← België

Arrest 250851 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.851 Rolnummer: A. 231404/VII-40882 Zaak: Arrest 250851 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-15 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.851 van 10 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.851 van 10 juni 2021 in de zaak A. 231.404/VII-40.882 In zake :

  1. Mona DEKETELAERE
  2. Gaston SPEYBROUCK
  3. Marc DESCHUTTERE
  4. Pascal HUBINONT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST- VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151B, bus 41 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV RIETVELD BOUWPROJECTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Beleyn en Merlijn De Rechter kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0948 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 23 juni 2020 in de zaak 1819-RvVb-0800-A. VII-40882-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 september
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Rietveld Bouwprojecten heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 oktober
  8. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Tommelein, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Beleyn, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40882-2/6 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten 3.
  11. Bij besluit van 14 maart 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de nv Rietveld Bouwprojecten een omgevingsvergunning “voor het bouwen van een meergezinswoning na sloop van een woning”. 3.
  12. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Samenvattende memorie
  13. Artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. De memorie van wederantwoord van de verzoekende partijen dient dus de vorm te hebben van een samenvattende memorie waarin al hun argumenten op een rij worden gezet. De nakoming van de verplichting die uit deze bepaling voor verzoekende partijen geldt, bepaalt de omvang waarover de Raad van State uitspraak moet doen vermits dit “op basis van de samenvattende memorie” geschiedt. VII-40882-3/6 In het aan dat besluit voorafgaande verslag aan de Koning wordt deze bepaling als volgt toegelicht: “De samenvattende memorie dient de argumenten van het verzoekschrift en van de memorie van wederantwoord als een geordend geheel weer te geven. De verzoekende partij, die moet worden bijgestaan door een advocaat, wordt er aldus toe gebracht een allesomvattend overzicht in te dienen, dat de uiteenzetting van de feiten bevat, haar eventuele antwoorden op excepties van niet-ontvankelijkheid en haar middelen in één enkele, pertinente argumentering. […] Het gevolg van de verplichting om een samenvattende memorie in te dienen is dat de Raad van State in beginsel geen uitspraak meer hoeft te doen op basis van de uiteenzetting van de feiten en middelen vervat in het verzoekschrift.” Het doel van die bepaling is de vereenvoudiging van het onderzoek van het cassatieberoep door het de Raad van State mogelijk te maken uitspraak te doen op basis van één enkel procedurestuk van een verzoekende partij, met name de samenvattende memorie. Deze bepaling werd nodig geacht gezien de beperkte tijd waarover de Raad van State beschikt om over toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen uitspraak te doen, en de voorrang die bijgevolg aan de behandeling van deze beroepen moet worden gegeven. De kamer bij wie dergelijk beroep aanhangig is dient daarover immers uitspraak te doen binnen zes maanden na de beschikking over de toelaatbaarheid (artikel 20, § 4, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Gelet op deze korte termijn moet in de memorie van wederantwoord de argumentatie worden samengevat die overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ter vernietiging van de aangevochten beslissing wordt aangebracht zodat de organen van de Raad van State hieraan geen tijd meer hoeven te besteden. Alleen al aan de hand van dit processtuk moet het daarom duidelijk zijn welke de precieze argumentatie van de verzoekende partij is. Dit houdt in dat de aangevoerde cassatiemiddelen er minstens summier, doch volledig in worden opgenomen. Het is in cassatiezaken dus niet voldoende dat men door het indienen van een memorie van wederantwoord blijk geeft van zijn volgehouden belangstelling om de VII-40882-4/6 vernietiging van de aangevochten beslissing na te streven. Bovendien moeten in dit procedurestuk de cassatiemiddelen worden samengevat. De Raad van State doet uitspraak op basis van de samenvattende memorie met andere woorden van de argumentatie zoals deze door de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord is samengevat. Over een middel dat niet (meer) in deze samenvatting is opgenomen dient geen uitspraak te worden gedaan. Het volstaat dan ook niet te verwijzen naar het inleidend verzoekschrift of naar de hierin opgenomen uiteenzetting van de middelen. Men mag zich evenmin ertoe beperken te volharden in het cassatieberoep of de argumentatie van de verwerende partij te weerleggen of te ontkrachten. Beoordeling
  14. Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van verzoekende partijen niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. De verzoekende partijen beperken zich in hun memorie van wederantwoord tot een repliek op de memories van de overige partijen zonder het in het verzoekschrift aangevoerde middel te hernemen of samen te vatten. In de memorie van wederantwoord wordt zelfs niet meer aangegeven van welke bepalingen en/of beginselen de schending door het bestreden arrest wordt opgeworpen. Dergelijke uiteenzetting voldoet niet aan de hoger uiteengezette vereiste van een samenvattende memorie. Derhalve zijn er geen middelen waarover uitspraak dient te worden gedaan en wordt het cassatieberoep, bij gebrek aan herneming of samenvatting van het in het verzoekschrift aangevoerde middel, verworpen. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  16. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde, een VII-40882-5/6 bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40882-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.851 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.