id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.906 Rolnummer: A. 227204/X-17425 Zaak: Arrest 250906 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-22 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.906 van 15 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.906 van 15 juni 2021 in de zaak A. 227.204/X-17.425 n zake : Maria DE JONCKHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Lips kantoor houdende te Gent Begijnhoflaan 460 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Access Building Keizer Karellaan 586/9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van het “Ministerieel besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw nr. 23052 van 7 november 2018 waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Kortrijk van openbaar nut wordt verklaard”. X-17.425-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 243.626 van 7 februari 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen en is het verzoek tot tussenkomst van de nv Aquafin ingewilligd. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. Verzoekster, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 mei
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benjamin d’ Hollander, die loco advocaten Sven Boullart en Koen Lips verschijnt voor verzoekster, advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.425-2/19 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is eigenaar van percelen, gelegen aan de Schreiboomstraat 36 te Rollegem en aldaar kadastraal gekend als Kortrijk, 10e afdeling, sectie A, nrs. 343, 346, 348/D, 350 en
- 3.
- De nv Aquafin wenst in de Schreiboomstraat, tussen de Rollegemkerkstraat en de Weimeersbeek, meer bepaald op verzoeksters percelen nrs. 343, 350 en 351, een nieuwe regenwaterafvoerleiding aan te leggen met als doel het sediment van opwaartse percelen op te vangen. 3.
- Op 25 juli 2017 brengt de stad Kortrijk verzoekster ervan op de hoogte dat een openbaar onderzoek over de aanvraag tot het verklaren van openbaar nut van het project ‘23.052: “Kortrijk – RWA-afkoppeling – Schreiboomstraat”’ zal plaatsvinden. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat van 1 augustus 2017 tot en met 5 september 2017 over de voormelde aanvraag wordt gehouden, uit verzoekster de volgende klacht: “Ter gelegenheid van deze werken zou de bestaande gracht langs de Schreiboomstraat gevoelig worden verbreed. Cliënte stelt vast dat zij de voorbije jaren kampt met ernstige wateroverlast ingevolge werken die Aquafin voorheen heeft uitgevoerd. Sinds Aquafin een spaarbekken heeft aangelegd achter de hofstede van de cliënte, stelt zij vast dat bij wateroverlast het water afkomstig van het spaarbekken terug steekt en terechtkomt op de hofplek zelf. Vorig jaar was de situatie dermate acuut dat de cliënte zelfs de brandweer heeft moeten verwittigen. Het aanleggen van een bredere gracht zal aan dit probleem zeker niet verhelpen gezien op het einde van de brede gracht het water verdwijnt onder de straat via een veel te smalle buis. Zolang de buis die het water moet opvangen niet wordt verbreed zal de terugstoot van het water nog verhevigen. De cliënte heeft dan ook ernstige bezwaren tegen de voorgenomen werken. X-17.425-3/19 Zij wil dat er op duurzame wijze wordt verholpen aan de wateroverlast waarmee zij kampt ingevolge de werken die Aquafin reeds heeft uitgevoerd. Zij contacteerde Aquafin die bij herhaling beloofde ter plaatse te komen om de zaak te bespreken. Tot op vandaag is van dit alles niets in huis gekomen.” 3.
- Naar aanleiding van verzoeksters voormelde bezwaarschrift wordt de meer vermelde aanvraag stopgezet en wordt een overleg georganiseerd tussen de nv Aquafin, de stad Kortrijk, de provincie West-Vlaanderen en verzoekster. 3.
- Op 29 september 2017 dient de nv Aquafin voor de kwestieuze werken bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag in. 3.
- Van 16 november 2017 tot 15 december 2017 wordt over de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek gehouden. Er worden geen bezwaarschriften ingediend. 3.
- Op 1 maart 2018 verklaren de nv Aquafin en de stad Kortrijk zich in het kader van het onder randnummer 3.5 vermelde overleg tot het volgende bereid: “- Een terugslagklep aan te brengen aan één uiteinde van de gracht; - De straat zelf niet verder te verhogen, zodat het huidige niveau gewaarborgd blijft; - De zgn. kopmuur te verlagen.” 3.
