← België

Arrest 250928 - Milieuvergunningen - 17/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.928 Rolnummer: A. 224160/VII-40163 Zaak: Arrest 250928 - Milieuvergunningen - 17/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:30 Fiche Arrest nr 250.928 van 17 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.928 van 17 juni 2021 in de zaak A. 224.160/VII-40.163 In zake : Maarten MAJOIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Van den Bunder kantoor houdend te 8580 Avelgem Kasteelstraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Frans SCHELLEKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir kantoor houdend te 9500 Geraardsbergen Pastorijstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 16 oktober 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 12 mei 2016, houdende het weigeren aan Frans Schellekens van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een nertsenkwekerij, gelegen aan de Steenweg op Baarle 45 te Ravels, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning wordt verleend. VII-40.163-1/8 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 248.693 van 22 oktober 2020 is het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Brent Van Lierde, die loco advocaat Colin De Beir verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Voor de gegevens van de zaak wordt verwezen naar tussenarrest nr. 248.693 van 22 oktober 2020. VII-40.163-2/8 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’, van de artikelen 30, 30bis, § 1, en 50, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’, van de artikelen 2 en 3 van de wet ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing geen afdoende motivering bevat over de geurhinder die door de inrichting zal worden teweeggebracht. Verzoeker wijst er in de eerste plaats op dat de geurimpactanalyse, zoals opgenomen in de MER-screening, een zeer aanzienlijke onzekerheid bevat, terwijl het aan de vergunningsaanvrager toekomt om de huidige geurhindertoestand waarheidsgetrouw weer te geven en een nauwkeurig berekende voorstelling te geven van de toestand na de beoogde uitbreiding van de inrichting. Als de huidige geurtoestand niet adequaat kan worden beschreven op grond van objectieve gegevens, is ook de toekomstige geurtoestand onzeker. Volgens verzoeker moest minstens een geurstudie uitgevoerd worden, te meer omdat tijdens het openbaar onderzoek verscheidene bezwaren zijn ingediend over de ernstige geurimpact van het bestaande bedrijf. Er wordt in de bestreden beslissing weliswaar vastgesteld dat voor een aantal beoordelingspunten een verbetering zou optreden, maar die loutere vaststelling impliceert niet dat de verminderde hinder beperkt blijft tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau. Daarnaast wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom een hinderniveau van 5 tot van 5 tot 7,5 OUe/m³ zullen moeten verdragen. Een geurimpact van > 7,5 OUe/m³ moet eveneens als onaanvaardbaar worden beschouwd. Om voormelde redenen moet worden besloten dat de verwerende partij onmogelijk kon oordelen dat de geurimpact van de (toekomstige) inrichting aanvaardbaar is. 5. De verwerende partij antwoordt dat verzoeker ten onrechte laat uitschijnen dat de geurimpact niet grondig zou zijn onderzocht, dat in de bestreden beslissing wordt bevestigd dat er tijdens een plaatsbezoek van een afgevaardigde van de afdeling Milieuvergunningen geen geurhinder kon worden waargenomen ter hoogte van de dichtstbijgelegen woningen, en de geurhinder aldus aanvaardbaar is. Voorts verwijst de verwerende partij naar het arrest van de Raad van State dat slaat op de lopende milieuvergunning waarin werd overwogen dat de gegevens van de zaak niet toelaten om te besluiten dat de verwerende partij de hinder van de inrichting op een kennelijk onredelijke wijze zou hebben beoordeeld, en de beslissing niet alleen op een plaatsbezoek steunt, maar ook op een eigen redengeving die aandacht heeft voor de bewoning in de onmiddellijke omgeving van de inrichting, de voorziene technische uitrusting en de maatregelen tijdens de exploitatie om geur-, stof en geluidshinder en overlast door ongedierte te vermijden. Het gegeven dat er volgens de MER-screening diverse factoren zijn die tot een aanzienlijke onzekerheid aanleiding geven bij het geven van een kwantitatieve invulling aan de actuele geursituatie, doet geen afbreuk aan de aanvaardbaarheid van de actuele geurhinder maar houdt louter in dat de berekende geurhinder niet als een absolute waarde, maar als een indicatieve waarde moet worden beschouwd wanneer deze wordt vergeleken met de geurimpact bij de geplande situatie. Verzoeker toont niet aan dat zij op onredelijke gronden heeft besloten dat de geurhinder in de geplande situatie zal afnemen in vergelijking met de actuele situatie. Voorts wordt nog gewezen op de ombouw van de bestaande sheds en het feit dat geen geurhinder zal optreden ten opzichte van de dichtstbijgelegen woongebieden. VII-40.163-4/8 6. De tussenkomende partij stelt dat verzoeker geen enkel concreet gegeven of bewijsmateriaal voorlegt op basis waarvan moet besloten worden dat de beoordeling van de te verwachten geurhinder onzorgvuldig zou zijn gebeurd. 7. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker: “[…] Verwerende partij verwijst meermaals naar een plaatsbezoek van een afgevaardigde van AMV, waarbij zou geconstateerd zijn dat er geen geurhinder kan waargenomen worden ter hoogte van de dichtst bijgelegen woningen. Zulks kan echter niet overtuigen, en wel omwille van verschillende redenen:

