id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.807 Rolnummer: A. 225085/IX-9287 Zaak: Arrest 250807 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 07/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.807 van 7 juni 2021 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.807 van 7 juni 2021 in de zaak A. 225.085/IX-9287 In zake:
- Dennis VAN DER STRAETEN
- Hilde CLAEYS
- Hilde VAN RYSSELBERGE
- Luc VLASSENROOT
- Marc GODU
- Martin DIERICKX
- Ruben VAN LAERE
- Sonja DEN HAESE
- Stefanie VANGAMPELAERE
- Tamara VAN WAEGEVELDE
- Véronique VAN WONTERGHEM
- Wim DE GROOTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40/0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT (voorheen: het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas De Donder en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Gateway Building Luchthaven Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 april 2018, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 26 februari 2018 van het Bestuurscomité van het UZ Gent houdende ‘verduidelijking aangenomen bij de tekst van de IX-9287-1/17 artikelen XII.6 en XII.18 van het besluit van de raad van bestuur van 21 januari 2008 houdende de vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent’ […] in zoverre zij nieuwe bepalingen en woorden in de artikelen XII.6 en XII.18 van het besluit van de raad van bestuur van 21 januari 2008 […] toevoegt en deze nieuwe bepalingen en woorden doet uitwerking hebben vanaf 1 oktober 1995 tot 31 maart 2018”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord en een toelichtende memorie ingediend. Adjunct-auditeur Arne Carton heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelyne Maes, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jasmine Coppens, die loco advocaten Thomas De Donder en Karel De Schoenmaeker verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Arne Carton heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-9287-2/17 III. Feiten en regelgeving 3.
- Bij koninklijk besluit nr. 542 van 31 maart 1987 ‘houdende de organisatie, de werking en het beheer van de rijksuniversitaire ziekenhuizen van Gent en Luik’, wordt bij het ministerie van Onderwijs de openbare instelling met rechtspersoonlijkheid ‘Universitair ziekenhuis Gent’ (hierna: het UZ Gent) opgericht. De personeelsleden van het UZ Gent blijven onderworpen aan de algemene rechtspositieregeling van het personeel van de Rijksuniversiteit Gent. Ter uitvoering van artikel 6, § 2, van koninklijk besluit nr. 542 voert de raad van bestuur van het UZ Gent, met ingang van 1 oktober 1995, een eigen rechtspositieregeling in voor zijn personeelsleden. De laatste en gecoördineerde versie van ‘het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent’ wordt bij besluit van de raad van bestuur van 21 januari 2008 vastgesteld (hierna: het personeelsstatuut), en sindsdien meermaals gewijzigd na onderhandelingen in sectorcomité XVIII van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. Overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 3 februari 2017 ‘betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent’, in werking getreden op 1 januari 2018, is het UZ Gent een onderdeel van de Universiteit Gent, en heeft het vanaf die datum bijgevolg geen eigen rechtspersoonlijkheid meer. 3.
- In deel 12 ‘Geldelijk statuut’, titel 1 ‘Bezoldigingsregeling’, hoofdstuk 2: ‘Vaststelling van het jaarsalaris’, luiden de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut, van belang voor deze zaak, als volgt: “Art. XII
- De gerechtigde in een schaal ontvangt te allen tijde het jaarsalaris overeenstemmend met zijn anciënniteit die het totaal van de in aanmerking komende diensten uitmaakt en verkrijgt bij de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur (zie bijlage 7) in die salarisschaal het jaarsalaris dat gelijk is aan datgene dat hij in zijn oude salarisschaal genoot. IX-9287-3/17 Indien in de nieuwe salarisschaal geen zelfde salaristrap voorhanden is, dan verkrijgt hij in de nieuwe salarisschaal het jaarsalaris onmiddellijk boven de salarisschaal die hij volgens de oude bezoldigingsregeling zou gehad hebben, doch met behoud van de laatste ranginneming vóór de inschakeling. De nieuwe salarisschaal mag nooit lager zijn dan vóór de inschakeling. […] Art. XII
- Voor de vaststelling van het jaarsalaris en het bepalen van het tijdstip van de periodieke salarisverhoging wordt er alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit. De nuttige anciënniteit is het kleinste aantal jaren van de totale geldelijke anciënniteit van een personeelslid, vastgesteld overeenkomstig de artikelen XII 10, XII 11, XII 12, XII 12bis en XII 13, dat hem recht geeft op een periodieke salarisverhoging.” Bijlage 7 ‘inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur’ bevat een overzicht van de manier waarop de graden, rangen en salarisschalen worden omgezet in de nieuwe rechtspositieregeling. 3.