- Op 20 maart 2018 dient de nv Aquafin een nieuwe aanvraag tot verklaring van openbaar nut van het kwestieuze project in. 3.
- Op 10 april 2018 ontvangt verzoekster een schrijven van de stad Kortrijk waarin haar wordt meegedeeld dat een nieuwe aanvraag tot verklaring van openbaar nut werd ingediend. X-17.425-4/19 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 18 april 2018 tot en met 17 mei 2018 over de nieuwe aanvraag tot verklaring van openbaar nut wordt gehouden, herhaalt verzoekster haar bezwaar inzake de gevreesde wateroverlast. 3.
- Met een besluit van 24 april 2018 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning voor de kwestieuze werken. 3.
- Met een besluit van 14 juni 2018 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de oprichting van de kwestieuze rioolwaterzuiveringsinfrastructuur van openbaar nut. 3.
- Bij aangetekend schrijven van 20 juni 2018 wordt verzoekster een afschrift van het in het vorige randnummer vermelde besluit bezorgd. 3.
- Met een verzoekschrift van 23 augustus 2018 vraagt verzoekster de nietigverklaring van de onder randnummer 3.13 vermelde beslissing (zaak A. 225.981/X-17.303). 3.
- Met het met huidig beroep bestreden besluit van 7 november 2018 trekt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de onder randnummer 3.13 vermelde beslissing in en verklaart hij de oprichting van de kwestieuze rioolwaterzuiveringsinfrastructuur van openbaar nut. Daarin staat onder meer vermeld: “Overwegende dat voormeld project 23052 er in voorziet om de afstroming van de onverharde oppervlaktes langsheen de Schreiboomstraat af te koppelen van de bestaande afwaartse collector; Overwegende dat het bufferbekken waarvan sprake is in het bezwaarschrift, werd aangelegd door de Provincie West-Vlaanderen en niet door nv Aquafin; dat in de marge kan gemeld worden dat er op 9 november 2017 overleg heeft plaatsgevonden met de bezwaarindiener en de provincie West-Vlaanderen, om deze problematiek opnieuw te bespreken; dat er is afgesproken dat de provincie de werking van het bufferbekken indien nodig zal bijsturen (bijvoorbeeld door het verharden van de instroomstrook); dat zij eveneens zullen onderzoeken of er opwaarts bijkomende buffering mogelijk is; Overwegende dat de nv Aquafin bij opmaak van de plannen zelf de ernst X-17.425-5/19 van deze wateroverlast heeft vastgesteld; dat zij hierover contact heeft opgenomen met INAGRO; dat deze vervolgens met alle landgebruikers contact heeft opgenomen om na te gaan welke erosiebestrijdingsmaatregelen (grasstroken, dammen,...) er tegen vergoeding mochten en konden uitgevoerd worden; dat hieruit net is gebleken dat het bezwaarindiener zelf was die dergelijke ingrepen niet zag zitten; Overwegende dat de geplande buffergracht/sedimentvang binnen dit project 23052 er enkel in voorziet om het sediment afkomstig van de opwaartse percelen te laten bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van de 2de categorie, terecht komt; dat dit geen enkele bijkomende wateroverlast kan veroorzaken, dat dit oppervlaktewater in bestaande toestand ook reeds afvloeit naar de Weimeersbeek, een waterloop van de 2de categorie.” 3.
- Bij aangetekend schrijven van 12 november 2018 bezorgt de nv Aquafin verzoekster een afschrift van het bestreden besluit. 3.
- Met een verzoekschrift van 14 januari 2018 vraagt verzoekster de nietigverklaring van het bestreden besluit. 3.
- Op 16 januari 2019 verzoekt de lokale politie verzoekster telefonisch om haar wilgen in de Schreiboomstraat tegen uiterlijk 15 februari 2019 te knotten met het oog op de realisatie van het kwestieuze project. Op 18 januari 2019 krijgt verzoekster van de lokale politie een schriftelijke aanmaning daartoe. 3.
