id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.848 Rolnummer: A. 232005/VII-40933 Zaak: Arrest 250848 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-17 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.848 van 10 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.848 van 10 juni 2021 in de zaak A. 232.005/VII-40.933 In zake : de NV UTEXBEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0043 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 september 2020 in de zaak 1819-RvVb-0357-SA. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 26 november
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.933-1/15 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bram Van Den Berghe, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: Rvs-wet). III. Feiten 3.
- Op 9 november 2018 verleent de Vlaamse regering aan de nv Utexbel een omgevingsvergunning “voor het verder exploiteren en veranderen van een garenververij” en weigert ze de omgevingsvergunning “voor de tijdelijke verdere lozing van bedrijfsafvalwater op de Molenbeek”. 3.
- In het bestreden arrest wordt aangaande de bestreden vergunningsbeslissing van de Vlaamse regering onaantastbaar vastgesteld: VII-40.933-2/15 “Met de bestreden beslissing wordt aan [de nv Utexbel] een omgevingsvergunning verleend voor het verder exploiteren en veranderen van de exploitatie van een garenververij. De omgevingsvergunning wordt echter geweigerd voor het tijdelijk verder lozen van bedrijfsafvalwater op het oppervlaktewater van de Molenbeek. Volgens de omgevingsvergunning dient [de nv Utexbel] haar bedrijfsafvalwater te lozen op de collector Molenbeek. Aan de vergunning worden hieromtrent bijzondere voorwaarden gekoppeld. Een van die bijzondere voorwaarden bestaat erin dat een saneringscontract wordt afgesloten met de nv AQUAFIN voor de periode tussen de aansluiting van het bedrijfsafvalwater op de collector Molenbeek tot de start van het nieuw ondertekend saneringscontract. Dit is wanneer de noodzakelijke uitbreiding van de RWZI Ronse volledig is gerealiseerd. Het af te sluiten saneringscontract voorziet dat [de nv Utexbel] mee participeert in de realisatie van vermelde uitbreiding, waarbij de specifieke exploitatiekosten aan [de nv Utexbel] worden doorgerekend, zodat des te sneller kan geremedieerd worden aan het tekort aan restcapaciteit van de RWZI Ronse”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de nv Utexbel tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de Vlaamse regering. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de nv Utexbel
- De nv Utexbel voert de schending aan van artikel 73, § 1, tweede lid, 2° en 74 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: OVD). Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het eerste middel van de nv Utexbel. De nv Utexbel betoogt dat de Vlaamse regering haar een omgevingsvergunning heeft verleend “maar heeft hier een dermate onuitvoerbare vergunningsvoorwaarde aan gekoppeld” waardoor zij “in werkelijkheid over een verkapte algehele weigeringsbeslissing beschikt”. Zij stelt dat zij “aan deze VII-40.933-3/15 voorwaarde echter geen uitvoering [kan] geven, nu zij hiervoor afhankelijk is van de bereidheid van de nv Aquafin om, eens een contractaanvraag is ingediend, daadwerkelijk een bijkomend saneringscontract met haar te sluiten, opdat tijdelijk kan aangesloten worden op de collector Molenbeek tot wanneer de uitbouw RWZI Ronse volledig gerealiseerd is, zodat de omgevingsvergunning kan uitgevoerd worden”. Ze stelt dat ze in het eerste middel voor de RvVb de schending van artikel 73, § 1, tweede lid, 2° en 74 OVD heeft aangevoerd, meer bepaald “dat deze bijzondere vergunningsvoorwaarde inzake het tijdelijk, bijkomend saneringscontract met Aquafin niet door toedoen van [de nv Utexbel] zelf kan worden verwezenlijkt, nu zij hiervoor afhankelijk is van de bereidheid van Aquafin om effectief een bijkomend saneringscontract met [de nv Utexbel] te sluiten teneinde de transitieperiode tot aan het bestaande saneringscontract na definitieve uitbreiding van de RWZI Ronse te overbruggen” en “dat de bereidheid in hoofde van Aquafin om een bijkomend saneringscontract te sluiten onbestaande is” aangezien de nv Aquafin had “te kennen gegeven dat saneringscontract