id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.939 Rolnummer: A. 228335/IX-9571 Zaak: Arrest 250939 - Varia (justitie) - 17/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-22 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.939 van 17 juni 2021 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.939 van 17 juni 2021 in de zaak A. 228.335/IX-9571 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bram Van den Berghe en Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Veiligheid van de Staat van “8 februari 2019 (ontvangen op 15 februari 2019)” inzake openbaarheid van bestuur, waarbij aan XXXX de inzage in haar dossier en het verkrijgen van een afschrift hiervan wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. IX-9571-1/17 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 19 december 2018 vraagt verzoekster inzage en afschrift te krijgen van haar dossier bij de dienst Veiligheid van de Staat en inzage en afschrift van alle haar betreffende correspondentie tussen de Veiligheid van de Staat en de dienst Vreemdelingenzaken. De Veiligheid van de Staat (hierna soms: VSSE) verwerpt de aanvraag tot openbaarmaking bij brief van 21 december 2018, die verzoekster ontvangt via e-mail van 9 januari 2019. In die brief wordt gewezen op de mogelijkheid om het Vast Comité I te vragen om eventueel foutieve persoonsgegevens waarover de Veiligheid van de Staat beschikt, te laten corrigeren. IX-9571-2/17 Verzoekster dient op 28 januari 2019 een verzoek tot heroverweging in bij de Veiligheid van de Staat. Op 25 februari 2019 beslist de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat om de vraag tot openbaarheid te verwerpen. Dat is het bestreden besluit. IV. Precisering van het voorwerp van het beroep Exceptie 4. De verwerende partij werpt op dat uit het verzoekschrift niet duidelijk en ondubbelzinnig blijkt welke beslissing verzoekster aanvecht. In het verzoekschrift wordt op de ene plaats verwezen naar een beslissing van de “Veiligheid van de Staat dd. 8 februari 2019 (ontvangen op 15 februari 2019) inzake openbaarheid van bestuur, waarbij aan verzoekster de inzage in het dossier van [verzoekster] en het bekomen van een afschrift hiervan wordt geweigerd” en op een andere plaats naar een beslissing van 25 februari 2019 waarbij werd ingegaan op het verzoek tot heroverweging. Het betreft drie onderscheiden beslissingen. Op 8 februari 2019 heeft de verwerende partij inzage in het dossier van verzoekster geweigerd aan M.F. en aan R.F., op 25 februari 2019 heeft zij de aanvraag van verzoekster zelf verworpen. Uit de uiteenzetting van de middelen kan evenmin op ondubbelzinnige wijze afgeleid worden welke beslissing precies aangevochten wordt. De aangevoerde middelen kunnen immers betrekking hebben op elk van de voormelde beslissingen, zodat hieruit niet afgeleid kan worden welke beslissing aangevochten wordt. Het beroep is volgens de verwerende partij daarom onontvankelijk. 5. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar exceptie “zoals deze werd uiteengezet in haar memorie van antwoord”. IX-9571-3/17 Beoordeling 6. De inhoud van het inleidend verzoekschrift laat er geen twijfel over bestaan dat verzoekster het besluit van 25 februari 2019 van de Veiligheid van de Staat aanvecht waarbij haar aanvraag tot openbaarmaking wordt geweigerd. Dit blijkt ook uit het afschrift van het bestreden besluit dat verzoekster als stuk 7 bij haar verzoekschrift heeft gevoegd. Bovendien blijkt uit de memorie van antwoord van de verwerende partij dat zij goed heeft begrepen dat verzoekster het besluit van 25 februari 2019 van de Veiligheid van de Staat voor ogen heeft. Haar rechten van verdediging zijn op geen enkel ogenblik in het gedrang gekomen. De exceptie wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 7. De verwerende partij werpt op dat de wet van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ (“wet op de classificatie”) een algemeen verbod oplegt om geclassificeerde gegevens openbaar te maken. Deze documenten mag de dienst Veiligheid van de Staat aldus niet vrijgeven. De niet- geclassificeerde documenten