- Op 21 januari 2019 ontvangt verzoekster een op 17 januari 2019 gedateerd schrijven van de nv Aquafin waarin zij onder meer vermeldt dat de kwestieuze rioleringswerken op 11 februari 2019 zullen worden aangevat en dat de “voorziene uitvoeringstermijn […] 70 werkdagen [bedraagt]”. X-17.425-6/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van “artikel 4, §§ 3 en 4 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de N.V. Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren [hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991], het openbaar onderzoek als substantiële vormvereiste, artikel 8, § 3 van het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid [hierna: DIWB], zoals van toepassing op de bestreden beslissing, in samenlezing met het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen [hierna: de motiveringswet], de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.” Zij zet uiteen dat het openbaar onderzoek een “substantiële pleegvorm” betreft en dat op de verwerende partij de plicht rust om eventuele bezwaren met de gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken. In haar bezwaar heeft zij gewezen op de ernstige waterproblematiek ter plaatse en heeft zij uitdrukkelijk aangegeven dat het voorgenomen project de wateroverlast niet zal verhelpen, maar zelfs zal doen toenemen. In de bestreden beslissing wordt het bestaan en de ernst van de waterproblematiek erkend en geeft de verwerende partij aan dat oplossingen noodzakelijk zijn. Daarom ook werd naar aanleiding van de eerste aanvraag tot verklaring van openbaar nut overleg georganiseerd, in het kader waarvan iedereen het er over eens was dat verzoeksters bezwaren gegrond zijn. De afgesproken maatregelen werden echter nooit getroffen. Zonder enige verdere duiding stelt de verwerende partij in het bestreden besluit dat het project geen enkele bijkomende wateroverlast kan veroorzaken. Het betreft volgens verzoekster “een loutere stijlformule zonder inhoudelijke draagkracht” die geen antwoord X-17.425-7/19 verschaft op haar bezwaar “dat de buis waarmee het water onder de straat verdwijnt te smal is en weldegelijk een bijkomende wateroverlast voor [haar] tot gevolg zal hebben”. Dat met de provincie zou zijn afgesproken dat de werking van het bufferbekken indien nodig zal worden bijgestuurd, verleent verzoekster geen enkele garantie en bewijst net “dat er tot op heden geen voldoende onderzoek naar de waterproblematiek is verricht en dat het probleem nog niet in kaart is gebracht”. Bovendien drong zich in het voorliggende geval een volwaardige watertoets in de zin van artikel 8, § 3, DIWB op. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State stelt verzoekster “dat het niet is uitgesloten dat ook de gevallen waarvoor de decreetgever de watertoets niet verplicht heeft gemaakt, toch aan een volwaardige watertoets dienen te worden onderworpen en met name in het geval dat de betrokken overheid er van op de hoogte is dat een betekenisvol nadelig effect op het watersysteem niet kan worden uitgesloten”. Evenwel is geen enkel onderzoek gebeurd naar de waterproblematiek, en maakt de verwerende partij er zich in de bestreden beslissing van af met de “nietszeggende stijlformule” dat het project geen enkele bijkomende wateroverlast kan veroorzaken. Dit is volgens verzoekster onverenigbaar met de vaststellingen in de bestreden beslissing dat de waterproblematiek ernstig is. 4.
- Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat de tussenkomende partij in haar memorie een ex post-argumentatie aanvoert, waarmee geen rekening kan worden gehouden om de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. Uit de bestreden beslissing blijkt onvoldoende waarom haar bezwaren werden afgewezen. De verwerende partij draait de rollen om door van haar te vergen dat zij zelf zou bewijzen dat de bestreden beslissing problemen van wateroverlast veroorzaakt. Er drong zich wel degelijk een watertoets op. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing zelfs niet aangegeven waarom zij van mening is dat dit niet nodig is. 4.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster nog dat de bewering dat het bufferbekken door de provincie is aangelegd, nergens uit blijkt. De “identiteit van de aanlegger van het bufferbekken” is volgens haar ook weinig relevant. Het feit dat dienaangaande niet “de nodige stukken” worden voorgelegd, wijst er X-17.425-8/19 “opnieuw” op dat de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Verzoekster stelt dat zij nog meer dan vroeger met overstromingen van haar land wordt geconfronteerd. Verder betoogt zij dat de buis die het water moet opvangen veel te smal is. Zij merkt ook op dat het bestreden besluit “totaal geen afdoende verantwoording biedt voor de conclusie dat er geen bijkomende wateroverlast zou mogen worden verwacht”. De verwerende partij “heeft zich beperkt tot het louter overnemen van de beweringen van de tussenkomende partij, zonder dat zij [...] de waarachtigheid van deze beweringen heeft onderzocht”. Beoordeling 5.
- Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. Indien een bezwaarindiener op zijn bezwaar geen rechtstreeks antwoord krijgt, moet hij dit antwoord kunnen vinden in een stellingname die begrijpelijk op het bezwaar van toepassing is. 5.
- Verzoeksters tijdens het openbaar onderzoek geuite kritiek betreft de bestaande wateroverlast “afkomstig van het spaarbekken” en haar vrees dat de terugstoot van het water nog zal verhevigen, gelet op de verbreding van de gracht en de niet-verbrede buis. 5.
- Wat de bestaande wateroverlast betreft, wordt in de bestreden beslissing overwogen: “Overwegende dat het bufferbekken waarvan sprake is in het bezwaarschrift, werd aangelegd door de Provincie West-Vlaanderen en niet door nv Aquafin; dat in de marge kan gemeld worden dat er op 9 november 2017 overleg heeft plaatsgevonden met de bezwaarindiener en de provincie West-Vlaanderen, om deze problematiek opnieuw te bespreken; dat er is afgesproken dat de provincie de werking van het bufferbekken indien nodig zal bijsturen (bijvoorbeeld door het verharden van de instroomstrook); dat zij eveneens zullen onderzoeken of er opwaarts bijkomende buffering mogelijk is; Overwegende dat de nv Aquafin bij de opmaak van de plannen zelf de ernst van deze wateroverlast heeft vastgesteld, dat zij hiervoor contact heeft X-17.425-9/19 opgenomen met INAGRO; dat deze vervolgens met alle landgebruikers contact heeft opgenomen om na te gaan welke erosiebestrijdingsmaatregelen (grasstroken, dammen, …) er tegen vergoeding mochten en konden uitgevoerd worden; dat hieruit net is gebleken dat het bezwaarindiener zelf was die dergelijke ingrepen niet zag zitten.” Wat de door verzoekster gevreesde verheviging van de terugstoot van het water betreft, wordt in de bestreden beslissing gesteld: “Overwegende dat voormeld project 23052 uit één bouwkundig lot bestaat; Overwegende dat voormeld project 23052 de afkoppeling beoogt van 2 inlaten op het collectorenstelsel te Rollegem (deelgemeente Kortrijk); Overwegende dat het afgekoppelde regenwater, via gerenoveerde en nieuwe collectoren en een te herprofileren gracht, aangesloten wordt op de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie; Overwegende dat de bestaande gracht wordt verdiept en verbreed tot een volwaardige gracht; dat er daarvoor een bovengrondse inneming wordt voorzien op de percelen kadastraal gekend als Kortijk, afdeling 10, sectie A, nummers 350 en 343; Overwegende dat door de aanleg van deze nieuwe (buffer)gracht/sedimentvang, het sediment afkomstig van de opwaartse percelen kan bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie, terecht komt; dat deze werken geen enkele bijkomende wateroverlast veroorzaken; […] Overwegende dat voormeld project 23052 er in voorziet om de afstroming van de onverharde oppervlaktes langsheen de Schreiboomstraat af te koppelen van de bestaande afwaartse collector; […] Overwegende dat de geplande buffergracht/sedimentvang binnen dit project 23052 er enkel in voorziet om het sediment afkomstig van de opwaartse percelen te laten bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van de 2de categorie, terecht komt; dat dit geen enkele bijkomende wateroverlast kan veroorzaken; dat dit oppervlaktewater in bestaande toestand ook reeds afvloeit naar de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie.” 5.
