id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.784 Rolnummer: A. 233705/VII-41123 Zaak: Arrest 250784 - Milieuvergunningen - 03/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-08 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.784 van 3 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.784 van 3 juni 2021 in de zaak A. é.705/VII-41.123 In zake:
- Tom THEUNISSEN
- Peter BRAUNS
- Marleen DENDAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Sarah Houben kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV BALDEWIJNS & Co bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 mei 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 23 maart 2021 waarbij het beroep van Baldewijns & Co VII-41.123-1/24 bvba tegen de beslissing van de Omgevingsinspectie Limburg van 08 december 2020, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregel wordt hervormd”. De vordering strekt er daarnaast toe om bij wijze van voorlopige maatregel “te bevelen dat verwerende partij binnen de 24 uren na kennisgeving van het tussen te komen arrest tot aan de datum waarop Baldewijns & Co bvba over een uitvoerbare milieuvergunning zou beschikken:
(1)alle werkzaamheden, handelingen, en activiteiten op de site onmiddellijk stop te zetten (cfr. art. 16.4.7., § 2, 1° DABM)
(2)geen gebruik meer te maken van de installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, grondstoffen, afvalstoffen, terreinen en alles wat zich daarop of daarin bevindt op de site van Baldewijns & Co bvba gelegen te Hasselt, langsheen de Albertkanaalstraat (kadastraal gekend als Afdeling 12, Sectie A, perceelnrs. 280/D2, 280/E2 en 281/R (deel)) (cfr. art. 16.4.7., §2, 2° DABM). Dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 euro per dag dat door de gerechtsdeurwaarder zou worden vastgesteld dat verwerende partij nalaat om deze maatregelen op te leggen of nalaat om in rechte op te treden tegen een inbreuk op deze maatregelen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 27 mei 2021 heeft de bv Baldewijns & Co gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sarah Houben, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt VII-41.123-2/24 voor de verwerende partij en advocaat Philippe Van Wesemael, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Tussenkomst
- De bv Baldewijns & Co blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. IV. Gegevens van de zaak 4.
- Bij arrest nr. 248.346 van 24 september 2020 vernietigt de Raad van State het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 6 juli 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 1 september 2011 houdende het weigeren van vergunning aan de bvba Baldewijns & Co voor de exploitatie van een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale, aan de Albertkanaalstraat te Hasselt, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt opgeheven. De Raad beslist ook dat het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 1 september 2011 houdende het weigeren van vergunning aan de bvba Baldewijns & Co voor de exploitatie van een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale, aan de Albertkanaalstraat te Hasselt, ongegrond VII-41.123-3/24 wordt verklaard en de gevraagde vergunning wordt geweigerd. Dit arrest steunt op volgende redengeving: “ De planologische verenigbaarheid van een exploitatie zoals de inrichting in voorliggende zaak is, zoals reeds eerder werd beslist, niet evident. De aard en omvang van de aangevraagde activiteiten zijn ook in dit geval mee van belang in het onderzoek naar de inpasbaarheid van een inrichting in KMO-zone, wat zich moet weerspiegelen in de motivering van de bestreden beslissing. In essentie stelt de minister inzake de ‘hinderlijkheid in ruimtelijke zin’ dat er voldoende bufferzones/ruimtelijke afscheiding is tussen het gebied waar de inrichting zich bevindt en het woongebied, zodat er geen doorverwijzing naar andere industriegebieden nodig is. Hieruit blijkt evenwel niet waarom de inrichting, gelet op de omvang en de specifieke kenmerken van de uitgeoefende activiteiten, planologisch gezien als een KMO kan worden beschouwd en zich aldus onderscheidt van een ‘industriële’ inrichting, die in dergelijk gebied niet toegelaten is. Ook de andere overwegingen inzake schaalgrootte en terreinoppervlakte, verkeersafwikkeling en afzetmarkt, bebouwingsgraad en grootte van (vaste) constructies, nemen niet het voorwerp van de vergunningsaanvraag, in het bijzonder de omvang en de aard van de activiteiten, erbij als criteria om te bepalen of de inrichting een KMO is in de zin van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit. Uit die overweging blijkt veeleer dat de minister de schijn geeft dat ook hij meent dat het voorwerp planologisch gezien industrieel is en geen KMO maar dat hij toch de vergunning verleent omdat er voldoende bufferzones/ruimtelijke afscheiding zouden zijn tussen de inrichting en het woongebied. De voorliggende beslissing toont opnieuw niet de verenigbaarheid aan van de te vergunnen inrichting met de gewestplanbestemming in het licht van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit. De verwerende partij slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de inrichting als een KMO zou kunnen worden beschouwd. De toevoeging in de laatste memorie van de tussenkomende partij in verband met een beslissing van de gemeenteraad van Hasselt van 28 januari 2020 over ‘het verleggen van het fietspad en de zate van de Albertkanaalstraat’ vermag hieraan niet te verhelpen. […] Uit dit arrest vloeit voort dat de inrichting van de tussenkomende partij niet verenigbaar is met de planologische bestemming. De verwerende partij heeft, zelfs na een heronderzoek van de zaak ingevolge vroegere vernietigingsarresten, in het aanvraagdossier noch daarbuiten elementen kunnen vinden die een deugdelijke grondslag bieden voor de conclusie dat de aangevraagde inrichting toch met die bestemming verenigbaar zou zijn. De verwerende partij is verplicht om de gevraagde milieuvergunning te weigeren indien de inrichting strijdt met de geldende bestemmingsvoorschriften. Ter zake heeft zij geen andere keuze, haar bevoegdheid is volledig gebonden. Bijgevolg is er reden om dit arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de VII-41.123-4/24 verwerende partij over het bestuurlijk beroep tegen het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 20 december 2011”. 4.
- Toen zij vaststelden dat de tussenkomende partij na dit arrest verder bleef exploiteren hebben de verzoekende partijen op 20 oktober 2020 een verzoek ingediend tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Op 11 december 2020 heeft de Milieu-inspectie hen laten weten dat op 8 december de stopzetting werd bevolen tegen 2 april 2021, met aansluitend een termijn tot 14 mei 2021 tijdens dewelke er nog materialen mochten worden afgevoerd voor het opruimen van het terrein. 4.
