← België

Arrest 250762 - Milieuvergunningen - 02/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.762 Rolnummer: A. 222234/VII-39992 Zaak: Arrest 250762 - Milieuvergunningen - 02/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.762 van 2 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.762 van 2 juni 2021 in de zaak A. 222.234/VII-39.992 In zake :

  1. Luc BULCKE
  2. Ria HUYGHEBAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ignace Hameeuw kantoor houdend te 8800 Roeselare Kaaistraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij: Ronny GALLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Fien De Corte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 22 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 16 maart 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide van 19 oktober 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Ronny Galle voor het exploiteren van een varkensfokkerij, gelegen aan de Alveringemstraat 11 te Oudekapelle, wordt afgewezen en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-39.992-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 239.373 van 12 oktober 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Ronny Galle heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 december
  5. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei
  6. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefanie Phylpo, die loco advocaat Ignace Hameeuw verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Tom Malfait en Fien De Corte, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.992-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Op 19 juli 2016 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbating van een varkensfokkerij gelegen aan de Alveringemstraat 11 te Diksmuide, op een terrein kadastraal gekend als afd. 11, sectie A, nrs. 146H, 148G en 155V. Deze percelen behoorden toe aan de vader van de eerste verzoekende partij, die ze bij notariële akte van 5 mei 2014 heeft verkocht aan de tussenkomende partij. De verzoekende partijen zijn eigenaar van en wonen op het aangrenzend terrein, kadastraal gekend als afd. 11, sectie A, nr. 155M, dat door de percelen van de tussenkomende partij wordt omgeven. 3.
  9. Er bestaat een betwisting tussen de verzoekende partijen en de tussenkomende partij over het gebruiksrecht met betrekking tot de desbetreffende percelen en opstallen. De verzoekende partijen betogen dat zij op de betrokken terreinen een landbouwbedrijf exploiteren sinds
  10. Op 1 april 2012 zou de vader van de eerste verzoekende partij “op bedrieglijke wijze” het voormalige exploitatienummer van de verzoekende partijen hebben “overgenomen”, waardoor zij genoodzaakt waren een “nieuwe vergunning” aan te vragen, die zij hebben verkregen bij beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 7 februari
  11. Naar zeggen van de verzoekende partijen werd deze vergunning eerst in gebruik genomen op 1 januari
  12. VII-39.992-3/13 Volgens de tussenkomende partij werden de gebouwen op de percelen 146H, 148G en 155V tot mei 2010 door de verzoekende partijen gehuurd van de vader van de eerste verzoekende partij, die deze toentertijd in eigendom had. Daarna werden de verzoekende partijen via gerechtelijke weg uitgedreven en zouden zij geen enkel gebruiksrecht meer hebben op die gebouwen. De tussenkomende partij wijst erop dat de verzoekende partijen op eer hebben verklaard nog steeds een gebruiksrecht te hebben op de gronden in eigendom van de vader van de eerste verzoekende partij. Zij zouden “bedrieglijk” hebben beweerd de stallen nog steeds te huren. Vervolgens hebben zij de milieuvergunning van 7 februari 2013 verkregen. 3.
  13. Bij besluit van 19 oktober 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide de gevraagde vergunning aan de tussenkomende partij. 3.
  14. Tegen dit besluit dienen de verzoekende partijen een bestuurlijk beroep in. 3.
  15. Op 16 maart 2017 wijst de deputatie dit bestuurlijk beroep af en bevestigt zij de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de tussenkomende partij
  16. De tussenkomende partij werpt op dat het verzoekschrift geen duidelijk middel bevat. Hoewel het enige middel een zekere structuur kent, zou het voor haar onmogelijk zijn om te achterhalen welke rechtsnormen door de verzoekende partijen concreet geschonden worden geacht. Met verwijzing naar de VII-39.992-4/13 rechtspraak van de Raad van State argumenteert de tussenkomende partij dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is.
