← België

Arrest 250844 - Milieuvergunningen - 10/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.844 Rolnummer: A. 221591/VII-39928 Zaak: Arrest 250844 - Milieuvergunningen - 10/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.844 van 10 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.844 van 10 juni 2021 in de zaak A. 221.591/VII-39.928 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV UTEXBEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 21 december 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 maart 2007, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Utexbel voor het verder exploiteren en veranderen van een weverij en ververij, gelegen aan de César Snoecklaan 30 te Ronse, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd. VII-39.928-1/20 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Utexbel heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 mei
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martijn Van Acoleyen, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-39.928-2/20 III. Feiten 3.
  6. De tussenkomende partij exploiteert sedert 1964 op een terrein in de hoek gevormd door de Zonnestraat en de César Snoecklaan te Ronse een textielweverij en -ververij. A. Antecedenten wat de planologische voorschriften betreft 3.
  7. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde is het bedrijf gelegen in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. 3.
  8. Bij besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 wordt de bestemming van de gronden van het bedrijf gewijzigd in regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter. Deze gewestplanherziening wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 91.184 van 29 november 2000 en vernietigd bij arrest nr. 114.327 van 9 januari
  9. 3.
  10. Op 13 juli 2006 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op vraag van de tussenkomende partij een positief planologisch attest, dat besluit dat het bedrijf onder voorwaarden kan worden behouden op de bestaande locatie en worden uitgebreid. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing, wordt door de Raad van State niet ontvankelijk bevonden bij arrest nr. 187.840 van 12 november
  11. 3.
  12. De provincieraad van Oost-Vlaanderen stelt op 12 december 2007 het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP) voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Ronse voorlopig vast. Ingevolge de aflevering van het voormelde positief planologisch attest, wordt in de planprocedure een specifiek deelplan ingelast voor het gebied Snoecklaan-Zonnestraat te Ronse. De site van de tussenkomende partij krijgt in dit deelplan een bestemming als gemengd regionaal bedrijventerrein. VII-39.928-3/20 Op 12 juni 2008 onderzoekt de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening van Oost-Vlaanderen (hierna: PROCORO) de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren. De provincieraad van Oost-Vlaanderen stelt op 15 oktober 2008 het ontwerp van PRUP “Afbakening kleinstedelijk gebied Ronse” definitief vast. De Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening keurt het PRUP op 22 december 2008 goed. Bij arrest nr. 214.329 van 30 juni 2011 vernietigt de Raad van State de definitieve vaststelling en goedkeuring van het PRUP “Afbakening kleinstedelijk gebied Ronse”, voor zover het betrekking heeft op het deelplan Snoecklaan-Zonnestraat. De Raad van State is van oordeel dat de sociaal-economische behoeften niet op evenwichtige wijze werden afgewogen tegen de behoeften van de omwonenden en dat evenmin de impact van het bedrijf van de tussenkomende partij op de ruimtelijke draagkracht van het omliggende woongebied bij de beoordeling werd betrokken. 3.
  13. De PROCORO verleent op 17 november 2011 een aanvullend advies dat “boven het advies van 12 juni 2008 gelezen [moet] worden”. Verwijzend naar het arrest inzake Van Ermen, nr. 190.762 van 24 februari 2009 en omdat de planologische context sinds de start van de procedure niet veranderd is, wordt het juridisch niet nodig geacht de volledige procedure te hernemen en wordt ze hernomen “nà het openbaar onderzoek”. Na een “[a]fweging van de verschillende ruimtelijke behoeften” komt de PROCORO tot de conclusie dat het bestaande bedrijf in principe behouden kan blijven en dat het wenselijk is, teneinde de ruimtelijke draagkracht niet te overschrijden om een aantal bijkomende maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften op te nemen. Op 14 december 2011 stelt de provincieraad het betreffende deelplan van het PRUP opnieuw definitief vast. De wijzigingen die door de PROCORO worden voorgesteld aan de toelichtingsnota, de stedenbouwkundige voorschriften en het grafisch plan worden effectief doorgevoerd. Op 6 februari 2012 keurt de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening dit VII-39.928-4/20 deelplan opnieuw goed. Bij arrest nr. 230.204 van 13 februari 2015 vernietigt de Raad van State andermaal de vaststelling en de goedkeuring van dit deelplan van het PRUP. De Raad van State overweegt onder meer: “[…] Samenvattend brengt het feit dat het positief planologisch attest uit de rechtsorde is verdwenen, de onwettigheid mee van de bestreden beslissingen. Door het verval was het bedrijf van de tussenkomende partij niet meer te beschouwen als een bedrijf waarvoor het opmaken van een PRUP overwogen moest worden om het behoud en de uitbreiding van het bedrijf mogelijk te maken. Het is een onwettigheid die het goedgekeurde plan vanaf het eerste begin aantast. Het is dan ook terecht dat de verzoekers in de laatste memorie opmerken dat als de verwerende partijen menen dat er reden is om opnieuw een PRUP voor de site vast te stellen, zij ‘van in het begin een volledig nieuwe planprocedure [dienen] op te starten’”. 3.
