← België

Arrest 250850 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.850 Rolnummer: A. 231213/VII-40868 Zaak: Arrest 250850 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-17 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.850 van 10 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.850 van 10 juni 2021 in de zaak A. 231.213/VII-40.868 In zake : de NV JONCKVANSTEEN WEVERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Vanden Berghe kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE ZONNEBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacky D’Hoest kantoor houdend te 8310 Assebroek (Brugge) Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van Den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0864 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 26 mei 2020 in de zaak 1718-RvVb-0658-A. VII-40.868-1/16 “Voor zoveel als nodig” wordt met hetzelfde verzoekschrift ook cassatieberoep ingesteld tegen arrest nr. RvVb-A-1920-0865 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 26 mei 2020 in de zaak 1718-RvVb- 0661- A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 september
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Vlaamse gewest heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 oktober
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-40.868-2/16 III. Feiten 3.
  6. Bij besluit van 9 april 2018 verleent de Vlaamse regering aan de nv Jonckvansteen Weverij (hierna: Jonckvansteen) een omgevingsverguning “voor de bouw en de exploitatie van één windturbine (WT2)” en weigert dezelfde regering een omgevingsvergunning “voor een andere windturbine (WT1)”. 3.
  7. Het bestreden arrest nr. RvVb-A-1920-0864 vernietigt op vordering van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke, na de gegrondverklaring van het eerste onderdeel van het eerste middel, voormelde vergunningsbeslissing en weigert de aangevraagde omgevingsvergunning voor de bouw en de exploitatie van twee windturbines. Het bestreden arrest nr. RvVb-A-1920-0865 verwerpt de vordering van Degrauwe-Reynaert tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing “bij gebrek aan voorwerp” na de vaststelling dat deze vergunningsbeslissing met het eerste bestreden arrest werd vernietigd. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tegen het tweede bestreden arrest 4.
  8. Luidens artikel 3, § 2, 9° van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak wordt miskend. VII-40.868-3/16 4.
  9. Jonckvansteen formuleert drie middelen tegen het eerste bestreden arrest. Zij formuleert geen middelen tegen het tweede bestreden arrest. 4.
  10. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het tweede bestreden arrest is het onontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen tegen het eerste bestreden arrest A. Eerste middel Standpunt van Jonckvansteen
  11. Jonckvansteen voert de schending aan van artikel 1.1 van het bij besluit van 19 mei 2006 van de Vlaamse regering definitief vastgestelde Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan “Historisch gegroeid bedrijf Jonckvansteen nv” (hierna: GRUP) “Eerste onderdeel Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) in het bestreden arrest RvVb-A-1920-0864 van oordeel is dat er geen sprake is van een nevenactiviteiten binnen het GRUP omdat de windturbine ‘geen kleine of middelgrote installatie’ is maar een ‘installatie met industriële kenmerken’ terwijl art. 1.
