← België

Arrest 250970 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.970 Rolnummer: A. 231065/VII-40860 Zaak: Arrest 250970 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-24 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.970 van 17 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.970 van 17 juni 2021 in de zaak A. 231.065/VII-40.860 In zake : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Jan VANDENHEEDE woonplaats kiezend te 8830 Hooglede-Gits Bruggesteenweg 224 Tussenkomende partijen :

  1. Odette MORTAGNE woonplaats kiezend te 8800 Roeselare Adriaen Willaertstraat 41
  2. Carine MORTAGNE woonplaats kiezend te 8800 Roeselare Koninklijke Passage 1, bus 21 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 18 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-UDN-1920-0862 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 22 mei 2020 in de zaak 1920-RvVb-0577-UDN. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 september
  5. VII-40.860-1/9 Verweerder heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Odette Mortagne en Carine Mortagne hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 6 november
  6. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verzoekende partij en Jan Vandenheede, die in persoon verschijnt, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. VII-40.860-2/9 III. Feiten 3.
  9. Bij besluit van 27 februari 2020 verleent de provincie West-Vlaanderen aan Mortagne en consoorten een omgevingsvergunning “voor het slopen van een woning en aanhorigheden”. 3.
  10. Het bestreden arrest schorst op vordering van Vandenheede bij uiterst dringende noodzakelijkheid de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het middel Voorafgaandelijk
  11. Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”.
  12. Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie zijn opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan.
  13. Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van de provincie niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel enkel rekening houden met het in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middel en de eventuele toelichting ervan. VII-40.860-3/9 Standpunt van de provincie West-Vlaanderen
  14. De provincie voert één middel aan waarin zij de schending aanvoert van artikel 15, 4° van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-procedurereglement), de artikelen 32, tweede lid, samengelezen met artikel 149 van de Grondwet, en 35, derde lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet). De provincie vat het middel als volgt samen in de memorie van wederantwoord: “
  15. In het inleidend verzoekschrift bij de RvVb heeft [Vandenheede] geen (ontvankelijke) middelen naar voren gebracht. Dit blijkt uit het bestreden arrest alwaar onder meer herhaaldelijk gewag wordt gemaakt van de zinssnede ‘de Raad begrijpt deze kritiek als...’.
  16. Daarnaast behoort het niet tot het wettigheidstoezicht van de RvVb om de goede ruimtelijke ordening zelf te onderzoeken wanneer deze niet kennelijk onredelijk is (m.b.t. de beoordeling van het ‘gat’ of onbebouwd perceel naast een vrijgekomen afgedekte zijgevel). Evenmin behoort het tot de bevoegdheid van de RvVb om een extra plicht aan de deputatie op te leggen die nergens op gebaseerd is (met name de financiële afweging).
  17. Tenslotte kan de bewering van [Vandenheede] dat de sloopwerken niet volgens de regels van de kunst zouden gebeuren, geen argument zijn om de uiterst dringende noodzakelijkheid te schragen. Het bestreden arrest bevat hieromtrent geen motivering”. De provincie beperkt zich vervolgens tot een samenvatting van en een repliek op de standpunten van Vandenheede, waarin zij met betrekking tot “het gemis aan motivering in het bestreden arrest van de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid” nog stelt: “Derhalve bezondigt de [RvVb] zich in het bestreden arrest aan machtsoverschrijding door het beweerde instortingsgevaar voor waarheid aan te nemen, of anders gezegd, voor waar aan te nemen dat de werken niet behoorlijk zouden worden uitgevoerd. De uiterst dringende noodzaak diende in het bestreden arrest te worden afgewezen”. VII-40.860-4/9 Beoordeling
  18. Overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Het middel dat machtsoverschrijding aanvoert, kan niet tot cassatie leiden.
  19. Artikel 35, derde lid DBRC-decreet bepaalt dat een onwettigheid alleen aanleiding geeft tot een vernietiging als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De provincie verzuimt duidelijk te maken op welke wijze het bestreden schorsingsarrest deze bepaling schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  20. Artikel 15, 4° van het DBRC-procedurereglement bepaalt dat het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten en de ingeroepen middelen” bevat.
  21. Het bestreden arrest “besluit dat de bestreden beslissing op het eerste gezicht geen afdoende motivering bevat ter verantwoording van de gunstige beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening” en oordeelt dat het middel van Vandenheede ernstig is. De RvVb leest in het verzoekschrift van Vandenheede ondanks een “weinig conventioneel betoog […] weldegelijk wettigheidskritiek en in die zin minstens een middel”, meer bepaald: VII-40.860-5/9 “2.
  22. De Raad leest in het betoog van de verzoekende partij dat zij in essentie meent dat de verwerende partij met de bestreden beslissing de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, de formele en materiële motiveringsplicht schendt omdat haar bezwaren met betrekking tot de stabiliteit van de zijgevel en de duurzaamheid van de afwerking ervan niet of onvoldoende werden ontmoet. Wat de afwerkingswijze van de zijgevel betreft begrijpt de Raad de kritiek van de verzoekende partij op het eerste zicht als een schending van de materiële motiveringsplicht aangezien uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de opgelegde planaanpassing een afdoende duurzame oplossing biedt. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat onvoldoende onderzoek werd gevoerd naar, noch enige motivering in de bestreden beslissing is opgenomen betreffende de noodzaak tot schoring van de gevel om instorting te voorkomen, begrijpt de Raad dit als een schending van de formele motiveringsplicht, evenals een gebrek aan zorgvuldigheid in hoofde van de verwerende partij. 2.
