in het land van bestemming te doen geloven. Zodra een vreemdeling wordt opgesloten in een gesloten centrum, dient een uitvoerig onderzoek naar een schending van artikel 3 van het EVRM te gebeuren. Volgens de verzoekende partij komt dit plan integraal tegemoet aan de opmerkingen van het EHRM. De verzoekende partij laat gelden dat een gebrek aan of een ontoereikend onderzoek onbetwistbaar een effect heeft op het bindend karakter van het bevel om het grondgebied te verlaten vermits de betrokken vreemdeling op grond van artikel 39/82, § 4, van de vreemdelingenwet bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel kan vragen indien de tenuitvoerlegging imminent is. In dat geval moet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook rekening houden met nieuwe bewijsstukken en dus onderzoeken of de gebeurlijke gedwongen verwijdering verenigbaar is met artikel 3 van het EVRM nadat de beslissing tot verwijdering reeds is genomen. Volgens de verzoekende partij wordt in het bestreden arrest dus ten onrechte voorgehouden dat een onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM al moet gebeuren bij het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten. De verzoekende partij vervolgt dat richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115) het onderscheid maakt tussen een terugkeerbesluit en een XIV-38.027-6/15 verwijdering, dit laatste zijnde de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de eerbiediging van het in artikel 5 van richtlijn 2008/115 bepaalde non refoulement-beginsel in essentie moet worden beoordeeld op het ogenblik dat wordt overgegaan tot gedwongen verwijdering. De verzoekende partij verwijst ook naar artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, naar luid waarvan bij het nemen van een beslissing tot verwijdering rekening wordt gehouden met het hoger belang van het kind, het gezinsleven en de gezondheidstoestand van de vreemdeling, en naar artikel 74/17 van dezelfde wet, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat de verwijdering tijdelijk wordt uitgesteld indien de verwijderingsbeslissing de vreemdeling blootstelt aan een schending van het non refoulement-beginsel. Vermits artikel 1, 7°, van de vreemdelingenwet een verwijdering definieert als de fysieke verwijdering van het grondgebied, kan hieruit worden afgeleid dat een onderzoek naar artikel 3 van het EVRM pas dient te gebeuren op het ogenblik van de effectieve/daadwerkelijke verwijdering.
  11. Wat het tweede middelonderdeel betreft, verwijst de verzoekende partij naar de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2008/115 en vraagt zij in ondergeschikte orde drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in de eerste plaats of artikel 5.2 van richtlijn 2008/115 zo moet worden uitgelegd dat bij het nemen van een terugkeerbesluit een onderzoek in het licht van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet gebeuren dan wel of dit onderzoek ook nog kan gebeuren op het ogenblik van de daadwerkelijke verwijdering, in de tweede plaats of het antwoord op die vraag verschillend is indien de nationaliteit van de betrokken vreemdeling nog niet kan worden bepaald bij het nemen van de bestreden beslissing, meer bepaald indien de vreemdeling zijn identiteit niet kan aantonen met identiteitsdocumenten en in de derde plaats of het antwoord verschillend is indien de nationaliteit van de betrokken vreemdeling vaststaat op het ogenblik van het nemen van het XIV-38.027-7/15 terugkeerbesluit, doch de vreemdeling de grenskeuze heeft als hij beschikt over de vereiste documenten om terug te keren naar zijn land van herkomst. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  12. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de aanvankelijk bestreden beslissing bestaat uit een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten en tot terugleiding naar de grens met vasthouding met het oog op verwijdering. Er wordt overwogen dat het “noodzakelijk [is] om de betrokkene zonder verwijl naar de grens te doen terugleiden” en er wordt geen termijn voor vrijwillig vertrek toegekend. Na te hebben vastgesteld dat verweerder niet in het bezit is van documenten, wordt overwogen dat bijgevolg zijn nationaliteit moet worden bepaald en dat “de grens waarnaar betrokkene zal worden teruggeleid zal worden bepaald in een beslissing tot vaststelling van de grens, nadat de nationaliteit vaststaat en het risico op schending van artikel 3 EVRM werd onderzocht”, beslissing waartegen “een schorsend beroep bij de RVV ingesteld [kan] worden”.
  13. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt met verwijzing naar de definities in artikel 1, § 1, van de vreemdelingenwet en naar artikel 7 van dezelfde wet dat een bevel om het grondgebied te verlaten reeds de verplichting oplegt om het grondgebied te verlaten en dat reeds bij het nemen van die beslissing een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht. Hij benadrukt dat het tegenstrijdig is om enerzijds een beslissing tot terugleiding naar de grens te nemen en anderzijds te stellen dat de grens later nog zal worden bepaald, zodat niet ernstig kan worden betwist dat de verzoekende partij, ondanks de in de aanvankelijk bestreden beslissing geuite intentie, geen nieuwe beslissing nodig heeft om verweerder op grond van de aanvankelijk bestreden beslissing te verwijderen naar Eritrea. Omdat Eritrea in die beslissing als nationaliteit wordt vermeld en geen ander land van bestemming wordt genoemd, XIV-38.027-8/15 moet het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten aanzien van Eritrea worden onderzocht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herhaalt dat de aanvankelijk bestreden beslissing een titel verschaft om tot gedwongen uitvoering over te gaan en uitvoerbaar is, zodat op grond daarvan een verwijdering naar Eritrea mogelijk is. Hij stelt vast dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen motivering met betrekking tot artikel 3 van het EVRM bevat en dat dit onderzoek zelfs uitdrukkelijk wordt uitgesteld.