  14. Op 10 maart 2016 vraagt de tussenkomende partij een planologisch attest aan bij het stadsbestuur van Ronse. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Het planologisch attest wordt afgeleverd op 4 juli
  15. B. Antecedenten wat de milieuwetgeving betreft 3.
  16. Op 11 december 1964 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de tussenkomende partij een vergunning voor de exploitatie van een textielbedrijf (weverij) aan de Zonnestraat te Ronse, voor een termijn van 30 jaar. Op 1 februari 1974 verleent de deputatie een vergunning voor de exploitatie van een textielbedrijf (ververij) aan de César Snoecklaan, voor een termijn die gelijk zal eindigen met die van de eerder verleende vergunning. 3.
  17. Een milieuvergunning voor de hernieuwing van de vergunningen en de uitbreiding van de inrichting verleend op 12 december 1994, wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 54.031 van 27 juni 1995 en vernietigd bij arrest nr. 104.125 van 28 februari
  18. VII-39.928-5/20 3.
  19. Op 10 september 2002 wordt een nieuwe milieuvergunning verleend met een geldigheidsduur van vijf jaar. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, gericht tegen deze vergunning, wordt bij arrest nr. 124.552 van 23 oktober 2003 verworpen. Bij arrest nr. 177.833 van 13 december 2007 wordt ook het beroep tot nietigverklaring tegen die vergunning verworpen. 3.
  20. De tussenkomende partij dient op 8 september 2006 een aanvraag in tot hernieuwing van de milieuvergunning van 10 september
  21. De deputatie verleent op 8 maart 2007 deze gevraagde hernieuwing voor een termijn van twintig jaar, waarbij op grond van het planologisch attest van 13 juli 2006 wordt afgeweken van het gewestplan. De Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu verklaart op 11 januari 2008 de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van 8 maart 2007, gedeeltelijk gegrond en bevestigt die beslissing van de deputatie, mits een aantal wijzigingen. Deze milieuvergunning van 11 januari 2008 wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 216.629 van 1 december
  22. 3.
  23. Op 15 maart 2012 beslist de verwerende partij opnieuw over de bestuurlijke beroepen tegen de milieuvergunning van 8 maart
  24. Deze wordt grotendeels bevestigd. De exploitatie wordt in overeenstemming geacht met het op 6 februari 2012 goedgekeurde PRUP “Afbakening kleinstedelijk gebied Ronse, deelplan Snoecklaan-Zonnestraat”. Bij arrest nr. 232.388 van 1 oktober 2015 vernietigt de Raad van State de vergunningsbeslissing van 15 maart 2012, vermits inmiddels de onwettigheid van het voornoemde deelplan was vastgesteld bij arrest nr. 230.204 van 13 februari
  25. 3.
