id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.938 Rolnummer: A. 227873/IX-9528 Zaak: Arrest 250938 - Varia (justitie) - 17/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-22 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:30 Fiche Arrest nr 250.938 van 17 juni 2021 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.938 van 17 juni 2021 in de zaak A. 227.873/IX-9528 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Veiligheid van de Staat van 8 februari 2019 inzake openbaarheid van bestuur, waarbij aan XXXX de inzage in het dossier van XYZ en het verkrijgen van een afschrift hiervan wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een “verzoekschrift neerlegging administratief dossier” en een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-9528-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 2 december 2018 vraagt verzoekster om in naam van XYZ en in eigen naam inzage en afschrift te krijgen van het dossier dat de dienst Veiligheid van de Staat onder zich heeft met betrekking tot XYZ en inzage en afschrift van alle correspondentie tussen de Veiligheid van de Staat en de dienst Vreemdelingenzaken betreffende XYZ. De Veiligheid van de Staat (hierna soms: VSSE) verwerpt de aanvraag tot openbaarmaking bij brief van 7 december 2018, die verzoekster ontvangt via e-mail van 14 december 2018. Verzoekster dient op 16 december 2018 een verzoek tot heroverweging in bij de Veiligheid van de Staat. IX-9528-2/16 Op 8 februari 2019 beslist de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat om de vraag tot openbaarheid te verwerpen. Dat is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt op dat de wet van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ (“wet op de classificatie”) een algemeen verbod oplegt om geclassificeerde gegevens openbaar te maken. Deze documenten mag de dienst Veiligheid van de Staat aldus niet vrijgeven. De niet- geclassificeerde documenten dient zij daarentegen wel ter inzage te leggen. In casu heeft zij de informatie die niet geclassificeerd is met betrekking tot het dossier van XYZ ter beschikking gesteld. Meer in het bijzonder is haar niet- geclassificeerde nota van “6 februari 2018” aan de dienst Vreemdelingenzaken openbaar gemaakt. Alle niet-geclassificeerde documenten die niet onder het toepassingsgebied van artikel 26 van de wet op de classificatie vallen, zijn bijgevolg gekend door verzoekster. Voor het overige beschikt de dienst Veiligheid van de Staat niet over informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen die niet geclassificeerd zijn in de zin van de wet op de classificatie. Bijgevolg wijst de bestreden beslissing het verzoek tot openbaarheid van eventuele geclassificeerde gegevens terecht af op grond van artikel 26, § 1, van de wet op de classificatie en artikel 6, § 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (“WOB”). 5. Verzoekster antwoordt dat artikel 32 van de Grondwet principieel “het recht van toegang tot alle bestuursdocumenten” waarborgt en dat “een bepaling geen algemene en absolute uitzonderingsgrond op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten kan opleggen”. Een absolute IX-9528-3/16 uitzonderingsgrond is op grond van artikel 32 van de Grondwet niet te rechtvaardigen. De Staatsveiligheid gaat er klaarblijkelijk van uit dat zij zich voor niemand hoeft te verantwoorden en de Grondwet niet hoeft te respecteren. Dit impliceert absolute willekeur van de overheid. De dienst Vreemdelingenzaken steunt immers enkel en alleen op een nota van de Staatsveiligheid, waarin zij zonder enige motivering stelt dat XYZ een spionne zou zijn, om tegen XYZ uiterst negatieve beslissingen te nemen. De verwerende partij somt in de memorie van antwoord verschillende uitzonderingen op van de wet openbaarheid van bestuur, zonder evenwel in concreto aan te tonen waarom zij zich in casu op een uitzonderingsregime meent te kunnen beroepen. Immers zal de Staatsveiligheid – om zich aan de wet openbaarheid van bestuur te onttrekken – altijd kunnen beweren dat de documenten geclassificeerd zouden zijn zonder te moeten vrezen voor enige rechterlijke controle. Verzoekster merkt op dat het argument dat alle documenten geclassificeerd zouden zijn, onmogelijk correct kan zijn. Zo verwijst de nota van de Veiligheid van de Staat aan de dienst Vreemdelingenzaken van 6 juni 2018 naar een eerdere nota van 15 maart 2018 die niet is neergelegd. Het is uitgesloten dat een nota die aan de dienst Vreemdelingenzaken – die niet over een veiligheidsmachtiging beschikt – werd toegestuurd, geclassificeerd zou zijn. Verzoekster wijst erop dat ook rekening moet worden gehouden met artikel 6, § 4, WOB om bij toepassing van de uitzonderingsgronden zo mogelijk gedeeltelijk inzage en afschrift van de gevraagde bestuursdocumenten te verlenen. Ten slotte vraagt zij dat de Raad van State zou bevelen, onder verbeurte van een dwangsom, “dat het volledig administratief dossier wordt neergelegd door verwerende partij, met name het volledige dossier van [XYZ] bij de Veiligheid van de Staat en de briefwisseling hierover met de Dienst Vreemdelingenzaken en andere overheden”. De Raad van State moet immers in staat zijn om de rechtmatigheid van een eventuele classificatie te beoordelen en te IX-9528-4/16 verifiëren of de daartoe bevoegde overheid op goede grond de bedoelde stukken als vertrouwelijk heeft geclassificeerd. De wet op de classificatie kan niet worden ingeroepen om de rechter, in casu de Raad van State, de inzage van het administratief dossier te weigeren, zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 8 van die wet. 6. