← België

Arrest 250753 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 01/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.753 Rolnummer: A. 224711/X-17184 Zaak: Arrest 250753 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 01/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.753 van 1 juni 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.753 van 1 juni 2021 in de zaak A. 224.711/X-17.184 In zake : de NV ANTWERP GATEWAY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Laure Proost kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 16 januari 2018 van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie waarbij het beroep dat namens de nv Antwerp Gateway werd ingesteld tegen de beslissing van 21 november 2017 van het Havenbedrijf Antwerpen ontvankelijk en ongegrond wordt beschouwd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 248.877 van 16 november 2020 is het debat heropend. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. X-17.184-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Judo, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Met een aangetekende brief van 3 november 2017 richt de verzoekende partij, verwijzend naar de openbaarheid van bestuur, een volgend verzoek aan het Havenbedrijf Antwerpen: “Betreft: Volumeverplichting NV PSA DGD Deurganckdok Geachte heer, Geachte mevrouw, Wij verwijzen naar de wegname van concessie-oppervlakte aan de oostelijke zijde van het Deurganckdok (‘Area B’) uit de concessieovereenkomst in hoofde van NV Antwerp Gateway, en de toewijzing daarvan aan NV PSA DGD zoals bepaald in de concessieovereenkomst d.d. 12.05.
  6. Inmiddels hebben wij tot onze verbazing moeten vaststellen dat het gebruik van zowel de ligplaats als van de concessieoppervlakte zelf ondermaats is. Zulks lieten wij ook officieel vaststellen door de deurwaarder. In dat verband informeren wij met onderhavig schrijven naar de naleving door NV PSA DGD van de voorwaarde onder bepaling P§1 van de concessieovereenkomst d.d. 12.05.2014 als volgt: * Wat zijn de door NV PSA DGD op de concessies aan het Deurganckdok behandelde volumes voor 2016? * Werden de tonnageverplichtingen in hoofde van NV PSA DGD, zijnde de verplichtingen bepaald in de concessie voor de westzijde van het Deurganckdok en de verplichting zoals vastgelegd voor de concessie aan de oostzijde van het Deurganckdok (cfr. Bepaling P.§
  7. X-17.184-2/14 Concessieovereenkomst 12.05.2014 - 544.526 maritieme TEU per jaar) voor 2016 nageleefd? * Indien voornoemde tonnageverplichtingen niet werden nageleefd, welke reden werd hiertoe door NV PSA DGD ingeroepen (cfr. Bepaling P.2§. Concessieovereenkomst 12.05.2014)? Wij nemen aan dat deze gegevens betreffende 2016 inmiddels voorhanden zijn, alsook dat wij gelet op de openbaarheid van bestuur de gevraagde informatie eerstdaags mogen ontvangen.” 3.
  8. Met een e-mail van 21 november 2017 weigert het Havenbedrijf Antwerpen de openbaarmaking van de gevraagde gegevens: “De door u gevraagde documenten kunnen niet openbaar gemaakt worden De niet-openbaarmaking wordt gemotiveerd op basis van de volgende uitzonderingsgronden, zoals voorzien in het Openbaarheidsdecreet art 14, 4° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen.” 3.
  9. Met een schrijven van 6 december 2017 stelt de verzoekende partij bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie (hierna: de beroepsinstantie) een administratief beroep in tegen de voormelde weigeringsbeslissing van 21 november
  10. 3.