- De verzoekende partijen zijn statutaire personeelsleden van het UZ Gent, in dienst getreden tussen 1999 en
- Allen stellen zij vast dat bij de overgang naar een hogere salarisschaal hun geldelijke anciënniteit wordt herleid. Bijgevolg dagvaardt elk van hen op 22 maart 2016 het UZ Gent voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent om deze te veroordelen tot betaling van de achterstallige salarissen. Bij vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 29 mei 2017, wordt voor recht gezegd: “dat eiser[es], met ingang van [datum] (met name de overgang van salarisschaal [X]111 naar salarisschaal [X]112), gerechtigd was om een jaarsalaris te ontvangen dat overeenstemde met zijn [haar] anciënniteit die het totaal van de in aanmerking komende diensten uitmaakte op grond van artikel XII.6 van het personeelsstatuut, met name salaristrap nr. [Y] van salarisschaal [X]112, om vervolgens overeenkomstig het personeelsstatuut jaarlijks op de verjaardatum van zijn [haar] geldelijke anciënniteit […] een salaristrap te stijgen.” IX-9287-4/17 Het UZ Gent wordt veroordeeld om binnen een termijn van vijf maanden na de betekening van de vonnissen, het salaris van elk van de eisers te herberekenen op grond van artikel XII.6 van het personeelsstatuut, “derwijze dat rekening wordt gehouden met [hun] anciënniteit die het totaal van de in aanmerking komende diensten uitmaakt zonder deze geldelijke anciënniteit in enige mate te herleiden”. Ook wordt het UZ Gent ertoe veroordeeld om, binnen de maand na voormelde herberekening, in voorkomend geval aan de eisers “het achterstallige salaris, met inbegrip van het vakantiegeld als de eindejaarstoelage, uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intrest”. Elk van de voormelde vonnissen overweegt onder meer als volgt: “Naast de algemene regel vervat in artikel XII.6 van het personeelsstatuut dat een gerechtigde in een schaal ten allen tijde het jaarsalaris ontvangt dat overeenstemt met zijn geldelijke anciënniteit, voorziet artikel XII.6 tevens in een terugval van de geldelijke anciënniteit bij ‘de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur’. Deze regeling die tot een terugval in geldelijke anciënniteit leidt, is naar het oordeel van deze rechtbank enkel van toepassing bij de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur per 1 oktober
- Zowel de verwijzing naar bijlage 7 die naar de graden, rangen en salarisschalen verwees zoals die waren opgenomen in de rechtspositieregeling zoals van toepassing vóór 1 oktober 1995, als de gebruikte terminologie (‘bij de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur’, ‘nieuwe salarisschaal’, ‘oude bezoldigingsregeling’, ‘laatste ranginneming vóór de inschakeling’, ‘vóór de inschakeling’) wijzen hierop. Deze bepalingen hebben geen algemeen toepassingsgebied en zijn beperkt tot de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur per 1 oktober
- De term ‘inschakeling’ kan niet worden gelijkgesteld met een salarisschaalverhoging. Deze bepalingen (met inbegrip van de erin vervatte terugval in geldelijke anciënniteit) kunnen aldus niet worden toegepast bij een (latere) salarisschaalverhoging in het kader van de functionele loopbaan.” 3.