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij nog op hetgeen volgt (voetnoten weggelaten): “De Belgische Staat wenst in dat verband op te merken dat de classificatie en het bepalen van het classificatieniveau tot de prerogatieven behoort van de personen die daar krachtens artikel 7 van de Wet op de Classificatie toe gemachtigd worden. Overeenkomstig artikel 5 van de Wet op de Classificatie, kan alleen de overheid van oorsprong die een classificatie aan een stuk heeft toegekend beslissen over zijn declassificatie of over de wijziging van zijn beschermingsniveau. […] Indien er een probleem is met de classificatie, dient de overheid van oorsprong te worden aangesproken om de pertinentie van de classificatie (opnieuw) te beoordelen. Er zijn specifieke externe controlemechanismen op de werking van de inlichtingendiensten in het algemeen en de persoonlijke dossiers in het bijzonder ingericht. In dat verband kan gewezen worden op de controle door het Parlement (waaronder de Begeleidingscommissie van de Comités P en I), het Rekenhof, de BIM-commissie en het Vast Comité I (met o.m. een jurisdictioneel BIM-toezichtsopdracht). Deze wettelijke controlemechanismen bieden specifieke waarborgen dat de inlichtingendiensten binnen het wettelijk kader blijven en dit rekening houdende met de bijzondere aard van de materie en informatie, zo ook dus op het vlak van de classificatie. De wetgever heeft met de organieke wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten willen voorzien in de controle van met name de inlichtingendiensten teneinde de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen verlenen, te waarborgen en te zorgen voor de coördinatie en de doelmatigheid van deze diensten: ‘Het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten werd opgericht, om op het stuk van de controle, aan de noden van het parlement te beantwoorden. Het voert een regeling in waardoor geheime informatie in de zin van de artikelen 23 en 24 van het wetsontwerp door het Comité onderzocht kan worden, zodat het parlement zijn taak ten volle kan vervullen, terwijl voorts de verbintenis tot geheimhouding wordt aangegaan die de inlichtingendiensten ten aanzien van een ‘bron’ of een ‘derde dienst’ zouden moeten in acht nemen.’ Het Vast Comité I kan bijgevolg in het kader van [zijn] bevoegdheden elk individueel dossier opvragen en beschikt over ruime onderzoeksbevoegdheden om eventuele onregelmatigheden op te sporen. Verder is er overeenkomstig artikel 79 IX-9528-5/16 en 80 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens de mogelijkheid voor eenieder om zijn persoonlijk dossier te laten controleren door het Vast Comité I (een mogelijkheid waar verzoekende partij overigens geen gebruik van heeft gemaakt).” Zij argumenteert ook uitvoerig waarom, volgens haar, het dossier over XYZ geen deel uitmaakt van het administratief dossier van deze zaak, zodat zij niet ertoe gehouden is om het neer te leggen. 7. Om nadere uitleg gevraagd, verklaart de verwerende partij nog dat de verwijzing naar de datum van “6 februari 2018” in de memorie van antwoord een materiële vergissing is en gelezen moet worden als “6 juni 2018”. Daarom gevraagd, legt zij voorts in het administratief dossier haar niet- geclassificeerde nota aan de dienst Vreemdelingenzaken neer van 15 maart 2018 met referentie NA/2018/567/CI3a/222/099/1. Zij bevestigt ten slotte dat de nota’s van 15 maart 2018 en 6 juni 2018 “de enige niet-geclassificeerde correspondentie betreft met de dienst Vreemdelingenzaken”. Beoordeling 8. De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State “is gerechtigd alle bescheiden en inlichtingen omtrent de zaken waarover zij zich uit te spreken heeft, door deze [lees: alle] overheden en besturen te doen overleggen” (artikel 23, tweede lid, RvS-Wet). Indien de Raad van State oordeelt dat hij over een stuk moet kunnen beschikken om de voorliggende zaak op te lossen, mag hij de neerlegging ervan vorderen, in voorkomend geval als vertrouwelijk stuk. Het maakt dan niet uit of het moet worden geacht te behoren tot het administratief dossier van de zaak en ongeacht onder welk bestuur het berust. De discussie of de documenten die het voorwerp zijn van de vraag tot openbaarmaking – het dossier waarover de dienst Staatsveiligheid IX-9528-6/16 beschikt over XYZ en haar correspondentie hierover met de dienst Vreemdelingenzaken – al dan niet onderdeel zijn van het administratief dossier van de zaak, is dan ook niet dienstig. 