  26. Op 21 december 2016 beslist de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw opnieuw over de bestuurlijke beroepen. De beroepen worden gedeeltelijk gegrond bevonden en de Vlaamse minister bevestigt andermaal de beslissing van de deputatie van 8 maart 2007, mits het aanbrengen van een aantal wijzigingen. VII-39.928-6/20 Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie nopens het belang van de verzoekende partij
  27. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij niet betrokken was bij de eerdere vernietigingsprocedure. Volgens de verwerende partij volgt daaruit zij geacht moet worden zich te hebben neergelegd bij het besluit van de Vlaamse minister van 11 januari
  28. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat aan het thans bestreden besluit andere motieven ten grondslag liggen. Daarenboven merkt zij op dat zij de “voorbereidende planologische handelingen” van de voorafgaande milieuvergunningen betwist. Beoordeling
  29. De omstandigheid dat de verzoekende partij geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen eerdere beslissingen van de Vlaamse minister waarbij de bestuurlijke beroepen tegen de deputatiebeslissing van 8 maart 2007 werden beoordeeld, impliceert niet dat zij geen belang zou hebben bij het bestrijden van voorliggende vergunningsbeslissing. Artikel 19, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vereist dat de verzoekende partij “doet blijken van een benadeling of van een belang”. Uit deze bepaling volgt niet dat de verzoekende partij de toegang tot de Raad van State moet worden ontzegd als zij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen een aan de bestreden beslissing voorafgaande aanvechtbare administratieve rechtshandeling.
  30. De exceptie wordt verworpen. VII-39.928-7/20 V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  31. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 4.2.24 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening samen gelezen met artikel 159 van de Grondwet, van de artikelen 5, 6 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: DIWB) samen gelezen met artikel 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2/1, 3, 4, 5 en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: watertoetsbesluit), van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ samen gelezen met artikel 1.2.1 DABM, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van het voorzorgsbeginsel, het integratiebeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het “beginsel van de behoorlijke afweging”. De verzoekende partij werpt vooreerst de onwettigheid op van het planologisch attest van 4 juli 2016, omdat de overstromingsproblematiek erin niet correct en deugdelijk werd beoordeeld en er dus geen gelijkwaardige en gelijktijdige afweging werd gemaakt van alle maatschappelijke activiteiten. Er werd geen rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Omdat het planologisch attest net dient om een jarenlange onwettige situatie te regulariseren, gold bovendien een meer stringente motiveringsplicht en moest de overheid des te zorgvuldiger te werk te gaan. Bijgevolg moet het betrokken planologisch attest buiten beschouwing worden gelaten. In het bijzonder haalt de verzoekende partij enkele motieven in verband met de overstromingsproblematiek aan en stelt zij dat daargelaten “de vraag of de wachtbekkens op de Molenbeek VII-39.928-8/20 zouden kunnen volstaan, […] vastgesteld [dient] te worden dat er volgens de meest recente kaart (anno 2014) er nog steeds sprake is van een overstromingsgevoeligheid van de site en dat de overstromingsgevoeligheid vooral lijkt te komen vanuit de Fonteinbeek alwaar geen wachtbekkens werden aangelegd”. Bovendien moest voor de beoordeling worden uitgegaan van de situatie zonder bedrijf of milieuvergunning, gelet op het feit dat zowel de milieuvergunning als de gewestplanherzieningen en de ruimtelijke uitvoeringsplannen reeds meermaals vernietigd werden. De bestreden beslissing verhelpt niet aan