  17. In haar laatste memorie voegt zij toe dat het feit dat uit het verzoekschrift kan afgeleid worden waarom de verzoekende partijen niet akkoord gaan met het bestreden besluit, nog niet betekent dat het ook duidelijk is welke rechtsregels en/of rechtsbepalingen zij precies geschonden achten, en op welke wijze deze worden geschonden door het bestreden besluit. Beoordeling
  18. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen menen dat hun argument over de toekenning van meerdere milieuvergunningen voor hetzelfde perceel ten onrechte is bestempeld als een privaatrechtelijk element, en dat er in de bestreden beslissing ten onrechte wordt van uitgegaan dat de betrokken aanvraag een nieuwe inrichting betreft. Ten slotte zijn zij van mening dat geen gemotiveerde beoordeling voorligt van de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening. Aldus dient op zijn minst een aangevoerde schending van het materiëlemotiveringsbeginsel te worden aangenomen. Wat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betreft, verwijzen de verzoekende partijen overigens uitdrukkelijk naar artikel 21, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), en stellen zij dat het advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar niet aan die bepaling voldoet, zodat niet kan worden ontkend dat de schending ervan wordt aangevoerd. Voorts verwijzen zij ook uitdrukkelijk naar VII-39.992-5/13 artikel 8 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) en naar artikel 46, van Vlarem I, zodat moet worden aangenomen dat de verzoekende partijen ook die bepalingen geschonden achten. Tenslotte blijkt dat de tussenkomende partij in staat is geweest de grieven van de verzoekende partijen samen te vatten en dat zij ertegen een verweer heeft kunnen opbouwen. Zij heeft het middel dus kunnen begrijpen. Bovendien heeft ook de verwerende partij op elk van de opgeworpen grieven een antwoord kunnen bieden. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunten van de partijen
  19. De verzoekende partijen geven in het verzoekschrift een uiteenzetting van een aantal “[g]rieven van het beroep”. In de eerste plaats betwisten zij de overweging dat “de onmogelijkheid tot 2 verschillende exploitatievergunningen op 1 perceel” een privaatrechtelijk geschil zou betreffen, zodat ten onrechte wordt verwezen naar artikel 8 van het milieuvergunningsdecreet. Vervolgens betwisten zij dat hun milieuvergunning van 7 februari 2013 vervallen zou zijn omdat deze eerst op 1 januari 2015 in gebruik werd genomen en de exploitatie sindsdien niet gedurende twee opeenvolgende jaren heeft stilgelegen, zoals bepaald in artikel 46 van Vlarem I. De tussenkomende partij heeft volgens hen in haar aanvraag dan ook ten onrechte vermeld dat de betrokken percelen nog niet waren opgenomen in een milieuaanvraag of exploitatievergunning. Ten slotte argumenteren de verzoekende partijen nog dat de milieuvergunningsaanvraag van de tussenkomende partij betrekking heeft op een bestaande inrichting waarvoor er reeds een geldige vergunning is, en niet op een “nieuwe inrichting”, en dat het advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar over de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke VII-39.992-6/13 ordening “geenszins volledig [is] en [niet] voldoet […] aan artikel 21 § 2 VLAREM I”.
  20. Volgens de verwerende partij betreft de oorsprong van alle procedureslagen tot nu toe een privaatrechtelijk geschil over de toegang tot de percelen 146H en 155V. Volgens de kadastergegevens is de tussenkomende partij, samen met de echtgenote, in volle eigendom eigenaar van die percelen. De bestreden beslissing betreft de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij. Er moet volgens haar dan ook niet uitgebreid worden gemotiveerd over het al dan niet vervallen zijn van de vergunning van de verzoekende partijen. De betrokken aanvraag moet volgens de verwerende partij op zijn eigen merites worden onderzocht, los van mogelijke privaatrechtelijke geschillen die zouden gelden tussen verschillende exploitanten. Waar de verzoekende partijen spreken van een fout in de aanvraag, stelt de verwerende partij dat het dossier net heel duidelijk is, aangezien het verwijst naar een dispuut met de vorige exploitant op de percelen. De aanvraag wordt volgens haar terecht beschouwd als betrekking hebbend op een “nieuwe” inrichting, niettegenstaande het bestaande stallingen betreft. Het argument betreffende de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar ten slotte, zou niet relevant zijn, vermits dit advies werd uitgebracht in eerste aanleg.
  21. De tussenkomende partij stelt dat de argumentatie van de verzoekende partijen als zouden zij zelf over een milieuvergunning beschikken en de discussie over het al dan niet vervallen karakter ervan, tot het burgerlijk contentieux behoort en dan ook naast de kwestie is. In de bestreden beslissing dient de vergunningverlenende overheid het eventuele bestaan van een milieuvergunning op naam van (één van) de verzoekende partijen niet mee te nemen in de beoordeling over de milieuvergunningsaanvraag van de tussenkomende partij. Geen enkele bepaling zou zich bovendien verzetten tegen het verlenen van meerdere milieuvergunningen voor een bepaald perceel. Voorts argumenteert de tussenkomende partij dat het wel degelijk een nieuwe inrichting betreft, zodat haar aanvraag op dit punt geen foutieve informatie bevat. Het VII-39.992-7/13 gebrekkig geachte advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar heeft geen betrekking op de thans bestreden beslissing.