- De verwerende partij blijkt verzoeksters bezwaar wel degelijk te hebben beantwoord. De bestaande wateroverlast is volgens het bestreden besluit te wijten aan het bufferbekken dat niet door de tussenkomende partij maar door de provincie West-Vlaanderen is aangelegd. Waar verzoekster de aanleg van het waterbekken door die provincie eerst in haar laatste memorie betwist, is haar middel laattijdig en onontvankelijk. Anders dan verzoekster dit ziet, is dit gegeven wel degelijk relevant. Het wijst uit dat de door het waterbekken veroorzaakte, X-17.425-10/19 bestaande wateroverlast niet aan de tussenkomende partij te wijten is. Niettegenstaande dit laatste, en ofschoon het opzet van de bestreden beslissing er geenszins in bestaat om de bestaande waterproblematiek afkomstig van het bufferbekken van de provincie op te lossen, heeft de tussenkomende partij met de provincie en verzoekster overleg gepleegd, en contact opgenomen met “INAGRO” om mogelijke oplossingen te zoeken. Daaruit blijkt volgens de bestreden beslissing dat verzoekster zelf de voorgestelde ingrepen “niet zag zitten”. Verzoekster betwist dit laatste niet in haar verzoekschrift. 5.
- In het bestreden besluit wordt voorts overwogen “dat de geplande buffergracht/sedimentvang binnen dit project 23052 er enkel in voorziet om het sediment afkomstig van de opwaartse percelen te laten bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van de 2de categorie, terecht komt; dat dit geen enkele bijkomende wateroverlast kan veroorzaken; dat dit oppervlaktewater in bestaande toestand ook reeds afvloeit naar de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie”. Verzoeksters betoog dat de bestreden beslissing middels een “loutere stijlformule zonder inhoudelijke draagkracht” stelt dat de werken niet van aard zijn om bijkomende wateroverlast te veroorzaken, kan gezien het voormelde geen bijval vinden. Zij toont niet aan dat de verwerende partij met haar beoordeling de grenzen van de redelijkheid zou te buiten zijn gegaan. 5.
- Het standpunt van verzoekster dat de verwerende partij te dezen een “volwaardige” watertoets had moeten uitvoeren “[a]angezien de verwerende partij op de hoogte was van het ernstig karakter van de wateroverlast en zij geenszins kon uitsluiten dat het project 23052 een betekenisvol nadelig effect op het watersysteem kan hebben”, kan alleen al gezien het voormelde niet worden bijgevallen. Verzoekster overtuigt er overigens niet van dat de bestreden beslissing, die de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur van openbaar nut verklaart, onder het toepassingsgebied van het toentertijd geldende artikel 8 DIWB zou vallen. De oprichting van de kwestieuze infrastuctuurwerken is met een besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 24 april 2018 vergund geworden. Deze beslissing is overeenkomstig artikel 8 DIWB aan een watertoets onderworpen geweest, en verzoekster heeft ze niet bestreden. X-17.425-11/19 5.
- Verzoekster toont gezien wat voorafgaat geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 5.
- Het middel moet hoe dan ook verworpen worden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van “artikel 3, § 2, 1° van het [het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991], alsook van de artikelen 2 en 3 van de [motiveringswet], de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.” Zij betoogt dat uit de bestreden beslissing moet blijken welke redenen van openbaar nut de bezetting van het onroerend goed en de vestiging van een erfdienstbaarheid van openbaar nut rechtvaardigen, dat de verwerende partij er alles aan heeft gedaan om zoveel als mogelijk het openbaar in plaats van het privaat domein te gebruiken, en waarom de verklaring van openbaar nut niet (eventueel) tot een kleiner gedeelte van het onroerend goed kon worden beperkt. In de bestreden beslissing is dit alles niet terug te vinden. Dit is volgens verzoekster des te meer een probleem, nu zij dit reeds uitdrukkelijk heeft opgeworpen in het bij de Raad van State ingediende verzoekschrift tot vernietiging van het eerdere ministerieel besluit van 14 juni
- 6.
- Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat de motieven tot rechtvaardiging van de bezetting van haar gronden en het vestigen van de erfdienstbaarheid deel moeten uitmaken van het beoordelingskader van de verwerende partij en uit de bestreden beslissing moeten blijken. De verwerende partij onderneemt in haar memorie van antwoord zelfs geen poging om te argumenteren dat dit het geval zou zijn. De verwijzing van de tussenkomende partij naar haar taak om het stedelijk afvalwater te saneren, kan nog geen bezetting van het privaat domein rechtvaardigen. De standpunten die de tussenkomende X-17.425-12/19 partij in de procedure voor de Raad van State vertolkt, zijn niet terug te vinden in de bestreden beslissing en dus “in deze geheel irrelevant”. Uit de uitleg die de tussenkomende partij geeft, kan niet worden opgemaakt of er voor de verwerende partij geen andere opties voorhanden waren om het project op een alternatieve locatie (op het openbaar domein) te realiseren. Verzoekster meent dat het niet aan haar is om een stuk van het openbaar domein aan te duiden dat eventueel als alternatieve locatie in aanmerking zou komen. De redenering dat er geen verplichting bestaat om voor elk perceel te motiveren waarom een inname niet kan worden vermeden, gaat enkel op indien er sprake is van een groot aantal percelen. 6.
- In haar laatste memorie doet verzoekster nog gelden dat het correct is dat de betrokken gracht langs haar eigendom loopt, maar dat die gracht “eveneens en in dezelfde mate langs het openbaar domein (met name aan de Schreiboomstraat) [loopt]”. Er is verder volgens verzoekster niets bekend over de voor haar minder ingrijpende, alternatieve oplossingen en de onmogelijkheid om deze te realiseren. Van haar mag niet worden verwacht dat zij in haar bezwaarschrift diverse argumentaties in ondergeschikte orde zou gaan ontwikkelen. Het volstaat dat zij zich uitdrukkelijk heeft verzet tegen de verklaring van openbaar nut van haar eigendom. Het stond haar zelfs vrij om geen bezwaar in te dienen. Beoordeling 7.
- Het door verzoekster geschonden genoemde artikel 3, § 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalt dat “opdat de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag (tot verklaring van openbaar nut) ontvankelijk zou zijn [moeten] de redenen die het gebeurlijk bezetten van het privaat domein rechtvaardigen” worden opgegeven. 7.
- In de bestreden beslissing wordt het project als volgt omschreven: X-17.425-13/19 “[…] Overwegende dat voormeld project 23052 oorspronkelijk werd opgedragen op het optimalisatieprogramma 2016; Overwegende dat voormeld project uit één bouwkundig lot bestaat; Overwegende dat voormeld project 23052 de afkoppeling beoogt van 2 inlaten op het collectorensysteem te Rollegem (deelgemeente Kortrijk); Overwegende dat het afgekoppelde regenwater, via gerenoveerde en nieuwe collectoren en een te herprofileren gracht, aangesloten wordt op de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie; Overwegende dat de bestaande gracht wordt verdiept en verbreed tot een volwaardige gracht; dat er daarvoor een bovengrondse inneming wordt voorzien op de percelen kadastraal gekend als Kortrijk, afdeling 10, afdeling 10, sectie A, nummers 350 en 343; Overwegende dat door de aanleg van deze nieuwe (buffer)gracht / sedimentvang, het sediment afkomstig van de opwaartse percelen kan bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie, terecht komt; dat deze werken geen enkele bijkomende wateroverlast veroorzaken; Overwegende dat om de werken te kunnen uitvoeren, er een tijdelijke erfdienstbaarheid wordt voorzien op de percelen kadastraal gekend als Kortrijk, afdeling 10, sectie A, nummers 350, 351 en 343; dat op het perceel met kadasternummer 351 eveneens een terrein voor grondverbetering wordt voorzien; Overwegende dat het vuilwater in voormeld project 23052 wordt afgevoerd via het collectorenstelsel gelegen langs de oostzijde van de Schreiboomstraat en het bestaande collectorennet, naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Rollegem (Aquafin-project 20305: ‘Kortrijk: RWZI Rollegem’) Overwegende dat met de uitvoering van voormeld project 23052 onmiddellijk een vuilvracht van 12 huishoudelijke inwonersequivalenten gesaneerd wordt, en bij de uitbouw van het volledig collectorenstelsel een vuilvracht van 53 huishoudelijke inwonersequivalenten; […] Overwegende dat voormeld project 23052 er in voorziet om de afstroming van de onverharde oppervlaktes langsheen de Schreiboomstraat af te koppelen van de bestaande afwaartse collector; […] Overwegende dat de geplande buffergracht/sedimentvang binnen dit project 23052 er enkel in voorziet om het sediment afkomstig van de opwaartse percelen te laten bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie, terecht komt; dat dit geen enkele bijkomende wateroverlast kan veroorzaken; dat dit oppervlaktewater in bestaande toestand ook reeds afvloeit naar de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie; […]” 7.