de tekortkomingen waarmee het planologisch attest is behept, maar minimaliseert enkel de gevolgen voor het watersysteem in een watertoets die gebrekkig is omdat een belangrijk deel van de inrichting overstromingsgevoelig is. Uit geen enkel stuk blijkt dat het stadsbestuur van Ronse de bevoegde overheid heeft aangeschreven om advies te vragen met betrekking tot de overstromingsgevoeligheid van de site. Geen van de gevraagde adviezen betreft het vereiste wateradvies. Daarnaast gaat het bestreden besluit uit van kennelijk onredelijke en ondeugdelijke motieven. Wat betreft de overstromingsgevoeligheid van het terrein, werpt de verzoekende partij op dat “de oppervlakte die overstromingsgevoelig is ca. 80% meer [bedraagt] dan de oppervlakte die op de ROG-kaart staat”. Er werd evenmin rekening gehouden met “het toekomstig overstromingsniveau”. Voorts wordt in het bestreden besluit geen enkele compensatie opgelegd voor het verlies aan overstromingsruimte. Ten onrechte wordt overwogen dat geen bijkomende oppervlakte wordt ingenomen door het bedrijf en er geen afname is van de natuurlijke wateropnamecapaciteit omdat de milieuvergunning niet gepaard gaat met infrastructuurwerken. Uit arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016 van de Raad van State blijkt immers dat niet het feit dat de hernieuwing van een milieuvergunning niet gepaard gaat met verlies aan overstromingsruimte in vergelijking met de initieel vergunde toestand relevant is, maar wel het antwoord op de vraag of de verdere exploitatie van de inrichting een vermindering van ruimte voor het watersysteem teweegbrengt die er niet zou zijn zonder de exploitatie. Ook ontbreken maatregelen voor bepaalde stoffen en installaties, terwijl een overstroming nochtans voor gevolg kan hebben, enerzijds, dat door vervuiling van het grondwater alle vegetaties worden aangetast die hun water uit de grondwaterlaag halen en, anderzijds, dat stroomafwaarts gelegen VII-39.928-9/20 vegetaties schade ondervinden doordat heel wat vervuilende stoffen kunnen neerslaan. Bij een overstroming van de in overstromingsgevoelige zones gelegen bedrijfsonderdelen kunnen heel wat stoffen oplossen, uitspoelen en uitlogen in het overstromende water van de Fonteinbeek en de Molenbeek. Het gaat daarbij om “diverse schadelijke, irriterende, corrosieve en oxiderende stoffen, de 110.000 liter NaOH, de 14.000 liter azijnzuur, de 1.000 liter P1-producten, de 500 liter P2-producten, de 86.000 liter P3-producten, 2.000 liter machineolie in verplaatsbare recipiënten [en] de maximale opslag van 15 ton milieugevaarlijke stoffen”. Voorts wordt in de bestreden beslissing niets concreet vermeld aangaande de toetsing aan de doelstellingen en beginselen van het DIWB. De verzoekende partij somt de relevante doelstellingen en beginselen uit het DIWB op met telkens een summiere toelichting waarom volgens haar met die doelstelling geen rekening werd gehouden. Daarnaast werd evenmin rekening gehouden met de waterbeheerplannen. Ook is het in de bestreden beslissing vruchteloos zoeken naar overwegingen waaruit zou blijken dat rekening werd gehouden met de gevolgen van een overstroming van de site op de natuurwaarden in de gebieden in de omgeving, waaronder VEN-gebied in de Scheldevallei. Bij de gevolgen voor het aquatisch milieu wordt evenmin stilgestaan. Door geen voorwaarden op te leggen waarmee schade aan het aquatische en terrestrische milieu kunnen worden vermeden, schendt het bestreden besluit de zorgplicht.