- Na beroep van de tussenkomende partij werd de thans bestreden beslissing genomen. Deze luidt: “ Op 8 december 2020 besliste de heer Peter Schoups, gewestelijk toezichthouder bij Omgevingsinspectie Limburg, ( hierna: ‘verwerende partij’) om een bestuurlijke maatregel op te leggen (hierna: ‘de bestreden beslissing’) aan Baldewijns & Co BVBA, waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is te Veldstraat 170, 3511 Hasselt (hierna: ‘beroepsindiener’). Het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing luidt als volgt: ‘Artikel 1 Aan Baldewijns & Co bvba met maatschappelijke zetel Veldstraat 170 te 3500 Hasselt wordt, rekening houdende met artikel 1648 van het Decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid het bevelgegeven om de exploitatie van de inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale op het terrein met perceelnummers Afdeling 12 Sectie A, perceelnummers 280/D2 280/E2 en 281/R(deel) gelegen aan de Albertkanaalstraat z/n te Hasselt stop te zetten. Artikel 2 Deze beslissing gaat in op vrijdag 2 april2021 Na deze datum is enkel nog afvoer van materialen mogelijk in het kader van opruiming van het terrein, de afvoer van materialen is toegestaan tot uiterlijk vrijdag 14 mei 2021 Artikel [3] Aan volgende voorwaarden moet worden voldaan om de bestuurlijke maatregelen op te heffen.’ het bekomen van een rechtsgeldige omgevingsvergunning voor deze locatie’: Op 22 december 2020 diende beroepsindiener beroep in tegen de bestreden beslissing. Op 21januari 2021 vond een eerste hoorzitting plaats met beroepsindiener. Op 10 maart 2021 vond een tweede hoorzitting plaats met beroepsindiener. In het beroepschrift en op de hoorzitting roept beroepsindiener samengevat VII-41.123-5/24 volgende argumenten in: In hoofdorde: de keuze voor een stopzettingsbevel is kennelijk onredelijk, gelet op volgende elementen: o De exploitatie heeft geen kennelijke impact op het leefmilieu, minstens volstaan loutere vaststellingen in verband met de onwettigheid van de vergunning niet om hiertoe te besluiten. o Er is een definitief uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning voor de exploitatie, afgeleverd door de deputatie van de provincie Limburg op 12 november 2015, waarin uitdrukkelijk werd overwogen dat het aangevraagde in overeenstemming is met de gewestplanbestemming en de goede ruimtelijke ordening. o De opgelegde maatregel heeft een te verregaande impact op haar bedrijfsvoering. In ondergeschikte orde: er wordt verzocht om de uitvoeringstermijn van het stopzettingsbevel te verlengen tot 15 maanden, omwille van volgende elementen: o Beroepsindiener is steeds te goeder trouw geweest. De milieuvergunning werd voor de eerste keer afgeleverd op 20 februari 2013 en is ook na de diverse vernietigingsarresten herhaaldelijk herbevestigd zodat zij er rechtmatig vanuit mocht gaan dat deze wettig waren en zij de terreinen mocht aanwenden voor haar exploitatie. o Zij heeft hangende deze administratieve lijdensweg met betrekking tot de milieuvergunning voor het terrein te Stokrooie niet stilgezeten en actief gezocht naar een bijkomende locatie. Deze werd in 2017 ook gevonden op het industrieterrein Ravenshout-Noord, eveneens nabij het Albertkanaal. De ontwikkeling van deze industriezone door de stad Beringen heeft evenwel ernstige vertraging opgelopen door een ontbossings- en MER-problematiek buiten haar wil om. Zij kan pas overgaan tot het aanvragen van de vereiste omgevingsvergunning voor deze locatie eens de stad Beringen de ontbossings- en MER-problematiek in orde heeft gebracht. o De exploitatie aan de Albertkanaalstraat waarop de maatregel betrekking heeft zal in belangrijke mate worden teruggeschroefd waardoor de op deze site geëxploiteerde activiteiten voortaan verenigbaar zullen zijn met de gewestplanbestemming (KMO-gebied). De vergunningsaanvraag met kenmerk OMV-2020152122 voor deze afgeslankte activiteiten werd op 18 december 2020 ingediend bij de deputatie van de provincie Limburg en op 27 januari 2021 ontvankelijk en volledig verklaard. o Het terugschroeven van de activiteiten op de site in de Albertkanaalstraat te Stokrooie, waaronder de afbouw van de aanwezige opslag en mechanische inerte afvalstoffen van 38.500 m3 tot 29.400 m3, en de schrapping van de opslag en mechanische behandeling van 7.950 ton andere afvalstoffen, vraagt enige tijd. o Er gaat geen acuut gevaar uit voor mens en leefmilieu van de exploitatie. De bestreden beslissing bevestigt dat de toepasselijke milieuvoorwaarden worden nageleefd bij de exploitatie en dat er geen hinder afkomstig van de exploitatie werd vastgesteld voor de omliggende buurt. Ook de bijzondere milieuvoorwaarden uit de door de Raad van State vernietigde milieuvergunning van 6 juni 2017 zijn gerealiseerd. VII-41.123-6/24 o De verplichte sluiting van de exploitatiezetel aan de Albertkanaalstraat zou een grote maatschappelijke en economische impact hebben en het voortbestaan van het gehele bedrijf in gevaar brengen. o De gevraagde termijn van 15 maanden laat toe om een uitspraak in graad van administratief beroep te verkrijgen over de ingediende vergunningsaanvraag voor de teruggeschroefde activiteiten op het terrein te Stokrooie waardoor de periode tot ingebruikname van de nieuwe locatie te Beringen kan worden overbrugd en het voortbestaan van het bedrijf kan worden gegarandeerd. Op 12 en 13 januari 2021 ontving de cluster sanctionering en advisering het administratief dossier van de verwerende partij. Artikel 16.4.17, § 3, eerste lid van het DABM bepaalt dat het beroep moet worden ingediend, op straffe van onontvankelijkheid, binnen veertien dagen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing. Verwerende partij verstuurde de bestreden beslissing naar beroepsindiener met een aangetekende brief van 8 december
- Beroepsindiener verstuurde het beroepschrift met een aangetekende brief met ontvangstbewijs die aan het adres van het departement Omgeving werd aangeboden op 23 december
- Het beroep is tijdig ingediend. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden omschreven in artikel 62 van het Milieuhandhavingsbesluit is voldaan. De cluster sanctionering en advisering verklaarde het beroep op 8 januari 2021 ontvankelijk en bracht beroepsindiener en verwerende partij hiervan op de hoogte met een brief van 12 januari
- De afdeling Handhaving adviseerde om het beroep tegen de bestreden beslissing gedeeltelijk gegrond te verklaren. Beroepsindiener is een onderneming die actief is in aannemings- en afvalverwerkende activiteiten met eigen transportdienst met exploitatiezetel te Veldstraat 170, 3511 Kuringen. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Hasselt, goedgekeurd door de deputatie op 29 oktober 2009, voorzag een herbestemming van het bedrijventerrein waar deze exploitatiezetel gelegen is tot kleinhandelszone, waardoor beroepsindiener zich genoodzaakt zag om haar afvalverwerkende activiteiten onder te brengen op een nieuwe locatie. Deze nieuwe locatie werd door beroepsindiener gevonden op een terrein gelegen te Albertkanaalstraat z/n, 3511 Stokrooie en kadastraal gekend als Hasselt, Afdeling 12, Sectie A, perceelnr(s) 280/D2, 280/E2 en 281/R (deel) (hierna: het terrein’). Op 10 februari 2011 diende beroepsindiener een vergunningsaanvraag in bij de deputatie van de provincie Limburg voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale op het terrein. Het terrein is conform het gewestplan ‘Hasselt-Genk’ gelegen in KMO-gebied en gedeeltelijk in bosgebied en natuurgebied. Het aanvraagdossier voorzag dat de beoogde exploitatie enkel zou gebeuren op het gedeelte van het terrein dat gelegen is in KMO-gebied. De dichtstbijzijnde woongebieden liggen op ongeveer 100 meter afstand in westelijke en noordwestelijke inrichting. Bij besluit van 1 september 2011 weigerde de deputatie van de provincie VII-41.123-7/24 Limburg de gevraagde milieuvergunning in eerste administratieve aanleg. Beroepsindiener tekende administratief beroep aan tegen dit besluit. Bij ministerieel besluit nr. AMV/154022/1001/C van 20 februari 2013 werd het beroep gegrond verklaard en werd de gevraagde milieuvergunning onder voorwaarden verleend. Tegen dit ministerieel besluit werd door een aantal omwonenden een schorsings- en vernietigingsberoep ingesteld bij de Raad van State. Bij arrest nr. 224.588 van 10 september 2013 werd de vordering tot schorsing verworpen en vernietigde de Raad van State de op 20 februari 2013 in graad van administratief beroep onder voorwaarden verleende milieuvergunning, omwille van het ontbreken van een motivering omtrent de al dan niet verenigbaarheid van de beoogde activiteiten met de gewestplanbestemming en de goede ruimtelijke ordening. Op 7 januari 2014 stelde de verwerende partij vast dat beroepsindiener nog steeds vergunningsplichtige inrichtingen exploiteerde ondanks het ontbreken van een geldige milieuvergunning. Deze vaststellingen zijn vervat in het aanvankelijk proces-verbaal met nr. HA.64.H1.003-14 van 14 januari
- Bij ministerieel besluit nr. AMV/154022/1010 van 19 februari 2014 werd de milieuvergunning opnieuw verleend onder voorwaarden. Tegen dit besluit werd andermaal een schorsings- en vernietigingsberoep aangetekend bij de Raad van State door een aantal omwonenden. Bij arrest nr. 228.881 van 23 oktober 2014 verwierp de Raad van State de vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging. Bij arrest nr. 237.769 van 23 maart 2017 vernietigde de Raad van State de bij ministerieel besluit nr. AMV/154022/1010 van 19 februari 2014 onder voorwaarden verleende milieuvergunning, omdat uit de motivering niet bleek hoe het voorwerp van de aanvraag, met name de aard en omvang van de vergunningsaanvraag, werden betrokken bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting met de bestemming als KMO-gebied. Op 24 april 2017 stelde de verwerende partij vast dat beroepsindiener nog steeds vergunningsplichtige inrichtingen exploiteerde op het terrein ondanks het ontbreken van een geldige milieuvergunning. Naar aanleiding van voormelde vaststellingen ging de verbalisant dezelfde dag over tot het opstellen van een aanvankelijk proces-verbaal met nr. AN.64.H1.0029-17 en tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen lastens beroepsindiener. De opgelegde bestuurlijke maatregel bestond uit een bevel tot stopzetting met ingang van 10juli
- Bij ministerieel besluit nr. AMV/154022/1014 van 6 juli 2017 werd de milieuvergunning opnieuw verleend onder voorwaarden. Tegen dit besluit stelden een aantal omwonenden een vernietigingsberoep in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 248.346 van 24 september 2020 vernietigde de Raad van State de bij ministerieel besluit nr. AMV/154022/1014 van 6 juli 2017 onder voorwaarden verleende milieuvergunning, omdat voormeld ministerieel besluit andermaal onvoldoende aannemelijk maakte dat de inrichting als KMO te beschouwen is en derhalve verenigbaar zou zijn met de gewestplanbestemming. Zij besliste daarom om, gelet op de planologische onverenigbaarheid en de hiermee gepaard gaande gebonden bevoegdheid, VII-41.123-8/24 gebruik te maken van haar substitutiebevoegdheid en de milieuvergunning in graad van administratief beroep te weigeren: ‘Uit dit arrest vloeit voort dat de inrichting van de tussenkomende partij niet verenigbaar is met de planologische bestemming De verwerende partij heeft, zelfs na een heronderzoek van de zaak ingevolge vroegere vernietigingsarresten, in het aan vraagdossier noch daarbuiten elementen kunnen vinden die een deugdelijke grondslag bieden voor de conclusie dat de aangevraagde inrichting toch met die bestemming verenigbaar zou zijn. De verwerende partij is verplicht om de gevraagde milieuvergunning te weigeren indien de inrichting strijdt met de geldende bestemmingsvoorschriften. Ter zake heeft zij geen andere keuze, haar bevoegdheid is volledig gebonden. Bijgevolg is er reden om dit arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de verwerende partij over het bestuurlijk beroep tegen het bes/uit van de deputatie van de provincie Limburg van 20 december 2011’. Bij een inspectie op 22 oktober 2020 stelde de verwerende partij vast dat de inrichting van beroepsindiener te Albertkanaalstraat zin, 3511 Stokrooie nog in exploitatie was. Op 27 oktober 2020 deelde de verwerende partij aan beroepsindiener mee dat hij het voornemen had tot oplegging van bestuurlijke maatregelen, bestaande uit een stopzettingsbevel binnen een korte nog nader te bepalen termijn. In hetzelfde schrijven werd beroepsindiener uitgenodigd haarstandpunt ter zake kenbaar te maken in het kader van de hoorplicht. Op 13 november 2020 deelde de vermoedelijke overtreder haar standpunt omtrent de voorgenomen maatregel mee aan de verwerende partij. Op 8 december 2020 stelde de verbalisant vast dat volgende vergunningsplichtige activiteiten nog steeds werden geëxploiteerd op het terrein door beroepsindiener: - De opslag van ca. 6.000 m3 betonpuin, ca. 4.000 m3 mengpuin, ca. 4.000 m3 zeefzand, ca. 2.500 m3 gebroken betonpuin en ca. 1.000 m3 gebroken mengpuin (rubriek 2.2.2.a.° van de indelingslijst - opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1000 m3 - klasse 1). - De exploitatie van een generator met een vermogen van 250 kVA (rubriek 12.1.1.1°.a van de indelingslijst - 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied - klasse 3). - De exploitatie van twee zeefinstallaties en een breekinstallatie met een totaal vermogen van ca. 350 kW, vier wielladers met een totaal vermogen van ca. 600 kW, drie graafmachines met een totaal vermogen van ca. 450 kW (gezamenlijk totaal vermogen: 1.400 kW) (rubriek 30.1.c. van de indelingslijst - inrichtingen voor het mechanisch behandelen van minerale producten met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW - klasse 1). - De exploitatie van een betoncentrale met een vermogen van 75 kW (rubriek 30.3.b van de indelingslijst - mortel- en betoncentrales met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 10 kW tot en met 200 kW - klasse 2). - De opslag van ca. 5.500 m3 zand op een terrein van ca. 2 hectare (rubriek VII-41.123-9/24 30.10.1 van de indelingslijst - inrichtingen voor de opslag of overslag van ertsen of andere minerale producten, met uitzondering van de producten vermeld in rubriek 48 (zeehavengebieden), met een oppervlakte van 1 tot en met 10 ha - klasse 2). Naar aanleiding van voormelde vaststellingen ging de verbalisant op 8 december 2020 over tot het opstellen van een aanvankelijk proces-verbaal met nr. HA.64.H1.0089-20 lastens beroepsindiener en tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen middels de bestreden beslissing. Op 18 december 2020 werd door beroepsindiener een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag klasse 1 met kenmerk OMV.2020152122 ingediend bij de deputatie van de provincie Limburg voor een afgeslankte versie van de bedrijfsactiviteiten. Deze aanvraag werd op 27 januari 2021 ontvankelijk en volledig verklaard. De deputatie moet uiterlijk op 27 mei 2021 uitspraak doen over deze aanvraag. Bestuurlijke maatregelen kunnen overeenkomstig artikel 16.4.5, eerste lid, van het DABM slechts worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf. Overeenkomstig artikel 5.2.1, § 6, eerste lid, van het DABM is voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: Omgevingsvergunnings-decreet). Artikel 6, eerste lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet verbiedt om een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse te exploiteren zonder te beschikken over de daartoe vereiste voorafgaande omgevingsvergunning. Uit de vaststellingen van 8 december 2020 blijkt dat beroepsindiener een ingedeelde inrichting van de eerste klasse exploiteert op het terrein gelegen te Albertkanaalstraat zin, 3511 Stokrooie, die minstens volgende ingedeelde inrichtingen omvat: - De opslag van ca. 6.000 m3 betonpuin, ca. 4.000 m3 mengpuin, ca. 4.000 m3 zeefzand, ca. 2.500 m3 gebroken betonpuin en ca. 1.000 m3 gebroken mengpuin (rubriek 2.2.2.a.