  12. van het GRUP nergens de restrictie bevat dat een installatie in nevenbestemming maar ‘klein of middelgroot zou mogen zijn of ‘geen industriële kenmerken’ zou mogen vertonen en enkel bepaalt: ‘nevenactiviteiten zijn enkel toegelaten in zoverre deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeid bedrijf’ en, het tweede onderdeel Doordat in het bestreden arrest RvVb-A-1920-0864 ‘noodzakelijke’ activiteiten worden opgevat als activiteiten die ofwel voortspruiten uit ‘enige reglementaire of dwingende ruimtelijke of sectorale regeling die het bedrijf verplicht om te voorzien in haar eigen energiebehoefte’ ofwel activiteiten zijn die voor het bedrijf ‘van vitaal belang’ zijn in de zin dat de ‘(verdere) exploitatie van de historisch gegroeide weverij en spinnerij valt of staat met de aan-of afwezigheid van een eigen energieopwekking’. VII-40.868-4/16 Terwijl het [G]RUP die restrictie niet bevat en het in de eerste plaats aan de exploitant is om te oordelen of een constructie of activiteit voor het bedrijf ‘noodzakelijk’ is”. Over het eerste onderdeel licht zij toe dat het bestreden arrest “het begrip nevenbestemming van het [G]RUP” schendt door “een voorwaarde toe [te voegen] aan het [G]RUP die het [G]RUP zelf niet bevat” aangezien 1) de in het GRUP niet gedefinieerde “nevenactiviteit een activiteit is die ‘van ondergeschikt belang is in vergelijking met de (hoofd-)activiteit’” en de “hoofdzaak” van haar bedrijf “onbetwist het weven en spinnen” is “en de voorziene energieopwekking […] hier ook aan ondergeschikt” is, en 2) het “groot en zichtbaar aanwezig zijn in het landschap” niet belet “dat het opwekken van windenergie middels deze [wind]turbines” een nevenactiviteit kan zijn. “Dat het opwekken van windenergie een industriële activiteit is vormt evenmin een beletsel dat het om een nevenactiviteit gaat” aangezien het GRUP het gebied bestemt “tot bedrijventerrein” en het is dan “logisch dat de nevenactiviteiten een industrieel karakter hebben […]. […] Het bestreden arrest vermocht het industrieel karakter ‘an sich’ van windturbine dus niet te beschouwen als een legaliteitsbeletsel. […] de beslissing van de minister […] dat windturbines, in geval van stopzetting van activiteiten van de weverij en/of spinnerij ‘voort kunnen blijven functioneren en desgevallend andere activiteit of een distributienet kunnen bevoorraden’ doet daar niet anders over oordelen. De overweging van de minister betrof een obiter dictum dat ook zonder meer juist is: de windturbines kunnen desnoods na stopzetting van Jonckvansteen een nieuwe bestemming krijgen. Enkel zal dan een nieuw [G]RUP moeten aangenomen worden […]. Het bestreden arrest gaat er al van uit dat deze bepaling niet zal worden gerespecteerd bij een eventuele stopzetting van Jonckvansteen. Dit is voorbarig. Bij een stopzetting van de spinnerij en weverij- activiteiten van Jonckvansteen blijft de windturbine vergund maar wordt zij eventueel zonevreemd […] Dit gegeven kan eventueel een opportuniteitsreden vormen om nu […] de vergunning voor de windturbine niet af te leveren of er de geldigheidsduur van te beperken in de tijd. Maar deze kwestie vermocht de [RvVb] er niet te doen besluiten dat er (nu reeds) een legaliteitsprobleem zou zijn met de aanvraag. De aanvraag is momenteel […] niet in strijd met het [G]RUP”. Evenmin kan “de opmerking van de [RvVb] dat de opstellers geen windturbines voor ogen VII-40.868-5/16 hadden gelet op de beperkte maatvoering die het [G]RUP voorziet, […] overtuigen om te doen aannemen dat een windturbine geen toegelaten nevenactiviteit zou zijn. De voorschriften van het GRUP zijn bedoeld voor gebouwen en niet voor technische installaties. […] Als men aanvaardt dat een windturbine ‘noodzakelijk’ is voor de bedrijfsvoering […] vormt de bouwenveloppe van het [G]RUP geen belemmering voor vergunning. Doordat het [G]RUP zelf in de mogelijkheid van uitzonderingen voorziet, geldt in dergelijke gevallen ook niet de rem dat enkel ‘beperkte’ uitzonderingen op een [G]RUP mogelijk zijn”. Over het tweede onderdeel licht zij toe dat het bestreden arrest “daarnaast ‘ten overvloede’ [oordeelt] dat zelfs als opwekking van windenergie een toegelaten nevenactiviteit zou zijn, die nevenactiviteit niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van Jonckvansteen” en dat de RvVb “een onwettige toepassing heeft gemaakt van de voorschriften van het [G]RUP. De opvatting dat er maar van ‘noodzaak’ sprake is wanneer er, hetzij een reglementaire of dwingende ruimtelijke of sectorale regel is die [Jonckvansteen] verplicht een eigen energiebehoefte te voorzien, hetzij de windturbines van ‘vitaal