  32. De verwerende partij betwist in de eerste plaats het belang bij het middel omdat de verzoekende partij haar grieven voor het eerst concreet uitwerkt in het verzoekschrift tot nietigverklaring waardoor het belang van het bestuurlijk beroep wordt miskend. Ten gronde laat de verwerende partij gelden dat het planologisch attest van 4 juli 2016 niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet omdat de verzoekende partij dit attest niet met een vernietigingsberoep heeft bestreden zodat het onaantastbaar is geworden. Voorts blijkt uit de stukken van het dossier dat advies werd gevraagd aan de Vlaamse Milieumaatschappij, overeenkomstig artikel 5, § 1, van het watertoetsbesluit. De VII-39.928-10/20 bestreden beslissing bevat eveneens een waterparagraaf. Op basis van de relevante kaarten staat empirisch vast dat de risicozone voor overstromingen ongeveer overeenkomt met het recent overstroomde gebied. De verzoekende partij betwist niet dat dit gebied overeenstemt met de ligging van de parking en de burelen van de betrokken inrichting. Bovendien is de milieuvergunning slechts verleend voor een termijn van vijf jaar. De verzoekende partij toont niet aan dat de reeds genomen en in de bestreden beslissing besproken initiatieven niet volstaan om de gevolgen van de klimaatverandering binnen een periode van vijf jaar te doorstaan. Verder volgt uit de vaststelling dat er geen nieuwe infrastructuurwerken worden gerealiseerd, samen met de vaststelling dat geen uitbreiding wordt gevraagd met betrekking tot de parking en de burelen, dat de situatie en de exploitatie in het betrokken gebied een status quo behelst en geen schadelijk effect creëert voor de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er geen reëel risico op overstroming van de opslagplaats, zodat daarover geen verdere argumentatie moest worden uitgewerkt. Ook toont de verzoekende partij niet concreet aan dat de opgeslagen stoffen schadelijk kunnen zijn voor het aquatisch milieu. In de mate dat de verzoekende partij van oordeel is dat niet afdoende rekening werd gehouden met de waterbeheerplannen en met de relevante doelstellingen en beginselen van het DIWB, antwoordt de verwerende partij dat zij niet de plicht heeft om in de bestreden beslissing, punt per punt, iedere mogelijke doelstelling van het DIWB te onderzoeken. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat geen rekening is gehouden met de bepalingen van het milieudecreet, vertrekt zij vanuit de toekomstige, onzekere en onjuiste premisse dat door overstroming schadelijke stoffen zullen vrijkomen die het VEN-gebied en het aquatisch milieu schaden. Geen enkel advies werpt op dat een verscherpte natuurtoets dient te gebeuren. De verzoekende partij uit in haar bezwaarschrift evenmin een grief met betrekking tot het natuurdecreet.
  33. De tussenkomende partij betwist eveneens de ontvankelijkheid van het middel. Zij voert in dat verband twee excepties aan. In een eerste exceptie obscuri libelli voert zij aan dat het middel “bijzonder warrig en zonder enige structuur is opgesteld”. De aangebrachte structuur bestaat slechts uit “vage tussentitels voorafgegaan door symbolen die geen enkele hiërarchie weergeven” en “er wordt niet met randnummers gewerkt”. VII-39.928-11/20 Haar conclusie luidt dan ook dat het middel “op zicht van de tekst onvoldoende duidelijk” is. In een tweede exceptie werpt zij op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, omdat zij manifest heeft verzuimd om haar argumenten betreffende de waterproblematiek te laten gelden tijdens de administratieve beroepsprocedure. Ten gronde betoogt de tussenkomende partij dat het planologisch attest wordt afgeleverd in het kader van de stedenbouwkundige vergunning en dat een eventuele onwettigheid ervan niet kan leiden tot de vernietiging van de milieuvergunning. Bij de beoordeling van het planologisch attest moet worden uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige toestand ter plaatse en niet van de toestand zonder milieuvergunning. Voorts maakt de verzoekende partij haar bewering dat de water- en natuurgebonden aspecten niet voldoende werden beoordeeld, niet concreet aannemelijk. Het planologisch attest bevestigt wat de verzoekende partij zelf aangeeft, met name dat ter hoogte van de Fonteinbeek, in het noordelijke deel van de betrokken site, een overstromingsgevoelig gebied ligt. De tussenkomende partij stelt dat noch het watertoetsbesluit, noch het DIWB een adviesverplichting voorschrijft bij het verlenen van planologische attesten. Vervolgens