° van de indelingslijst - opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 1000 m3 - klasse 1). - De exploitatie van een generator met een vermogen van 250 kVA (rubriek 121.1.1°.a van de indelingslijst - 150 kVA tot en met 800 kVA als de inrichting volledig gelegen is in een industriegebied - klasse 3). - De exploitatie van twee zeefinstallaties en een breekinstallatie met een totaal vermogen van ca. 350 kW, vier wielladers met een totaal vermogen van ca. 600 kW, drie graafmachines met een totaal vermogen van ca. 450 kW (gezamenlijk totaal vermogen: 1.400 kW) (rubriek 30.1.c. van de indelingslijst - inrichtingen voor het mechanisch behandelen van minerale producten met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 200 kW - klasse 1);. - De exploitatie van een betoncentrale met een vermogen van 75 kW (rubriek 30.3.b van de indelingslijst - mortel- en betoncentrales met een VII-41.123-10/24 geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 10 kW tot en met 200 kW - klasse 2). - De opslag van ca. 5.500 m3 zand op een terrein van ca. 2 hectare (rubriek 30.10.1 van de indelingslijst - inrichtingen voor de opslag of overslag van ertsen of andere minerale producten, met uitzondering van de producten vermeld in rubriek 48 (zeehavengebieden),met een oppervlakte van 1 tot en met 10 ha - klasse 2). Beroepsindiener exploiteert deze inrichtingen zonder te beschikken over de daartoe vereiste voorafgaande omgevingsvergunning. Het exploiteren van voormelde ingedeelde inrichting van de eerste klasse zonder te beschikken over de daartoe vereiste voorafgaande omgevingsvergunning houdt een schending in van artikel 5.2.1, § 6, eerste lid, van het DABM en van artikel 6, eerste lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet. Beide bepalingen worden gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de schending ervan vormt een milieumisdrijf in de zin van artikel 16.1.2, 2° van het DABM. Het milieumisdrijf in hoofde van beroepsindiener staat afdoende vast. De verwerende partij kon derhalve rechtmatig overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Overeenkomstig artikel 16.4.4 van het DABM mag er geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die aan de bestuurlijke maatregel ten grondslag liggen en de maatregel die op grond van deze feiten wordt opgelegd. Artikel 16.4.8, eerste lid, van het DABM bepaalt dat in geval van een bevel tot staking of een bevel tot regularisatie de bestuurlijke maatregel een einddatum moet bevatten om er uitvoering aan te geven, waarbij rekening moet worden gehouden met de tijd die redelijkerwijs vereist is om er uitvoering aan te geven. In de bestreden beslissing wordt de stopzetting van de exploitatie van de inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale op het terrein bevolen met ingang van 2 april
- Beroepsindiener is van oordeel dat zowel de keuze voor een stopzettingsbevel als de daaraan gekoppelde uitvoeringstermijn kennelijk onredelijk zijn. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om na de vaststelling van een milieumisdrijf de bestuurlijke maatregelen op te leggen die zij passend acht en om de gepaste uitvoeringstermijn voor de maatregel te bepalen. Uit de vaststellingen blijkt dat beroepsindiener ook na het vernietigingsarrest van de Raad van State 24 september 2020 een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale van de eerste klasse exploiteert op het terrein zonder te beschikken over de daartoe vereiste omgevingsvergunning. De naleving van de voorafgaande vergunningsplicht behoort tot de meest elementaire verplichtingen van de exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit. Een in de eerste klasse ingedeelde inrichting moet bovendien worden beschouwd als de meest belastende voor de omgeving van de drie klassen waarin hinderlijke inrichtingen of activiteiten worden ingedeeld. Daarenboven heeft de Raad van State in haar arrest van 24 september 2020 VII-41.123-11/24 geoordeeld dat de door beroepsindiener geëxploiteerde inrichting planologisch onverenigbaar is met de gewestplanbestemming als KMO-gebied. De Raad besloot eveneens om haar arrest, gelet op de gebonden bevoegdheid ter zake, in de plaats te stellen van de uitspraak over het bestuurlijk beroep tegen het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 20 december 2011 en de gevraagde vergunning definitief te weigeren. Tot slot kan beroepsindiener ter zake evenmin nuttig verwijzen naar sociale en economische motieven om de keuze voor een stopzettingsbevel aan te vechten. Door verder te exploiteren na voormeld arrest van de Raad van State geniet beroepsindiener inkomsten uit illegale activiteiten. Het gegrond verklaren van een beroep op grond van een middel rond hoofdzakelijk sociale en economische motieven zou een ongelijke behandeling inhouden ten aanzien van concurrerende inrichtingen die wel alles in het werk stellen om legaal te exploiteren. Het opleggen van een stopzettingsbevel met het oog op beëindiging van de onvergunde en, volgens de Raad van State in de op 10 februari 2011 aangevraagde vorm bovendien onvergunbare, exploitatie, is in de gegeven omstandigheden dan ook geenszins kennelijk onredelijk. In haar arrest van 24 september 2020 oordeelde de Raad van State dat de vermelding van de verschillende categorieën van industriegebieden in artikel 8 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (de gebieden voor vervuilende industrieën, de gebieden voor milieubelastende industrieën en de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen) wijst op een onderverdeling naargelang de hinderlijkheid van de inrichting, en dat dit criterium een leidraad moet vormen bij de toets naar de inpasbaarheid van de inrichting van beroepsindiener in KMO-gebied. De cruciale vraag daarbij is volgens voormeld arrest dan ook of de inrichting van beroepsindiener planologisch gezien kan worden als een KMO en zich aldus onderscheidt van een industriële inrichting’, die in dergelijk gebied niet is toegelaten. Bij het onderzoek van deze vraag moeten het voorwerp van de aanvraag, meer bepaald de omvang en de aard van de aangevraagd activiteiten, in de beoordeling naar de planologische verenigbaarheid worden betrokken. Dit houdt in dat moet worden nagegaan of de aard van de te ontplooien activiteiten (onder meer mechanische verwerking van bouwafval, breekinstallatie, ...), samen met de hoeveelheden opslag- en afvalmateriaal die er worden verwerkt, geen afbreuk doen aan het KMO-karakter van de inrichting. Het staat, gelet op de inhoud van voormeld arrest en de substitutie door de Raad