belang’ zijn voor het productieproces holt het nut van een [G]RUP voor een historisch gegroeid bedrijf ernstig uit. Het staat buiten kijf dat het GRUP werd aangenomen teneinde [Jonckvansteen] ontwikkelingsmogelijkheden te geven. […] Het GRUP voorziet uitdrukkelijk dat ook toekomstige bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn. […] Voor het behoud van de bedrijfsactiviteiten op dit adres is het van belang dat het bedrijf kan evolueren, niet enkel in productieoppervlakte en productieprocessen, maar ook in ondersteunende technieken en energiebevoorrading. Weliswaar kan het bij een GRUP voor een historisch gegroeid bedrijf nooit de bedoeling zijn dat het bedrijf via nieuwe activiteiten denatureert naar een overwegend nieuw bedrijf met andersoortige bedrijfsactiviteiten of naar een zone waar bijkomende zelfstandige bedrijfsactiviteit tot stand komt […]. Daargelaten […] stond het bij de RvVb buiten kijf dat de windturbines die [Jonckvansteen] nastreeft volledig ondersteunend zijn voor het historisch gegroeid bedrijf […]. Het komt in de eerste plaats toe aan het bedrijf zelf toe om te bepalen welke activiteiten ‘noodzakelijk’ zijn voor het behoud en de uitbreiding van het bedrijf volgens het GRUP. […]. De opvattingen inzake de vereiste van ‘noodzakelijkheid’ van de nevenactiviteiten voor de VII-40.868-6/16 hoofdactiviteiten zoals de RvVb die huldigt, zijn te streng en schenden het [G]RUP. […] De RvVb vermocht niet wettig te oordelen dat er geen noodzakelijkheid aan de hand is indien nevenactiviteiten ‘enkel van economisch belang zijn’ […]. Deze economische realiteit kan wel degelijk een element van voldoende ‘noodzaak’ zijn. Het is ook manifest onjuist vanwege de [RvVb] om van oordeel te zijn dat een windturbine op Jonckvansteen geen ‘ruimtelijk of ander algemeen belang’ zou dienen […]. De [RvVb] gaat met dit oordeel volledig voorbij aan het gegeven dat met een windturbine energie milieuvriendelijk wordt opgewekt, zonder inzet van kerncentrales of verbranding van fossiele grondstoffen […] Het is een onjuiste, minstens onvolledige benadering om te stellen dat voorzien in een eigen energiebehoefte enkel het economisch belang van het bedrijf zou dienen”. Beoordeling
  13. Artikel 1.1 van het GRUP bepaalt: “Artikel
  14. Zone voor bedrijfsactiviteiten van historisch gegroeid bedrijf Artikel 1.
  15. Deze zone is bestemd voor het behoud en de uitbreiding van de huidige historisch gegroeide bedrijfsactiviteiten (weverij en spinnerij) aan de Westrozebekestraat 45 te Zonnebeke. Nevenactiviteiten zijn enkel toegelaten in zoverre deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeid bedrijf. Detailhandel is niet toegelaten met uitzondering van een periodieke fabrieksverkoop. De bestaande, stedenbouwkundig vergunde bedrijfswoningen kunnen behouden bleven. Indien de huidige bedrijfsactiviteiten worden stop gezet, geldt de nabestemming reservegebied voor economische activiteiten. Op basis van een uitgewerkte visie wordt aan de hand van een ruimtelijk uitvoeringsplan op gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau beslist over de inrichting van dit reservegebied. In afwachting van de goedkeuring van dergelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kunnen geen stedenbouwkundige vergunningen worden verleend na de stopzetting van de bedrijfsactiviteiten”. Het verordenend stedenbouwkundig voorschrift bestemt de zone tot de historisch gegroeide weverij en spinnerij. Naast deze exclusief toegelaten hoofdactiviteit laat het voorschrift onder de gestelde voorwaarden VII-40.868-7/16 nevenactiviteiten toe. De stopzetting van de hoofdactiviteit doet van rechtswege “de nabestemming reservegebied voor economische activiteiten” gelden. De stopzetting van de hoofdactiviteit impliceert de stopzetting van de eventueel in het kader van die hoofdactiviteit toegelaten nevenactiviteit. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  16. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In zoverre het middel de Raad van State noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van de door het college van burgemeester en schepenen aangevoerde schending door de bestreden beslissing van de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP en de replieken van Jonckvansteen, is het onontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
  17. Het middel gaat in zijn beide onderdelen terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het eerste onderdeel van het eerste middel waarin het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke “in essentie aan[voert] dat de aanvraag strijdig is met de voorschriften van het” GRUP.
