← België

Arrest 250940 - Varia (justitie) - 17/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.940 Rolnummer: A. 227895/IX-9831 Zaak: Arrest 250940 - Varia (justitie) - 17/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 250.940 van 17 juni 2021 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.940 van 17 juni 2021 in de zaak A. 227.895/IX-9831 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Didier Matray en Axel De Wilde kantoor houdend te 2000 Antwerpen Justitiestraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken van 1 maart 2019 inzake openbaarheid van bestuur, waarbij het verzoek van XXXX tot inzage in het dossier over XYZ en tot het verkrijgen van een afschrift hiervan geacht wordt te zijn afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een “verzoekschrift neerlegging administratief dossier” en een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. IX-9831-1/7 Dat verslag werd de verwerende partij betekend met een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs van 15 juni
  3. Op 19 augustus 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verwerende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Axel De Wilde, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. IX-9831-2/7 III. Feiten
  6. Bij aangetekende brief van 22 november 2018 die eveneens werd verstuurd via e-mail vraagt verzoeker aan de dienst Vreemdelingenzaken in naam van XYZ en in eigen naam om inzage en afschrift van het dossier dat de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) onder zich heeft over XYZ en inzage en afschrift van alle correspondentie tussen de Veiligheid van de Staat en DVZ met betrekking tot XYZ. Omdat hij geen reactie ontvangt van DVZ dient verzoeker op 28 januari 2019 een verzoek tot heroverweging in. Op dezelfde dag verzoekt hij de commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur (hierna: de commissie) om een advies. De commissie verleent op 11 februari 2019 haar advies. Er volgt geen beslissing vanwege de verwerende partij na ontvangst van het advies van de commissie. Bij ontstentenis van kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn van vijftien dagen wordt de overheid overeenkomstig artikel 8, § 2, derde lid, van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (“WOB”) geacht een beslissing tot afwijzing te hebben genomen. Dat is de bestreden beslissing. IV. Toepassing versnelde rechtspleging
  7. Gelet op artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ kan de beslissing waarvan de IX-9831-3/7 nietigverklaring gevorderd wordt volgens een versnelde rechtspleging nietig worden verklaard indien noch de verwerende partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld.
  8. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 32 van de Grondwet en van de artikelen 4 en 6 WOB, namelijk de schending van het principieel recht van toegang tot bestuursdocumenten. In het auditoraatsverslag wordt het middel gegrond bevonden en de nietigverklaring voorgesteld op grond van de volgende vaststelling: “Het bestreden besluit is impliciet genomen en bevat geen motieven waarom de aanvraag wordt geweigerd. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij op geen enkel ogenblik de aanvraag van de verzoekende partij heeft onderzocht. De verwerende partij hulde zich volledig in stilzwijgen zowel na de aanvraag tot inzage, als na het omstandig advies van de Commissie. Zelfs in de memorie van antwoord geeft [de] verwerende partij geen echte redenen op om de openbaarheid te weigeren. Een dergelijke manier van werken is allerminst zorgvuldig.”
  9. De verwerende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Kennelijk kan zij zich vinden in de beoordeling van het auditoraatsverslag.
  10. Ook de Raad van State ziet geen reden om deze beoordeling niet bij te vallen. Het eerste middel is gegrond. V. Bevel en dwangsom Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker vraagt overeenkomstig artikel 35 (versta: artikel 36) RvS-wet om in het arrest de termijn te bepalen waarin DVZ een nieuwe IX-9831-4/7 beslissing moet nemen over het verzoek tot heroverweging. Hij vraagt om deze termijn te bepalen op vijftien dagen na de kennisgeving van het uit te spreken arrest. Hij vraagt eveneens om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 50.000 euro per dag vertraging in de uitvoering van het arrest. Dit “gelet op de duidelijke koppigheid en onwil” van DVZ om inzage in enig document te verlenen en de noodzakelijkheid om een voldoende hoge dwangsom uit te spreken.
  12. De verwerende partij gaat in de memorie van antwoord hierop niet in. Beoordeling
  13. Uit artikel 8, § 2, WOB volgt dat DVZ “binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies [van de commissie] of na verloop van de termijn waarbinnen kennis moest worden gegeven van het advies, [zijn] beslissing tot inwilliging of afwijzing van het verzoek tot heroverweging ter kennis [brengt] van de verzoeker”. De hierna uit te spreken nietigverklaring houdt in dat DVZ moet worden geacht zijn bevoegdheid nooit te hebben uitgeoefend. Aangezien het om een verplicht uit te oefenen bevoegdheid gaat, doet die nietigverklaring daarom de verplichting herleven om een beslissing te nemen, met daartoe een nieuwe termijn van vijftien dagen na kennisname van het vernietigingsarrest.
  14. Verzoeker voert voorts geen enkele reden aan waarom DVZ, gelet op de met het dictum van dit arrest onlosmakelijk verbonden motieven ditmaal zou verzuimen om na de hierna uit te spreken nietigverklaring een uitdrukkelijke beslissing te nemen. Daarenboven steunt verzoeker de vraag tot het opleggen van een dwangsom op de onwil van de verwerende partij om inzage in enig document te verlenen. Evenwel is het niet uitgesloten dat de stukken waarvan hij inzage wilt, onder de uitzonderingsgronden van de wet vallen, zodat er geen inzage mag worden verleend. IX-9831-5/7
  15. Het verzoek wordt afgewezen. BESLISSING
  16. De Raad van State vernietigt de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken van 1 maart 2019 inzake openbaarheid van bestuur, waarbij het verzoek van XXXX tot inzage in het dossier van de dienst Vreemdelingenzaken over XYZ en tot het verkrijgen van een afschrift hiervan geacht wordt te zijn afgewezen.
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9831-6/7 IX-9831-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.940 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.