- Op 26 februari 2018 neemt het bestuurscomité van het UZ Gent een besluit houdende “verduidelijking bij de artikelen XII.6 en XII.18 van het besluit van de Raad van Bestuur van 21 januari 2008 houdende vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent”. De notulen van het bestuurscomité luiden als volgt: IX-9287-5/17 “5.0.
- Functionele loopbaan […] beslist het Bestuurscomité in unanimiteit om: - de interpretatieve nota ‘verduidelijking bij de artikelen XII 6 en XII 18 van het besluit van de Raad van Bestuur van 21 januari 2008 houdende vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent’, te bekrachtigen inclusief de toekomstige wijziging van de rechtspositieregeling waardoor vanaf 1.4.2018 geen terugval meer wordt toegepast ten aanzien van alle personeelsleden met uitzondering van de artsen-specialisten en legt dit vast in de rechtspositieregeling bepaald bij het Besluit van de Raad van Bestuur van 21.1.2008 houdende het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent, zoals gewijzigd, met ingang vanaf 1 april
- - Goedkeuring te verlenen aan: • Het protocol met betrekking tot A. Toepassing functionele loopbaan o De financiële regeling voor het verleden o De toepassingsmodaliteiten voor de toekomst o Kostprijs en financiering B. Toepassing functionele loopbaan voor de artsen-specialisten […] • Het ontwerp van individuele dading met betrekking tot de definitieve financiële regeling voor het verleden voor die personeelsleden, met uitzondering van de artsen-specialisten, ten aanzien van wie een terugval in geldelijke anciënniteit werd toegepast. - Machtiging te verlenen aan de gedelegeerd bestuurder om • Tot ondertekening van het protocol over te gaan met ACV Openbare diensten en ACOD voor akkoord, met VSOA voor niet akkoord; • Na ondertekening van het protocol uitvoering te geven aan het protocol; • Individuele dadingen te sluiten met de personeelsleden die het aanbod tot dading aanvaarden; • […] De controleorganen verklaren zich akkoord met de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de beslissing.” Dat is de bestreden beslissing, “in zoverre zij nieuwe bepalingen en woorden in de artikelen XII.6 en XII.18 van het besluit van de raad van bestuur van 21 januari 2008 ‘houdende de vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent’ toevoegt en deze nieuwe bepalingen en woorden doet uitwerking hebben vanaf 1 oktober 1995 tot 31 maart 2018”, met andere woorden voor zover de terugval van de geldelijke anciënniteit wordt toegepast in de periode van 1 oktober 1995 tot 31 maart
- IX-9287-6/17 Ingevolge de door de bestreden beslissing ingevoegde wijzigingen en toevoegingen, luiden de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut, als volgt: “Art. XII
- §
- Elk personeelslid in een schaal ontvangt ten allen tijde het jaarsalaris overeenstemmend met zijn anciënniteit die het totaal van de in aanmerking komende diensten uitmaakt. §
- Elk personeelslid verkrijgt bij de inschakeling in de loopbaanstructuur door de toepassing van de functionele loopbaan, in zijn nieuwe salarisschaal het jaarsalaris dat gelijk is aan datgene dat hij in zijn voorafgaande salarisschaal genoot. Indien in de nieuwe salarisschaal geen zelfde salaristrap voorhanden is, dan verkrijgt hij in de nieuwe salarisschaal het jaarsalaris onmiddellijk boven de voorafgaande salarisschaal die hij volgens de voorgaande bezoldigingsregeling zou gehad hebben, doch met behoud van de laatste ranginneming vóór de inschakeling. De nieuwe salarisschaal mag nooit lager zijn dan vóór de inschakeling. §
- In afwijking van §2 verkrijgt het personeelslid dat ingeschakeld wordt in een graad van stafmedewerker beheer & algemene directie, gegradueerd verpleegkundige, vroedvrouw, sociaal verpleegkundige, diëtist, logopedist, arbeidstherapeut, kinesitherapeut, laborant, orthoptist, maatschappelijk assistent, secretaris, boekhouder, programmeur, gebrevetteerd verpleegkundige en ziekenhuisassistent, waaraan een functionele loopbaan verbonden is in de salarisschaal verbonden aan deze graad, een schaalanciënniteit gelijk aan de geldelijke anciënniteit in zijn voorafgaande salarisschaal. Dit artikel heeft uitwerking vanaf 1 oktober 1995 tot 31 maart
