id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.847 Rolnummer: A. 232306/VII-40963 Zaak: Arrest 250847 - Bewakingsondernemingen - 10/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.847 van 10 juni 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.847 van 10 juni 2021 in de zaak A. 232.306/VII-40.963 In zake: Joren VAN DEN BERGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Dillen kantoor houdend te 2560 Nijlen August Hermansplein 1, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 november 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 29 september 2020 waarbij de identificatiekaart van verzoeker voor het uitvoeren van activiteiten in een onderneming voor alarmsystemen, wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
- VII-40.963-1/8 Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Dekeersmaeker, die loco advocaat Tom Dillen verschijnt voor verzoeker, en jurist Peter Ide, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sinds 6 februari 2019 in het bezit van een identificatiekaart als uitvoerend personeelslid van een onderneming voor het plaatsen van alarmsystemen. 3.
- Op 8 maart 2019 wordt, na instemming van verzoeker, een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden gestart. 3.
- De Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden stelt op 24 februari 2020 vast dat verzoeker niet meer voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden en adviseert tot het aanvatten van een procedure tot intrekking van zijn identificatiekaart. 3.
- Verzoeker wordt bij brief van 27 maart 2020 op de hoogte gesteld van de hem ten laste gelegde feiten, van de maatregel die wordt overwogen, van het recht om inzage te nemen in het dossier en van het recht om zijn verweermiddelen in te dienen. Hij dient vervolgens op 20 april 2020 zijn verweermiddelen in. VII-40.963-2/8 3.
- Op 5 augustus 2020 vindt een hoorzitting plaats. 3.
- De minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken beslist op 29 september 2020 dat verzoeker niet langer voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: wet van 2 oktober 2017). Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Ernst van de middelen Uiteenzetting van de middelen
- In een eerste middel wordt de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aangevoerd. Verzoeker betoogt dat het betrekken bij de zaak van vermeende feiten van verkrachting getuigt van onzorgvuldig handelen en dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt gesteld dat geen rekening wordt gehouden met deze niet bewezen feiten, maar dat de minister er “minstens onbewust” rekening mee heeft gehouden. Anderzijds betwist verzoeker niet dat hij in het bezit is geweest van verdovende middelen. Hij beklemtoont dat het echter gaat om “eenmalige feiten” en een “jeugdzonde” van meer dan drie jaar geleden, dat hij sindsdien geen VII-40.963-3/8 verdovende middelen meer gebruikt en dat hij geen enkel contact meer heeft met zijn “slechte vrienden van destijds”. Er bestaat derhalve geen actueel risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde. Verzoeker wijst erop dat hij meerdere (negatieve) bloedtesten heeft laten uitvoeren en dat zowel zijn werkgever als zijn moeder een positieve verklaring over hem hebben afgelegd. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing steunt op niet bewezen insinuaties en op achterhaalde gegevens. In de eerste plaats wijst hij op de insinuatie dat hij, naast het wederrechtelijk bezit, ook verdovende middelen zou verkocht hebben. Verzoeker ontkent dat hij zulks heeft gedaan of daartoe de intentie had. In het proces-verbaal worden de hem ten laste gelegde feiten terecht gekwalificeerd als het wederrechtelijk bezit van verdovende middelen. Ook de bewering dat hij nog steeds zou omgaan met personen die zich inlaten met de verkoop van verdovende middelen, wordt niet gestaafd met objectieve feitelijke gegevens. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoeker staat de intrekking van zijn identificatiekaart niet in verhouding met het door de minister nagestreefde doel. De beslissing tot intrekking van de identificatiekaart steunt op slechts één enkel feit, te weten het wederrechtelijk bezit van XTC-pillen. Door de intrekking zal hij zijn beroep niet meer kunnen uitoefenen en kan hij niet langer tewerkgesteld blijven bij zijn huidige werkgever. Naast het ontslag zal verzoeker zijn ervaring van meer dan vijf jaar als installateur van alarmsystemen in de prullenbak moeten gooien. Doordat hij nooit drugs heeft verkocht, clean is én heeft gebroken met zijn slechte vrienden, meent verzoeker dat zijn tewerkstelling als installateur van alarmsystemen geen enkel risico voor de veiligheid van de Staat of de openbare orde met zich meebrengt en dat de beslissing van de minister tot intrekking van de VII-40.963-4/8 identificatiekaart dan ook buitensporig is. Beoordeling
- Artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober 2017 bepaalt dat de personen belast met het uitoefenen van de activiteiten behorend tot het toepassingsgebied van deze wet, moeten beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel
- Artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “Het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; 2° integriteit, loyaliteit en discretie; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu; 5° respect voor de democratische waarden; 6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde”. Artikel 85 van dezelfde wet bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart intrekt indien de houder ervan niet langer voldoet aan de persoonsvoorwaarden.