  18. Er is geen betwisting tussen partijen over de overweging in het bestreden arrest dat

(1)de in het GRUP “toegelaten nevenactiviteiten […] niet VII-40.868-8/16 alleen rechtstreeks verbonden [moeten] zijn met de hoofdactiviteit (spinnerij en weverij) maar […] ook noodzakelijk [moeten] zijn voor de bedrijfsvoering van het bedrijf Jonckvansteen” en dat “het begrip ‘nevenactiviteiten’ niet verder [wordt] gespecifieerd en […] evenmin nader [wordt] ingegaan op de ‘noodzakelijkheidsvoorwaarde’”,
(2)“de inrichtingsvoorschriften van het [GRUP] voorzien in een beperkte maatvoering, die niet laat vermoeden dat de opsteller van het GRUP de oprichting van grote installaties, zoals de gevraagde windturbine, met een maximale ashoogte van 108 meter, heeft beoogd” en
(3)“[i]nstallaties voor het opwekken van energie door windturbines […] niet uitdrukkelijk als nevenactiviteit in het GRUP [staan] vermeld”.
  1. Het bestreden arrest neemt aan dat de aangevraagde exploitatie van de windturbines “in beginsel gerelateerd kan zijn aan de toegelaten bedrijfsvoering” aangezien uit het aanvraagdossier blijkt dat “de gevraagde windturbines bedoeld [zijn] om te voorzien in de eigen energiebehoeften van de weverij en spinnerij omdat dit energie-intensieve activiteiten betreft”. Het bestreden arrest besluit evenwel “dat het opwekken van energie door de oprichting van de windturbine(s) van industriële omvang, zoals aangevraagd […] niet als nevenactiviteit in de zin van artikel 1.1, tweede lid [GRUP] kan worden gekwalificeerd” op grond van volgende overwegingen: - de gevraagde windturbines met “een vermogen van maximum 4MWh/turbine, een ashoogte van maximum 108 meter (rotordiameter maximum 114 meter), en een energieopbrengst geschat op 5.000 MWh op jaarbasis per turbine”, wat volgens Jonckvansteen zou “overeenstemmen met een energieopbrengst die zelfs meer is dan het benodigde voor de bediening van de gehele gemeente Zonnebeke”, zijn “geen kleine of middelgrote installaties […], maar installaties met industriële kenmerken”, - de overweging in de bestreden vergunningsbeslissing dat “‘de windturbines, ook in geval van stopzetting van activiteiten van de weverij en/of spinnerij, voort kunnen blijven functioneren en desgevallend andere activiteiten of het distributienet kunnen bevoorraden’ […] miskent het feit dat het GRUP specifiek voor het historisch gegroeid bedrijf Jonckvansteen nv opgesteld is” aangezien een VII-40.868-9/16 nevenactiviteit “zonder meer het lot [volgt] van de duidelijk afgebakende hoofdactiviteit en […] zelfs na stopzetting van de weverij en spinnerij, niet verder [kan] blijven bestaan als autonome activiteit of ‘nieuwe’ hoofdactiviteit”.
