← België

Arrest 250975 - Overheidsopdrachten - 18/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.975 Rolnummer: A. 232174/XII-8981 Zaak: Arrest 250975 - Overheidsopdrachten - 18/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 250.975 van 18 juni 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 250.975 van 18 juni 2021 in de zaak A. 232.174/XII-8981 In zake: de NV JEMACO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Mommaerts kantoor houdend te 3000 Leuven Brusselsesteenweg 62 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het INTERGEMEENTELIJK SAMENWERKINGSVERBAND VOOR VUILVERWIJDERING EN -VERWERKING IN BRUGGE EN OMMELAND (IVBO) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Evelien Vanhauter kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 november 2020, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e gunningsbeslissing d.d. 14 oktober 2020 uitgaande van [IVBO] waarbij besloten werd om JEMACO NV niet te weerhouden” voor het leveren van polyethyleen vuilniszakken. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 249.079 van 27 november 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XII-8981-1/4 Het genoemde arrest is op 4 december 2020 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Op 5 februari 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Beoordeling
  4. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
  5. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
  6. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. XII-8981-2/4 IV. Kosten
  7. Met een beslissing van het ILVO van 18 november 2020 is de bestreden beslissing ingetrokken.
  8. In de gegeven omstandigheden past het de kosten, zijnde het rolrecht en de bijdrage, ten laste van de verwerende partij te leggen. Er is te dezen tevens grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 67 van het voormelde besluit van de Regent de verzoekende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, nu zij door de intrekking van de bestreden beslissing als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. Er is geen reden om over te gaan tot een verhoging of verlaging van het basisbedrag van 700 euro; door de intrekking is de procedure beperkt gebleven tot de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. BESLISSING
  9. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  10. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XII-8981-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8981-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.975 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.