van State, vast dat de inrichting van beroepsindiener. gelet op de omvang en aard van de activiteiten, zoals opgenomen in het aanvraagdossier van 10 februari 2011, een industrieel en geen KMO-karakter heeft en derhalve planologisch onverenigbaar is met de geldende bestemmingsvoorschriften. Beroepsindiener toont zich evenwel bereid om haar activiteiten op het terrein af te slanken. Zij heeft daartoe op 18 december 2020 een nieuwe vergunningsaanvraag klasse 1 ingediend bij de deputatie van de provincie VII-41.123-12/24 Limburg met kenmerk OMV...2020152122 voor een afgeslankte versie van haar activiteiten. Deze aanvraag werd op 27januari 2021 ontvankelijk en volledig bevonden. De aanvraag voorziet onder meer dat de opslag en mechanische behandeling wordt verminderd van 38.500 m3 naar 29.400 m3 en dat de opslag en mechanische behandeling (mci. houtverhakselaar) van 7.950 ton andere niet-gevaarlijke afvalstoffen wordt stopgezet. Het komt aan de vergunningverlenende overheid toe om te beoordelen of deze nieuwe vergunningsaanvraag verenigbaar is met de geldende bestemmings-voorschriften als KMO-gebied. De vergunningverlenende overheid moet uiterlijk 27 mei 2021 een beslissing nemen over de aanvraag voor exploitatie van deze afgeslankte activiteiten. Bovendien blijkt uit de door beroepsindiener bijgebrachte stukken dat zij de voorbije jaren actief heeft gezocht naar een nieuwe locatie die haar moet toelaten om enerzijds haar exploitatiezetel momenteel gelegen te Veldstraat 170, 3511 Kuringen (waar momenteel nog haar kantoorgebouwen, bedrijfsvoertuigen en herstelwerkplaats gevestigd zijn) te kunnen herlokaliseren en om anderzijds haar exploitatie op het terrein te Stokrooie te kunnen afbouwen/verder uitbouwen op de nieuwe locatie. Zij heeft daartoe op 4 december 2017 een kandidatuur ingediend bij de stad Beringen voor de aankoop van een terrein van 9,5 ha in industriezone Beringen Ravenshout-Noord, zone 2 (grenzend aan het Albertkanaal). Tijdens de onderhandelingen met de stad Beringen werd de kandidatuurstelling aangepast naar een perceel van 5 ha met een principeakkoord tot bijkomende aankoop van een aangrenzend perceel van 5 ha eens dit perceel door de Stad is verworven. In zitting van 25 juni 2018 verleende de gemeenteraad haar akkoord met de verkoop van een perceel van 5 ha in zone 2 (grenzend aan het Albertkanaal) Van Helmont nv, de vastgoedvennootschap van beroepsindiener. Bij voorbereiding van het verkoopdossier stelde de stad Beringen beroepsindiener in november 2018 in kennis dat zij het beoogde perceel had laten ontbossen en bouwrijp maken zonder vergunning waardoor een voorafgaande regularisatie en boscompensatiemaatregelen zich opdrongen. Na overleg met de stad Beringen en de betrokken actoren, waaronder het Agentschap Natuur en Bos (hierna: ANB) en team MER, werd ervoor geopteerd om de aankoop van het perceel van 5 ha op te splitsen in 2,9 ha onder opschortende voorwaarde van verwerving van een omgevingsvergunning op basis van een project-MER-screeningsnota en een perceel van 2,1 ha plus, op termijn, bijkomend 5 ha onder opschortende voorwaarde van verwerving van een omgevingsvergunning met ontheffing van de project-M.E.R.-plicht. De stad Beringen heeft daaropvolgend op 21 februari 2019 omgevingsvergunningsaanvraag OMV.2019067652 met project MER screeningsnota ingediend voor regularisatie van de ontbossing op het perceel van 2,9 ha. Deze omgevingsvergunning werd op 10 juli 2019 bekomen. Op 4 april 2019 stelde het college van burgemeester van de stad Beringen SWERCO aan voor opmaak van de MER-ontheffingsnota. Eind juni 2019 werd een eerste ontwerp van ontheffingsnota afgeleverd door SWERCO dat evenwel noodzaakte tot verder overleg tussen de betrokken actoren. Bij besluit van 24 juni 2019 verleende de gemeenteraad van de stad VII-41.123-13/24 Beringen haar goedkeuring met de verkoop onder voormelde opschortende voorwaarden. Het betreffende gemeenteraadsbesluit vermeldt uitdrukkelijk dat de verkoopovereenkomst gedurende lange tijd in opmaak was omwille van de problematiek op het terrein inzake het ontbreken van een vergunning tot ontbossing. Hangende deze initiatieven tot regularisatie heeft beroepsindiener zich op 4 juli 2019 eveneens kandidaat gesteld bij de stad Beringen voor aankoop van een aangrenzend perceel van 5 ha in zone 4 van de Industriezone Beringen Ravenshout-Noord dat de stad Beringen intussen had verworven. Bij besluit van 10 oktober 2019 wees het schepencollege van de stad Beringen het bijkomend perceel van S ha in zone 4 toe aan Van Helmont nv. Op 10 oktober 2019 besliste het schepencollege van de stad Beringen eveneens om de in opmaak zijnde MER-ontheffingsaanvraag on hold te zetten tot na verder overleg met team MER en het ANB. Na dit overleg besliste het schepencollege van de stad Beringen op 31 oktober 2019 om de regularisatie door te voeren via een project-MER in plaats van via een MER-ontheffingaanvraag. Op 2 januari 2020 kwam het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen terug op deze keuze en werd beslist om opnieuw voor een MER-ontheffingsaanvraag te gaan. Op 11 februari 2020 werd een ontheffingsverzoek van de MER-plicht ingediend door de stad Beringen. Per e-mail van 9 juli 2020 deelde de stad Beringen aan beroepsindiener mee dat zij van het team MER had vernomen dat de ontheffing niet zou worden verleend, waarna op 14 juli 2020 werd beslist om de ontheffingsaanvraag in te trekken. Daaropvolgend werd opnieuw gekozen voor de piste van een project-MER In oktober 2020 werd het project-MER ‘Ontbossing en ontwikkeling van bedrijventerrein Ravenshout-Noord te Beringen’ aangemeld bij de dienst MER met verzoek tot scopingadvies. Op 21januari 2021 bracht de dienst MER haar scopingadvies uit. Per e-mail van 22 januari 2021 deelde de stad Beringen mee dat het project-MER in opmaak is en de omgevingsvergunning, met inbegrip van het project-MER, eind februari/begin maart 2021 zou ingediend worden. Zij verwacht in juli/augustus 2021 een beslissing over deze omgevingsvergunning. Beroepsindiener is derhalve reeds enkele jaren afhankelijk van de voortgang van de regularisatie van de ontbossingsproblematiek door de stad Beringen voor de nieuwe locatie te Industriezone Beringen Ravenshout-Noord. Zij kan pas na het bekomen van een omgevingsvergunning voor de ontbossing door de stad Beringen verdere actie ondernemen met het oog op indiening van een omgevingsvergunning voor haar activiteiten op deze nieuwe locatie. Daarenboven vermeldt de verwerende partij zelf in de bestreden beslissing dat er geen hinder afkomstig van de vestiging van beroepsindiener kon worden vastgesteld in de onmiddellijke omgeving en dat er geen onmiddellijk of dreigend gevaar is voor mens en leefmilieu waardoor een onmiddellijke stopzetting geen absolute noodzaak is. In het kader van het eerdere stopzettingsbevel van 24 april 2017 werd bovendien overwogen dat uit de vaststellingen blijkt dat beroepsindiener bij haar exploitatie de sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden naleeft. Het administratief dossier bevat geen indicaties dat dit op heden niet meer het geval zou zijn. VII-41.123-14/24 Het komt, gelet op de bereidheid van beroepsindiener om haar activiteiten op het terrein in Stokrooie af te slanken en deels te herlokaliseren naar een nieuwe locatie in de Industriezone Ravenshout-Noord te Beringen, gelet op de hangende omgevingsvergunningsaanvraag met kenmerk OMV2020152122 voor een afgeslankte versie van de activiteiten op het terrein te Stokrooie, gelet op het