niet te zullen ondertekenen, zolang de uitbreidingswerken van de collector niet verwezenlijkt zijn; aldus kan de voorwaarde niet uitgevoerd worden”. Het bestreden arrest is “echter van oordeel dat de voorwaarde van een saneringscontract met Aquafin op grond van de toepasselijke regelgeving kan worden opgelegd en op zich derhalve geen onwettige voorwaarde zou vormen”, de nv Utexbel “zelf de nodige initiatieven kan nemen tot het afsluiten van een saneringscontract […] en niet zou worden aangetoond dat Aquafin niet bereid zou zijn dergelijk contract met [de nv Utexbel] af te sluiten”, en “Aquafin de taak heeft om saneringscontracten af te sluiten met een exploitant wanneer dit als bijzondere voorwaarde in de omgevingsvergunning wordt opgenomen, zodat, wanneer Aquafin dit weigert, zij verzuimt aan haar wettelijke verplichting en zich blootstelt aan eventuele handhavingsmaatregelen van haar economische toezichthouder”. Het bestreden arrest geeft “hierdoor aan artikel 73, § 1, tweede lid, 2° OVD een wettelijk vermoeden […] in zoverre de vergunningsvoorwaarde wordt geacht vervuld te zijn vanaf het moment dat de VII-40.933-4/15 aanvraag tot het bekomen van een saneringscontract met Aquafin door de exploitant is ingediend, zonder dat het er toe doet wat er nadien gebeurt, en wat het gevolg is van het indienen van dergelijke contractaanvraag door de exploitant, nu dat volgens de [RvVb] niet langer een zaak zou zijn van de omgevingsvergunning”. Het bestreden arrest schendt met deze beoordeling “de draagwijdte van het wettelijk begrip vervulbaarheid van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde van artikel 73, § 1, tweede lid, 2° OVD tot het bekomen van een saneringscontract” aangezien het “nogal evident” is dat deze “bijzondere milieuvoorwaarde […] maar nuttig effect ressorteert opdat uitvoering kan gegeven worden aan de omgevingsvergunning waarin die voorwaarde is opgelegd, wanneer dergelijk saneringscontract ook daadwerkelijk door Aquafin wordt gesloten met de exploitant van het bedrijf, die louter door het indienen van de aanvraag zijn verplichting op grond van artikel 73, § 1, tweede lid, 2° OVD is nagekomen. […] In zoverre in het bestreden arrest dan ook wordt overwogen dat het er niet toe zou doen wat er gebeurt nadat een contractaanvraag door de exploitant werd ingediend, gaat die lezing manifest in tegen de draagwijdte die de decreetgever aan deze bepaling heeft gegeven en zoals deze volgt uit de parlementaire tekstgeschiedenis”. Bij twijfel van de Raad van State “omtrent de grondwetconforme lezing […] van artikel 73, § 1, tweede lid, 2° OVD”, verzoekt de nv Utexbel volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 73, §1, tweede lid, 2° Omgevingsvergunningsdecreet de artikelen 10, 11 en 12, tweede lid van de Grondwet, in samenhang gelezen met het grondwettelijk beginsel van rechtszekerheid, in zoverre aan artikel 73, §1, tweede lid, 2° Omgevingsvergunningsdecreet een wettelijk vermoeden wordt gegeven, nl. dat de vergunningsvoorwaarde wordt geacht vervuld te zijn vanaf het moment dat de exploitant een aanvraag tot het bekomen van een saneringscontract met Aquafin heeft ingediend, zonder dat het relevant is wat het gevolg is van het indienen van dergelijke contractaanvraag door de exploitant, nu dat niet langer een zaak zou zijn van de omgevingsvergunning, en de exploitant hierdoor wordt blootgesteld aan handhaving, zonder dat artikel 73, §1, tweede lid, 2° Omgevingsvergunningsdecreet voldoende duidt wat de strafrechtelijke VII-40.933-5/15 gevolgen zijn wanneer Aquafin geen gevolg geeft aan een ingediende contractaanvraag?”. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het eerste middel waarin de nv Utexbel “in essentie [argumenteert] dat de voorwaarde tot het sluiten van een saneringscontract met de nv Aquafin onwettig is aangezien deze onuitvoerbaar zou zijn. De uitvoering is naar haar mening immers afhankelijk van de bereidheid van de nv Aquafin om het saneringscontract te ondertekenen, wat onbestaande is gezien de nv Aquafin in haar beroepschrift van 18 april 2018 ondubbelzinning heeft verklaard dat geen bijkomende industriële lozing op de RWZI Ronse door [de nv Utexbel] kan worden toegestaan zolang de uitbreiding van de RWZI Ronse niet volledig is gerealiseerd”.