  11. Op 16 januari 2018 beslist de beroepsinstantie dat het beroep ontvankelijk is, maar ongegrond. Dat is de bestreden beslissing, die wat de gegrondheid van het beroep betreft, luidt: “Overwegende dat overeenkomstig artikel 7, tweede lid van het openbaarheidsdecreet het recht op passieve openbaarheid betrekking heeft op bestuursdocumenten; dat op grond van deze bepaling elke instantie in principe verplicht is aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten; Overwegende dat de openbaarmaking slechts geweigerd kan worden, mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen 11 tot en met 15 van voormeld decreet; Overwegende dat beroeper in zijn oorspronkelijke aanvraag verzocht om afschrift van volgende bestuursdocumenten: ‘- De documenten met betrekking tot de behandelde volumes door de nv PSA DGD in het jaar 2016 op de concessies aan het Deurganckdok; - De documenten waaruit blijkt dat de separate tonnageverplichtingen aan de oost- en westzijde van het Deurganckdok, zoals opgelegd door de X-17.184-3/14 concessieovereenkomst van 12 mei 2014, in hoofde van de nv PSA DGD voor het jaar 2016 werden nageleefd; - In voorkomend geval, de documenten waaruit blijkt om welke redenen de nv PSA DGD de voormelde tonnageverplichtingen niet behaalde’; Overwegende dat het [Havenbedrijf Antwerpen (HA)] weigert afschrift te verlenen en hiervoor verwijst naar artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet; Overwegende dat de beroepsinstantie, om met kennis van zaken te kunnen oordelen, bij mailbericht dd. 7 december 2017, het HA om toelichting heeft aangeschreven; Overwegende dat het HA bij mails van 13 en 15 december 2017 de beroepsinstantie heeft geïnformeerd, doch de gevraagde bestuursdocumenten niet heeft overgemaakt; dat het HA opnieuw naar artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet verwijst en stelt dat het momenteel verwikkeld is in geschillen (arbitrageprocedures), zowel met PSA als met [Antwerp Gateway] (zij het via één van haar aandeelhouders DP World) omtrent de toepassing van de tonnenmaatverplichtingen; dat het HA van oordeel is dat de gevraagde informatie in de procedures gebruikt kan worden tegen het HA; Overwegende dat het thans aan de beroepsinstantie toekomt om ten gronde te oordelen; Overwegende dat de concessieovereenkomsten voor PSA en Antwerp Gateway de verplichting bevatten elk jaar een minimumhoeveelheid containers in de haven te behandelen (minimale tonnenmaatverplichting); dat een vergoeding betaald moet worden aan het HA indien deze minimale tonnenmaatverplichting niet behaald wordt; dat de aanrekening van de tonnenmaatverplichting in vele gevallen aanleiding geeft tot gerechtelijke- en arbitrageprocedures, zoals hierna wordt aangetoond; Overwegende dat op grond van artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet een aanvraag tot openbaarmaking kan worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen; dat het om een relatieve uitzonderingsgrond gaat; dat eerst moet worden onderzocht of de openbaarmaking het beschermde belang schaadt; dat, als er belangenschade is, het te beschermen belang vervolgens moet worden afgewogen tegen het belang van de openbaarheid; dat de openbaarmaking enkel mag worden bevolen als daarmee een hoger belang wordt gediend dat zwaarder doorweegt dan het door de uitzonderingsgrond beschermde belang; Overwegende dat de uitzonderingsgrond van artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet het eerlijk verloop van de rechtspleging wil vrijwaren; dat een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces het beginsel van de ‘gelijkheid der wapens in een proces’ is; dat het beginsel van de wapengelijkheid inhoudt dat elke partij het recht heeft haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet benadelen ten opzichte van de tegenpartij; dat de bestaansreden van de geciteerde uitzonderingsgrond vooral daarin gelegen is, te verhinderen dat de openbaarheid van bestuur waaraan één partij onderworpen is, afbreuk doet aan de wapengelijkheid; dat zonder deze uitzonderingsgrond één partij op X-17.184-4/14 grond van de openbaarheid van bestuur zou kunnen worden verplicht stukken in het gerechtelijk debat te brengen die tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) zouden kunnen pleiten, daar waar de andere partij enkel die elementen die haar eis ondersteunen, kenbaar mag maken om het oordeel van de rechter (arbiter) te beïnvloeden; dat de uitzonderingsgrond van artikel 14, 4° een correctief op de openbaarheid is om te beletten dat een instantie zou worden verplicht in een rechtsgeding de tegenpartij informatie ter beschikking te stellen die vervolgens tegen haar wordt uitgespeeld; Overwegende dat de bedoelde uitzonderingsgrond niet op een abstracte manier mag worden ingeroepen; dat concreet moet worden aangetoond dat de gevraagde bestuursdocumenten verband houden met een bestaand rechtsgeding en tegen een bestuursinstantie kunnen worden aangewend; Overwegende dat de beroepsinstantie, op basis van de informatie die werd verstrekt door het HA, moet