← België

Arrest 251010 - Milieuvergunningen - 22/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.010 Rolnummer: A. 223166/VII-40090 Zaak: Arrest 251010 - Milieuvergunningen - 22/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-01 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.010 van 22 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.010 van 22 juni 2021 in de zaak A. 223.166/VII-40.090 In zake : Hildegarde VERLOO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristin Dewever en Aniek Van De Velde kantoor houdend te 8720 Wakken Kasteeldreef 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV BFS EUROPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Beleyn en Merlijn De Rechter kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 juli 2017, waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 januari 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv BFS Europe voor een tapijtproducerend bedrijf, gelegen aan de Ingelmunstersteenweg 162-164 te Oostrozebeke, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. VII-40.090-1/40 Op 26 mei 2021 dient verzoekster een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel in II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv BFS Europe heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 november
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aniek Van De Velde, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Bram Van Den Berghe, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Beleyn, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-40.090-2/40 III. Feiten 3.
  5. Op 9 september 2016 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in voor de “verandering door de wijziging van een inrichting door het verplaatsen binnen de inrichting of de aanwending van een andere fabricagemethode” en de “verandering door de uitbreiding van een inrichting door het vergroten van de capaciteit, de drijfkracht of de oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft”. De aanvraag heeft betrekking op een terrein gelegen terrein aan de Ingelmunstersteenweg 162-164 in Oostrozebeke, kadastraal gekend als afdeling 1, sectie D, nr. 303Y2 en sectie E, nr. 1183R. 3.
  6. De betrokken inrichting ligt volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan ‘Roeselare-Tielt’ deels in industriegebied, deels in gebied voor milieubelastende industrieën, deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en deels in woongebied met landelijk karakter. De inrichting ligt ook binnen de grenzen van het Bijzonder Plan van Aanleg “De Pauw” (hierna: BPA), grotendeels in nijverheidszone. 3.
  7. Over de aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Verzoekster dient een bezwaarschrift in. 3.
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostrozebeke, de Vlaamse Milieumaatschappij, het departement RWO, het departement LNE, het Vlaams Energieagentschap en de Provinciale Milieuvergunningscommissie verlenen alle een gunstig advies. 3.
  9. Bij besluit van 12 januari 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van West Vlaanderen aan de tussenkomende partij de gevraagde milieuvergunning voor een termijn verstrijkend op 16 februari
  10. VII-40.090-3/40 Tegen deze beslissing stelt verzoekster administratief beroep in. 3.
  11. Nadat ook in graad van administratief beroep de nodige adviezen zijn uitgebracht, verklaart de Vlaamse minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw op 19 juli 2017 het ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond en wijzigt zij het beroepen besluit. Dit is de bestreden beslissing, die onder meer als volgt luidt: “Overwegende dat de inrichting deels in industriegebied, deels in zonering milieubelastende industrie volgens het gewestplan Roeselare - Tielt (goedgekeurd bij koninklijk besluit op 17 december 1979 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1988), deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen is; dat langs drie zijden (west, noord en oost) (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied ligt, ten zuiden paalt langs beide zijden van de gewestweg een woongebied met landelijk karakter waarbinnen verschillende vrijstaande woningen dicht tegen het bedrijf komen; dat tevens, voor het overgrote deel van de vestiging, een BPA ‘De Pauw’ geldt; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid als orgaan van actief bestuur geen toepassing mag maken van het door de beroeper aangehaald artikel 159 van de Grondwet om de voor de plaats geldende aanlegplannen buiten toepassing te laten bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag omwille van de onwettigheid ervan, tenzij de plannen wegens een flagrante, onbetwistbare onwettigheid als onbestaande zouden moeten worden beschouwd; […] Overwegende dat het ouder BPA ‘De Pauw’, zoals goedgekeurd bij ministerieel besluit van 10 juni 1997, voor de percelen in aanvraag niet bestemmingsstrijdig is met het gewijzigde gewestplan, omdat ‘de terreinen die volgens het gewestplan zijn bestemd als milieubelastende bedrijven en als woongebied met landelijk karakter reeds volledig zijn volzet, en het voormelde bedrijf in het verleden reeds op een legale wijze grootschalige bedrijfsuitbreidingen heeft kunnen realiseren in het gedeelte dat nog als agrarisch gebied is bestemd op het gewestplan’, en blijft als gedetailleerder uitgewerkt het verordenend plan waaraan het gevraagde moet worden getoetst; Overwegende dat het bedrijf voor het overgrote deel, dus buiten het uitgesloten deel van het BPA, binnen de zone N blijft: ‘Nijverheidsgebouwen, zonder abnormale hinder en zonder abnormale risico’s voor de omgeving’; dat als bemerking het volgende in de tabel staat: ‘deze gronden zijn uitsluitend bestemd voor de uitbreiding van het aldaar bestaand en gevestigd bedrijf’; dat de oostelijke parking in de strook Pp, private parkeerplaatsen valt; Overwegende dat dit BPA stedenbouwkundige voorschriften in tekst en in tabelvorm geeft met, per zonering, concrete aanduiding van hoofd- en VII-40.090-4/40 nevenbestemming, plaatsing van gebouwen