wijst de tussenkomende partij op de devolutieve werking van het administratief beroep, waardoor het middel, in zoverre het is gesteund op de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing, niet ontvankelijk is. Met betrekking tot de overstromingsgevoeligheid van het terrein, stelt zij dat de verzoekende partij geen enkele studie, kaart of ander stuk bijbrengt ter ondersteuning van haar bewering dat de oppervlakte die overstromingsgevoelig zou zijn circa 80% bedraagt. Aangaande de vermeende ontbrekende wateradviezen, merkt zij op dat het bestreden besluit verwijst naar het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij, zodat hoe dan ook is voldaan aan de adviseringsplicht. Wat betreft de compensatie voor het verlies aan overstromingsruimte, zou de verzoekende partij er een tegenstrijdige argumentatie op nahouden door langs de ene kant te beweren dat voor de watertoets moest worden uitgegaan van de toestand “zonder milieuvergunning”, terwijl langs de andere kant wordt volgehouden dat het verlies aan overstromingsruimte door VII-39.928-12/20 “verdere exploitatie en uitbreiding van de inrichting” zou moeten worden gecompenseerd. De tussenkomende partij benadrukt dat het actueel louter gaat om een voortzetting van bestaande activiteiten, zonder enige vorm van uitbreiding van de activiteiten of constructies, zodat terecht werd geoordeeld dat er geen bijkomende impact op het watersysteem en het overstromingsregime ontstaat. De verzoekende partij toont ook niet aan dat de vermindering van ruimte voor het watersysteem niet of niet voldoende werd onderzocht naar aanleiding van in het verleden verleende vergunningen. Bovendien verzwijgt de verzoekende partij dat de Fonteinbeek volledig is ingebuisd, zodat niet kan worden ingezien hoe er op de betrokken site zelfs maar overstromingsgevaar zou kunnen bestaan. Ook zijn alle dakoppervlakken aangesloten op een regenwaterbufferbekken. De verzoekende partij betwist ook niet dat er heel wat initiatieven werden genomen om schadelijke effecten te voorkomen, noch de vaststelling dat die initiatieven hebben bijgedragen tot het voorkomen van overstromingen. Voorts toont de verzoekende partij niet aan dat de loutere ligging van enkele onderdelen van het bedrijf in overstromingsgevoelig gebied een gevaar inhoudt voor het oplossen, uitspoelen of uitlogen van “heel wat stoffen”. Zij zet ook niet concreet uiteen over welke stoffen het gaat, noch maakt zij een reëel gevaar op lekkage aannemelijk. Voor de opgeslagen producten wordt de Vlarem-regelgeving gevolgd.
  34. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij, met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel, dat de tussenkomende partij alle aspecten van het middel duidelijk heeft begrepen, dat niet kan worden verwacht dat een administratief bezwaarschrift vooruitloopt op de argumenten die in een later verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State zullen worden uiteengezet en dat in het bezwaarschrift er overigens werd op gewezen dat de vergunde activiteiten “vervuiling van de Molenbeek” kunnen teweegbrengen. Over de grond van de zaak wijst zij erop dat uit arrest nr. 220.586 van de Raad van State volgt dat bij afgifte van het planologisch attest aandacht moet worden besteed aan de intrinsieke hinder van het bedrijf en dat de onwettigheid van het positief planologisch attest wel degelijk kan worden opgeworpen in het kader van het annulatieberoep tegen de verleende VII-39.928-13/20 milieuvergunning. Waar in dit geval het planologisch attest spreekt van “potentieel” overstromingsgevoelig gebied, is het gebaseerd op foutieve gegevens aangezien het westelijk en noordwestelijk deel van de site in effectief overstromingsgevoelig gebied zijn gelegen. De verzoekende partij verduidelijkt dat de twee beken die het bedrijfsterrein doorkruisen beken van de tweede categorie zijn en dat zelfs al zou de Fonteinbeek een beek van derde categorie zijn, de stad Ronse in elk geval een wateradvies diende te verstrekken.
