← België

Arrest 250763 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.763 Rolnummer: A. 231318/VII-40878 Zaak: Arrest 250763 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.763 van 2 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.763 van 2 juni 2021 in de zaak A. 231.318/VII-40.878 In zake :

  1. Stefan SYMONS
  2. Rudeolf SYMONS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij :
  3. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD MECHELEN
  4. de STAD MECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0913 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 9 juni 2020 in de zaak 1819-RvVb-0328-A. VII-40.878-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 september
  7. De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen en de stad Mechelen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 oktober
  8. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Willem-Jan Ingels, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.878-2/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten 3.
  11. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) weigert op 13 december 2018 een verkavelingsvergunning “voor het verdelen van een terrein in zes loten” te verlenen aan de verzoekers. 3.
  12. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekers tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de verzoekers 4.
  13. De verzoekers voeren de schending aan van artikel 1.1.2, 13° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 4, 2.7.1 en 13.2.3.2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het op 12 januari 2006 goedgekeurde gemeentelijk ruimtelijke uitvoeringsplan Bonduelle, en het gelijkheidsbeginsel. Zij betogen: “De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat beroepers niet gevolgd kunnen worden in hun stelling dat artikel 13.2.3.2 RUP nooit een verbod op ‘gemotoriseerd bestemmingsverkeer’ voor ogen had, door te stellen dat artikel 13.2.3.2 GRUP (dat de Hoeveweg bestemd voor uitsluitend voet- en fietsweg) geen uitwerking zou hebben voor de reeds bestaande woningen die werden ontsloten door de Hoeveweg: Dit blijkt tenslotte ook niet uit het feitelijk gebruik van de Hoeveweg tot op heden voor de ontsluiting van de bestaande woningen langs deze weg, aangezien de aanvraag dient te worden getoetst aan de geldende verordenende voorschriften, die toekomstgericht zijn, en die in beginsel VII-40.878-3/7 geen afbreuk doen aan het normaal gebruik van de woningen die reeds voor het GRUP waren opgericht. Inrichtingsvoorschriften zijn volgens artikel 1.1.
  14. 13° VCRO verordenend en reglementair en derhalve bepalingen die opzichtens alle rechtsonderhorigen op gelijke wijze dienen te worden toegepast, In artikel 13.2.3.2 van het RUP staat opgenomen ‘Deze zone is uitsluitend toegankelijk voor niet-gemotoriseerd verkeer met uitzondering van prioritaire voertuigen.’ Het algemene beginsel dat ruimtelijke uitvoeringsplannen toekomstgericht zijn, kan uiteraard niet tot gevolg hebben dat wanneer een RUP een stuk wegenis bestemt voor gebruik dat uitgesloten is van motorvoertuigen, dat dit enkel uitvoering zou hebben op aanvragen ingediend na de inwerkingtreding van het betrokken RUP. Een wegenis zou op deze wijze een dubbele bestemming krijgen (vrij voor motorvoertuigen voor bestaande woningen en autovrij voor nieuwe woningen), dit is simpelweg een volstrekt onwerkbare contradictie, De zone waardoor de Hoeveweg loopt, is bestemd voor wonen (artikel 4 RUP) en tevens een verplichting kent tot plaatsen van een garage (2.7.1 RUP). De straat is op heden dan ook nog steeds open voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer, Uit de feiten blijkt dat de overheid het toepasselijke RUP op die wijze toepast dat de toegang met de wagen tot de woningen die op het ogenblik van de totstandkoming van het RUP aan de Hoeveweg gelegen waren, toegelaten en gegarandeerd blijft, en de Hoeveweg dus ook vandaag de dag gebruikt wordt voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer Volgens rechtspraak van de uw Raad moet, ingeval van twijfel aangaande de interpretatie van één of meerdere voorschriften, een voorschrift altijd worden uitgelegd op een wijze die het meest zinvol is. Volgens rechtspraak van Uw Raad dient in specifieke gevallen tevens te worden overgegaan tot een teleologische interpretatiemethode van betrokken voorschriften waarbij de voorschriften worden geïnterpreteerd conform de doelstellingen die de opmaker van het plan voor ogen had, In alle redelijkheid kan niet worden betwist dat, gelet op enerzijds de voorschriften die bepalen dat een zone bestemd is voor woningen mét verplichte parkeerplaats en gelet op anderzijds het voorschrift dat de betrokken weg die de zone ontsluit enkel bestemd is voor voetgangers en fietsers, uit beide voorschriften enkel kan worden besloten dat er een uitzondering bestaat voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer. Nogmaals dient benadrukt te worden dat deze veronderstelling in de praktijk reeds meer dan 10 jaar tot uiting wordt gebracht en dus in wezen niet meer voor discussie vatbaar kan worden geacht.” Zij voegen toe: “A) Ontvankelijkheid Tussenkomende partij verwijt beroepers niet concreet aan te tonen waarom de ingeroepen bepalingen zouden zijn geschonden. Er wordt in het middel VII-40.878-4/7 duidelijk gesteld waarom de interpretatie van de RvVb van de betrokken voorschriften (artikelen 4, 2.7.1 en 13.2.3.2 van het RUP Bonduelle) niet conform 1.1.