vaststellen dat de gevraagde bestuursdocumenten ontegensprekelijk verband houden met de lopende arbitrageprocedures met PSA voor verschillende werkingsjaren sinds 2008 omtrent het (niet) behalen van de tonnenmaatverplichtingen en de hieruit voortgevloeide beslissingen van het HA om de contractuele vergoeding wegens het niet behalen van voormelde verplichting te innen; Overwegende dat de beroepsinstantie derhalve vaststelt dat het voorwerp van de diverse hangende rechtsgedingen verband houdt met het openbaarheidsverzoek; dat in dat geval tevens een afweging dient gemaakt te worden tussen het belang van de openbaarheid versus het belang dat beschermd wordt door de ingeroepen uitzonderingsgrond; dat, zoals hoger vermeld, het belang van de uitzonderingsgrond van artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet gelegen is in de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te verkrijgen; dat de gegevens die gevraagd worden in het openbaarheidsverzoek een duidelijke link hebben met de lopende arbitrageprocedures; dat er een reëel risico bestaat dat verzoeker de opgevraagde bestuursdocumenten zal gebruiken in één van de gerechtelijke procedures, mede gelet op de uiterst competitieve houding tussen beide firma’s (de nv Antwerp Gateway en nv PSA DGD); dat, in de gegeven omstandigheden, het meedelen van de gevraagde gegevens de rechtmatige belangen van het HA op een eerlijk afhandeling van de hangende arbitrageprocedures ernstig in het gedrang zou kunnen brengen; dat bijgevolg de toetsing van de concrete situatie aan de finaliteit van de betrokken uitzonderingsgrond van artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet leidt tot de conclusie dat het belang van de openbaarheid in dit specifieke geval niet opweegt tegen het belang van de ingeroepen uitzonderingsgrond; dat deze vaststelling volstaat om het beroep […] af te wijzen als ongegrond.” 3.
  12. Met een e-mail van 16 januari 2018 geeft de beroepsinstantie aan de verzoekende partij kennis van de bestreden beslissing. X-17.184-5/14 IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  13. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van “artikel 32 van de Grondwet, artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 14, 4° van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur [hierna: het openbaarheidsdecreet], het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.” 4.
  14. In een eerste middelonderdeel betoogt zij dat uitzonderingsgronden op de openbaarheid van bestuur restrictief geïnterpreteerd moeten worden, en dat artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet enkel van toepassing is op procedures voor de gewone hoven en rechtbanken en de administratieve rechtscolleges en niet op een arbitrageprocedure, die een vorm van buitengerechtelijke geschillenbeslechting betreft. 4.
  15. In een tweede middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat artikel 14, 4°, van het openbaarheidsdecreet geen toepassing vindt op personen die geen partij zijn bij de hangende procedure. Nochtans wordt deze bepaling op haar toegepast, terwijl zij niet betrokken is bij de arbitrageprocedure tegen het Havenbedrijf Antwerpen. Het is daarbij irrelevant dat één van de aandeelhouders van de verzoekende partij al dan niet in een arbitrageprocedure met het Havenbedrijf Antwerpen zou zijn verwikkeld. De verzoekende partij herhaalt dat uitzonderingsgronden op de openbaarheid van bestuur restrictief geïnterpreteerd moeten worden. 4.
  16. In een derde middelonderdeel, dat zij subsidiair aanvoert, betoogt de verzoekende partij dat op basis van concrete motieven moet blijken dat het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt door de openbaarmaking van de documenten. Te dezen wordt evenwel op grond van een algemene motivering tot dit laatste besloten. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de documenten waarvan de openbaarheid wordt verzocht tegen het Havenbedrijf Antwerpen X-17.184-6/14 zouden kunnen worden gebruikt en deze haar rechtmatige belangen in het gedrang zouden kunnen brengen. De verzoekende partij is geen partij in enige arbitrageprocedure tegen het Havenbedrijf Antwerpen. De bestreden beslissing beperkt zich tot een algemene, nietszeggende motivering. 4.
  17. In een evenzeer subsidiair aangevoerd vierde middelonderdeel, bekritiseert de verzoekende partij “dat op basis van algemene gegevens inzake de hangende arbitrageprocedures die betrekking hebben op verschillende jaren, verkregen van het Havenbedrijf Antwerpen, wordt besloten dat het te beschermen belang voorrang heeft op de openbaarheid”. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat er lopende arbitrageprocedures zijn tussen het Havenbedrijf Antwerpen en PSA voor verschillende werkingsjaren sinds
  18. Het voorliggende verzoek tot openbaarheid heeft echter betrekking op het jaar
  19. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat er een lopende arbitrageprocedure is over dat jaar. De verwerende partij voert met andere woorden geen concrete afweging uit voor het jaar
  20. 5.