  22. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen toe dat er volgens de bestreden beslissing bij de milieuvergunningen van de tussenkomende partij en deze van de verzoekende partijen een overlapping is van het perceel 146H. Aangezien evenwel “alle percelen van de aangevraagde vergunning” van de tussenkomende partij volgens de verzoekende partijen “deel uitmaakten” van hun milieuvergunning, zou uit die beslissing wel degelijk blijken dat de deputatie foutief gïnformeerd was door de aanvraag van de tussenkomende partij. Voorts betogen zij dat het gegeven dat iedere administratieve vergunning wordt afgeleverd onder voorbehoud van de omvang en de rechtsgeldigheid van de burgerlijke rechten, geen afbreuk doet aan de verplichting van de administratieve overheid om rekening te houden met de reeds verleende vergunningen. De administratieve overheid “treedt namelijk op inzake de behartiging van het algemeen belang en kan niet zomaar een vergunning voor een overlappende exploitatie op hetzelfde terrein afgeven”. Zij vervolgt: “Dergelijke weigering van een tweede vergunning is ook ingegeven vanuit overwegingen van behoorlijk bestuur, aangezien het openbaar belang er immers niet mee gediend kan zijn dat door eenzelfde overheid met elkaar in tegenstrijd komende vergunningen worden afgeleverd. Een en ander vloeit ook voort uit de werking van het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel”. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat de milieuvergunning van de tussenkomende partij met toepassing van de koppelingsregeling tussen de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning vervallen is, aangezien de Raad voor Vergunningsbetwistingen de stedenbouwkundige vergunning op 31 juli 2018 vernietigd heeft en de deputatie het beroep van de huidige verzoekende partijen tegen die stedenbouwkundige vergunning op 4 juli 2019 gegrond heeft bevonden, en de stedenbouwkundige vergunning heeft geweigerd. Tegen die beslissing werd geen beroep aangetekend. Beoordeling VII-39.992-8/13
  23. Opdat de koppelingsregeling tussen de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning van artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet van toepassing zou zijn, is vereist dat beide vergunningen betrekking hebben op hetzelfde project. De milieuvergunning heeft betrekking op het exploiteren van een varkensfokkerij. De stedenbouwkundige vergunning waar de verzoekende partijen naar verwijzen in hun laatste memorie heeft betrekking op het saneren van de bedrijfswoning en het slopen van de maalderij en berging. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de stedenbouwkundige vergunning die in laatste administratieve aanleg werd geweigerd betrekking heeft op de inrichting die het voorwerp uitmaakt van de thans bestreden beslissing. De door de verzoekende partijen ingeroepen koppelingsregeling leidt in het huidige geval niet tot het verval van de milieuvergunning.
  24. Met hun kritiek op het beweerde verval van hun milieuvergunning van 7 februari 2013 beogen de verzoekende partijen in essentie de overwegingen dienaangaande in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Diksmuide van 19 oktober
  25. Door de devolutieve werking van het bestuurlijk beroep is het thans bestreden besluit evenwel in de plaats getreden van die beslissing, zodat het betoog van de verzoekende partijen niet dienstig is in zoverre het op de beslissing in eerste bestuurlijke aanleg wordt betrokken. In het bestreden besluit wordt hieromtrent overwogen: “Uit de aanvraag, de bezwaren en het beroepsschrift is duidelijk dat er zich een juridische discussie afspeelt tussen aanvrager Ronny Galle, de beroeper Luc Bulcke en diens vader Joseph Bulcke omtrent de eigendomstitel en de rechten op de uitbating van de stallen en het al dan niet vervallen zijn van de vergunning verleend door de deputatie op 07/02/
  26. VII-39.992-9/13 Er wordt nogmaals gewezen op art. 8 van het milieuvergunningsdecreet en de rechtspraak van de Raad van State. Er mag van uitgegaan worden dat bij de beoordeling van deze milieuvergunningsaanvraag abstractie kan gemaakt worden van eventueel hangende betwistingen. Om die reden wordt onderstaand uitsluitend een beoordeling van de milieutechnische aspecten van de aanvraag op zich [gemaakt]. Het is niet de bevoegdheid van de Deputatie zich te mengen in de lopende (en blijkbaar hier nog niet definitief beslechte) juridische discussies met betrekking tot eigendomstitels, recht van uitbating e.d.”. Uit deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij zich in het bestreden besluit niet uitspreekt over het al dan niet vervallen karakter van de milieuvergunning van 7 februari 2013 omdat het niet tot haar bevoegdheid behoort “zich te mengen in de lopende (en blijkbaar hier nog niet definitief beslechte) juridische discussies”.