9. De aanvraag tot openbaarmaking is blijkens de bestreden beslissing onder meer afgewezen om volgend motief: “De identiteit van menselijke bronnen en de informatie die deze bronnen leveren, evenals de technieken en de tactieken die de dienst inzet, alsook de bestaande informatiepositie van de dienst en haar actuele kennisniveau worden beschermd met toepassing van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (hierna: wet op de classificatie). Deze informatie wordt geclassificeerd omdat de kennisname ervan schade kan toebrengen aan de door de wet beschermde belangen, waaronder de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen in België en het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land. Artikel 26 van de wet betreffende de classificatie sluit de toegang tot geclassificeerde documenten op basis van de wet openbaarheid van bestuur uit. Niet geclassificeerde nota’s die overgemaakt worden aan andere overheidsinstanties vallen logischerwijs niet onder het uitzonderingsregime van artikel 26 van de wet op de classificatie. De uitsluiting van geclassificeerde documenten is eveneens terug te vinden in artikel 6, § 2, 4° van de wet openbaarheid van bestuur. Deze uitzondering werd in de wet ingevoerd rekening houdend met de rechtspraak van de Raad van State. Deze was van oordeel dat de uitzondering met betrekking tot geclassificeerde documenten overeenkomstig de wet op de classificatie uitdrukkelijk in de wet openbaarheid van bestuur diende te worden opgenomen. Daarnaast wenst de VSSE erop te wijzen dat de uitzonderingsgronden van artikel 6, § 2 van de wet openbaarheid van bestuur absoluut zijn en de dienst dus geen afweging moet maken tussen het recht op toegang tot een bestuursdocument enerzijds, en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een wettelijke geheimhoudingsplicht of de bescherming van geclassificeerde documenten anderzijds. Dit standpunt wordt bevestigd door de memorie van toelichting en het advies van de Raad van State bij de wet openbaarheid van bestuur en in de voorbereidende werken van de wet op de classificatie. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het voor de VSSE onmogelijk is om in concreto aan te tonen dat de openbaarheid van bestuursdocumenten afbreuk doet aan iemands persoonlijke levenssfeer, een wettelijke geheimhoudingsplicht of de classificatie. Argumenteren in concreto houdt immers een groot risico in dat de identiteit van personen die met de dienst IX-9528-7/16 meewerken onthuld wordt, of dat men kennis krijgt van de informatiebronnen van de dienst, de technieken en tactieken die ze inzet, de informatiepositie en de relatie met buitenlandse inlichtingendiensten of internationale instellingen. Bovenstaande redenen tonen ten overvloede aan dat de VSSE u geen toegang kan verlenen tot de bestuursdocumenten die [XYZ] aanbelangen.” 10. Zoals verzoekster het zelf schrijft in haar procedurestukken, heeft de verwerende partij het dossier van XYZ niet aan de dienst Vreemdelingenzaken meegedeeld. Zij heeft enkel aan de dienst Vreemdelingenzaken op 15 maart 2018 en op 6 juni 2018 een nota bezorgd waarin zij eerst meedeelt dat XYZ een gevaar voor de nationale veiligheid vormt (“représente un danger pour la sécurité nationale”) en daarna meldt dat “[XYZ] en haar organisaties actief betrokken zijn bij inlichtingenactiviteiten” ten voordele van een derde land, dat XYZ “ook in contact [staat] met personen die door onze dienst gekend zijn wegens hun activiteiten voor, of banden met buitenlandse offensieve inlichtingendiensten” en dat XYZ “een gevaar voor de nationale veiligheid vormt”. Het is die mededeling, zoals verzoekster ook erkent, die voor de dienst Vreemdelingenzaken de aanleiding was om ten opzichte van XYZ op te treden. Welnu, de verwerende partij heeft die nota’s neergelegd als stukken van het administratief dossier, zodat het beroep zonder voorwerp is voor zover het betrekking heeft op de communicatie tussen de verwerende partij en de dienst Vreemdelingenzaken. 11. Waar het verzoekster werkelijk om te doen is, is de openbaarmaking van het dossier over XYZ zelf. Dit dossier is geclassificeerd door de Staatsveiligheid. Voor een goed begrip moet dan de regelgeving die relevant is voor de openbaarmaking ervan in herinnering worden gebracht. IX-9528-8/16 12. Over de classificatie zelf, leren de artikelen 3 tot 5 van de wet op de classificatie, voor zoveel als hier van belang, wat volgt: “Art. 3. - § 1. - In een classificatie kunnen worden ondergebracht: informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, in welke vorm ook, waarvan de niet-geëigende aanwending schade kan toebrengen aan een van de volgende belangen: […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.