dient zij daarentegen wel ter inzage te leggen. In casu heeft zij de informatie die niet geclassificeerd is met betrekking tot het dossier van verzoekster ter beschikking gesteld. Meer in het bijzonder is haar IX-9571-4/17 niet-geclassificeerde nota van “6 februari 2018” aan de dienst Vreemdelingenzaken openbaar gemaakt. Alle niet-geclassificeerde documenten die niet onder het toepassingsgebied van artikel 26 van de wet op de classificatie vallen, zijn bijgevolg gekend door verzoekster. Voor het overige beschikt de dienst Veiligheid van de Staat niet over informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen die niet geclassificeerd zijn in de zin van de wet op de classificatie. Bijgevolg wijst de bestreden beslissing het verzoek tot openbaarheid van eventuele geclassificeerde gegevens terecht af op grond van artikel 26, § 1, van de wet op de classificatie en artikel 6, § 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (“WOB”). 8. Verzoekster antwoordt dat artikel 32 van de Grondwet principieel “het recht van toegang tot alle bestuursdocumenten” waarborgt en dat “een bepaling geen algemene en absolute uitzonderingsgrond op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten kan opleggen”. Een absolute uitzonderingsgrond is met artikel 32 van de Grondwet niet te verzoenen. De Staatsveiligheid gaat er klaarblijkelijk van uit dat zij zich voor niemand hoeft te verantwoorden en de Grondwet niet hoeft te respecteren. Dit impliceert absolute willekeur van de overheid. De dienst Vreemdelingenzaken steunt immers enkel en alleen op een nota van de Staatsveiligheid, waarin zij zonder enige motivering stelt dat zij een spionne zou zijn, om jegens haar uiterst negatieve beslissingen te nemen. De verwerende partij verwijst naar artikel 6, § 2, 4°, WOB, zonder evenwel in concreto aan te tonen waarom zij zich in casu op dat uitzonderingsregime meent te kunnen beroepen. Volgens verzoekster heeft deze uitzonderingsgrond ook slechts betrekking op documenten die niet geclassificeerd zijn, omdat artikel 26, § 1, van de wet op de classificatie de toepassing van de WOB uitsluit. Verzoekster wijst erop dat ook rekening moet worden gehouden met artikel 6, § 4, WOB om bij toepassing van de uitzonderingsgronden zo mogelijk gedeeltelijk inzage en afschrift van de gevraagde bestuursdocumenten te verlenen. IX-9571-5/17 Ten slotte vraagt zij “dat het volledig administratief dossier wordt neergelegd door verwerende partij, met name het volledige dossier van [verzoekster] bij de Veiligheid van de Staat en de briefwisseling hierover met de Dienst Vreemdelingenzaken”. 9. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij nog op hetgeen volgt (voetnoten weggelaten): “De Belgische Staat wenst in dat verband op te merken dat de classificatie en het bepalen van het classificatieniveau tot de prerogatieven behoort van de personen die daar krachtens artikel 7 van de Wet op de Classificatie toe gemachtigd worden. Overeenkomstig artikel 5 van de Wet op de Classificatie, kan alleen de overheid van oorsprong die een classificatie aan een stuk heeft toegekend beslissen over zijn declassificatie of over de wijziging van zijn beschermingsniveau. […] Indien er een probleem is met de classificatie, dient de overheid van oorsprong te worden aangesproken om de pertinentie van de classificatie (opnieuw) te beoordelen. Er zijn specifieke externe controlemechanismen op de werking van de inlichtingendiensten in het algemeen en de persoonlijke dossiers in het bijzonder ingericht. In dat verband kan gewezen worden op de controle door het Parlement (waaronder de Begeleidingscommissie van de Comités P en I), het Rekenhof, de BIM-commissie en het Vast Comité I (met o.m. een jurisdictioneel BIM-toezichtsopdracht). Deze wettelijke controlemechanismen bieden specifieke waarborgen dat de inlichtingendiensten binnen het wettelijk kader blijven en dit rekening houdende met de bijzondere aard van de materie en informatie, zo ook dus op het vlak van de classificatie. De wetgever heeft met de organieke wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten willen voorzien