- Vanaf 1 april 2018 wordt artikel XII 6 § 2 en 3 niet meer toegepast, en krijgt § 1 de betekenis dat de toepasselijke salaristrap in de salarisschaal na de overgang in het kader van de functionele loopbaan, steeds gelijk is aan de geldelijke anciënniteit in de voorgaande salarisschaal. Artikel XII 6 § 2 blijft wel van toepassing ten aanzien van de artsen-specialisten. […] Art. XII
- Voor de vaststelling van het jaarsalaris en het bepalen van het tijdstip van de periodieke salarisverhoging wordt er alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit. De nuttige anciënniteit is het kleinste aantal jaren van de totale geldelijke anciënniteit van een personeelslid, vastgesteld overeenkomstig de artikelen XII 10, XII 11, XII 12, XII 12 bis en XII 13, dat hem recht geeft op een periodieke salarisverhoging, onverminderd de toepassing van artikel XII.
- Dit artikel heeft uitwerking vanaf 1 oktober 1995 tot 31 maart 2018.” IX-9287-7/17 3.
- Bij arresten van 11 december 2018 bevestigt het hof van beroep te Gent de bestreden vonnissen van 29 mei 2017, onder meer op grond van volgende overwegingen: “
- De geïntimeerde maakte naar aanleiding van de overgang naar een hogere salarisschaal terecht aanspraak op een jaarsalaris dat overeenstemde met zijn [haar] anciënniteit die het totaal van de in aanmerking komende diensten uitmaakt op grond van artikel XII.6 van het personeelsstatuut. De geldelijke anciënniteit kon niet worden herleid. Het bestreden vonnis dient integraal te worden bevestigd […].
- Wat betreft de betwisting van de rechtmatigheid van de ‘interpretatieve nota verduidelijking bij de artikelen XII 6 en XII 18 van het besluit van de Raad van Bestuur van 21 januari 2008 houdende vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent’ blijkt dat een verzoek tot vernietiging ervan is ingediend bij de Raad van State. Die procedure verhindert niet de beoordeling van het huidige geschil. Op basis van de initiatieven van het UZ Gent na de tussenkomst van het eerste vonnis blijkt onder meer en in het bijzonder dat vanaf 1 april 2018 er geen toepassing meer zou gemaakt worden van de betwiste terugval van de geldelijke anciënniteit. Wat betreft dit gegeven vraagt de geïntimeerde terecht voor zoveel als nodig de actualisatie van de toegekende vordering door de eerste rechter, aangevuld tot en met 31 maart 2018 en op basis van een concrete becijfering. De beslissing van de eerste rechter kan niet begrepen worden als zijnde beperkt in de tijd (naar de toekomst toe), waardoor formeel het door de bevestiging van het bestreden vonnis, formeel niet nodig is die actualisatie te voorzien. […]” IV. Ontvankelijkheid van het beroep - belang Standpunt van de partijen
- In hun inleidend verzoekschrift verwoorden de verzoekende partijen hun belang bij het beroep als volgt: “
- De verzoekende partijen vragen de nietigverklaring van de bestreden beslissing daar deze beslissing met retroactieve werking een betekenis aan de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut geeft die deze artikelen niet van bij aanvang hadden. De reden voor deze retroactieve wijziging van het personeelsstatuut ligt in de twaalf veroordelingen van UZ Gent door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent tot een correcte toepassing van de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut. Met deze retroactieve wijziging beoogt UZ Gent de rechtsgrond te doen verdwijnen op basis waarvan UZ Gent is veroordeeld. IX-9287-8/17 De verzoekende partijen hebben UZ Gent immers gedagvaard om UZ Gent te laten veroordelen tot een correcte toepassing van de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut. Per vonnissen van 29 mei 2017 […] heeft de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent deze vorderingen van de verzoekende partijen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard […]. UZ Gent is tegen deze vonnissen in hoger beroep gegaan. Deze procedures in hoger beroep zijn nog hangende. Door de wijziging met retroactieve werking van de betekenis van de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut zouden de verzoekende partijen de rechtsgrond voor hun aanspraken verliezen. De nietigverklaring van de bestreden beslissing waarborgt dat de betekenis van de artikelen XII.6 en XII.18 van het personeelsstatuut niet op retroactieve wijze wordt gewijzigd, zodat de verzoekende partijen hun aanspraken en verkregen rechten behouden. De verzoekende partijen hebben aldus onbetwistbaar een actueel, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en wettig belang bij de gevraagde nietigverklaring.”