  14. Waar in het bestreden arrest is vastgesteld, hetgeen op zich niet wordt betwist, dat bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing geen onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM werd gevoerd, betwist de verzoekende partij de in het bestreden arrest gegeven lezing van het voornoemde arrest van het EHRM van 13 december 2016 en voert zij in essentie aan dat met artikel 3 van het EVRM nog geen rekening moest worden gehouden bij het nemen van de beslissing omdat verweerder niet op basis van die beslissing gedwongen zou worden teruggeleid naar het land van herkomst maar dat eerst nog moet worden onderzocht naar welke grens verweerder zal worden teruggeleid.
  15. Het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten houdt in dat de rechtstoestand van de betrokken vreemdeling als dusdanig bestaat op het ogenblik dat die beslissing wordt genomen, dat die vreemdeling op dat ogenblik dus geen titel (meer) heeft om op het grondgebied te verblijven zodat hij er onwettig verblijft en dat hij derhalve het grondgebied dient te verlaten. Die beslissing is bindend en uitvoerbaar. Het betreft dan ook een beslissing tot verwijdering in de zin van artikel 1, 6°, van de vreemdelingenwet. De betrokken vreemdeling is ertoe gehouden de terugkeerverplichting na te leven en het bevel om het grondgebied te verlaten, dat te dezen is vervat in de aanvankelijk bestreden beslissing, uit te voeren zonder dat de verzoekende partij een nieuwe beslissing dient te nemen. Naar luid van artikel 7, eerste lid, van de vreemdelingenwet wordt een bevel om het grondgebied te XIV-38.027-9/15 verlaten gegeven “onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag”. De verzoekende partij moet derhalve bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten reeds onderzoeken of die verwijderingsmaatregel in overeenstemming is met de normen van de internationale verdragen waardoor België gebonden is, te dezen met artikel 3 van het EVRM. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de mogelijkheid voor de verzoekende partij om bij niet-naleving van het bevel om het grondgebied te verlaten over te gaan tot dwangmaatregelen met het oog op verwijdering in de zin van artikel 1, 7°, van de vreemdelingenwet, zijnde de fysieke verwijdering van het grondgebied. Enerzijds kan de toestand immers in die zin evolueren dat zich bij het nemen van de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten nog geen gevaar voor een schending van artikel 3 van het EVRM voordoet doch naderhand wel, wanneer de verzoekende partij effectief wil overgaan tot verwijdering. Anderzijds kan niet worden verondersteld dat de betrokken vreemdeling het bevel om het grondgebied te verlaten niet zal naleven zodat de verzoekende partij er zich niet van kan onthouden een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM te onderzoeken onder het voorwendsel dat zij dergelijk onderzoek zal voeren bij het nemen van dwangmaatregelen met het oog op de fysieke verwijdering van de vreemdeling. Dit klemt des te meer nu in de huidige zaak de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelde beslissing niet enkel een bevel om het grondgebied te verlaten betrof maar ook reeds een beslissing tot terugleiding naar de grens met vasthouding met het oog op verwijdering.
  16. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze oordelen dat ook te dezen een onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM diende te gebeuren, ondanks de aangekondigde intentie in de aanvankelijk bestreden beslissing om eerst een “beslissing tot vaststelling van de grens” te nemen waartegen een schorsend beroep XIV-38.027-10/15 bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou kunnen worden ingesteld. Deze laatste intentie doet immers geen afbreuk aan de aard en de uitvoerbaarheid van de aanvankelijk bestreden beslissing, die uitdrukkelijk een bevel om het grondgebied te verlaten inhoudt zonder termijn voor vrijwillig vertrek met “beslissing tot terugleiding naar de grens”, waarvan wordt gesteld dat het “noodzakelijk” is om verweerder “zonder verwijl naar de grens te doen terugleiden” en waarin als nationaliteit “Eritrea” wordt vermeld, zonder verwijzing naar enig ander mogelijk land van bestemming. In het licht hiervan kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op wettige wijze op het standpunt stellen dat de aanvankelijk bestreden beslissing, op grond van de rechtsgrond en de motieven ervan, een titel verschaft om tot gedwongen uitvoering over te gaan en daarbij vaststellen dat het tegenstrijdig is om enerzijds een beslissing tot terugleiding naar de grens te nemen en anderzijds te stellen dat de grens later nog zal worden bepaald.
