id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.835 Rolnummer: A. 222769/IX-9107 Zaak: Arrest 250835 - Personeel van de rechterlijke orde - 09/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-22 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.835 van 9 juni 2021 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.835 van 9 juni 2021 in de zaak A. 222.769/IX-9107 In zake: Karin CARLENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- Els LEEMANS
- Leen BAETENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Voet kantoor houdend te 2800 Mechelen Blarenberglaan 4 bus 302 bij wie woonplaats wordt gekozen
- Liesbeth VERLINDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens en Matthias De Groot kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-9107-1/8 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van de koninklijke besluiten van 11 mei 2017 waarbij respectievelijk Els Leemans, Leen Baetens en Liesbeth Verlinden wordt aangewezen tot eerste substituut-procureur des konings bij het parket Halle- Vilvoorde voor een termijn van drie jaar, “alsook de daarbij impliciet genomen beslissing om [Karin Carlens] niet aan te wijzen in het betrokken ambt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Els Leemans, Leen Baetens en Liesbeth Verlinden hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 17 oktober
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de eerste en de tweede tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. IX-9107-2/8 Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Annelies De Wolf, die loco advocaat Johan Voet verschijnt voor de eerste en de tweede tussenkomende partijen en advocaat Matthias De Groot, die verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft, behoudens wat de kosten betreft, een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De eerste en tweede tussenkomende partij, hierin bijgevallen door de verwerende partij, werpen op dat verzoekster geen actueel belang heeft, gelet op het koninklijk besluit van 16 november 2018 waarbij ook zij aangewezen wordt tot eerste subsituut-procureur des konings bij het parket Halle-Vilvoorde voor een termijn van drie jaar. Nu verzoekster in de loop van de procedure zelf aangewezen werd tot eerste subsituut-procureur des konings bij het parket Halle- Vilvoorde voor een termijn van drie jaar, kan een vernietigingsarrest niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat verzoekster met haar beroep tegen de benoemingsbesluiten ambieert, namelijk het zelf aangewezen worden in de betrokken functie en die daadwerkelijk bekleden. Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van IX-9107-3/8 deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: zij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het belang waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en zij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar de verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging haar een concreet voordeel oplevert. Dit voordeel moet in principe méér zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
- Het voordeel dat verzoekster met het voorliggend beroep oorspronkelijk nastreefde bestond er essentieel in, door de nietigverklaring, een nieuwe kans te verwerven om zelf aangewezen te worden in het ambt van eerste substituut-procureur des konings bij het parket Halle-Vilvoorde en die betrekking daadwerkelijk te bekleden. Bij koninklijk besluit van 16 november 2018 is aan verzoekster die aanwijzing verleend. IX-9107-4/8 De vraag rijst dus of de gevraagde nietigverklaring verzoekster nog méér kan opleveren dan hetgeen zij reeds met zekerheid heeft verkregen.
- Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Wanneer er echter twijfel rijst omtrent haar actueel belang en zeker wanneer daarover een onderbouwde exceptie wordt opgeworpen, ligt het op de weg van de verzoekende partij die geconfronteerd wordt met die exceptie van gebrek aan belang, om aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen, die kunnen aantonen dat zij in de concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een actueel en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring behoudt. Met wat een verzoekende partij desgevraagd voor de Raad doet gelden, schetst zij zelf de contouren waarom het haar (nog) te doen is en de Raad moet met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden.
- Het auditoraat heeft met dat oogmerk verzoekster uitgenodigd om over haar actueel belang standpunt in te nemen.
- Verzoekster heeft hierop geantwoord dat zij thans “nog een moreel belang [behoudt], dat o.m. steunt op een correcte vergelijking van titels en verdiensten”.
- Wat verzoekster aldus doet gelden, is slechts een belang bij het horen gegrond verklaren van een middel en niet een belang dat verbonden is aan de nietigverklaring van de bestreden besluiten. Daar komt nog bij, zelfs zo verzoekster al reden had om zich moreel gekrenkt te voelen door de waardering en vergelijking van haar titels en verdiensten, dat de verwerende partij ondertussen haar kwaliteiten erkend heeft door haar eveneens aan te wijzen tot eerste substituut-procureur des Konings. IX-9107-5/8 Verzoekster beweert voorts niet dat de verwerende partij enige bijzonder moreel krenkende afkeuring liet blijken bij de waardering van haar dossier. In die omstandigheden overtuigt verzoekster er ook niet van dat zij een gekwalificeerd moreel nadeel lijdt dat nog steeds gediend kan zijn door de gevorderde nietigverklaring.
- Dat verzoekster in haar laatste memorie wijst “op het grote belang dat [zij] hecht aan de functie en de aanwijzing”, doet niet anders besluiten. Voorts stelt verzoekster in die laatste memorie dat de nietigverklaring de verwerende partij zou verplichten “rechtsherstel door te voeren ten aanzien van de periode van een anderhalf jaar dat verzoekende partij niet aangewezen is geweest, dan wel door dit ten gunste van verzoekende partij te laten ingaan nà afloop van haar drie jarige aanwijzigingsperiode”. Dit argument is hoe dan ook laattijdig. Overigens preciseert verzoekster met geen woord welk concreet rechtsherstel zij verwacht en hoe zij meent dat de verwerende partij het zou moeten verlenen. Verzoekster voert alleszins niet aan dat uit de aangevoerde wettigheidskritiek een rechtsplicht is af te leiden om haar met terugwerkende kracht de aanstelling te verlenen of haar lopende aanstelling met anderhalf jaar te verlengen – aanstelling die overigens hoe dan ook slechts drie jaar geldt.
- De exceptie is gegrond. IV. Kosten
- Volgens verzoekster moeten de kosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, ten laste van de verwerende partij gelegd worden. Het is volgens haar uitgesloten dat zij in deze omstandigheden wordt beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. IX-9107-6/8
- Wanneer de Raad van State vaststelt dat een verzoekende partij haar actueel belang verliest, wordt geen uitspraak gedaan over de grond van de zaak en wordt dus ook geen onwettigheid vastgesteld. In de regel houdt de verwerping van het beroep dan in, dat de verzoekende partij wordt beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld en de verwerende partij als de in het gelijk gestelde partij. Verzoekster voert geen overtuigende redenen aan om er in dit concrete geval anders over te oordelen. Door haar later ook aan te wijzen in hetzelfde ambt, erkent de verwerende partij immers noch expliciet, noch impliciet dat zij toentertijd onregelmatig heeft gehandeld. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde. IX-9107-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9107-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div