in de controle van met name de inlichtingendiensten teneinde de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen verlenen, te waarborgen en te zorgen voor de coördinatie en de doelmatigheid van deze diensten: ‘Het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten werd opgericht, om op het stuk van de controle, aan de noden van het parlement te beantwoorden. Het voert een regeling in waardoor geheime informatie in de zin van de artikelen 23 en 24 van het wetsontwerp door het Comité onderzocht kan worden, zodat het parlement zijn taak ten volle kan vervullen, terwijl voorts de verbintenis tot geheimhouding wordt aangegaan die de inlichtingendiensten ten aanzien van een ‘bron’ of een ‘derde dienst’ zouden moeten in acht nemen.’ Het Vast Comité I kan bijgevolg in het kader van [zijn] bevoegdheden elk individueel dossier opvragen en beschikt over ruime onderzoeksbevoegdheden om eventuele onregelmatigheden op te sporen. Verder is er overeenkomstig artikel 79 IX-9571-6/17 en 80 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens de mogelijkheid voor eenieder om zijn persoonlijk dossier te laten controleren door het Vast Comité I (een mogelijkheid waar verzoekende partij overigens geen gebruik van heeft gemaakt).” Zij argumenteert ook uitvoerig waarom, volgens haar, het dossier over verzoekster geen deel uitmaakt van het administratief dossier van deze zaak, zodat zij niet ertoe gehouden is om het neer te leggen. 10. Om nadere uitleg gevraagd, verklaart de verwerende partij nog dat de verwijzing naar de datum van “6 februari 2018” in de memorie van antwoord een materiële vergissing is en gelezen moet worden als “6 juni 2018”. Daarom gevraagd, legt zij voorts in het administratief dossier haar niet- geclassificeerde nota aan de dienst Vreemdelingenzaken neer van 15 maart 2018 met referentie NA/2018/567/CI3a/222/099/1. Zij bevestigt ten slotte dat de nota’s van 15 maart 2018 en 6 juni 2018 “de enige niet-geclassificeerde correspondentie betreft met de dienst Vreemdelingenzaken”. Beoordeling 11. De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State “is gerechtigd alle bescheiden en inlichtingen omtrent de zaken waarover zij zich uit te spreken heeft, door deze [lees: alle] overheden en besturen te doen overleggen” (artikel 23, tweede lid, RvS-Wet). Indien de Raad van State oordeelt dat hij over een stuk moet kunnen beschikken om de voorliggende zaak op te lossen, mag hij de neerlegging ervan vorderen, in voorkomend geval als vertrouwelijk stuk. Het maakt dan niet uit of het moet worden geacht te behoren tot het administratief dossier van de zaak en ongeacht onder welk bestuur het berust. De discussie of de documenten die het voorwerp zijn van de vraag tot openbaarmaking – het dossier waarover de dienst Staatsveiligheid IX-9571-7/17 beschikt over verzoekster en haar correspondentie hierover met de dienst Vreemdelingenzaken – al dan niet onderdeel zijn van het administratief dossier van de zaak, is dan ook niet dienstig. 12. De aanvraag tot openbaarmaking is blijkens de bestreden beslissing onder meer afgewezen om volgend motief: “De identiteit van menselijke bronnen en de informatie die deze bronnen leveren, evenals de technieken en de tactieken die de dienst inzet, alsook de bestaande informatiepositie van de dienst en haar actuele kennisniveau worden beschermd met toepassing van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (hierna: wet op de classificatie). Deze informatie wordt geclassificeerd omdat de kennisname ervan schade kan toebrengen aan de door de wet beschermde belangen, waaronder de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische belangen, waaronder de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen in België en het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land. Artikel 26 van de wet betreffende de classificatie sluit de toegang tot geclassificeerde documenten op basis van de wet openbaarheid van bestuur uit. De uitsluiting van geclassificeerde documenten is eveneens terug te vinden in artikel 6, § 2, 4° van de wet openbaarheid van bestuur. Deze uitzondering werd in de wet