- Naar luid van artikel 14, § 2, van de RvS-wet treedt de Raad van State als cassatierechter “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat aanvoert “dat de bereidheid in hoofde van Aquafin om een bijkomend saneringscontract te sluiten onbestaande is”, is niet ontvankelijk omdat de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf kan treden.
- Luidens artikel 72 OVD kan de bevoegde overheid, met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, verplichtingen en de toepassingsregels ervan, bepaald bij of krachtens het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit afhankelijk stellen van de naleving van bijzondere milieuvoorwaarden. Artikel 73, § 1 OVD bepaalt: VII-40.933-6/15 “§
- De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72, bevatten de bijkomende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de mens en het milieu tegen onaanvaardbare risico’s en hinder afkomstig van de exploitatie. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen onder meer bestaan uit een verplichting: [...] 2° om lastens de exploitant een saneringscontract als vermeld in artikel 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging af te sluiten. Het afsluiten van dat saneringscontract kan verwezenlijkt worden door toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere regels vast”. Luidens de in het geding toepasselijke versie van artikel 32septies, § 4 en § 5 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Wet Oppervlaktewateren) sluit de nv Aquafin “wanneer de exploitant dit vraagt of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract af te sluiten, een saneringscontract af met de exploitant”. De verplichting, als bijzondere milieuvoorwaarde, om lastens de exploitant een saneringscontract af te sluiten, heeft de decreetgever “ontleend aan artikel 20bis van het Milieuvergunningsdecreet, ingevoegd bij decreet van 21 december 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2013” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. é4/1, 52). De verplichting tot het sluiten van een saneringscontract als bijzonder milieuvoorwaarde, wordt in de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt: “In specifieke gevallen worden bedrijven via de milieuvergunning verplicht om voor de sanering van hun afvalwater een saneringscontract af te sluiten met de nv Aquafin. In deze contracten wordt onder andere de aanrekening van specifieke kosten, meldingsprocedure voor noodlozingen, de bufferwerking enzovoort, concreet geregeld. VII-40.933-7/15 Het afsluiten van de verschillende saneringscontracten in hoofde van de nv Aquafin is voorzien in de nieuw ingevoegde paragrafen 4 en 5 van artikel 32septies. Het opleggen van een verplichting tot het afsluiten van een saneringscontract door het bedrijf als een bijzondere voorwaarde in de milieuvergunning is een mogelijkheid in hoofde van de vergunningverlenende overheid. Deze bijzondere voorwaarde brengt tevens verplichtingen met zich mee voor de nv Aquafin. Daarom is het nodig wettelijk te regelen dat het bedrijf in de mogelijkheid is om een dergelijk contract af te sluiten door zelf inspanningen te leveren, maar ook dat de nv Aquafin gehouden is haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het contract. Door de voorgestelde toevoeging in artikel 32septies, §2, wordt de bestaande opdracht van de nv Aquafin uitgebreid met de verplichte medewerking aan het afsluiten van saneringscontracten. […] Het afsluiten van een saneringscontract wordt verplicht opgelegd aan het bedrijf via de milieuvergunning. Om te vermijden dat het bedrijf afhankelijk is van een derde partij, in casu de nv Aquafin, wordt een duidelijk kader gecreëerd waardoor het afsluiten van een saneringscontract verwezenlijkt kan worden. Dit kader omvat onder andere de verplichte medewerking van de nv Aquafin en de dwingende bepalingen met betrekking tot het modelcontract die in de nieuw toegevoegde paragrafen worden vastgelegd. Hierdoor is het contract bereikbaar voor het bedrijf. Ook de nv Aquafin kan het initiatief nemen om op basis van de milieuvergunning een contract voor te leggen aan het bedrijf. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunning ligt evenwel bij het bedrijf, dus ook voor wat het afsluiten van een saneringscontract betreft”. (Parl.St. Vl.Parl. 2012-13, nr. 1752/1, 29). Luidens artikel 74, tweede lid, OVD moeten bijzondere milieuvoorwaarden “kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager, bouwheer, gebruiker of exploitant”.