feit dat de realisatie van haar nieuwe locatie in de Industriezone Ravenshout-Noord te Beringen door omstandigheden buiten haar wil (ie. de hoger vermelde ontbossings- en regularisatieproblematiek van de stad Beringen) vertraging heeft opgelopen en gelet op de afwezigheid van hinder en een onmiddellijk of dreigend gevaar voor het leefmilieu, kennelijk redelijk voor om de datum van ingang van het stopzettingsbevel te wijzigen van 2 april 2021 naar 31 december 2021 teneinde beroepsindiener toe te laten een beslissing te verkrijgen waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld omtrent de vergunbaarheid van haar afgeslankte activiteiten te Stokrooie. Tot slot voorziet de bestreden beslissing een termijn van zes weken na ingang van het stopzettingsbevel waarin een afvoer van materialen met het oog op opruiming van het terrein is toegestaan. Het komt, gelet op de voormelde wijziging van datum van ingang van het stopzettingsbevel, passend voor om ook de einddatum van deze periode van zes weken voor afvoer overeenkomstig te wijzigen (tot 11 februari 2022). BESLUIT: Enig artikel. Het beroep ingesteld door Baldewijns & Co BVBA tegen de bestreden beslissing van Omgevingsinspectie Limburg van 8 december 2020, wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. De bestuurlijke maatregel wordt gedeeltelijk opgeheven, waardoor de bestuurlijke maatregel als volgt luidt: ‘Artikel 1 Aan Baldewijns & Co bvba met maatschappelijke zetel Veldstraat 170 te 3500 Hasselt wordt rekening houdende met artikel 1648 van het Decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid het bevel gegeven om de exploitatie van de inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale op het terrein met perceelnummers Afdeling 12 Sectie A, perceelnummers 280/D2 280/E2 en 281/P(deel) gelegen aan de Albertkanaalstraat z/n te Hasselt stop te zetten. Artikel 2 Deze beslissing gaat in op vrijdag 31 december
- Na deze datum is enkel nog afvoer van materialen mogelijk in het kader van opruiming van het terrein, de afvoer van materialen is toegestaan tot uiterlijk vrijdag 11 februari
- Artikel
- Aan volgende voorwaarden moet worden voldaan om de bestuurlijke maatregelen op te heffen: het bekomen van een rechtsgeldige omgevingsvergunning voor deze locatie.” Deze beslissing werd, zoals in het verzoekschrift wordt vermeld, op 7 mei 2021 verzonden aan de verzoekende partijen. VII-41.123-15/24 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
- De verzoekende partijen zetten uiteen: “ De bestreden beslissing laat Baldewijns & Co bvba toe om haar activiteiten -waarvan in de bestreden beslissing de absolute onwettigheid wordt erkend- voort te zetten gedurende meer dan een jaar na de vernietiging van de milieuvergunning en heeft m.a.w. tot strekking een illegale situatie te dogen gedurende een zeer lange termijn. Deze termijn heeft niet tot doel het bedrijf in staat te stellen uitvoering te geven aan het stakingsbevel, maar integendeel de bestuurlijke maatregel op te schorten tot een uitvoerbare beslissing is genomen over de nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag die het bedrijf inmiddels heeft ingediend. De bestreden beslissing doet in die optiek de gevolgen van het vernietigingsarrest van uw Raad dat verzoekers -die jaren elke noodzakelijke procedurestap hebben ingesteld om de hinder en nadelen die zij ondervinden een halt toe te roepen en die na meerdere procedures in hun voordeel, finaal in hun gelijk werden gesteld- bekwamen, volledig teniet doordat nagelaten wordt om effectief handhavend op te treden. De bestreden beslissing geeft zelfs uitdrukkelijk aan dat de lange termijn die wordt voorzien, bedoeld is om de periode te kunnen overbruggen om een uitvoerbare beslissing te bekomen over de nieuwe aanvraag en aldus de continuïteit van de (illegale) exploitatie te garanderen. De gevolgen van die beslissing hebben een onomkeerbare psychische impact op verzoekers indien de schorsing ervan niet bevolen zou worden. Het vertrouwen van verzoekers in de rechtstaat is erdoor compleet gefnuikt, doordat het kennelijk zo maar kan voorkomen dat een orgaan van de uitvoerende macht een arrest van uw Raad compleet inhoudsloos vermag te VII-41.123-16/24 maken, en als handhavende instantie een inbreuk op één van de meest elementaire verplichtingen van elke exploitant uit het omgevingsrecht (nl. het beschikken over de vereiste vergunningen) de facto niet sanctioneert, met als gevolg dat de persoonlijke inspanningen van verzoekers om hun woon- en leefomgeving te vrijwaren compleet vruchteloos worden. De jarenlange procedureslag had reeds een immense impact op verzoekers en hun fysieke en mentale gezondheidstoestand, maar de bestreden beslissing hakt er bij verzoekers psychisch in, doordat de overwinning die zij na al die jaren bereikt hebben (het vernietigingsarrest met substitutie) kennelijk niet meer dan een pyrrusoverwinning lijkt te zijn, nu verwerende partij in haar hoedanigheid van handhavende instantie het arrest inhoudelijk zinledig maakt en de belangen van verzoekers (net zoals gedurende de gehele vergunningsprocedure) totaal ondergeschikt maakt aan deze van de exploitant in kwestie. Hogerstaande geldt eens te meer nu verzoekers, net zoals eenieder, verplicht worden tot thuiswerk en ook overdag op continu wijze geconfronteerd worden met de hinderlijke gevolgen van de illegale exploitatie van een klasse I inrichting waartegen niet wordt opgetreden, terwijl een dergelijke inrichting ontegensprekelijk een impact heeft op de leefkwaliteit en mentale gezondheid van verzoekers. Die psychische en mentale impact is onomkeerbaar indien de bestreden beslissing niet onmiddellijk wordt geschorst en verantwoord dan ook de uiterst dringend noodzakelijkheid. De uiterst dringende noodzakelijkheid is bovendien verantwoord doordat uw Raad zal vaststellen dat aan de (vernietigde) milieuvergunningen een waslijst aan voorwaarden gekoppeld was1 om de hinderlijke gevolgen voor de omgeving te beperken en het aangevraagde voor vergunning in aanmerking te doen komen. De finaliteit van een voorwaarde bestaat er immers in een aanvraag -die principieel onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening-toch voor vergunning in aanmerking te doen komen door het opleggen van voorwaarden. De omstandigheid dat voorwaarden noodzakelijk werden geacht, impliceert m.a.w. dat zonder deze voorwaarden de aanvraag (ongeacht haar planologische niet inpasbaarheid) niet in overeenstemming kon worden gebracht met de goede ruimtelijke ordening, omwille van de hinder die van de exploitatie uitgaat en die aanleiding was tot het opleggen van een aanzienlijke hoeveelheid aan bijzondere voorwaarden (i.v.m. o.a. geluidshinder, stofhinder, ..). De bestreden beslissing voorziet niet in voorwaarden die door de exploitant dienen nageleefd te worden tijdens de onwettige exploitatie en zij kan daar overigens ook niet in voorzien. De exploitant verkrijgt daardoor m.a.w. een vrijgeleide, gezien zij door geen enkele voorwaarde gebonden is, minstens niet door de talrijke bijzondere voorwaarden die waren opgenomen in de (inmiddels vernietigde) milieuvergunning en niet rechtstreeks volgens uit het DABM. De bestreden beslissing dreigt ook om die redenen onherroepelijk schadelijke gevolgen te hebben voor verzoekers, wanneer aan de beslissing (die een exploitant toelaat een klasse I inrichting uit te baten zonder gebonden te zijn door de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, minstens de bijzondere voorwaarden die volgens de vernietigde VII-41.123-17/24 milieuvergunning noodzakelijk waren om het aangevraagde in overeenstemming te brengen met de omgeving) geen onmiddellijk einde wordt gesteld. In deze kan ook verwezen worden naar de reden voor de opeenvolgende vernietigingen van de verleende milieuvergunningen, die geënt is op de omstandigheid dat de exploitatie van een inrichting voor de opslag en mechanische verwerking van bouwafval en puin (= aard van de activiteiten) samengenomen met de hoeveelheden opslag en verwerking (= omvang van de activiteiten) niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming ‘gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen’ (KMO-zone) omdat zij een hinderlijk karakter heeft. Dit hinderlijk karakter blijkt