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord, daterend vóór de arresten van het hof van beroep te Gent, op dat dit hof alle mogelijkheid heeft om zelf een uitspraak te doen over de al dan niet wettigheid van de interpretatieve verduidelijking en dus de interpretatieve bepaling overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten, met identiek dezelfde gevolgen als een vernietigingsarrest van de Raad van State. Bijgevolg hebben de verzoekende partijen volgens de verwerende partij hoogstens een eventueel of hypothetisch belang.
- In hun memorie van wederantwoord, eveneens daterend vóór de arresten van het hof van beroep te Gent, antwoorden de verzoekende partijen als volgt: “
- Het UZ Gent vergist zich schromelijk. Het Hof van Beroep en de Raad van State zijn elk bevoegd om zich uit te spreken over de wettigheid van de zogenaamde interpretatieve verduidelijking. De verzoekende partijen verliezen hun belang bij het beroep tot nietigverklaring niet omdat het Hof van Beroep bij zijn uitspraak over de vorderingen van de verzoekende partijen artikel 159 van de Grondwet kan toepassen. Bovendien wijzigt de bestreden beslissing op retroactieve wijze het personeelsstatuut van de verzoekende partijen en dus ook de rechten die zij op grond van dit personeelsstatuut genieten. Hun belang kan dan ook niet redelijkerwijze worden betwist.” IX-9287-9/17
- In hun laatste memorie, na een voor hen ongunstig uitvallend auditoraatsverslag, weerspreken de verzoekende partijen dat zij geen actueel belang meer zouden hebben bij het beroep tot nietigverklaring, zoals zij ook reeds hebben geantwoord aan het auditoraat bij e-mail van 24 maart
- Zij betogen dat zij weliswaar rechtsherstel hebben gekregen wat betreft hun recht op salaris voor de periode tot 31 maart 2018 op grond van de arresten van het hof van beroep te Gent, maar niet wat de juiste interpretatie van het personeelsstatuut betreft. Doordat de bestreden beslissing een onjuiste interpretatie (die retroactief is) aan het personeelsstatuut geeft, brengt de bestreden beslissing nog andere rechtsgevolgen met zich mee. Tussen de verzoekende partijen en de verwerende partij is er geen dading gesloten. Indien de Raad van State deze onjuiste interpretatie niet vernietigt, dwingt hij de verzoekende partijen om een nieuwe, dure procedure te voeren opdat hun rechten en aanspraken op grond van de juiste interpretatie van het personeelsstatuut kunnen worden gewaarborgd. Dit is een schending van het recht op toegang tot de rechter. Zij aanvaarden dat het feit dat de verwerende partij de interpretatie van het personeelsstatuut blijft betwisten ten aanzien van andere personeelsleden, geen persoonlijk belang voor hen uitmaakt. Wel hebben zij een persoonlijk belang bij een vernietiging die ertoe leidt dat het personeelsstatuut de juiste interpretatie en draagwijdte heeft en dit voor alle gevolgen die het personeelsstatuut heeft. Voorts betogen de verzoekende partijen nog dat, anders dan in arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak het geval was, zij nog geen volledige genoegdoening hebben verkregen, aangezien een onjuiste interpretatie en draagwijdte van het personeelsstatuut de voormelde concrete rechtsgevolgen hebben. IX-9287-10/17 De Raad van State dient bij zijn onderzoek of de verzoekende partijen nog een belang hebben, rekening te houden met enerzijds arrest nr. 105/2020 van het Grondwettelijk Hof van 9 juli 2020 en anderzijds het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 17 juli 2018 inzake Vermeulen tegen België. Volgens de verzoekende partijen leert arrest nr. 105/2020 van 9 juli 2020 van het Grondwettelijk Hof dat