id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.849 Rolnummer: A. 231549/VII-40898 Zaak: Arrest 250849 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-17 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.849 van 10 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.849 van 10 juni 2021 in de zaak A. 231.549/VII-40.898 In zake : de NV EMPRO EUROPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van Den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-UDN-1920-1048 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 24 juli 2020 in de zaak 1920-RvVb-0692-UDN. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 oktober
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.898-1/5 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lennart Nijs, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bram Van Den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij ministerieel besluit van 9 juli 2020 schorst de Vlaamse regering “de vergunningen van de [nv Empro Europe], verleend bij besluiten van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 29 maart 2012, 14 augustus 2014, 29 januari 2015, 6 juni 2016 en 20 december 2018, voor de exploitatie van een productiebedrijf voor dierlijke eiwitten, voor een periode van minstens drie maanden”. VII-40.898-2/5 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de nv Empro Europe tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden ministeriële beslissing omdat een eerste vordering van laatstgenoemde bij arrest nr. RvVb-UDN-1920-1048 van 24 juli 2020 door de RvVb werd verworpen “omdat geen van de acht middelen als ernstig aangenomen werd” en derhalve de ontvankelijkheidsvoorwaarde in artikel 40, § 6 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges om een nieuwe vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen niet is vervuld. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid 4.
- De verwerende partij betwist het actueel belang van de verzoekende partij. De periode van 3 maanden in het voor de RvVb bestreden schorsingsbesluit is inmiddels verstreken “en werd ook effectief opgeheven op 11 oktober 2020” bij beslissing van 7 oktober 2020 van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving. Een gebeurlijk nieuw onderzoek van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid door de RvVb kan niets meer wijzigen aan de opgelegde schorsingsperiode. In het kader van haar vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft de verzoekende partij aldus geen belang meer bij het huidig cassatieberoep. 4.
- De verzoekende partij betwist de exceptie onder aanvoering van rechtspraak van de Raad van State en houdt voor een moreel belang te hebben. 4.
- De verwerende partij wijst er ter terechtzitting op dat de vordering van de nv Empro Europe tot vernietiging van de in randnummer 3.
- vermelde ministeriële beslissing bij arrest nr. RvVb-A-2021-0429 van 17 december 2020 klaarblijkelijk onontvankelijk werd verklaard door de RvVb. VII-40.898-3/5 Beoordeling 4.
- De voorwaarde van het belang bij een cassatieberoep bestaat hierin dat een verzoekende partij, na een gebeurlijke vernietiging van de door hem bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door de RvVb. Het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State moet niet enkel bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen. Daarenboven moet een verzoekende partij wier belang in de loop van het geding op grond van relevante gegevens in vraag wordt gesteld, daarover standpunt innemen en het behoud van haar belang aantonen. 4.
- De verzoekende partij komt niet verder dan het aanvoeren van een belang bij een vernietiging van een bestuursbeslissing waarvan de geldingsduur is verstreken. Zij laat evenwel na aan te tonen dat zij bij vernietiging van het bestreden arrest voordeel kan putten uit een nieuw onderzoek door de RvVb van haar nieuwe vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden ministeriële beslissing. 4.
- De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een VII-40.898-4/5 rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.898-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div