  21. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat arbitrageprocedures ook een burgerlijk rechtsgeding zijn in de zin van artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet. De lezing die de verzoekende partij aan die bepaling geeft, strijdt met het gelijkheidsbeginsel want geeft aanleiding tot een niet-gerechtvaardigd verschil in behandeling van overheden die al dan niet gehouden zijn door een arbitrageclausule. Aangezien het middelonderdeel steunt op een foute lezing van artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet, is het niet gegrond. 5.
  22. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet niet zo mag worden ingevuld als zou deze bepaling enkel ingeroepen kunnen worden jegens een (potentiële) tegenpartij in een rechtsgeding waarmee de bedoelde bestuursdocumenten een link hebben. De door dit artikel bedoelde bescherming zou in dat geval dode letter blijven, nu elke derde die niet de tegenpartij is van de overheid in een geschil de bestuursdocumenten zou kunnen verkrijgen. “Ten overvloede” werpt de verwerende partij op dat er tussen het Havenbedrijf Antwerpen en een X-17.184-7/14 hoofdaandeelhouder van de verzoekende partij (nv DP World Antwerp Holding) wel degelijk een geschil omtrent tonnenmaatverplichtingen bestaat, dat in een arbitrageprocedure beslecht zal worden. 5.
  23. Inzake het derde middelonderdeel stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de afweging in de bestreden beslissing wel degelijk steunt op concrete gegevens en vaststellingen eigen aan deze specifieke zaak. In het vierde middelonderdeel gaat de verzoekende partij zelf in op de details van de belangenafweging, zodoende erkent zij dat er geen sprake is van een nietszeggende motivering. Vervolgens doet de verwerende partij het volgende gelden: “Voorts is geenszins vereist dat, bij toepassing van artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet, in het kader van de te maken belangenafweging in detail wordt aangegeven op welke wijze de openbaarmaking de mogelijkheid op een eerlijk proces in het gedrang zou brengen. Integendeel, zou een concrete toelichting van de wijze waarop de bestuursdocumenten waarvan de openbaarmaking wordt geweigerd tegen het HA zouden kunnen worden aangewend, net afbreuk doen aan de bescherming die artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet wenst te bieden. Zo beschouwd steunt het middelonderdeel op een verkeerde lezing van artikel 14, 4° van het openbaarheidsdecreet en faalt het, mitsdien, in rechte.” 5.
  24. Wat het vierde middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de gevraagde gegevens een duidelijke link hebben met lopende arbitrageprocedures en de belangen van het Havenbedrijf Antwerpen op een eerlijke afhandeling van die procedures ernstig in het gedrang brengen. Dat volstaat in het licht van de materiëlemotiveringsplicht. Het is geenszins vereist dat de gevraagde gegevens zelf het voorwerp van een rechtsgeding zouden zijn. Het volstaat dat deze een duidelijke link hebben met de lopende arbitrageprocedures en de eerlijke afhandeling daarvan in het gedrang kunnen brengen. 6.
  25. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat een arbitrageprocedure een buitengerechtelijk karakter heeft en artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet X-17.184-8/14 enkel betrekking heeft op procedures voor de overheidsrechter. Volgens de verzoekende partij is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden door die interpretatie, aangezien arbitrage en burgerlijke rechtspleging verschillende situaties betreffen die verschillend mogen behandeld worden. 6.
  26. Wat het tweede middelonderdeel betreft, betoogt de verzoekende partij dat een burger die om openbaarheid van bepaalde documenten verzoekt en die geen partij is bij het rechtsgeding niet het slachtoffer mag zijn van dat geding. Dat zou de openbaarheid van bestuur uithollen aangezien de overheid elk verzoek zou kunnen afwijzen louter omdat het bestuursdocument direct of indirect ter sprake kan komen in een rechtsgeding. 6.