- Uit de aangehaalde bepalingen volgt dat het afsluiten van een saneringscontract dat als bijzondere milieuvoorwaarde bij de vergunningverlening is opgelegd, door toedoen van de exploitant kan verwezenlijkt worden en dat in voorkomend geval de nv Aquafin de wettelijke verplichting tot medewerking heeft. Het middel dat ervan uitgaat dat de bijzondere milieuvoorwaarde bij toepassing van artikel 73, § 1, tweede lid, 2°, OVD niet kan verwezenlijkt worden door de exploitant, faalt naar recht. VII-40.933-8/15
- Het bestreden arrest verwerpt het eerste middel van de nv Utexbel op volgende gronden: - uit de aangehaalde bepalingen van het omgevingsvergunningsdecreet blijkt dat de voorwaarde van een saneringscontract, dat de participatie regelt van de nv Utexbel in de realisatie van de uitbreiding van de RWZI Ronse, op grond van de toepasselijke regelgeving kan worden opgelegd en aldus op zich geen onwettige voorwaarde vormt; - uit dezelfde bepalingen blijkt evenzeer dat het afsluiten van een saneringscontract door toedoen van de nv Utexbel kan worden verwezenlijkt, en met name door zelf de procedure op te starten overeenkomstig artikel 22 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie; - de nv Utexbel toont niet aan dat de nv Aquafin de voorwaarde niet zou (kunnen) naleven dan wel hiertoe niet bereid zou zijn en de mate waarin de nv Aquafin onwillig zou zijn zich te conformeren aan de procedure voorzien in voormeld besluit van de Vlaamse regering van 21 februari 2014 is niet aan de orde bij het verlenen van de vergunning zelf; - uit de aangehaalde bepalingen van de wet oppervlaktewateren blijkt dat de nv Aquafin de taak heeft om saneringscontracten af te sluiten met een exploitant wanneer dit als bijzondere voorwaarde in de omgevingsvergunning werd opgenomen en wanneer de nv Aquafin dit zou weigeren dan verzuimt zij aan haar wettelijke verplichting en stelt ze zich bloot aan eventuele handhavingsmaatregelen van haar economische toezichthouder.
- Gelet op deze overwegingen mist het middel feitelijke grondslag in zoverre het aanvoert dat het bestreden arrest aan artikel 73, § 1, tweede lid, 2° OVD een wettelijk vermoeden geeft “in zoverre de vergunningsvoorwaarde wordt geacht vervuld te zijn vanaf het moment dat de aanvraag tot het bekomen van een saneringscontract met Aquafin door de exploitant is ingediend, zonder dat het er toe doet wat er nadien gebeurt, en wat het gevolg is van het indienen van dergelijke contractaanvraag door de exploitant” en om die reden “de draagwijdte van het wettelijk begrip vervulbaarheid van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde VII-40.933-9/15 van artikel 73, § 1, tweede lid, 2° OVD tot het bekomen van een saneringscontract” schendt. Om dezelfde reden is er geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de nv Utexbel
- De nv Utexbel voert de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het vierde middel van de nv Utexbel. Zij betoogt dat de RvVb in de bestreden omgevingsvergunning zaken leest “die er manifest niet in staan en daarmee diametraal in strijd zijn”, en aldus die akte “doet liegen”. Om het vierde middel af te wijzen heeft het bestreden arrest “de twee alternatieven die in het vergunningenbesluit dd. 9 november 2018 worden opgelegd, nl. het zelf voorzien in een tijdelijke volledige zuiveringsinstallatie in afwachting van aansluiting op de collector Molenbeek dan wel het afvoeren van het bedrijfsafvalwater naar een erkend verwerker, […] loutere suggesties zouden zijn indien [de nv Utexbel] niet akkoord zou gaan met de voorwaarde om tijdelijk een bijkomend saneringscontract met Aquafin te sluiten [...] De [RvVb] heeft hiermee evenwel een lezing gegeven aan voormelde overwegingen inzake de alternatieve