← België

Arrest 250943 - Dierenwelzijn - 17/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.943 Rolnummer: A. 226746/VII-40436 Zaak: Arrest 250943 - Dierenwelzijn - 17/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-24 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 250.943 van 17 juni 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.943 van 17 juni 2021 in de zaak A. 226.746/VII-40.436 In zake : Livia Sigrid CUYPERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Verlinden kantoor houdend te 3210 Lubbeek Gellenberg 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 25 maart 2019, strekt tot de toekenning van een schadevergoeding tot herstel, begroot op 750 euro of 2.500 euro, naargelang het geval, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 247.082 van 20 februari 2020 vernietigt de Raad van State een beslissing van de inspectie Dierenwelzijn en heropent hij het debat wat betreft de schadevergoeding tot herstel. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.436-1/8 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Antoon Verlinden, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Bij arrest nr. 247.082 van 20 februari 2020 vernietigt de Raad van State de beslissing van de inspectie Dierenwelzijn van 4 oktober 2018 waarbij de kat van verzoekster, in toepassing van artikel 42 § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, definitief in volle eigendom wordt gegeven aan het erkende asiel, dat daarmee instemt. Dit arrest steunt op volgende redengeving: “De bestreden beslissing is een bestuurlijke maatregel in het kader van de volksgezondheid en de diergeneeskundige politie. Dergelijke maatregel moet in overeenstemming zijn met de materiëlemotiveringsplicht die inhoudt dat iedere administratieve rechtshandeling steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter VII-40.436-2/8 verantwoording van die handeling in aanmerking kan worden genomen. […] Een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel is aangetoond, en er kan niet worden aangenomen dat er een overtreding op het dierenwelzijn voorhanden was die toeliet de bestreden bestemmingsbeslissing te nemen. Het middel is gegrond”. 3.
  6. Bij het arrest wordt eveneens het debat heropend wat betreft de schadevergoeding tot herstel. IV. Rechtspleging Standpunt van de verwerende partij
  7. De memorie van wederantwoord van verzoekster werd met een op 18 december 2020 ter post aangetekende brief verstuurd naar de Raad van State. Deze brief werd wegens de vermelding van een verkeerde postcode teruggestuurd naar de afzender. Verzoekster heeft de memorie van wederantwoord opnieuw aangeboden met een op 5 januari 2021 ter post aangetekende brief. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij op artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. Zij stelt dat verzoekster het rechtens vereiste belang bij de vordering ontbeert door het feit dat de memorie van wederantwoord niet binnen de termijn van 60 dagen werd ingediend. Het vermelden van een onjuiste postcode kan volgens haar onmogelijk als een vorm van overmacht of onoverwinnelijke onwetendheid worden ingeroepen. Beoordeling
  9. Het toepassen van de drastische sanctie waarin de wet voorziet zou te dezen onevenredig zou zijn met de onzorgvuldigheid die werd begaan. De verwerende partij voert niet aan dat haar recht van verdediging daardoor werd aangetast. De beperking van het recht op toegang tot een rechter die, bij de voortzetting van de procedure, te dezen aan verzoekster zou worden opgelegd, is VII-40.436-3/8 onevenredig ten aanzien van de eisen van rechtszekerheid en goede rechtsbedeling, zodat artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou worden geschonden (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, nr. 49230/07, 24 februari 2009, asbl L’Erablière t. België). De exceptie wordt verworpen. V. Gegrondheid van de vordering Standpunten van de partijen
  10. Verzoekster betoogt: “[…] Mevrouw CUYPERS vordert een schadevergoeding. De vordering verschilt naargelang van de situatie die zich zal voordoen na de beslissing van de Raad van State. Het is namelijk onzeker of het betrokken dierenasiel het gezelschapsdier van mevrouw CUYPERS nog in bewaring heeft, dan wel dat het diertje is opgehaald door een buitenstaander dan wel dat het diertje misschien wel zou zijn geëuthanaseerd. Daarom vordert mevrouw CUYPERS schadevergoeding als volgt: - Indien het diertje in goede gezondheid kan worden gerecupereerd, vordert mevrouw CUYPERS ex aequo et bono een schadevergoeding van morele schade ten bedrage van 750 euro, met intresten vanaf datum van de uitspraak; Verantwoording van de schade: het leed dat op voorzet van een kwaadwillige buurvrouw is berokkend met samenwerking van de overheid is bijzonder groot. Op vandaag (maart 2019) is mevrouw CUYPERS al ruim 7 maanden ontzet uit de mogelijkheid om met haar gezelschapsdier contact te hebben; - Indien het diertje niet kan worden gerecupereerd om een of andere reden, vordert mevrouw CUYPERS een vergoeding van 2.500 euro voor het betrokkene leed. Verantwoording: indien er een onomkeerbare situatie is teweeggebracht door een onterechte overheidsbeslissing, is de schade uiteraard veel groter. Vermits het gezelschapsdiertje voor mevrouw CUYPERS haar enige gezinslid betreft (zij is alleenstaande), mag het berokkende leed niet worden onderschat”.