  17. In de laatste zin van punt 199 van het arrest van 13 december 2016 inzake Paposhvili tegen België stelt het EHRM vast dat de Raad van State, die was gevat door een cassatieberoep, de in die zaak gevolgde redenering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft bevestigd en heeft gepreciseerd dat de evaluatie van de medische toestand van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsmaatregel en aan wie de machtiging tot verblijf was geweigerd, moest gebeuren op het ogenblik van de gedwongen uitvoering van die verwijderingsmaatregel en niet op het ogenblik van het aannemen van die maatregel. Met uitdrukkelijke verwijzing naar punt 199 in fine, vervolgt het EHRM in punt 202 dat de omstandigheid dat de evaluatie van de medische toestand van de betrokkene ook in extremis had kunnen gebeuren op het ogenblik van de gedwongen uitvoering van de verwijderingsmaatregel, niet tegemoet komt aan de bekommernissen van artikel 3 van het EVRM wanneer er geen aanwijzingen zijn betreffende de omvang van dergelijk onderzoek en het effect ervan op het bindende karakter van het bevel om het grondgebied te verlaten. XIV-38.027-11/15 Ook met het bestreden arrest is uitspraak gedaan over de wettigheid van een bevel om het grondgebied te verlaten waarbij geen onderzoek was gedaan naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM in het licht van de concrete gegevens van de zaak. In de zaak die tot het meergenoemde arrest van het EHRM van 13 december 2016 heeft geleid, was nog geen effectieve verwijdering van de vreemdeling voorzien. Nu het EHRM ook in dat arrest heeft gewezen op de noodzaak van een toetsing aan artikel 3 van het EVRM, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er geen betekenis aan gegeven die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan door te oordelen dat een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten en niet pas op het ogenblik van de gedwongen verwijdering van de vreemdeling. Dat verweerder vlak voor de uitvoering van de verwijderingsmaatregel alsnog een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen instellen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Waar de verzoekende partij uit het arrest van het EHRM van 13 december 2016 afleidt “dat er slechts sprake is van een door de Lidstaat te voeren onderzoek, wanneer de Lidstaat het voornemen heeft om de betrokken vreemdeling effectief te verwijderen”, dient bovendien te worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de bewoordingen van de aanvankelijk bestreden beslissing heeft afgeleid dat de verzoekende partij wel degelijk beoogde verweerder “zonder verwijl naar de grens te doen terugleiden” en dat zij daartoe beschikte over een uitvoerbare beslissing, minstens een tegenstrijdige houding aannam. Artikel 3 van het EVRM verzet zich nochtans tegen dergelijke ambigue houding die een zinnig onderzoek naar de risico’s van een verwijdering verhindert.
  18. Artikel 28 van de vreemdelingenwet bepaalt dat de verwerende partij de grens aanwijst waarover de vreemdeling het land zal verlaten indien hij weigert te kiezen of de documenten vernielt die hem in staat stellen naar een ander land te gaan. Deze bepaling primeert echter niet op artikel 3 van het EVRM in de XIV-38.027-12/15 zin dat de verwerende partij zonder onderzoek van een mogelijke schending van deze verdragsbepaling reeds een bevel om het grondgebied met terugleiding naar de grens en vasthouding met het oog op verwijdering zou mogen nemen alvorens de nationaliteit van de betrokkene (en daarmee de grens waarnaar hij zal worden teruggeleid) te bepalen.
  19. In de mate dat de verzoekende partij verwijst naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 199.329 van 8 februari 2018, dient te worden opgemerkt dat arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen precedentwaarde hebben voor de Raad van State. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een eerder arrest in een andere zaak een ander standpunt zou hebben ingenomen, betekent niet dat het thans bestreden arrest behept is met een onwettigheid, daargelaten de vraag of de omstandigheden in beide zaken dezelfde zijn. Tweede middelonderdeel
  20. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na onderzoek van de inhoud en de draagwijdte van de aanvankelijk bestreden beslissing, op wettige wijze heeft geoordeeld dat bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing een onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM moest worden gedaan. Of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn motivering ook terecht naar de daartoe aangehaalde arresten van de Raad van State heeft verwezen of niet, kan in die omstandigheden niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest.
  21. In de toelichtende memorie gaat de verzoekende partij in op de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2008/115 en op artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij vraagt in ondergeschikte orde drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. XIV-38.027-13/15 De verzoekende partij heeft geen schending van de voornoemde bepalingen opgeworpen in het verzoekschrift tot cassatie en zij toont ook niet aan dat zij daartoe niet in de mogelijkheid was. Derhalve kan de schending van de meergenoemde bepalingen niet voor het eerst worden opgeworpen in de toelichtende memorie. Bijgevolg dienen de desbetreffende prejudiciële vragen evenmin te worden gesteld. Conclusie
  22. Het eerste middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel
  23. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Het onderzoek van de zaak moet derhalve worden voortgezet. BESLISSING
  24. Het debat wordt heropend.
  25. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. XIV-38.027-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.027-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.