id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.840 Rolnummer: A. 228276/X-17517 Zaak: Arrest 250840 - Onteigeningen - 09/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-18 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.840 van 9 juni 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.840 van 9 juni 2021 in de zaak A. 228.276/X-17.517 In zake : Filip VERCAUTEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Guns kantoor houdend te 1790 Affligem Kasteelstraat 58 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 Hasselt Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 mei 2019 strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 5 april 2019 van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Oostkamp van openbaar nut wordt verklaard. X-17.517-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 245.640 van 4 oktober 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Guns, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.517-2/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- 3.
- Verzoeker, die woont in het Oost-Vlaamse Assenede, is sedert 2012 eigenaar van een onbebouwd perceel grond gelegen aan de Proosdijstraat te Hertsberge, een deelgemeente van Oostkamp (hierna: verzoekers braakliggend perceel). Krachtens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is het noordelijk deel van verzoekers braakliggend perceel gelegen in agrarisch gebied en het zuidelijk deel in woongebied. Hierna volgt een weergave van het gewestplan met een benaderende aanduiding van verzoekers’ perceel (blauw omrand). Ter verduidelijking volgt hierna een foto met benaderende aanduidingen van verzoekers perceel, het perceel van verzoekers buur en twee in de nabijheid gelegen verkavelde percelen: X-17.517-3/10 Twee verkavelde Perceel buur Perceel percelen verzoeker verzoeker 3.
- De nv Aquafin is belast met de opdracht om te Hertsberge een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (KWZI) aan te leggen. Als onderdeel van dit project wordt achter de Proosdijstraat een nieuw grachtenstelsel voorzien, met op verzoekers braakliggend perceel een – blijkbaar deels te overwelven – gracht langs de grens tussen het agrarisch gebied en het woongebied. Hierna volgt een weergave van het tracé van dit grachtenstelsel op het liggingsplan, met een benaderende aanduiding van verzoekers perceel: X-17.517-4/10 Verzoekers perceel 3.
- De nv Aquafin dient bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in om een verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor het project. 3.
- Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, in het kader waarvan onder meer verzoeker een bezwaarschrift indient. 3.
- Met het bestreden besluit wordt de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op het grondgebied van de gemeente Oostkamp van openbaar nut verklaard. Het besluit verwerpt het door verzoeker ingediende bezwaarschrift. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van het redelijkheids- en materiëlemotiveringsplicht. X-17.517-5/10 Hij betoogt dat het met het bestreden besluit voorziene tracé zijn perceel doormidden snijdt, waardoor “een beduidende waardevermindering” ontstaat van meer dan 100.000 euro. Volgens verzoeker moet een erfdienstbaarheid de minst schadelijke weg volgen, wat het geval zou zijn bij een inplanting van de gracht achteraan zijn perceel. Hij merkt op dat het voorgestelde tracé de eigendomsgrenzen van een bestaande verkaveling met twee percelen langs de Gagelstraat wel respecteert. Niet alleen wordt aldus een niet te verklaren ongelijkheid gecreëerd, maar vertoont het tracé ook “een kronkelende beweging” en een “rare uitstippeling”, die “niet voor een aanvaardbare redenering vatbaar” zijn. Dat de inname van het agrarisch gebied moet worden beperkt en de “vertuining” van het gebied moet worden tegengegaan, vormt volgens verzoeker geen aanvaardbaar motief. Het eerste argument sluit aan bij het advies van de afdeling Landbouw, die echter enkel heeft gesteld dat de inname van agrarisch gebied “zoveel [als] mogelijk” moet worden beperkt. Verzoeker meent dat er juist minder inname van het agrarisch gebied optreedt indien het tracé achter zijn perceel wordt gelegd. Hij stelt dat de winst voor het agrarisch gebied onevenwichtig is ten aanzien van het nadeel dat hij ondervindt, nu zijn perceel bijna gehalveerd wordt. Het tweede argument komt dan weer neer op “plat favoritisme”. In de bestaande verkaveling werd er immers reeds overgegaan tot “vertuining in agrarisch gebied”. De facto wordt “die onwettigheid” met het bestreden besluit “goedgekeurd en gerespecteerd”. Ofwel wordt het tracé consequent over alle percelen langsheen het woongebied gelegd, ofwel worden alle perceelsgrenzen gerespecteerd. Anders handelen is onredelijk en een uiting van onbehoorlijk bestuur. 4.
- Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de eigendomsgrenzen van de naastliggende percelen wel worden gerespecteerd, terwijl dat voor zijn perceel niet het geval is. Het tracé wordt verantwoord met verwijzing naar de situatie van twee eigenaars, die in strijd met het gewestplan van een landbouwzone een tuinzone hebben gemaakt. Dit is in strijd met de stedenbouwwetgeving, die van openbare orde is, en met het legaliteitsbeginsel. X-17.517-6/10 4.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de “wederrechtelijke inname van agrarisch gebied” wordt beloond, terwijl hijzelf “pro-actief wordt gesanctioneerd”. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat het nadeel ingevolge het tegengaan van de vertuining opweegt tegen de berokkende schade. De “Gaswet” acht verzoeker niet toepasselijk op onderhavig geval. Daarenboven zijn de percelen niet omsloten door een ondoordringbare muur of omheining. Beoordeling 5.