- In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld dat “geen enkel gewicht [is gegeven] aan het andere proces-verbaal dat mee werd […] opgenomen bij de opstart van de procedure bij brief d.d. 27 maart 2020 aangezien deze, na lezing van uw dossier, onvoldoende bewezen werden bevonden”. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de minister de betrokken feiten, waarvan hij vindt dat ze onvoldoende bewezen zijn, toch heimelijk of “onbewust” bij zijn beoordeling zou hebben betrokken. Bovendien is de kritiek van verzoeker hoe dan ook niet nuttig omdat, zoals hierna zal blijken, de bestreden beslissing afdoende verantwoord kan worden op grond van het wederrechtelijk bezit van verdovende middelen waarover geen betwisting wordt gevoerd. VII-40.963-5/8
- In dit geval heeft de verwerende partij het gemis aan het wettelijk vereiste profiel om nog tot de sector van de ondernemingen voor alarmsystemen te worden toegelaten, afgeleid uit het feit, vastgesteld in een proces-verbaal van de PZ Kempen Noord-Oost, dat verzoeker op 30 september 2017 werd aangetroffen met 60 XTC-pillen op zak en in het gezelschap van “kompanen […] op weg […] naar een dealer”. De verwerende partij wijst daarbij op het “bijzonder zwaarwichtig karakter” van de feiten en op het belang dat “iemand die werkzaam is binnen de sector van de private veiligheid zich op geen enkel vlak zelf schuldig maakt aan druggerelateerde feiten”. Rekening houdend met de aard van de verdovende middelen (harddrugs) en de hoeveelheid ervan (60 XTC-pillen), is de kwalificatie van de feiten als “bijzonder zwaarwichtig” niet onjuist, onzorgvuldig noch onredelijk. De twijfel in hoofde van de verwerende partij over de geloofwaardigheid van de verklaring van verzoeker dat de XTC-pillen niet zouden zijn aangekocht met het oog op de doorverkoop ervan, vormt een randbedenking die niets afdoet aan de ernst en de zwaarwichtigheid van de strafrechtelijke feiten waarover geen betwisting bestaat. Het bezit en regelmatig gebruik van harddrugs door een persoon die werkzaam is in de sector van de private veiligheid is immers op zich voldoende ernstig en zwaarwichtig om te besluiten dat de betrokkene niet beschikt over het wettelijk vereiste profiel, te meer omdat in de bestreden beslissing er terecht wordt op gewezen dat het “gebruik van drugs en opwekkende stoffen gedragsveranderingen kan teweegbrengen en allerhande schade kan veroorzaken”. Daarenboven wijst de aankoop van een vrij aanzienlijke hoeveelheid XTC-pillen er allerminst op dat verzoeker slechts een “sporadisch” gebruiker van dergelijke drugs zou zijn geweest, enkel tijdens “feestjes”. Dat is nog minder het geval nu verzoeker aan de politiediensten heeft verklaard dat hij voor “de tweede keer” XTC-pillen heeft aangekocht bij dezelfde dealer. Voorts lijkt de verwerende partij terecht te kunnen vereisen dat de banden met het criminele milieu “volledig” zijn verbroken en lijkt zij bij de beoordeling van die vereiste rekening te mogen houden met de “grote hoeveelheid XTC-pillen en de omstandigheden waarin [verzoeker] ‘betrapt’ werd op het bezit hiervan”. Gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, lijkt het gebrek aan VII-40.963-6/8 vertrouwen dat de verwerende partij daaromtrent in de bestreden beslissing uitdrukt niet volledig ongerechtvaardigd. In de gegeven omstandigheden heeft de verwerende partij, rekening houdend met de zwaarwichtigheid van de feiten en het vrij recente tijdstip ervan, zonder de materiëlemotiveringsplicht of het redelijkheidsbeginsel te schenden, kunnen besluiten dat de verklaring van verzoeker dat hij definitief zou hebben gebroken met zijn verleden, onvoldoende garanties biedt op het vlak van de vereiste integriteit en de afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu. Hetzelfde geldt voor de bereidheid van verzoeker om zich op het gebruik van drugs te laten testen en voor de verklaringen van zijn werkgever en zijn moeder die hem in een gunstig daglicht plaatsen.
- De aangevoerde middelen zijn niet ernstig.
- Aldus is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII-40.963-7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.963-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.847 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div