id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.724 Rolnummer: A. 228234/VII-41456 Zaak: Arrest 250724 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.724 van 28 mei 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.724 van 28 mei 2021 in de zaak A. 228.234/XIV-38.066 In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valerie Meulemeester kantoor houdend te 9473 Welle Langestraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 mei 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 220.287 van 26 april 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.389 van 2 juli
- Verweerster heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.066-1/9 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021, om 16.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Valerie Meulemeester verschijnt voor verweerster, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verweerster dient op 10 maart 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Met een beslissing van 27 maart 2019 stelt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) vast dat verweerster niet als vluchteling kan worden erkend en dat zij niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). XIV-38.066-2/9 Op 8 april 2019 tekent verweerster tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 26 april 2019 weigert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vluchtelingenstatus aan verweerster doch kent hij haar wel de subsidiaire beschermingsstatus toe. Dit is het bestreden arrest. IV. Ontvankelijkheid ratione temporis
- Verweerster acht het cassatieberoep laattijdig omdat de verzoekende partij aangeeft dat het bestreden arrest haar ter kennis werd gebracht met een brief van 26 april
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat het bestreden arrest ter kennis werd gebracht van de huidige verzoekende partij met een ter post aangetekend schrijven van 26 april 2019, zodat de termijn voor het instellen van het cassatieberoep is beginnen lopen de derde werkdag nadien. Bijgevolg is het op 27 mei 2019 ingestelde cassatieberoep tijdig. De exceptie wordt afgewezen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van het recht van verdediging, van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). XIV-38.066-3/9 De verzoekende partij voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend aan verweerster op grond van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet, specifiek omwille van de algemene veiligheidssituatie in Gaza. Nochtans heeft verweerster in het verzoekschrift tot beroep nergens kritiek geuit op het feit dat de commissaris-generaal in de aanvankelijk bestreden beslissing de algemene veiligheidssituatie integraal heeft beoordeeld in het licht van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij licht toe dat de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus in de derde alinea van punt 2.3.4.2 van het bestreden arrest aanvangt met een citaat uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat volledig kadert binnen een beoordeling van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet. Huidige verweerster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter geen middel ontwikkeld met betrekking tot deze laatste bepaling. De verzoekende partij is van oordeel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar recht van verdediging heeft miskend door in het bestreden arrest een volledig nieuw juridisch argument te ontwikkelen dat niet aan de partijen werd voorgelegd, hetgeen blijkt uit het feit dat geen van de partijen vooraf een standpunt daarover heeft ingenomen. Minstens had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het debat moeten heropenen indien hij van oordeel was dat de partijen een welbepaald juridisch argument onbesproken hadden gelaten. Meer ondergeschikt, had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moeten toelichten waarom de algemene veiligheidssituatie in de aanvankelijk bestreden beslissing ten onrechte in het licht van artikel 48/4, § 2, c), in plaats van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet zou zijn beoordeeld.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij verwijst in het opschrift van het middel ook naar artikel 39/69 van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij betwist op zich niet dat verweerster zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft beroepen op de XIV-38.066-4/9 algemene veiligheidssituatie in Gaza, maar zij meent dat verweerster voorbijgaat aan het feit dat artikel 48/4, § 2, van de Vreemdelingenwet drie afzonderlijke hypotheses voorziet waarin sprake kan zijn van ernstige schade, waarbij elke hypothese uiteraard een andere beoordeling door de commissaris-generaal vergt. In casu staat volgens de verzoekende partij vast dat de door verweerster aangehaalde algemene veiligheidssituatie in de Gazastrook in de aanvankelijk bestreden beslissing werd beoordeeld in het licht van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet, terwijl verweerster in haar beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nergens aanvoerde dat deze beoordeling in het licht van deze bepaling niet correct zou zijn, laat staan dat zij zou hebben aangevoerd dat de beoordeling op basis van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet diende te geschieden. Verweerster heeft voor de Rand voor Vreemdelingenbetwistingen op geen enkele wijze enigerlei omschrijving gegeven van de geschonden geachte rechtsregel, dan wel van de wijze waarop de betrokken rechtsregel zou zijn geschonden bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verweerster is aldus manifest in gebreke gebleven om een voldoende duidelijk en nauwkeurig omschreven middel naar voor te brengen, nu in het beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelfs geen melding wordt gemaakt van enige geschonden geachte rechtsregel. De verzoekende partij besluit hieruit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij gebrek aan een duidelijk omschreven middel ambtshalve de niet-ontvankelijkheid van het door verweerster ingestelde beroep had moeten vaststellen. Beoordeling Wat artikel 39/69 van de vreemdelingenwet betreft
- De huidige verzoekende partij heeft in haar nota met opmerkingen als verwerende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet laten gelden dat het middel in het verzoekschrift tot beroep onvoldoende duidelijk zou zijn. Zij heeft dit in het verzoekschrift tot cassatie evenmin aangevoerd, noch heeft zij op dat ogenblik een schending van artikel 39/69 van de vreemdelingenwet opgeworpen. De verzoekende partij toont geenszins aan dat zij XIV-38.066-5/9 daartoe op dat ogenblik niet in de mogelijkheid was. Zij vermag die kritiek en die schending dan ook niet voor het eerst op te werpen in de memorie van wederantwoord. Bovendien oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein of een voor hem aangevoerd middel voldoende duidelijk is omschreven of niet.
- Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. Wat het recht van verdediging betreft
- Op grond van artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet doet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak met hervormingsbevoegdheid over de beroepen tegen beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals te dezen met het bestreden arrest is gebeurd. Krachtens de devolutieve werking van dat beroep neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis van de zaak in haar geheel. Dat hij over geen eigen onderzoeksbevoegdheid beschikt, houdt slechts in dat hij zich uitsluitend vermag te steunen op het rechtsplegingsdossier, dit zijn de processtukken met in beginsel het administratief dossier en in voorkomend geval de nieuwe gegevens die de partijen met toepassing van artikel 39/76, § 1, van de vreemdelingenwet hebben meegedeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de behandeling van die beroepen niet gebonden door de vaststellingen of de motieven uit de bij hem aangevochten beslissing, noch door de standpunten van de partijen. Hij mag zich een eigen appreciatie vormen van de voorliggende stukken en tot een andere kwalificatie komen dan de commissaris-generaal, voor zover daarbij het XIV-38.066-6/9 recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, wordt gerespecteerd.
- In de aanvankelijk bestreden beslissing is onder meer onderzocht of verweerster in aanmerking kwam voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Er wordt melding gemaakt van de drie voorziene hypotheses, namelijk van artikel 48/4, § 2, a), b), en c), van de vreemdelingenwet. In het verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft huidige verweerster het voornoemde artikel 48/4 niet als dusdanig vermeld. Wel heeft zij aangevoerd “dat aan verzoekster de status van vluchteling, minstens de subsidiaire bescherming moet worden toegekend”, hetgeen zij heeft ontwikkeld in verschillende punten, onder meer “de veiligheidssituatie in Gaza in het algemeen” en “de veiligheidssituatie van verzoekster in het bijzonder”. Zij heeft daarbij bepaalde landeninformatie en fragmenten van haar eigen verklaringen geciteerd. Zo heeft zij verwezen naar de wekelijkse protesten sedert 31 maart 2018, de zogenaamde “grote terugkeermars”, in het kader waarvan op een jaar tijd reeds 195 Palestijnen (waaronder 41 kinderen) zouden zijn gedood en bijna 29.000 Palestijnen gewond zouden zijn geraakt. Zij heeft verder aangehaald dat er regelmatig Israëlische invallen en luchtaanvallen plaatsvinden waardoor in Gaza “een voortdurende toestand van geweld en onveiligheid” heerst. Verweerster heeft opgemerkt dat de veiligheidssituatie “extreem volatiel” blijft met “verschillende episodes van geweld en onschuldige burgerslachtoffers”. Wat haar persoonlijke situatie betreft, heeft verweerster erop gewezen dat haar woonplaats erg onveilig was “omdat de terugkeermars er plaatsvond, omdat er tunnels werden gegraven onder haar huis en omdat Hamas de woning wil gebruiken om de grens met Israël te bespioneren”. Zij heeft ook opgemerkt dat uit een nota van december 2018 over de veiligheidssituatie in Gaza blijkt dat het geweld zich voornamelijk situeert in de grensregio vanwaar verweerster afkomstig is, dat bij Israëlische aanvallen op landbouwgebieden aan de grens ook de onschuldige landbouwbevolking sterft en dat de tunnels van Hamas een bijkomend gevaar vormen. Verweerster heeft besloten dat “dit alles in XIV-38.066-7/9 samenhang met de hierboven geciteerde algemene veiligheidsinformatie […] niet toe[laat] te concluderen dat verzoekster veilig en menswaardig zou kunnen leven in Gaza”.
- Uit het voorgaande blijkt dat huidige verweerster aanspraak heeft gemaakt op de subsidiaire beschermingsstatus in het algemeen, zonder specifiek in te gaan op, laat staan zich te beperken tot, één van de drie voornoemde hypotheses van artikel 48/4, § 2, van de vreemdelingenwet. De huidige verzoekende partij was in de mogelijkheid hiertegen verweer te voeren. Dat zij zich in haar verweer zelf heeft beperkt tot een toetsing van verweersters argumentatie aan artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet, betekent niet dat het debat daartoe was beperkt in de zin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hem voorgelegde gegevens niet zou mogen toetsen aan hypothese b) van deze bepaling. Het gaat hierbij niet om nieuwe elementen waarvan de huidige verzoekende partij geen kennis had of waarover zij geen of onvoldoende verweer kon voeren. Het recht op verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, vereist niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen beoordeling van de verklaringen van de betrokkenen en van de argumentatie uit het verzoekschrift tot beroep ter kennis brengt van de partijen alvorens er zich over uit te spreken.
- Het enige middel is in die mate ongegrond. Wat artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet betreft
- Net omwille van de devolutieve werking van het beroep en het feit dat huidige verweerster voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar middel niet heeft beperkt tot artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet, hoefde XIV-38.066-8/9 de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet te motiveren waarom hij zich niet beperkte tot een toetsing aan het voornoemde artikel 48/4, § 2, c).
- Het enige middel is in die mate ongegrond. B. Tweede middel
- Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Het onderzoek van de zaak moet derhalve worden voortgezet. BESLISSING
- Het debat wordt heropend.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.066-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.