een verzoekende partij haar moreel of materieel belang behoudt bij de vernietiging erga omnes “daar het niet uitgesloten is dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing haar nog een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen, hoe miniem ook”. Ook in deze procedure zijn de verzoekende partijen van mening dat er nog steeds een direct en persoonlijk voordeel is dat erin bestaat dat de betekenis van het personeelsstatuut erga omnes niet retroactief wordt gewijzigd, zodat alle rechten en aanspraken van de verzoekende partijen gewaarborgd blijven. Bovendien kan het voortbestaan van het belang niet afhankelijk zijn van de handelingen van de verwerende partij. Indien de verwerende partij een voorziening in cassatie had ingesteld tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, zou op dit moment niet worden getwijfeld aan het belang van de verzoekende partijen. In voormeld arrest Vermeulen oordeelde het Europees Hof dat de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (hierna: artikel 6 EVRM) had geschonden, omdat hij het beroep tot nietigverklaring had verworpen wegens het verlies van het belang tijdens de procedure. Met deze invulling van het ontvankelijkheidsvereiste tast de Raad van State de kern zelf aan van het recht van eenieder op toegang tot de rechter, aldus het Europees Hof. Het Europees Hof komt tot dit besluit onder meer omdat de Raad van State geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de duur van de procedure voor de Raad van State (3,5 jaar) op het belang en het Hof verwijst daarbij tevens naar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat de Raad van State zijn belangvereiste niet te restrictief of formalistisch mag invullen. In dit arrest oordeelt het Europees Hof dat de Raad van State dient na te gaan welk gevolg de IX-9287-11/17 duur van de procedure op het verlies aan belang heeft gehad. Dit sluit echter niet uit dat, zelfs indien het verlies aan belang niet door de duur van de procedure is veroorzaakt, de vaststelling van het verlies aan belang een schending van artikel 6 EVRM kan zijn. Dit is onder meer het geval indien het recht op toegang tot de rechter wordt beperkt omdat de verzoekende partijen worden gedwongen om een nieuwe procedure te voeren om hun rechten en aanspraken te waarborgen. De verzoekende partijen verzoeken ten slotte de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 19, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat het vereist dat een verzoekende partij die de retroactieve wijziging van het op haar toepasselijk administratief en geldelijk statuut van het personeel aanvecht tijdens de gehele duur van de rechtspleging over een actueel belang beschikt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre wordt vereist dat tijdens de loop van de procedure bij de Raad van State,
(1)de verzoekende partij geen enkel voordeel mag halen uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak die inter partes geldt en slechts betrekking heeft op één van de gevolgen van de gevolgen van de retroactieve wijziging van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, omdat dit voordeel deel zou uitmaken van (maar in elk geval niet gelijk is aan) het voordeel dat de verzoekende partij uit de nietigverklaring die erga omnes geldt kan verkrijgen, terwijl
(2)de verzoekende partij die nog geen in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak heeft verkregen, tijdens de gehele duur van de rechtspleging haar belang bij de nietigverklaring zal kunnen behouden?” Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen IX-9287-12/17 nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden.