- In het bestreden besluit wordt verzoekers gelijkluidend bezwaar als volgt beantwoord: “[…] Overwegende dat bezwaarindiener verzoekt om het tracé van de aan te leggen gracht te wijzigen en hierbij de noordwestelijke perceelsgrens van het perceel kadastraal gekend als Oostkamp, afdeling 4, sectie D, nummer 875W, aan te houden, die in het verlengde ligt van de ten westen gelegen grens van een goedgekeurde verkaveling; dat de aan te leggen gracht dient te worden ingeplant met een zo min mogelijk impact op het agrarisch gebied; dat het huidige tracé van de gracht de grens van het agrarisch gebied en het woongebied volgens het gewestplan volgt; dat het wijzigen van het tracé volgens het voorstel van bezwaarindiener de vertuining van het agrarisch gebied in de hand werkt; dat door het voorzien van een lokale inbuizing beide delen van het doormidden gesneden perceel bereikbaar zullen blijven; dat het voorziene tracé rekening houdt met de goede ruimtelijke ordening, zowel met het oog voor de bestaande toestand, als voor de toekomstmogelijkheden.” 5.
- Uit het bestreden besluit en de stukken van het dossier blijkt dat ervoor is gekozen om het traject op de scheidingslijn tussen het agrarisch gebied en het woongebied, bijna halverwege verzoekers perceel, te leggen, om de impact op het agrarisch gebied zo min mogelijk te houden en “vertuining” van het agrarisch gebied tegen te gaan. 5.
- Verzoeker toont de onwettigheid van dit motief niet aan. Hij maakt niet aannemelijk dat er “juist minder” inname van agrarisch gebied zou zijn indien het tracé zijn perceelsgrens zou volgen. Evenmin overtuigt hij ervan dat zijn perceel “bijna [wordt] gehalveerd”, nu de kwestieuze gracht blijkbaar X-17.517-7/10 deels wordt overwelfd. Dat het voor verzoeker voordeliger zou zijn mocht het tracé over zijn perceelsgrens lopen, toont nog niet aan dat het bestreden besluit de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan of anderszins onwettig is. Het feit dat het tracé verderop wél de grens van twee percelen volgt, toont dit evenmin aan. De betreffende percelen maken deel uit van een vergunde verkaveling, zodat verzoeker een “wederrechtelijke inname van agrarisch gebied” en een schending van regels van openbare orde door de eigenaars van die percelen geenszins aannemelijk maakt. 5.
- Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat het tracé van de gracht zijn perceel en dat van zijn buur “doormidden snijdt”, terwijl de kadastrale grenzen van twee aanpalende percelen, die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, wel worden gerespecteerd. Het feit dat de eigenaars van die naburige percelen hun tuin reeds hebben aangelegd, kan te dezen geen rol van betekenis spelen “vermits de gewestplannen van openbare orde zijn, zodat een miskenning ervan geen rechten kan scheppen”. Er is dus sprake van een ongelijke behandeling van zijn eigendom ten opzichte van de twee bedoelde aanpalende percelen. 6.
- Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat het gewestplan en de stedenbouwwetgeving van openbare orde zijn, en dat de miskenning daarvan door de eigenaars van de naastliggende percelen geen criterium kan vormen om een verschil in behandeling te verantwoorden. X-17.517-8/10 6.
- In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat inbreuken op de regels van openbare orde geen basis kunnen bieden “om te besluiten tot een ander uitgangspunt bij de vergelijking van percelen”. Het is hem verder niet bekend dat de percelen “binnen een bestaande verkaveling vallen”. Daar is “overigens nergens melding van gemaakt”. Beoordeling 7.
- Het gelijkheidsbeginsel is onder meer geschonden wanneer in rechte en in feite vergelijkbare situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld. Een verzoekende partij die een schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, moet die in principe in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen. 7.
- Bij de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat de percelen waarmee verzoeker zijn situatie vergelijkt deel uitmaken van een vergunde verkaveling, zodat verzoeker niet de onwettigheid van de “vertuining” van die percelen aantoont. Voorts zijn de betreffende percelen, anders dan verzoekers perceel, bebouwd. Verzoeker overtuigt er aldus niet van dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van de betreffende percelen. 7.
- Waar verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat hij “niet bekend” is met het gegeven dat de twee vergeleken percelen “binnen een bestaande verkaveling vallen” en dat daar “overigens nergens melding van [wordt] gemaakt”, moet hem worden tegengeworpen dat hij in zijn bezwaarschrift én in zijn verzoekschrift zelf van een “bestaande verkaveling” in verband met die percelen gewaagt. 7.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.517-9/10
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust. X-17.517-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.840 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.640 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div