  35. De tussenkomende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat het middel in het verzoekschrift tot nietigverklaring niet voldoende duidelijk is omschreven en dat zij voor het overige niet moet gissen naar de wettigheidskritieken die de verzoekende partij wenst aan te voeren. Ten gronde wijst zij erop dat de watertoets werd uitgevoerd in het kader van het verleende planologisch attest en dat in dit attest een motivering werd opgenomen met betrekking tot de waterproblematiek ter plaatse. Voorts leidt de verzoekende partij uit artikel 1.3.1.1, § 3, derde lid, DIWB af dat wanneer er “zowel een planologisch attest als een vergunningverlening voorhanden zijn, en de ene overheid -in casu de overheid die zich gebogen heeft over de aanvraag planologisch attest- reeds voldaan heeft aan de adviesverplichting, […] er […] geen adviesverplichting meer [geldt] in hoofde van de andere overheid”. In dit geval wordt in het planologisch attest verwezen naar het advies van de provincie Oost-Vlaanderen waarin geen negatieve opmerkingen worden gemaakt met betrekking tot het watersysteem. Volgens de tussenkomende partij moet op grond van een analoge toepassing van artikel 8, § 5, DIWB besloten worden dat “aangezien de watertoets reeds werd uitgevoerd op het niveau van het planologisch attest, een hernieuwde (volwaardige, d.w.z. met inbegrip van een volledige advisering) watertoets niet meer vereist was op vergunningsniveau, in die zin dat de adviesbepalingen van het watertoetsbesluit niet langer als bindend kunnen aangemerkt worden”. VII-39.928-14/20 Beoordeling A. Ontvankelijkheid van het middel
  36. In het verzoekschrift tot nietigverklaring worden de geschonden geachte rechtsregels opgesomd en wordt een uiteenzetting gegeven van de wijze waarop die regels naar het oordeel van de verzoekende partij zijn geschonden. Ook al is die uiteenzetting in de ogen van de tussenkomende partij “bijzonder warrig en zonder enige structuur” geredigeerd, uit haar memorie blijkt in elk geval dat zij de aangevoerde grieven voldoende heeft begrepen om in staat te zijn ze uitvoerig tegen te spreken. De exceptie obscuri libelli wordt verworpen.
  37. De loutere omstandigheid dat de verzoekende partij haar bezwaren betreffende de waterproblematiek reeds had kunnen doen gelden in het beroepschrift voor de minister, ontneemt haar niet het belang bij het middel. Het feit dat zij geen partij was bij eerdere procedures tot nietigverklaring van de milieuvergunning is evenmin van aard haar het belang bij het middel te ontzeggen. De excepties met betrekking tot het belang bij het middel worden verworpen. B. Gegrondheid van het middel
  38. De verzoekende partij voert in haar uiteenzetting onder meer aan dat het advies moest worden ingewonnen van de provincie of, in voorkomend geval, de polder of watering wanneer de vergunningsplichtige activiteit plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de tweede (of derde) categorie, dat het “wateradvies van de provincie Oost-Vlaanderen (en de stad Ronse) ontbreekt” en dat “de site deels gelegen is in een effectief overstromingsgevoelig gebied, deels gelegen is in de bedding van de Fonteinbeek en de Molenbeek en daarenboven ook gelegen is binnen de 10m van beide beken”. Bijgevolg ligt volgens haar een schending voor van artikel 3, § 2, van het VII-39.928-15/20 watertoetsbesluit.
  39. Artikel 8, § 3, DIWB, in zijn historisch toepasselijke versie, luidt: “De overheid die moet beslissen over een vergunningsaanvraag of de overheid die in de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen de watertoets toepast op de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest kan advies vragen over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren aan de door de Vlaamse regering aan te wijzen instantie. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de vergunningsprocedure, dan beschikt de door de Vlaamse regering aan te wijzen instantie over dezelfde termijn als de andere adviesverleners. Als er binnen die termijnen geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen moet de vergunningverlenende overheid of de overheid die oordeelt over de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren advies vragen aan de door de Vlaamse regering aangewezen instantie. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop dit advies moet worden aangevraagd en over de integratie ervan in andere adviesprocedures”. Artikel 3, § 2, eerste lid, van het watertoetsbesluit, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt onder meer: “De vergunningverlenende overheid moet in uitvoering van artikel 8, § 3, derde lid van het decreet advies vragen aan de adviesinstanties met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater indien het project waarvoor een vergunning wordt aangevraagd: 1° geheel of gedeeltelijk gelegen is in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied volgens de kaart, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd”. VII-39.928-16/20 Artikel 5, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, zoals destijds van toepassing, bepaalde onder meer: “Tenzij het anders bepaald is in de toepasselijke reglementering of in de in artikel 3 vermelde bepalingen, zijn de adviesinstanties die overeenkomstig artikel 8, § 3, van het decreet advies uitbrengen over vergunningsaanvragen: 1° de Vlaamse Milieumaatschappij als: a) de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een vergunningsplichtige activiteit die een schadelijk effect heeft of kan hebben op de toestand van het grondwater; b) de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de eerste categorie, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterloop wordt verzameld; 2° de provincie of, in voorkomend geval, de polder of watering als de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de tweede categorie die onder hun respectievelijke beheer valt, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterloop wordt verzameld; 3° de gemeente of, in voorkomend geval, de polder of watering als de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de derde categorie of van een niet-geklasseerde waterloop die onder hun respectievelijke beheer valt, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterloop wordt verzameld”.