  15. VCRO zijn, minstens een overtreding uitmaken van het gelijkheidsbeginsel. B) Gegrondheid Tussenkomende partij werpt op dat de voorschriften toekomstgericht zijn en aldus een gewijzigde situatie tot gevolg zouden hebben. Zoals reeds uitgelegd in het middel kan het algemene beginsel dat ruimtelijke uitvoeringsplannen toekomstgericht zijn, uiteraard niet tot gevolg hebben dat wanneer een RUP een stuk wegenis bestemt voor gebruik dat uitgesloten is van motorvoertuigen, dat dit enkel uitvoering zou hebben op aanvragen ingediend na de inwerkingtreding van het betrokken RUP. Een wegenis zou op deze wijze een dubbele bestemming krijgen (vrij voor motorvoertuigen voor bestaande woningen en autovrij voor nieuwe woningen), dit is simpelweg een volstrekt onwerkbare contradictie. Uit de realiteit blijkt dan ook dan ook na inwerkingtreding van het RUP er nog steeds een uitzondering bestaat voor bestemmingsverkeer. Dit wordt door niemand ontkend. Daarnaast stelt tussenkomende partij dat onbetwiste feiten dat er sprake is van een bestemming ‘wonen’ met verplichting om een garage te voorzien op geen enkele wijze zou aantonen dat gemotoriseerd verkeer (beperkt tot bestemmingsverkeer) zou zijn toegelaten. Tussenkomende partij verwijt beroepers andermaal niet aan te tonen hoe deze voorschriften geschonden zouden zijn. Vanzelfsprekend vereist een woning met een verplichte garage (de bestemming van de terreinen) de ontsluiting van een weg waar gemotoriseerd verkeer toegestaan is. Deze weg is op heden bestaand en toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Enkel mogen beroepers (in tegenstelling tot anderen) hier wel geen gebruik van maken. Hoe men hier geen wettigheidsbezwaar in zou kunnen zien, is beroepers een raadsel. De enige mogelijke verklaring is een uitzondering voor bestemmingsverkeer, wat beroepers al vanaf dag één opwerpen.” Beoordeling 4.
  16. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. VII-40.878-5/7 4.
  17. In zoverre het middel argumenteert dat “op heden” de Hoeveweg “nog steeds open [is] voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer”, “uit de feiten blijkt dat de overheid het toepasselijke RUP” op een bepaalde wijze toepast, hun veronderstelling “dat er een uitzondering bestaat voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer […] in de praktijk reeds meer dan 10 jaar tot uiting wordt gebracht en dus in wezen niet meer voor discussie vatbaar kan worden geacht”, “uit de realiteit blijkt […] dat ook na inwerkingtreding van het RUP er nog steeds een uitzondering bestaat voor bestemmingsverkeer” die “door niemand ontkend” wordt, en de Hoeveweg “op heden bestaand en toegankelijk [is] voor gemotoriseerd verkeer”, dwingen de verzoekers de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van het door hen aangevoerde tweede middel en is het onontvankelijk. 4.
  18. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. 4.
  19. Het middel, in zoverre ontvankelijk, bevat geen uiteenzetting van de wijze waarop het bestreden arrest de aangevoerde bepalingen en beginsel schendt. 4.
  20. Het middel is onontvankelijk. VII-40.878-6/7 BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  22. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-40.878-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.763 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.