(1)uit de omstandigheid dat de exploitatie volgens het Vlarem wordt ingedeeld als een klasse I -inrichting, die moet beschouwd worden als de meest belastende voor de omgeving van de drie klassen waarin hinderlijke inrichtingen of activiteiten worden ingedeeld. Bovendien
(2)geeft ook het vernietigingsarrest een blijk van de mate van hinderlijkheid van de exploitatie, doordat geoordeeld werd dat de betreffende inrichting omwille van de aard van haar activiteiten, niet inpasbaar is binnen de nadere aanwijzing ‘KMO-zone’ 3, maar doorverwezen dient te worden naar zones voor meer belastende industrie, nl. een effectieve industriezone, waar o.a. voorzien is in een bufferzone t.o.v. naastliggende bestemmingszones en een gedegen ontsluiting van de zone, in tegenstelling tot de huidige site. Het kan dan ook allerminst betwist worden dat de activiteiten hinderlijk zijn. Evenmin kan betwist worden dat verzoekers allen persoonlijke hinder ondervinden. Het is immers die persoonlijke hinder die hun drijfveer is geweest om gedurende al die jaren telkenmale opnieuw de noodzakelijke procedures te initiëren. De concrete hinder die verzoekers ondervinden heeft betrekking op geluidshinder en trillingen, stofhinder, lichthinder, de verkeersonveilige situatie die wordt gecreëerd alsmede de verkeershinder ingevolge zwaar vrachtverkeer dat passeert over lokale wegen die geen ontsluitende functie hebben. Gezien dergelijke hinder afhankelijk is van en in grote mate bepaald wordt door de precieze ligging van de woningen van verzoekers opzichtens de site wordt dit voorafgaand verduidelijkt: De woningen van verzoekers bevinden zich binnen een straal van 200 m van de site. Verzoeker sub 3 woont zelfs op minder dan 180m van de site. Op onderstaande luchtfoto is de site aangeduid in blauw. De woning van verzoekers sub 1 met zwarte pijl. De woning van verzoeker sub 3 met groene pijl en de woning van verzoeker sub 2 met blauwe pijl. De ontsluiting van de site loopt door de woonkern en is in geel aangegeven. De loskade waar de schepen aanmeren en geladen en gelost worden, wordt met rode cirkel aangeduid. Gezien de ligging op minder dan 200 m van de site ondervinden verzoekers ontegensprekelijk persoonlijke hinder ingevolge geluidsoverlast en trillingen. De woningen van verzoekers sub 1 en 3 liggen bovendien aan de ontsluitingsroute (verhoging geluidshinder, stofhinder, …). De eigendom VII-41.123-18/24 van verzoeker sub 1 ligt bovendien supplementair ook nog eens pal tegenover de laad- en loskade van het bedrijf (geluidshinder, stofhinder van passerende vrachtwagens zonder dekzeil, lichthinder, ..). De eigendom van verzoeker sub 2 situeert zich noordwestelijk (= de overwegende windrichting) ten opzichte van de site, waardoor er hier veel last wordt ondervonden van stof dat van de site die richting uitwaait. Gelet op de aard van activiteiten (nl. de opslag en mechanische behandeling van bouwafval en puin) en de ligging van de woningen van verzoekers opzichtens de site kan ervan uitgegaan worden dat de activiteit van Baldewijns & Co bvba een negatieve invloed hebben op de woon- en leegomgeving van verzoekers (geluidshinder, stofhinder, mobiliteitsimpact, verkeersonveiligheid, ..) en als zodanig onomkeerbaar zijn van aard, dat zij de uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden. […] In eerste instantie ondervinden verzoekers in hunne persoonlijke hoofde GELUIDSHINDER voorkomend van de breekinstallatie en zeefinstallatie (in open lucht), betoncentrale, lawaai van de bewegingen van vrachtwagens over lokale betonwegjes en bulldozers op en rond het terrein, het laden en lossen van vrachtwagens en duwbakken aan de kade, schrapen van de laadbak van de wiellader over de vloer, dichtslaan van laadkleppen enz.. Dit zijn handelingen die inherent zijn aan de exploitatie van een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval. Er kan niet ernstig betwist worden dat verzoekers deze hinder ondervinden gezien hun woningen op amper 200m van de site gelegen zijn en deze site geen bufferzone heeft. Teneinde geluidshinder te voorkomen werden in de (inmiddels vernietigde) milieuvergunningen trouwens een hele reeks bijzondere voorwaarden opgenomen, zodat onmogelijk kan gesteld worden dat verzoekers wiens woningen in de meest directe omgeving bij de site liggen, niet aantonen geen geluidshinder te ondervinden van de site en de illegale exploitatie aldaar. De breek- en zeefinstallatie genereert bovendien trillingen. Het zware vrachtverkeer (volgeladen vrachtwagens) over de betonbanen genereert ook een zware vorm van geluidsoverlast in de woonkern. Er is ook aanzienlijk meer vrachtverkeer dan de exploitant zelf voorhoudt. Alleen al het laden en lossen van schepen/duwboten met puin pal voor de woning van verzoeker sub 1 genereert een 20 à 30 vrachtbewegingen per uur (waarbij dus vrachtwagens worden volgeladen voor de deur van verzoeker sub 1 om het puin vanuit de duwbakken in de vrachtwagen te leggen en te transporteren en lossen op de site verderop). Eén schip ledigen duurt gemiddeld een dag. Er meren gemiddeld wekelijks drie tot vijf schepen / duwboten aan bij de loskade. Verzoekers voegen onder stuk 17 een reeks videofragmenten waarop de geluidsoverlast rond de site hoorbaar is, de vrachtbewegingen en het laden en lossen van de aangemeerde schepen pal voor de woning van verzoeker sub 1 vanaf 5u ’s ochtends tot 22u ’s avonds. Er werd door de exploitant nooit een geluidstudie uitgevoerd. En ook bij de nieuwe aanvraag werd geen geluidstudie gevoegd met effectieve metingen over een langdurige periode ter hoogte van de woningen van verzoekers. Uitsluitend een geluidsprognose wordt bijgebracht, waarin veel hiaten zitten, VII-41.123-19/24 zoals ook opgemerkt door verzoekers in hun bewaarschrift. Opmerkelijk is dat deze geluidsprognose uitgaat van allerhande veronderstellingen zoals ‘de meeste brekers zijn voorzien van een stortbunker’, waaruit dus kan afgeleid worden dat niet alle brekers voorzien zijn van stortbunkers. Nochtans voorzag één van de bijzondere voorwaarden bij de laatste vernietigde milieuvergunning -ter preventie van geluidshinder- dat de breker voorzien moet zijn van een stortbunker (stuk 13, blz. 25/27: ‘de breker is voorzien (….) stortbunker’). Het staan dan ook vast dat het bedrijf in kwestie zich helemaal niet schikt naar de voorwaarden. Daarnaast genereren de activiteiten STOFHINDER (fijn stof in de omgeving), door het storten van puin, vrachtwagens die de zanderige site oprijden en een stofwolk veroorzaken, vrachtwagens die veelal onbedekt rondrijden zonder dekzeil (stuk 17 en 18). Er is op de site ook geen sproei installatie aanwezig, terwijl dit thans ook één van de bijzondere voorwaarden was voorzien bij de inmiddels vernietigde milieuvergunning ter preventie van stofhinder. Evenmin