  23. In haar relaas levert de verzoekende partij tevens kritiek op de wijze waarop in de bestreden beslissing de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld. De verzoekende partij sluit zich aan bij de provinciale omgevingsambtenaar en wijst bij gebrek aan een vervangend nieuwbouwproject op de mogelijks jarenlange negatieve visuele impact op het straatbeeld. Ze wijst in dat verband tevens op een reëel gevaar voor schade aan haar woning en op veiligheidsrisico’s voor zichzelf en anderen. De Raad begrijpt deze kritiek als een schending van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 4.3.1, §1, eerste lid, 1°, d en §2, eerste lid, 1° en 2° VCRO en artikel 63/1 Omgevingsvergunningsdecreet”.
  24. In de mate dat het middel betrekking heeft op de wettigheidskritiek die de RvVb in het verzoekschrift van Vandenheede leest waarop het door de RvVb ernstig bevinden van het middel van Vandenheede geen betrekking heeft, heeft de provincie geen belang. In zoverre het middel wel betrekking heeft op de wettigheidskritiek in het verzoekschrift van Vandenheede die door de RvVb als een ernstig bevonden middel wordt beoordeeld, laat de provincie na uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest dat in het verzoekschrift van Vandenheede dat ernstig middel wel leest, artikel 15, 4° van het DBRC-procedurereglement schendt. Het middel is in zoverre onontvankelijk. VII-40.860-6/9
  25. Artikel 32, tweede lid DBRC-decreet bepaalt dat het arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege met redenen wordt omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
  26. De beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid in de zin van artikel 40, § 2 DBRC-decreet is een feitenkwestie. Het middel dat de Raad van State als cassatierechter ertoe noopt om in tweede instantie deze feitelijke beoordeling door de RvVb over te doen, is onontvankelijk.
  27. Het bestreden arrest besluit dat er “is voldaan aan de in artikel 40, § 2, eerste lid, 1° DBRC-decreet gestelde voorwaarde” op grond van volgende overwegingen: “
  28. De verwerende partij vergunt met de bestreden beslissing de sloop van een woning die paalt aan de woning van de verzoekende partij. De rechter zijgevel van de woning van de verzoekende partij komt door de sloop vrij te liggen. De verzoekende partij uit de bezorgdheid dat de vrijgekomen zijgevel kan instorten nu deze een zwevende scheidingsmuur uitmaakt, en gezien er nog geen stabiliteitsonderzoek werd gevoerd noch in de bestreden beslissing enige melding wordt gemaakt van noodzakelijke schoring van de zijgevel na de uitvoering van de sloopwerken.
  29. VII-40.860-7/9 De Raad is van oordeel dat de middels de bestreden beslissing vergunde handelingen zonder meer snel hun beslag kunnen krijgen zodat in redelijkheid niet kan worden betwist dat de door de verzoekende partij vooropgestelde nadelige gevolgen zich desgevallend onmiddellijk zullen manifesteren. Een eventuele vordering tot schorsing wegens hoogdringendheid en bij uitbreiding de behandeling van de vordering tot vernietiging zullen hoe dan ook te laat komen om de belangen van de verzoekende partij te vrijwaren wanneer de tussenkomende partijen uitvoering geven aan de bestreden beslissing. Uit de nota met opmerkingen van de tussenkomende partijen blijkt niet dat zij desgevallend bereid zijn om de afwikkeling van de procedure ten gronde af te wachten. Aangezien de tussenkomende partijen schriftelijk zijn verschenen op de zitting van 19 mei 2020, kon evenmin gepeild worden naar hun intenties. In zoverre de tussenkomende partijen bovendien uitdrukkelijk erkennen dat zij de sloop van de betrokken woning nastreven om geen leegstandsheffing (meer) te moeten betalen, moet aangenomen worden dat zij de sloop zo snel mogelijk, kennelijk nog dit jaar zullen willen realiseren.
  30. Zoals hoger reeds werd overwogen volgt uit de aard van de werken zelf dat de bestreden beslissing binnen een zeer korte tijdspanne kan worden uitgevoerd en dat het afwachten van de aanvang van de werken in wezen een voldongen feit impliceert. De verzoekende partij heeft in haar bezwaarschrift en haar administratief beroepschrift consequent gewezen op mogelijk instortingsgevaar. Hoewel de door de verzoekende partij geschetste nadelige gevolgen deels gelinkt zijn aan de vraag of de vergunde werken volgens de regels van de kunst zullen worden uitgevoerd en de aannemer en de architect ter zake aansprakelijk zijn, wettigt dit op zich niet dat de verzoekende partij gegeven de concrete omstandigheden van het dossier het aanwenden van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou worden ontzegd”. Het middel dat een gemis aan motivering aanvoert, mist feitelijke grondslag.
  31. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  33. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.860-8/9 De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.860-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.