- Uit het dossier blijkt dat, gesteld voor de onzekerheid over de uitkomst van het geschil hangende de procedures voor het hof van beroep te Gent, de verwerende partij een allesomvattend voorstel heeft onderhandeld met de representatieve vakorganisaties, waar de bestreden beslissing deel van uitmaakt. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd, voor de niet-artsen, in de uitbetaling van ten hoogste vijf jaar benadeelde jaren en de statutaire wijziging dat vanaf 31 maart 2018 geen terugval in de geldelijke anciënniteit meer zal worden toegepast. De onderhandelingen hebben tot een akkoord geleid met twee van de drie vakorganisaties, die een protocol ‘toepassing functionele loopbaan’, hebben ondertekend. Dit protocol omvat een financiële regeling voor het verleden, en een beschrijving van de “toepassingsmodaliteiten” inzake functionele loopbaan voor de toekomst, met als bijlage het model van dading (individueel te sluiten met elk personeelslid). De verwerende partij heeft de bestreden beslissing aan haar personeelsleden gecommuniceerd tijdens infosessies in maart
- IX-9287-13/17 De verzoekende partijen, allen niet-artsen, hebben ervoor gekozen geen dading te sluiten maar hun gelijk te halen in de procedure hangende voor het hof van beroep te Gent. Anders dan opgenomen in de dading, waarbij het UZ Gent zich ertoe verbindt een vergoeding aan het personeelslid te betalen “zijnde een conventionele compensatie voor de bezoldigingen en aanhorigheden die het Personeelslid tijdens zijn volledige loopbaan tot 31 maart 2018 niet heeft ontvangen ingevolge de toepassing van de terugval in geldelijke anciënniteit in het kader van de functionele loopbaan”, omvatten de tussengekomen (en in kracht van gewijsde gegane) arresten van het hof van beroep te Gent wel de door de verzoekende partijen beoogde toepassing van de geldelijke anciënniteit. Met andere woorden, wat de verzoekende partijen betreft, hebben de voornoemde arresten wel tot gevolg dat de betrokken bepalingen van het personeelsstatuut de door hen voorgestane interpretatie en draagwijdte hebben en dit voor alle gevolgen die het personeelsstatuut heeft. Aangezien het hof van beroep te Gent de vonnissen in eerste aanleg heeft bevestigd, onder meer op grond van de overwegingen zoals weergegeven sub 3.5 en de verwerende partij elk van de verzoekende partijen integraal heeft vergoed, ook wat het vakantiegeld en de eindejaarstoelage betreft, valt niet evident in te zien, en de verzoekende partijen verduidelijken dit ook niet, welke andere concrete rechtsgevolgen een vernietiging van de bestreden beslissing voor de verzoekende partijen nog kan hebben.
- In die omstandigheden wordt het vereiste actueel belang aan de verzoekende partijen ontzegd.
- De verzoekende partijen beroepen zich tevergeefs op de aangehaalde arresten van het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de rechten van de mens om de Raad van State anders te doen oordelen. IX-9287-14/17 Zoals hiervóór beoordeeld, hebben de verzoekende partijen in de loop van de procedure volledige genoegdoening gekregen en tonen zij niet aan, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot arrest nr. 105/2020 van het Grondwettelijk Hof, welk direct en persoonlijk voordeel de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden rechtshandeling hen nog kan verschaffen. Ook anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Vermeulen van het Europees Hof, heeft de invulling van het begrip ‘belang’ in deze zaak als ontvankelijkheidsvereiste niet tot gevolg dat de kern zelf van het recht van eenieder op toegang tot de rechter wordt aangetast, nu de verzoekende partijen hangende de procedure voor de Raad van State een volledige en gelijkwaardige genoegdoening hebben gekregen.
- Om dezelfde reden dient ook de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld. Deze vertrekt immers van de, zoals hiervóór beoordeeld verkeerde, premisse dat de verzoekende partijen uit de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken inter partes niet een gelijk voordeel zouden halen als uit een nietigverklaring van de bestreden beslissing erga omnes. V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
- Zoals hiervóór uiteengezet, hebben de verzoekende partijen hun belang bij het beroep verloren omdat zij reeds voor het hof van beroep te Gent volledig in het gelijk werden gesteld. Dat in acht genomen, dienen de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de verwerende partij te worden gelegd.
- Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een IX-9287-15/17 Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
- Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 2400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen.
- De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 220 euro worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. IX-9287-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9287-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div