  40. In tegenstelling tot de zienswijze van de tussenkomende partij gaan artikel 8, § 3, derde lid, DIWB en het watertoetsbesluit niet uit van het “facultatieve of alternerende element” waarbij ofwel de vergunningverlenende overheid ofwel de overheid die beslist over de afgifte van een planologisch attest, het wateradvies moet inwinnen. Volgens artikel 8, § 3, derde lid, DIWB “moet” de vergunningverlenende overheid of de overheid die oordeelt over de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest “in de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen” een wateradvies inwinnen. Ter uitvoering van artikel 8, § 3, derde lid, DIWB heeft de Vlaamse regering in het watertoetsbesluit de gevallen aangewezen waarin een adviesverplichting bestaat. Naar luid van artikel 3, § 2, eerste lid, van het watertoetsbesluit moet de “vergunningverlenende overheid” advies vragen met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater indien het project waarvoor een vergunning wordt aangevraagd “geheel of gedeeltelijk gelegen is in mogelijk of effectief VII-39.928-17/20 overstromingsgevoelig gebied”. In het watertoetsbesluit wordt nergens gesteld dat de vergunningverlenende overheid aan de door de Vlaamse regering ingestelde adviesverplichting kan voorbijgaan wanneer in het kader van het verkrijgen van het planologisch attest reeds een wateradvies werd ingewonnen.
  41. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de inrichting volgens de watertoetskaart voor een deel gelegen is in een effectief overstromingsgevoelig gebied. Bijgevolg is artikel 3, § 2, eerste lid, 1°, van het watertoetsbesluit van toepassing op de vergunningsaanvraag en moet verplicht een advies worden ingewonnen over mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater. Dat “slechts een klein deel van de site aangeduid staat als potentieel overstromingsgevoelig gebied” doet, al aangenomen dat die beschouwing juist is, niet anders besluiten, vermits het advies ook uitdrukkelijk verplicht gesteld is wanneer “het project waarvoor een vergunning wordt aangevraagd […] gedeeltelijk gelegen is in mogelijk […] overstromingsgevoelig gebied”.
  42. De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 8, § 3, DIWB advies moeten uitbrengen over vergunningsaanvragen, worden aangewezen in artikel 5 van het watertoetsbesluit. Noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij betwist de aanwezigheid in de nabijheid van de site van twee onbevaarbare waterlopen, waarvan minstens een van de tweede categorie. Bijgevolg moest, in toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, 2°, van het watertoetsbesluit een advies worden gevraagd aan de waterbeheerder, zijnde in dit geval de provincie Oost-Vlaanderen. Aan de voorgeschreven adviesverplichting wordt niet voldaan door het inwinnen van het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij. De Vlaamse Milieumaatschappij is immers slechts aangewezen als de bevoegde adviesinstantie in de gevallen waarin de aanvraag betrekking heeft op vergunningsplichtige activiteiten die plaatsvinden in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de eerste categorie of wanneer die activiteiten een VII-39.928-18/20 schadelijk effect (kunnen) hebben op de toestand van het grondwater. De adviesverplichting, opgelegd door artikel 3, § 2, eerste lid, van het watertoetsbesluit, vloeit daarentegen voort uit de ligging van de inrichting in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied en strekt ertoe de mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater te beoordelen. Er moet dan ook besloten worden dat niet voldaan werd aan de adviesverplichting zoals voorgeschreven door de artikelen 3, § 2, eerste lid, en 5, § 1, eerste lid, 2°, van het watertoetsbesluit.
  43. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  44. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 21 december 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 maart 2007, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Utexbel voor het verder exploiteren en veranderen van een weverij en ververij, gelegen aan de César Snoecklaan 30 te Ronse, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd.
  45. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  46. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.928-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.928-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.