  27. Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten inderdaad bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Milieuvergunningen worden door de administratieve overheid verleend onder voorbehoud van de burgerlijke rechten. Indien zou blijken dat de houder van een vergunning niet de mogelijkheid bezit om deze ook ten uitvoer te leggen, zal de vergunning onwerkzaam blijven. Het gegeven dat voor eenzelfde perceel meerdere milieuvergunningen worden uitgereikt, kan op zich dan ook geen aanleiding vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het kan de verwerende partij niet ten kwade worden geduid dat zij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Diksmuide van 19 oktober 2016 “simpelweg [bevestigt] zonder op dit element te antwoorden”, nu ook de thans bestreden vergunning wordt verleend onder voorbehoud van de burgerlijke rechten van derden. Met de verwerende partij moet overigens worden vastgesteld dat de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij ter beoordeling voorligt, dat deze op zijn eigen merites moet worden beoordeeld en dat er dan ook geen uitgebreide motivering over de vergunning van de verzoekende partijen is vereist. Voor zover de verzoekende partijen met hun betoog zouden bekritiseren dat hun beroepsargument in dit verband niet werd beantwoord, mist VII-39.992-10/13 het middel feitelijke grondslag. De vaststelling dat men niet bevoegd is om zich over een bepaalde kwestie uit te spreken, vormt immers ook een antwoord. Met de verzoekende partijen wordt vastgesteld dat in de aanvraag inderdaad negatief wordt geantwoord op de vraag of alle percelen al zijn opgenomen in een milieuaanvraag of exploitatievergunning. Anderzijds wordt in bijlage D3 bij de aanvraag gesteld: “Op deze locatie zijn de bedrijfsgebouwen reeds aanwezig. De milieuvergunning hiervan staat echter op de Alveringemstraat 11A, Diksmuide. De [tussenkomende partij] heeft recent deze exploitatie verworven, maar kan door een dispuut met de houder van de huidige vergunning geen overname van de milieuvergunning verkrijgen. Gezien een milieuvergunning enkel een oordeel is over de vraag in welke mate een exploitatie hinderlijk is, of kan zijn, wenst de exploitant voor zijn bedrijf dan ook een milieuvergunning te verkrijgen. Deze exploitatie dient beschouwd te worden als een nieuwe inrichting”. Gelet op die toelichting in de milieuvergunningsaanvraag maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag zou zijn misleid, dermate dat zij bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens. Zij maken in het verzoekschrift evenmin aannemelijk dat de verwerende partij de gegevens van het dossier niet correct heeft beoordeeld of dat zij op grond daarvan niet in redelijkheid tot haar besluit kon komen.
  28. Waar de verzoekende partijen voorts nog kritiek uiten op de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken inrichting met de goede ruimtelijke ordening, viseren zij de beoordeling in de beslissing in eerste bestuurlijke aanleg. Zij gaan opnieuw voorbij aan de devolutieve werking van het administratief beroep, die voor gevolg heeft dat de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de thans bestreden beslissing in de plaats is gekomen van de beoordeling ervan in de beslissing in eerste aanleg. De overwegingen in de bestreden beslissing in dit verband worden niet bekritiseerd. De kritiek op de motivering in de beslissing van het college van VII-39.992-11/13 burgemeester en schepenen van de gemeente Diksmuide van 19 oktober 2016 is niet ontvankelijk.
  29. De bijkomende kritiek die de verzoekende partijen formuleren in verband met het afleveren van een tweede milieuvergunning, na een reeds verleende milieuvergunning, kan, in zoverre hij dient begrepen te worden als het inroepen van een schending “van het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel”, niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie worden opgeworpen. Het enige middel is, voor zover het ontvankelijk is, niet gegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 800 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.992-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.992-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.762 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.