  11. De verwerende partij stelt daar tegenover dat het merkwaardig is dat verzoekster nooit enige poging heeft gedaan om de kat op te halen, hoewel zij goed wist waar die was, dat katten daarenboven “vervangbaar” zijn en verzoekster niet kan doen alsof haar hele wereld nu ingestort zou zijn: een paar weken volstaan VII-40.436-4/8 volgens de verwerende partij om te wennen aan een andere kat, zodat men zich de vraag zou moeten stellen of er eigenlijk wel sprake is van morele schade. Wat het oorzakelijk verband betreft stelt de verwerende partij dat het in de regel aan de verzoekende partij toekomt om aan te tonen dat zonder de vastgestelde onwettigheid de schade zich niet zou hebben voorgedaan. Zij moet bijgevolg aantonen dat er een causaal verband bestaat tussen de in arrest nr. 247.082 van 20 februari 2020 vastgestelde onwettigheden en de beweerde schade. De verwerende partij wijst erop dat uit een antwoord dat zij kreeg van de dienst Dierenwelzijn blijkt dat het dier niet gechipt was. Uiteraard is het volgens de verwerende partij dan quasi onmogelijk om het dier nog te traceren. Verzoekster draagt volgens de verwerende partij minstens een deel van de verantwoordelijkheid, temeer nu zij “in tempore utile” zelf ook nooit naar het asiel geweest is om de kat terug te halen, wat nochtans perfect mogelijk zou geweest zijn. Het bedrag van de vordering ingeval de kat niet kan gerecupereerd worden (2.500 euro) is volgens de verwerende partij willekeurig: er wordt zelfs niet naar soortgelijke gevallen verwezen of naar een tabel die een leidraad zou kunnen bieden. De verwerende partij betwist de begroting van de morele schadevergoeding “gebaseerd op het feit dat verzoekster bij de redactie van haar memorie in maart 2019 de kat reeds zeven maanden moet derven, wat haar tot een morele schadevergoeding van € 750 leidt”. Zij vervolgt dat verzoekster toch niet moet voorhouden “dat zij na die zeven maanden nog tot in de eeuwigheid morele schade zou lijden die zouden leiden tot een morele schadevergoeding van € 2.500,- Na zeven maanden is een kat al grotendeels vergeten of heeft men een ander huisdier genomen”.
  12. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de gevraagde schadevergoeding van 2.500 euro betrekking heeft op de vermengde materiële en morele schade, en ex aequo et bono is begroot. VII-40.436-5/8 Beoordeling
  13. Door het onwettig optreden van de verwerende partij bij het nemen van de bestemmingsbeslissing, vastgesteld bij arrest nr. 247.082 van 20 februari 2020, is verzoekster het eigendomsrecht van haar kat verloren. Er mag worden aangenomen dat verzoekster een nadeel heeft geleden wegens de aantasting van dat recht met betrekking tot haar gezelschapsdier. Dit nadeel zou zich niet hebben voorgedaan zonder de onwettigheid die werd vastgesteld bij voormeld arrest nr. 247.
  14. Het al dan niet gechipt zijn van de kat, staat daar los van. Er wordt niet verduidelijkt vanaf welk ogenblik het asielcentrum de kat niet langer kon terugvinden in zijn register. Het vereiste causaal verband is aanwezig. Slechts in de memorie van wederantwoord vraagt verzoekster een schadevergoeding voor materiële schade. Die uitbreiding van de vordering is laattijdig en dus onontvankelijk. Een moreel nadeel kan aanleiding geven tot het toekennen van een schadevergoeding tot herstel, als wordt aangetoond dat dit nadeel niet of niet geheel door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het komt de verzoekende partij toe dat nog niet herstelde morele nadeel te bewijzen aan de hand van concrete gegevens, aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft. Verzoekster verantwoordt de morele schadevergoeding op grond van de vaststelling dat zij als alleenstaande persoon door de onwettige beslissing haar gezelschapsdier (“haar enige gezinslid”) is verloren. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, heeft verzoekster wel degelijk een poging ondernomen om na arrest nr. 247.082 de kat op te halen. Deze poging heeft niet geleid tot een gunstig resultaat omdat de kat niet kon worden gelokaliseerd. VII-40.436-6/8 De Raad van State begroot de schadevergoeding voor het morele leed van verzoekster, doordat zij haar gezelschapsdier sinds de inbeslagname is verloren, naar billijkheid op 250 euro. Dat bedrag wordt mede verantwoord door de mate van bezorgdheid die verzoekster betoonde voor het welbevinden van haar kat, zoals blijkt uit de verklaring voorgelegd door de dierenartsenpraktijk die zich boog over de vraag van verzoekster over wat zij diende te doen om de verhuis voor haar kat zo weinig mogelijk stressvol te maken. Deze schadevergoeding wordt vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet zoals gevraagd door verzoekster, vanaf de datum van het instellen van de vordering op 25 maart
  15. BESLISSING
  16. De Raad van State veroordeelt het Vlaamse Gewest tot betaling van een schadevergoeding tot herstel aan Livia Sigrid Cuypers ten bedrage van 250 euro, meer de intresten vanaf 25 maart
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot toekenning van een schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. VII-40.436-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.436-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.943 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.