pistes wanneer aansluiting op de collector Molenbeek niet onmiddellijk zou kunnen, die evenwel niet in het vergunningenbesluit te lezen VII-40.933-10/15 staan. […] Aangezien verdere lozing in het oppervlaktewater van de Molenbeek middels de vergunning uitdrukkelijk wordt geweigerd, dienen voormelde in de vergunning aangereikte alternatieven wel degelijk opgevat te worden als tijdelijke oplossingen die het bedrijf moet nemen, tot wanneer definitief kan aangesloten worden op de collector Molenbeek, waarvoor echter een afzonderlijk, ander saneringscontract vereist is, zoals bepaald in de vergunningsvoorwaarden […]”. Beoordeling 13 De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de RvVb die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet. 14 Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het vierde middel waarin de nv Utexbel verwijst “naar de twee alternatieven die in de bestreden beslissing worden vermeld in geval ze niet akkoord zou gaan om een saneringscontract af te sluiten met de nv Aquafin” waarvan één ervan “het zelf voorzien in een tijdelijke volledige zuiveringsinstallatie in afwachting van de aansluiting op de collector Molenbeek” is dat volgens de nv Utexbel “vergunningsplichtig is zodat de [Vlaamse regering] de stedenbouwkundige handelingen voor de inrichting ervan had moeten beoordelen en mee had moeten vergunnen”.
- Het bestreden arrest verwerpt het middel en overweegt: “Vastgesteld moet worden dat het alternatief van de tijdelijke volledige waterzuivering door [de nv Utexbel] zelf niet wordt opgelegd door de [Vlaamse regering], maar louter gesuggereerd wordt in geval [de nv Utexbel] niet akkoord zou gaan met de voorwaarden in de bestreden beslissing, en dit VII-40.933-11/15 in kader van het antwoord op het verzoek in beroep van [de nv Utexbel] om tijdelijk verder te kunnen blijven lozen in de Molenbeek. In de eerste plaats vergunt de [Vlaamse regering] aldus de aansluiting op de collector Molenbeek onder voorwaarde van het bekomen van een saneringscontract met de nv AQUAFIN. [De nv Utexbel] duidt de mogelijke oplossingen opgegeven in de bestreden beslissing overigens zelf aan als ‘alternatieven’. Daarnaast, in tegenstelling tot wat [de nv Utexbel] lijkt aan te nemen en onafgezien de vraag of de betrokken handelingen vergunningsplichtig zijn, dient de [Vlaamse regering] niet alle mogelijke scenario’s te vergunnen, of alternatieven te onderzoeken voor het geval de vergunning niet wordt nageleefd. De [Vlaamse regering] dient niet te motiveren waarom niet geopteerd wordt voor vermelde alternatieven. [De nv Utexbel] laat na aan te duiden op basis van welke regelgeving dit verplicht zou zijn. Een eventueel gebrekkig onderzoek van deze alternatieven, die allerminst als dragende motieven kunnen worden aangeduid en in essentie overtollig zijn, kan dan ook op zich niet leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. Los van het feit dat de [Vlaamse regering] niet verplicht is alternatieve oplossingen voor het probleem van de aansluiting op de collector Molenbeek te onderzoeken, moet vastgesteld worden dat de [Vlaamse regering] op grond van een uitvoerige en zorgvuldige beoordeling van gegevens van de zaak tot het besluit is gekomen dat het afsluiten van een bijkomend saneringscontract met de nv AQUAFIN, met als doel de realisatie van de uitbreiding van de RWZI Ronse mogelijk te maken en te versnellen, de meest aangewezen oplossing biedt voor het probleem van de afvoer van het bedrijfsafvalwater van [de nv Utexbel]. [De nv Utexbel] slaagt er niet in, gelet op de inhoud van haar betoog in het eerste en tweede middel, aan te tonen dat de betrokken beoordeling kennelijk onredelijk is, dan wel gesteund zou zijn op foutieve gegevens”.