- Uit deze overwegingen blijkt het nut van de vooropgestelde werken, zijnde de afkoppeling van twee inlaten op het collectorensysteem, waardoor de afvoer van regenwater en afvalwater wordt gescheiden. Daarbij wordt X-17.425-14/19 de bestaande gracht op verzoeksters eigendom verbreed en verdiept tot een volwaardige gracht, zodat “het sediment afkomstig van de opwaartse percelen kan bezinken voor het in de Weimeersbeek, een waterloop van 2de categorie, terecht komt”. Dankzij het project kan volgens het bestreden besluit “onmiddellijk een vuilvracht van 12 huishoudelijke inwonersequivalenten [worden] gesaneerd”. Het openbaar nut van de kwestieuze werken kan gezien het voormelde bezwaarlijk betwist worden. 7.
- Verzoekster betwist verder niet dat de betreffende gracht en de Weimeersbeek op en langs haar percelen (nrs. 343, 350 en 351) lopen. Uit de bestreden beslissing blijkt aldus impliciet maar zeker waarom verzoeksters gronden in het project betrokken dienen te worden. Zij overtuigt er niet van dat voor het project minder inname van haar gronden had kunnen volstaan, of dat gronden die tot het openbaar domein behoren voor de werken in aanmerking hadden kunnen komen. De algemene opmerking in haar laatste memorie dat de gracht “eveneens en in dezelfde mate langs het openbaar domein (met name aan de Schreiboomstraat) [loopt]”, toont dit laatste nog niet aan. 7.
- Het middel is hoe dan ook ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.
- Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van “artikel 10 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen [hierna: de wet van 12 april 1965], de artikelen 32septies en 32octies, § 3 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging [hierna: de wet van 26 maart 1971] en het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.” X-17.425-15/19 Zij zet uiteen dat ten voordele van de tussenkomende partij een verklaring van openbaar nut kan worden verleend “met betrekking tot private niet bebouwde gronden”, begrip dat in de betrokken wetgeving evenwel niet wordt gedefinieerd. Het staat vast dat haar eigendom bebouwd is, aangezien onder meer haar woning zich op haar grond bevindt. De verwerende partij is er bij het nemen van de bestreden beslissing blijkbaar van uitgegaan dat een grond in de zin van artikel 10 van de wet 12 april 1965 kan worden gelijkgesteld met een kadastraal perceel. Verzoekster is het daarmee niet eens, onder meer ook “aangezien de wetgever met de oprichting van het Belgische kadaster in 1845 uitsluitend fiscale doelstellingen nastreefde”. Bovendien leidt deze werkwijze ertoe “dat twee eigenaars die elk beschikken over een identieke woning op een identiek stuk grond dat op eenzelfde wijze in gebruik is en dat van identieke grootte is, op verschillende wijze behandeld worden, louter omwille van het feit dat de ene grond in het kadaster – dat een louter fiscaal instrument betreft − staat aangeduid als bestaande uit verschillende percelen”. Het begrip “grond” in de wet van 12 april 1965 en in de wet van 26 maart 1971 moet dan ook “worden begrepen als “eigendom”, in welk geval er geen verklaring van openbaar nut op haar eigendom kan rusten. 8.
- Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat zij haar situatie vergelijkt met die van “een eigenaar van eenzelfde stuk grond van eenzelfde oppervlakte en waarop zich een woning bevindt van dezelfde grootte”. Het onderscheid is enkel gebaseerd op een instrument dat “louter fiscaal van aard is en zich bijgevolg niet leent tot een gebruik op een andere wijze of voor andere doelstellingen”. De omstandigheid dat in het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 wel wordt verwezen naar kadastrale data, doet hieraan geen afbreuk. 8.
- In haar laatste memorie doet verzoekster nog gelden dat er “geen enkele (juridische) grondslag voorhanden is om aan te nemen dat [...] een niet bebouwde ‘grond’ in de zin van artikel 10 van de Gaswet kan worden gelijkgesteld met een niet bebouwd ‘kadastraal perceel’”. Uit de door haar bijgebrachte luchtfoto blijkt duidelijk dat haar percelen één geheel vormen. Het is volgens verzoekster zelfs niet nodig om deze aan te duiden. De gegeven interpretatie aan X-17.425-16/19 artikel 10 van de wet van 12 april 1965 biedt de overheid de mogelijkheid om, naargelang het haar belieft, voorbij te gaan aan de werkelijke situatie ter plaatse. Beoordeling 9.
- Een schending van het gelijkheidsbeginsel kan te dezen slechts worden aangenomen op voorwaarde dat verzoekster aan de hand van feitelijke en concrete gegevens aantoont dat in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk behandeld werden, zonder dat er een objectieve en redelijke verantwoording voor deze ongelijke behandeling bestaat. 9.
- De omstandigheid dat de wet van 12 april 1965 nergens naar het begrip “kadastrale percelen” verwijst, betekent nog niet dat de verwerende partij niet op goede gronden een verklaring van openbaar nut op perceelsniveau zou kunnen vestigen. Uit het te dezen toepasselijke artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 volgt immers dat de verklaring van openbaar nut van de kadastrale gegevens van de getroffen gronden moet uitgaan: “Art.
- §
- De aanvraag van de N.V. Aquafin hetzij om toepassing van de bepalingen van artikel 32octies, § 3, van bovenvermelde wet van 26 maart 1971, hetzij om verklaring van openbaar nut met het oog op de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven private onbebouwde gronden die niet omsloten zijn met een muur of een omheining conform met de bouw- of stedebouwverordeningen, wordt gericht aan de minister. §
- Opdat de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag ontvankelijk zou zijn omvat zij de volgende inlichtingen: […] 3° een uittreksel uit het kadastraal plan of een fotografische weergave van een kadastraal plan op dezelfde schaal, afzonderlijk voor iedere gemeente, waarbij de percelen worden aangeduid waaronder of waarop rioolwaterzuiveringsinfrastructuur moet aangebracht worden en de aanduiding van deze infrastructuur; 4° een lijst per betrokken gemeente met de namen en adressen van de belanghebbende eigenaars en huurders der percelen waarvan sprake onder sub 3°.” 9.
- Verzoekster overtuigt er niet van dat het “Belgisch kadaster […] enkel een fiscaal instrument ter berekening van een kadastraal inkomen van het onroerend goed [is]”. Integendeel blijkt de kadastrale omschrijving van een perceel een veelvuldig gebruik in het bestuursrecht te kennen. Zo bijvoorbeeld voor wat X-17.425-17/19 betreft de aanvraag van een omgevingsvergunning (artikel 23 van besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’) of de voorlopige of definitieve bescherming van onroerend erfgoed (artikelen 6.1.4, § 2, eerste lid, 1° en 6.1.14, eerste lid, 1°, onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013). Aangenomen moet worden dat de indeling in kadastrale percelen een objectief en redelijk criterium van onderscheid uitmaakt, minstens toont verzoekster het tegendeel niet aan. 9.
- Het middel is ongegrond. V. Conclusie
- Gelet op de verwerping van alle middelen hiervoor, moet het beroep hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.425-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.425-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.906 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div