  1. a)het plaatsbezoek betreft een eenmalige occasionele momentopname. De resultaten ervan kunnen niet zonder meer getransponeerd worden naar een volledig jaar;
  2. b)afhankelijk van het seizoen, de temperaturen, de windrichting, en de tijdstippen (bv. voedermomenten) zijn er aanzienlijke verschillen in de geurhinder waar te nemen;
  3. c)In het verleden zijn er reeds meerdere klachten van buren geweest omwille van geurhinder van de nertsenkwekerij;
  4. d)het plaatsbezoek heeft betrekking op de huidige situatie, en niet op de geplande situatie. Dit is van groot belang, aangezien er in de geplande situatie in een verdubbeling (!) van de capaciteit wordt voorzien. De verwijzing naar het plaatsbezoek kan derhalve niet bijdragen tot een deugdelijke motivering van de geurimpact van de geplande inrichting. […] Wat de geschatte toekomstige geurimpact betreft, stelt verwerende partij dat de cijfers uit het aanvraagdossier louter een indicatieve waarde hebben, en zeker niet als absoluut mogen beschouwd worden. Deze stellingname toont eens te meer aan dat verwerende partij de aanvraag op kennelijk onzorgvuldige wijze heeft beoordeeld. Een aangevraagde milieuvergunning kan immers slechts verleend worden wanneer de vergunningverlenende overheid op basis van het aanvraagdossier met kennis van zaken alle hinderaspecten kan onderzoeken om op die wijze te oordelen dat de inrichting geen onaanvaardbare hinder zal teweegbrengen. Door nu te poneren dat de becijferde toekomstige geurhinder slechts een indicatieve waarde zou hebben, die kennelijk in de wind kan geslagen worden, geeft verwerende partij de facto toe dat de beoordeling van de geurimpact op geen enkele data gesteund is, behalve dan op de bestaande toestand. Er kan dan ook niet ontkend worden dat de beoordeling van de geurhinder uit de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is”. 8. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij er nog op dat zij bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de milieuhinder beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid, dat de geurhinder in de bestreden beslissing zeer grondig en zorgvuldig wordt onderzocht, dat verzoeker niet aantoont dat “haar VII-40.163-5/8 oordeel in het kader van de aanvraag op een onjuiste vaststelling en interpretatie van feitelijke gegevens zou steunen” en dat het feit dat de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van nieuwe stallen nog niet werd verleend geen afbreuk doet aan de wettigheid van de bestreden milieuvergunning. 9. De tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat in de bestreden beslissing uitvoerig wordt ingegaan op het geuraspect en dat wordt geconcludeerd dat die hinder binnen de perken van het aanvaardbare blijft. Beoordeling 10. Tot het voorwerp van de bestreden milieuvergunning behoren onder meer “stalplaatsen voor 38.032 nertsen, waarvan 6.500 moederdieren en 31.532 jongen (uitbreiding met 18.778 nertsen, waarvan 3.291 moederdieren en 15.487 jongen)”. Bij het onderzoek van de geuremissie van de inrichting wordt in de bestreden beslissing rekening gehouden met “de emissiefactor voor het Groen Labelsysteem dat in de toekomst voorzien wordt” en wordt opgemerkt dat “er in de geplande situatie hierbij van uit wordt gegaan dat ook de bestaande stallen zullen worden omgebouwd naar het Groen Labelsysteem”. Aan de bestreden vergunning heeft de verwerende partij uitdrukkelijk de bijzondere voorwaarde verbonden dat “[e]r […] pas [mag] uitgebreid worden met nertsen tot meer dan 3.209 moederdieren en 16.045 jongen wanneer de bestaande traditionele stallen omgevormd zijn tot stallen met het Groene Label systeem zoals beschreven in de aanvraag”. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verplichte omschakeling naar zogenaamde Groen Label-stallen de beoordeling van de te verwachten geurhinder heeft gedetermineerd, zowel wat betreft de bestaande toestand als de toekomstige toestand na uitbreiding van de inrichting. 11. Bij arrest nr. RvVb/A/1819/0129 van 2 oktober 2018 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen het vernietigingsberoep van de tussenkomende partij tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 september 2016 tot weigering van een stedenbouwkundige VII-40.163-6/8 vergunning voor onder andere de nieuwbouw en verbouwing van sheds, verworpen. Het tegen voormeld arrest ingestelde cassatieberoep werd door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 245.616 van 3 oktober 2019. Bijgevolg ontbreekt voor de geurhinderbeoordeling in de bestreden milieuvergunning de vereiste materiële grondslag. 12. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 16 oktober 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 12 mei 2016, houdende het weigeren aan Frans Schellekens van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een nertsenkwekerij, gelegen aan de Steenweg op Baarle 45 te Ravels, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning wordt verleend. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.163-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.163-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.928 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.693 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.