  2. Door aldus te oordelen en te besluiten dat “de oprichting van twee industriële windturbines […] niet in aanmerking komt als een ‘nevenactiviteit’ die onverkort verbonden is en blijft aan de hoofdactiviteit weven en spinnen”, voegt het bestreden arrest geen voorwaarde toe aan het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 1.1 van het GRUP. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
  3. Het bestreden arrest besluit “in de hypothese dat het aangevraagde in beginsel moet worden erkend als ‘nevenactiviteit’ […] dat deze activiteit in het voorliggend dossier niet ‘noodzakelijk’ is voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeid bedrijf Jonckvansteen nv” op grond van volgende overwegingen: - het is “niet betwist dat de aanvraag tot het oprichten van windturbines niet ingegeven is vanuit reglementaire of dwingende ruimtelijke of sectorale regeling die het bedrijf verplicht om te voorzien in haar eigen energiebehoefte”; - de (verdere) exploitatie van de historisch gegroeide weverij en spinnerij staat of valt niet met de aan- of afwezigheid van een eigen energieopwekking; - de windturbines zijn volgens de aanvraag en het beroepschrift enkel van economisch belang, namelijk een optimalisatie van de bedrijfskosten; - de elementen van het aanvraagdossier die duidelijk maken “dat één windturbine slechts 40% of 50% van de energiebehoefte kan dekken […] zijn loutere feitelijke gegevens die geen ‘noodzaak’ onderbouwen”; - het beoogde ‘economisch’ voordeel is “veel lager dan wat men in de aanvraag voorhoudt”. Het bestreden arrest vervolgt dan: VII-40.868-10/16 “De [RvVb] stelde […] vast dat de oprichting van twee windturbines louter vanuit ‘economisch’ oogpunt is ingegeven en enkel gericht is op het optimaliseren van de bedrijfsopbrengsten van [Jonckvansteen], en geen ruimtelijk of ander algemeen belang dient. Het kunnen voorzien in eigen energiebehoefte, als alternatief voor de bestaande (duurdere) energielevering, dient in deze alleen het economisch belang van het bedrijf Jonckvansteen nv en is niet ‘noodzakelijk’ voor de (verdere) bedrijfsvoering. De oprichting van een industriële windturbine (WT2) valt niet onder de toegelaten ‘noodzakelijk nevenactiviteiten’ in de zin van de bestemmingsvoorschriften van het [GRUP]. De [Vlaamse regering] heeft bovendien ten onrechte, en op zeer beperkte wijze, besloten dat aan het noodzakelijkheidscriterium is voldaan”.
  4. Het middel dat stelt dat het bestreden arrest steunt op de “opvatting dat er maar van ‘noodzaak’ sprake is wanneer er, hetzij een reglementaire of dwingende ruimtelijke of sectorale regel is die [Jonckvansteen] verplicht een eigen energiebehoefte te voorzien, hetzij de windturbines van ‘vitaal belang’ zijn voor het productieproces”, mist feitelijke grondslag. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van Jonckvansteen
  5. Jonckvansteen voert de schending aan van artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), het beginsel van de scheiding der machten, de rechten van verdediging “in samenhang met” artikel 1.1 van het GRUP: “Doordat de RvVb zich in arrest nr. A/1920/0864 in de plaats stelt van het Vlaamse Gewest terwijl de nieuw te nemen beslissing geen gevolg is van een gebonden bevoegdheid; Doordat voor de Raad geen verdediging is kunnen gevoerd worden omtrent de verenigbaarheid van de aanvraag met de hoofdbestemming van de zone (‘de zone is bestemd voor het behoud en de uitbreiding van de huidige VII-40.868-11/16 historische gegroeide bedrijfsactiviteiten (weverij en spinnerij) aan de Westrozebekestraat 45 te Zonnebeke’)”. Zij betoogt dat het bestreden arrest “in zijn algemeenheid ook een windturbine uit[sluit] als onderdeel van de hoofdactiviteit in het GRUP. […] Daarover is