  27. Aangaande het derde middelonderdeel stelt de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dat in de bestreden beslissing de uitzonderingsgrond op zeer abstracte manier wordt ingeroepen. Er wordt niet aangetoond dat openbaarmaking het beschermde belang zou schaden. 6.
  28. Inzake het vierde middelonderdeel betwist de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dat het zou volstaan dat de gevraagde gegevens een duidelijke link hebben met lopende arbitrageprocedures om ze aan de openbaarheid te onttrekken. De gegevens moeten zelf het voorwerp zijn van een rechtsgeding. De verwerende partij toont die duidelijke link niet aan. Evenmin toont zij aan dat de belangen van het Havenbedrijf Antwerpen in het gedrang worden gebracht door de openbaarmaking, noch dat de mogelijkheid op een eerlijk proces in het gedrang wordt gebracht. 7.
  29. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie, voor wat het derde middelonderdeel betreft, dat de motivering van de bestreden beslissing met betrekking tot de belangenafweging steunt op concrete gegevens en vaststellingen, eigen aan deze specifieke zaak. Voorts heeft de bestreden beslissing het over een reëel risico dat de opgevraagde documenten in juridische geschillen zullen worden gebruikt. Het is eigen aan elk risico dat het hypothetisch is. X-17.184-9/14 7.
  30. Wat het vierde middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij nog dat de lopende arbitrageprocedures en de link met de opgevraagde documenten voldoende duidelijk worden omschreven. Beoordeling 8.
  31. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 134.” Het Grondwettelijk Hof heeft uit de algemene omschrijving die artikel 32 van de Grondwet hanteert, afgeleid dat de grondwetgever het recht op openbaarheid van de bestuursdocumenten heeft ingeschreven als een grondrecht. Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten worden verantwoord en moeten beperkend worden gei nterpreteerd (GwH 25 maart 1997, arrest nr. 17/97, B.2.1 en 2.2; GwH 15 september 2004, arrest nr. 150/2004, B.3.2). De Raad van State sluit zich aan bij die rechtspraak 8.
  32. Elk beroep op een uitzonderingsbepaling moet concreet worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren. 8.
  33. Artikel 7 van het openbaarheidsdecreet, zoals van toepassing bij het nemen van de bestreden beslissing, voorziet met betrekking tot het Vlaamse bestuursniveau in een principieel recht op inzage van bestuursdocumenten. In de toentertijd geldende artikelen 11, 13, 14 en 15 van het openbaarheidsdecreet worden de uitzonderingen op dit recht geregeld. Het toentertijd geldende artikel 10 van het openbaarheidsdecreet bepaalt dienaangaande uitdrukkelijk dat de uitzonderingen op de openbaarheid “geval per geval restrictief uitgelegd” moeten X-17.184-10/14 worden en dat dit bovendien, wat de in de artikelen 11, 14 en 15 bepaalde uitzonderingen betreft, dient te gebeuren “met inachtneming van het met de openbaarmaking gediende openbaar belang”. 8.
  34. Het te dezen toepasselijke artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet luidt: “De in artikel 4 genoemde instanties wijzen een aanvraag tot openbaarmaking af, voor zover die geen betrekking heeft op milieu-informatie, indien ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van één van de volgende belangen : […] 4° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen”. 8.
  35. De beroepsinstantie die een weigeringsbeslissing op de relatieve uitzonderingsgrond van het toentertijd geldende artikel 14, 4°, van het openbaarheidsdecreet steunt, vermag de openbaarmaking van de gevraagde documenten slechts af te wijzen indien het beschermde belang door de openbaarmaking zou worden aangetast en er wordt vastgesteld dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen het beschermde belang. Deze beoordeling en belangenafweging moeten blijken uit de motivering in de bestreden beslissing zelf of, minstens, uit stukken van het administratief dossier die onmiskenbaar aan de beroepsinstantie zelf zijn toe te schrijven. Het staat aan de weigerende instantie te concretiseren dat de openbaarmaking een eerlijk procesverloop zou verstoren. 8.