- Met het hiervoor aangehaalde oordeel trekt de RvVb de feitelijke en juridische gevolgen uit de bestreden vergunningsbeslissing. Door aldus te oordelen miskent de RvVb niet de bewijskracht van de akte.
- Het tweede middel wordt verworpen. VII-40.933-12/15 C. Derde middel Standpunt van de nv Utexbel
- De nv Utexbel voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste en het vierde middel van de nv Utexbel Zij betoogt dat het bestreden arrest haar grieven in haar eerste en vierde middel, “met name dat het vergunningenbesluit dd. 9 november 2018 neerkomt op een verkapte algehele weigeringsbeslissing omwille van onuitvoerbare vergunningsvoorwaarden (i.e. de voorwaarde van het bijkomend saneringscontract met Aquafin) en de in het vergunningenbesluit voorgestelde tijdelijke alternatieven/oplossingen (i.e. tijdelijke zelfzuivering of afvoer naar een erkend verwerker) ten onrechte niet mee beoordeeld noch vergund werden in het vergunningenbesluit” verwerpt. Zij vervolgt: “[…] In het bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt ter weerlegging van het eerste middel geoordeeld dat er geen sprake zou zijn van een algehele verkapte weigeringsbeslissing door onuitvoerbare vergunningsvoorwaarden (zie blz. 21 e.v.). De bestuursrechter komt tot dit oordeel op grond van de overweging dat het zou volstaan de procedure tot het aanvragen van een saneringscontract met Aquafin op te starten in toepassing van artikel 73, §1, tweede lid, 2° OVD (zie eerste middel: wettelijk vermoeden inzake het begrip vervulbaarheid vergunningsvoorwaarde m.b.t. het saneringscontract). […] Ter weerlegging van het vierde middel, nl. dat verwerende partij ten onrechte geen vergunning heeft verleend voor de in het vergunningenbesluit aangereikte alternatieve oplossingen, nl. de tijdelijke zelfzuivering door het bedrijf (of afvoer naar een erkend verwerker), tot wanneer een afzonderlijk, ander saneringscontract met Aquafin is afgesloten opdat kan aangesloten worden op de collector Molenbeek en opdat derhalve verder kan geëxploiteerd worden in uitvoering van de verleende omgevingsvergunning, wordt in het bestreden arrest geoordeeld dat die werkwijze van de minister slechts een suggestie zou zijn, en derhalve geen vergunningsvoorwaarde, VII-40.933-13/15 zodat deze stedenbouwkundige handelingen niet mee beoordeeld noch vergund moesten worden (blz. 39). […] Derwijze motiveert het bestreden arrest op tegenstrijdige wijze de verwerping van de grief in het eerste middel inzake het disproportioneel en onuitvoerbaar karakter van de vergunningsvoorwaarde van het bijkomend saneringscontract, aangezien de grief in het vierde middel inzake de onuitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning voor de tijdelijke zelfzuivering door het bedrijf als tijdelijk alternatief, wanneer een afzonderlijk, ander saneringscontract met Aquafin niet gaat, wordt verantwoord door de niet-afdwingbaarheid van deze werkwijze omwille van het suggestieve karakter ervan”. Beoordeling
- Het bestreden arrest dat het eerste middel van de nv Utexbel verwerpt na het besluit dat de nv Utexbel niet “aannemelijk maakt dat de [Vlaamse regering] onjuist of op kennelijk onredelijke wijze handelde door de voorwaarden van het bekomen van een saneringscontract met de nv Aquafin op te leggen” en het vierde middel van de nv Utexbel verwerpt na te hebben overwogen “dat het alternatief van de tijdelijke volledige waterzuivering door [de nv Utexbel] zelf niet wordt opgelegd door de [Vlaamse regering], maar louter gesuggereerd wordt in geval [de nv Utexbel] niet akkoord zou gaan met de voorwaarden in de bestreden beslissing, en dit in het kader van het antwoord op verzoek in beroep van [de nv Utexbel] om tijdelijk verder te kunnen blijven lozen in de Molenbeek”, is niet tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-40.933-14/15
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.933-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div