geen discussie gevoerd, onder andere omdat het middel dat [d]oor [het college werd aangevoerd voor de [RvVb] van meet af onduidelijk was”. Het bestreden arrest dat stelt dat het “niet betwist [wordt] dat de hoofdactiviteit volgens de bestemmingsvoorschriften beperkt is tot het spinnen en weven door het op de site historisch gegroeid bedrijf, en niet het (industrieel) opwekken van energie” en dat “[d]e aangevraagde windturbine WT2 […] dus niet verenigbaar [is] met de in het GRUP vastgelegde hoofdbestemming van de bedrijfssite”, “is echter onnauwkeurig of te kort door de bocht. Er is omtrent die kwestie nooit een volwaardig debat kunnen gevoerd worden (omdat de gemeente Zonnebeke voor de [RvVb] ook maar in zeer algemene termen haar eerste middel formuleerde)”. Zij vervolgt dat er niet is op kunnen gewezen worden “dat het [G]RUP werkt met een dubbele onderscheid”: enerzijds het onderscheid “tussen een (hoofd-)bestemming en een nabestemming (het [G]RUP kent geen nevenbestemming)” en “tussen hoofdactiviteiten en nevenactiviteiten”. Zij stelt dat elke activiteit die in redelijkheid kan bijdragen tot het behoud van het weven en spinnen op deze locatie principieel in overeenstemming is met de hoofdbestemming van de zone zodat de RvVb niet kon “stellen dat het ‘niet zou zijn betwist’ dat windturbine WT2 ‘niet verenigbaar is met het in het GRUP vastgestelde hoofdbestemming van de bedrijfssite’. De RvVb heeft daarmee […] een middel gegrond bevonden dat niet - of toch niet met die draagwijdte - door [het college] was opgeworpen. De RvVb […] kon niet in één adem en in de plaats van de vergunningverlenende overheid stellen dat de aanvraag voor wat betreft windturbine 2 moest worden geweigerd ‘omwille van de strijdigheid met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van art. 1 van het GRUP’. De bevoegdheid van het Vlaamse Gewest als vergunningverlenende overheid is in deze niet gebonden”. VII-40.868-12/16 Beoordeling
  6. Het middel gaat terug op de overweging in het bestreden arrest dat
(1)er geen betwisting is tussen partijen dat de hoofdbestemming van het GRUP “specifiek gericht [is] op het bestendigen en de uitbreiding van de weverij- en spinnerijactiviteiten zoals historisch ontwikkeld op de site”,
(2)“de hoofdactiviteit volgens de bestemmingsvoorschriften beperkt is tot het spinnen en weven door het op de site historische gegroeid bedrijf, en niet het (industrieel) opwekken van windenergie,
(3)de “aangevraagde windturbine WT2 […] dus niet verenigbaar is met de in het GRUP vastgelegde hoofdbestemming van de bedrijfssite”. De overweging in het bestreden arrest beantwoordt het eerste onderdeel van het eerste middel waarin het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke “in essentie aan[voert] dat de aanvraag strijdig is met de voorschriften van het” GRUP. 16. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat Jonckvansteen geen verweer heeft gevoerd tegen het middelonderdeel van het college in zoverre het betrekking heeft op strijdigheid van de windturbine WT2 als hoofdactiviteit, met de voorschriften van het GRUP. Het bestreden arrest kon bijgevolg vaststellen dat “niet betwist [wordt] dat de hoofdactiviteit volgens de bestemmingsvoorschriften beperkt is tot het spinnen en weven door het op de site historische gegroeid bedrijf, en niet het (industrieel) opwekken van windenergie”. Derhalve kan het middel dat aanvoert dat
(1)het bestreden arrest “in zijn algemeenheid ook een windturbine uit[sluit] als onderdeel van de hoofdactiviteit in het GRUP”,
(2)de overweging in het bestreden arrest dat “[d]e aangevraagde windturbine WT2 […] dus niet verenigbaar [is] met de in het GRUP vastgelegde hoofdbestemming van de bedrijfssite”, ‘onnauwkeurig of te kort door de bocht’ is, en