bewatert het bedrijf haar terrein op een alternatieve wijze. De exploitatie heeft 6 op 7 dagen plaats, vaak vanaf 5u ’s ochtends tot 22u ’s avonds. Bij het lossen van de schepen (ter hoogte van de woning van verzoeker sub 1) rijden er continu vrachtwagen op en af tussen de laadkade en site. Deze vrachtwagen zijn nooit afgedekt, waardoor het stof gewoon vrijelijk zijn weg zoekt […]. In de vroege en late uren wordt gebruikt gemaakt van de grootlichten van diverse machines en dit vaak tot voorbij 22u, waardoor verzoeker sub 1 en ook 3 LICHTHINDER en geluidshinder ondervinden wanneer schepen op deze uren worden gelost. Ook de verkeersafwikkeling en MOBILITEITSIMPACT is bijzonder problematisch en precair. Er is immers geen behoorlijke invalsweg, waardoor alle transporten en vrachtverkeer over de weg verloopt. De woningen van verzoekers sub 1 en 3 zijn langs deze weg gelegen. Deze lokale wegen type III (Sint-Amandusstraat en Berkerwinningstraat) zijn daarvoor niet bestemd en hebben geen ontsluitingsfunctie. Laat staan dat zij permanent dienst zouden doen in het kader van de exploitatie van een industrieel bedrijf voor de recuperatie van bouwafval en sloopafval wat impliceert dat er wordt aan- en afgevoerd met zware vrachtwagens. Het is evident dat zwaar vrachtverkeer in een woonomgeving aanleiding geeft tot een verkeersonveilige situatie. De hoeveelheid aan- en afrijdend vrachtverkeer is enorm. Dagelijks passeren er minimaal 80 vrachtwagens die volgeladen zijn over de lokale betonwegen voor de woningen van verzoekers sub 1 en
- Dergelijk verkeer genereert ontegensprekelijk hinder, zeker op de lokale wegen type III, die momenteel reeds druk bezet zijn. Ook het lossen van de schepen die aanmeren aan de kade én zelfs aanmeren buiten het havengebied (nl. wanneer de kade niet groot genoeg is omdat er nog andere schepen liggen met puin) waar zij (ondanks dat er geen kade is ook gewoon geledigd worden) is absoluut onveilig. Op het jaagpad staan alsdan de vrachtwagens en andere bedrijfsvoertuigen gestationeerd, terwijl fietsers en voetgangers en ook verzoekers (te meer in huidige coronatijden) het jaagpad frequenteren om een wandeling of fietstocht te maken. Het optreden van verzoekers is VII-41.123-20/24 diligent. Verzoekers hebben na tussenkomst van het vernietigingsarrest de handhavingsdiensten aangeschreven met verzoek tot oplegging van een bestuurlijke maatregel. Zij werd kort nadien in kennis gesteld dat de handhavingsprocedure werd opgestart en daarna werd aan haar meegedeeld dat per 08 december een stakingsbevel werd opgelegd waarin aan de exploitant een periode van circa 4 maanden werd gegeven om zijn activiteiten stop te zetten. Gezien na het verstrijken van die termijn verzoekers dienden vast te stellen dat de activiteiten niet werden gestaakt, hebben zij opnieuw adequaat zich gericht tot de handhavende instanties, die alsdan voor het eerst meedeelden dat de maatregel die werd opgelegd, hervormd werd. Dat verzoekers na kennisname van de bestreden beslissing binnen korte termijn hebben geageerd door de indiening van onderhavig verzoekschrift zodat verzoekers diligent hebben gehandeld” Beoordeling
- De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen door de verzoekende partijen op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Er wordt alleen rekening gehouden met wat de verzoekende partijen op regelmatige wijze ter ondersteuning van hun vordering hebben aangevoerd. Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet. In het arrest van de Raad van State nr. 228.881 van 23 oktober 2014 werd de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerdere vergunningsbeslissing voor dezelfde inrichting verworpen. De verzoekende partijen hadden toen gelijkaardige hinderelementen ingeroepen. De Raad van State VII-41.123-21/24 oordeelde toen: “In deze zaak wordt de spoedeisendheid ingeroepen teneinde ‘verkeershinder’ uit vrachtvervoer te vermijden. De verzoekende partijen stellen die verkeershinder voor als een ‘ernstig nadeel’. Zij stellen dat de onmiddellijke toename van de mobiliteitshinder ervoor zorgt dat de zaak spoedeisend is. Uit hun uiteenzetting kan worden afgeleid dat zij een ‘significante’ toename van het aantal vrachtbewegingen verwachten in de grootte van minimum 200 vrachtwagenbewegingen per dag. Met de tussenkomende en de verwerende partij moet worden vastgesteld dat deze inschatting speculatief is en geen afbreuk doet aan de gegevens die de tussenkomende partij in het aanvraagdossier aanbrengt inzake de transportorganisatie. De verzoekende partijen verwachten voorts ‘een immense toename’ van het vrachtverkeer door de verhuis van afvalstoffen. Zij brengen in het verzoekschrift echter geen concrete gegevens aan die hun vaststelling ondersteunen. Het gebruik van het jaagpad wordt in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren wel degelijk als bijzondere voorwaarde opgelegd. De verzoekende partijen voeren aan dat het gebruik van het jaagpad tot een verkeersonveilige toestand zal leiden onder andere voor fietsers. Zij betrekken dit nadeel echter niet op henzelf. Wie wil aantonen dat een zaak spoedeisend is, moet aannemelijk maken dat het nadeel dat hij wil ongedaan maken, een persoonlijk nadeel is. Uit de uiteenzetting blijkt niet welke individualiseerbare hinder de verzoekende partijen kunnen ondervinden indien het vrachtverkeer over het jaagpad wordt gestuurd. De stof- en geluidshinder bij het gebruik van de loskade zal afhangen van de precieze ligging van de woningen van de verzoekende partijen ten opzichte van de loskade. Hierover wordt geen informatie versterkt, zodat op dit vlak de spoedeisendheid evenmin voldoende concreet wordt aangetoond”. VII-41.123-22/24 De verzoekende partijen voeren geen overtuigende gegevens aan die de Raad van State in het huidige geval tot een andere opvatting zouden leiden. Uit de bestreden beslissing blijkt dat er geen hinder, afkomstig van de vestiging van de tussenkomende partij, kan worden vastgesteld in de onmiddellijke omgeving en dat er geen onmiddellijk gevaar is voor mens en leefmilieu. De verzoekende partijen slagen er niet in deze vaststelling te ontkrachten. Of de bestreden beslissing de gevolgen van een arrest van de Raad van State teniet doet en de verdere exploitatie om diverse redenen onwettig is, betreft de voorwaarde van een ernstig middel. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid, namelijk de voorwaarde of de onwettige beslissing de verzoekende partijen gebeurlijk in een zodanig urgente toestand doen belanden dat zelfs een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure nog te laat dreigt te komen, is van de eerste voorwaarde te onderscheiden en laat zich er niet zonder meer toe herleiden. De bewering dat de verzoekende partijen fysieke en psychische schade lijden ten gevolge van de bestreden beslissing is te subjectief en niet concreet onderbouwd en kan bijgevolg niet dienstig worden ingeroepen om de gevorderde schorsing te verantwoorden. Deze vaststellingen volstaan om de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van voorlopige maatregelen te verwerpen. BESLISSING
- Het verzoek van de bv Baldewijns & Co tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vorderingen. VII-41.123-23/24
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.123-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.784 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.465 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.741 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div