  36. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat het Havenbedrijf Antwerpen en de verzoekende partij als rechtstreekse tegenpartijen in een rechtszaak zouden zijn verwikkeld. Wel maakt het bestreden besluit melding van een geschil tussen het Havenbedrijf Antwerpen en één van de aandeelhouders van de verzoekende partij, DP World, en dit “omtrent de toepassing van de tonnenmaatverplichtingen”. Dit geschil wordt in het bestreden besluit evenwel niet nader gepreciseerd. Een door de verzoekende partij bijgebracht persbericht op de website “newsroom.portofantwerp.com” maakt melding van een “investeringsgeschil” over de terugname van concessie-oppervlakte in 2014 tussen X-17.184-11/14 de Belgische Staat en DP World, waarbij noch de verzoekende partij noch het Havenbedrijf Antwerpen rechtstreekse gedingpartijen zijn. Een beroep op de restrictief toe te passen uitzonderingsgrond van artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet in het geval waarbij noch de aanvrager noch de aan openbaarheid onderworpen bestuursintantie een rechtstreekse gedingpartij zijn, is allerminst evident. Het bestreden besluit verstrekt er geen nadere toelichting bij. Evenmin verduidelijkt het bestreden besluit hoe de gevraagde gegevens betreffende het jaar 2016 het eerlijk verloop van een geding over de terugname van concessie-oppervlakte in 2014 in het gedrang zouden kunnen brengen. 8.
  37. Volgens het bestreden besluit houden “de gevraagde bestuursdocumenten ontegensprekelijk verband […] met de lopende arbitrageprocedures met PSA voor verschillende werkingsjaren sinds 2008 omtrent het (niet) behalen van de tonnenmaatverplichtingen en de hieruit voortgevloeide beslissingen van het HA om de contractuele vergoeding wegens het niet behalen van voormelde verplichting te innen”. Het bestreden besluit meent dat het meedelen van de gevraagde gegevens de rechtmatige belangen van het Havenbedrijf Antwerpen op een eerlijke afhandeling van de hangende arbitrageprocedures ernstig in het gedrang zou kunnen brengen. Daargelaten of de uitzonderingsgrond van artikel 14, 4°, van het openbaarheidsdecreet überhaupt betrokken kan worden op arbitrageprocedures, wordt in het bestreden besluit niet toegelicht hoe de vrijgave aan de verzoekende partij van de gegevens met betrekking tot de tonnenmaatverplichtingen van PSA voor het jaar 2016 het eerlijk verloop van de “lopende arbitrageprocedures met PSA voor verschillende werkingsjaren sinds 2008” zou kunnen verstoren. Verduidelijkt wordt zelfs niet of deze lopende procedures op het jaar 2016 betrekking hebben. De algemene overweging in het bestreden besluit dat “de gegevens die gevraagd worden in het openbaarheidsverzoek een duidelijke link hebben met de lopende arbitrageprocedures”, kan geenszins volstaan. Evenmin wordt in het bestreden besluit toegelicht hoe de verzoekende partij, van wie niet wordt beweerd dat zij in de hangende arbitrageprocedures procespartij zou zijn, het eerlijk procesverloop zou kunnen verstoren. Zelfs aangenomen dat een toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 14, 4º, van het openbaarheidsdecreet niet a priori uitgesloten is ten aanzien van een aanvrager die geen procespartij is, behoeft zeker X-17.184-12/14 in dat geval een beroep op deze restrictief toe te passen uitzonderingsgrond een voldoende concrete onderbouwing aangaande het risico op een oneerlijk procesverloop. De overweging in het bestreden besluit “dat er een reëel risico bestaat dat verzoeker de opgevraagde bestuursdocumenten zal gebruiken in één van de gerechtelijke procedures, mede gelet op de uiterst competitieve houding tussen beide firma’s (de nv Antwerp Gateway en nv PSA DGD)”, kan daartoe niet volstaan. Het staaft geenszins de aanname in het bestreden besluit dat de vrijgave van de gevraagde gegevens aan de verzoekende partij een eerlijk procesverloop in hoofde van het Havenbedrijf Antwerpen in het gedrang zou brengen. 8.
  38. Uit wat voorafgaat, blijkt een schending van artikel 14, 4°, van het openbaarheidsdecreet. 8.
  39. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  40. De Raad van State vernietigt het besluit van 16 januari 2018 van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie waarbij het beroep dat namens de nv Antwerp Gateway werd ingesteld tegen de beslissing van 21 november 2017 van het Havenbedrijf Antwerpen, ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard.
  41. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. X-17.184-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.184-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.753 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.