ingevoerd rekening houdend met de rechtspraak van de Raad van State. Deze was van oordeel dat de uitzondering met betrekking tot geclassificeerde documenten overeenkomstig de wet op de classificatie uitdrukkelijk in de wet openbaarheid van bestuur diende te worden opgenomen. Daarnaast wenst de VSSE erop te wijzen dat de uitzonderingsgronden van artikel 6, § 2 van de wet openbaarheid van bestuur absoluut zijn en de dienst dus geen afweging moet maken tussen het recht op toegang tot een bestuursdocument enerzijds, en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een wettelijke geheimhoudingsplicht of de bescherming van geclassificeerde documenten anderzijds. Dit standpunt wordt bevestigd door de memorie van toelichting en het advies van de Raad van State bij de wet openbaarheid van bestuur en in de voorbereidende werken van de wet op de classificatie. Ook dient te worden opgemerkt dat het voor de VSSE onmogelijk is om in concreto aan te tonen dat de openbaarheid van bestuursdocumenten afbreuk doet aan iemands persoonlijke levenssfeer, een wettelijke geheimhoudingsplicht of de classificatie. Argumenteren in concreto houdt immers een groot risico in dat de identiteit van personen die met de dienst meewerken onthuld wordt, of dat men kennis krijgt van de IX-9571-8/17 informatiebronnen van de dienst, de technieken en tactieken die ze inzet, de informatiepositie en de relatie met buitenlandse inlichtingendiensten of internationale instellingen. Bovenstaande redenen tonen ten overvloede aan dat de VSSE u geen toegang kan verlenen tot de bestuursdocumenten die [u] aanbelangen. Tot slot meent de VSSE dat de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna: wet op de bescherming van persoonsgegevens) primeert op de wet openbaarheid van bestuur. Dit omwille van de specifieke bepalingen van toepassing op de VSSE en de latere inwerkingtreding van de wet op de bescherming van persoonsgegevens. De aanvraag tot verbetering van onjuiste of onvolledige gegevens dient op basis van artikel 80 van de wet op de bescherming van persoonsgegevens aan het Vast Comité voor toezicht op de inlichtingendiensten te worden gericht.” 13. Zoals verzoekster het zelf schrijft in haar procedurestukken, heeft de verwerende partij het dossier van verzoekster niet aan de dienst Vreemdelingenzaken meegedeeld. Zij heeft enkel aan de dienst Vreemdelingenzaken op 15 maart 2018 en op 6 juni 2018 een nota bezorgd waarin zij eerst meedeelt dat verzoekster een gevaar voor de nationale veiligheid vormt (“représente un danger pour la sécurité nationale”) en daarna meldt dat “[verzoekster] en haar organisaties actief betrokken zijn bij inlichtingenactiviteiten” ten voordele van een derde land, dat verzoekster “ook in contact [staat] met personen die door onze dienst gekend zijn wegens hun activiteiten voor, of banden met buitenlandse offensieve inlichtingendiensten” en dat verzoekster “een gevaar voor de nationale veiligheid vormt”. Het is die mededeling, zoals verzoekster ook erkent, die voor de dienst Vreemdelingenzaken de aanleiding was om ten opzichte van verzoekster op te treden. Welnu, de verwerende partij heeft die nota’s neergelegd als stukken van het administratief dossier, zodat het beroep zonder voorwerp is voor zover het betrekking heeft op de communicatie tussen de verwerende partij en de dienst Vreemdelingenzaken. IX-9571-9/17 14. Waar het verzoekster werkelijk om te doen is, is de openbaarmaking van het dossier zelf, waarover de Staatsveiligheid beschikt. Dit dossier is geclassificeerd door de Staatsveiligheid. Voor een goed begrip moet dan de regelgeving die relevant is voor de openbaarmaking ervan in herinnering worden gebracht. 15. Over de classificatie zelf, leren de artikelen 3 tot 5 van de wet op de classificatie, voor zoveel als hier van belang, wat volgt: “Art. 3. - § 1. - In een classificatie kunnen worden ondergebracht: informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, in welke vorm ook, waarvan de niet-geëigende aanwending schade kan toebrengen aan een van de volgende belangen: […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.