(3)er “omtrent die kwestie nooit een volwaardig debat [is] kunnen gevoerd worden”, niet tot cassatie leiden. VII-40.868-13/16
  1. Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel
  2. Jonckvansteen voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC-decreet “doordat de RvVb […] niet antwoordt op de exceptie die [Jonckvansteen] heeft opgeworpen”. Zij licht toe dat zij “de exceptio obscuri libelli [heeft] opgeworpen” tegen het eerste middel van het college en dat het college “geen wederantwoordnota [heeft] ingediend en deze exceptie niet [heeft] betwist” en “geen opheldering omtrent [het] middel [heeft] gegeven”. Zij betoogt dat het bestreden arrest “de exceptie niet [heeft] behandeld […] de middelonderdelen ten gronde [heeft] behandeld en geen voorafgaandelijke excepties [heeft] behandeld. Een gemis aan motivering [maakt] een schending uit van die motiveringsverplichting”. Beoordeling
  3. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat Jonckvansteen een “exceptio obscuri libelli” van het eerste middel van het college heeft aangevoerd dat volgens haar “enkel lijkt te suggereren dat de bestreden beslissing ingaat tegen de stedenbouwkundige voorschriften van het [G]RUP, maar […] de schending van het [G]RUP niet aan[voert], laat staan van enige specifieke bepaling van het [G]RUP”.
  4. Jonckvansteen betwist niet de vaststelling in het bestreden arrest met betrekking tot het standpunt van de partijen dat het college in het eerste middel de schending inroept van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en vervolgens “in essentie aan[voert] dat ook de windturbine WT2 diende geweigerd te worden wegens strijdigheid van de aanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP ‘Historisch VII-40.868-14/16 gegroeid bedrijf Jonckvansteen nv’”. Zij betwist evenmin de samenvatting in het bestreden arrest van de uiteenzetting van het eerste middelonderdeel van het college: “In een eerste middelonderdeel zet ze uiteen dat de windturbine WT2 volgens het betreffend GRUP gelegen is in een ‘zone voor bedrijfsactiviteiten van een historisch gegroeid bedrijf’. Ze citeert de bestemmingsvoorschriften die voor deze zone gelden, met benadrukking dat nevenactiviteiten enkel toegelaten zijn in zoverre ze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeid bedrijf. De verzoekende partij voert aan dat het ‘opwekken van windenergie’ niet tot de kerntaken van het bedrijf behoort aangezien de bedrijfsvoering gericht is op spinnen en weven, en dus niet toelaatbaar is. Ze stelt dat het voorzien in een eigen energieproductie (door windturbines) als nevenactiviteit slechts toelaatbaar is indien dit ‘noodzakelijk’ is voor de bedrijfsvoering. De ‘noodzakelijkheid’ van de oprichting van de windturbines wordt volgens haar niet aangetoond. Bovendien merkt ze op dat de aanvraag uitgaat van de oprichting van twee windturbines om de energiebehoefte te ondervangen, zodat de gesitueerde noodzaak niet kan worden opgevangen door het toelaten van slechts één windturbine (WT2), die slechts een deel van de energiebehoefte kan opvangen”.
  5. Het bestreden arrest zet aldus duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen die de RvVb ertoe brengen om het middel na de uiteenzetting van het standpunt van de partijen enkel nog ten gronde te beoordelen. Door aldus te beslissen is het bestreden arrest niet behept met een gemis aan motivering en schendt het bijgevolg niet artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC-decreet.
  6. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  8. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een VII-40.868-15/16 rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.868-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.