ten overstaan van de perceelsgrenzen, oppervlakte, percentage bezetting, volume, aantal bouwlagen, vormgeving en materialen, V/T index en afsluitingen; dat het gemeentelijk plan van aanleg aldus wordt geacht de criteria van een goede ruimtelijke ordening weer te geven volgens artikel 4.3.1 §2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO); dat de tabel ‘bemerkingen’ concrete aanvullingen geeft van onder meer bouwhoogten en uitvoering van beplanting en bijgevolg in die zin geldt als integrerend deel van de bindende stedenbouwkundig-technische voorschriften; dat de uitdrukking ‘bestaand en gevestigd bedrijf’ bij gebrek aan verdere specificering (naam, hoedanigheid,…) alleen in de algemeen gangbare betekenis kan gezien worden en logischerwijze duidt op wat als van voor het BPA als ruimtelijke configuratie op vergunde wijze bestond en op wat als een continue maar evengoed evoluerende bedrijfsuitvoering wordt aangehouden; Overwegende dat het voorwerp van de aanvraag, de nieuwe extrusielijnen, niet noodzaakt tot vergaande vergunningsplichtige bouwwerken, maar wel in open lucht vier nieuwe granulaatopslagsilo’s moeten worden geplaatst (3 meter diameter en 15 meter hoog), die in eerste aanleg door de gemeente (1 september 2016) en in beroep door de deputatie (8 december 2016) stedenbouwkundig vergund zijn onder voorwaarde tot bijkomende groenafscherming; dat beide beslissingen grondig zijn uitgewerkt en blijk geven van degelijke kennis van de reglementaire en feitelijke omstandigheden en de nodige formele en inhoudelijke afwegingen omvatten; dat de opgelegde voorwaarde tot bijkomende groenaanleg verdere ruimtelijke inkleding van de activiteiten realiseert; dat de argumentatie van deze stedenbouwkundige vergunningen kan worden overgenomen in de ruimtelijke beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag; Overwegende dat voor zover wordt voldaan aan het stedenbouwkundig voorschrift van het BPA ‘zonder abnormale hinder en zonder abnormale risico’s voor de omgeving’ de bedrijvigheid in overeenstemming is met de ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat in de stedenbouwkundige vergunning van 4 augustus 2016 met betrekking tot het groenscherm de volgende voorwaarde wordt geformuleerd: ‘het groenscherm heeft een breedte van 5 meter, en bevat enerzijds hoogstammige bomen (Pyrus calleryana ‘Chanticleer’) om de 8 meter en op voorgeschreven afstand van de perceelsgrens (minimum 2 meter). Deze bomen moet vrij kunnen uitgroeien. De rest van de zone moet aangeplant worden met Alnus glutinosa 25% (zwarte els), Fraxinus excelsior 25% (es), Corylus avellana 25% (hazelaar), Ligustrum valgare 15% (wilde liguster) en Taxus baccata 10% (taxus); deze moeten aangeplant worden als een gemengde haag en onderhouden worden via de principes van hakhoutbeheer’; dat de exploitant op de gewestelijke milieuvergunningscommissie van 6 juni 2017 verklaarde dat het groenscherm zal worden aangelegd vanaf het moment dat de exploitant definitief kan beschikken over de stedenbouwkundige vergunning; dat door de aanleg van het groenscherm zoals bedoeld in het BPA en geconcretiseerd in de verleende bouwvergunning een buffer wordt gecreëerd die eveneens een gunstige invloed heeft op een aantal milieurelevante aspecten; dat de aanleg van een groenscherm als een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; VII-40.090-5/40 Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Belang
  12. Zowel de verwerende als de tussenkomende partij werpen in hun laatste memorie op dat verzoekster haar belang bij het beroep heeft verloren wegens de verkoop van haar woning.
  13. Verzoekster betoogt in haar laatste memorie dat zij haar hoedanigheid van eigenaar van de woning niet uit vrije wil verloren heeft, maar precies ten gevolge van de bestreden beslissing. Beoordeling
  14. Ter terechtzitting blijkt dat verzoekster geen eigenaar meer is van de betrokken woning. De notariële verkoopsovereenkomst werd ondertekend op 26 mei
  15. Zij heeft op dezelfde datum, dus vóór de sluiting van het debat een vordering tot schadevergoeding tot herstel ingediend in de zin van artikel 11bis van de Rvs-wet.
  16. Artikel 11bis van de RvS-wet luidt: “Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. Het verzoek tot schadevergoeding wordt uiterlijk ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Er wordt een VII-40.090-6/40 uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Bij toepassing van artikel 38, moet het verzoek tot schadevergoeding uiterlijk worden ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. De partij die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, kan geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen. Elke partij die een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering instelt of heeft ingesteld, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak geen vergoeding voor hetzelfde nadeel meer vragen”. Krachtens deze wetsbepaling van de RvS-wet kan de Raad van State op verzoek van “[e]lke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3 [van de RvS-wet]” en die een nadeel heeft geleden vanwege de onwettigheid van de akte, een schadevergoeding tot herstel toekennen ten laste van de steller van de handeling. De vordering tot schadevergoeding tot herstel kan in de loop van het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. Het instellen van de vordering tot schadevergoeding tot herstel plaatst de Raad van State in voorkomend geval wel voor de verplichting om toch -voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die zij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is- een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over de ingediende vordering tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. Aldus verschaft artikel 11bis van de RvS-wet aan een verzoekende partij, wier belang in de annulatieprocedure buiten haar tekortkoming om evolueerde van een belang bij de nietigverklaring naar een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding, de mogelijkheid om toch nog een beoordeling door de Raad VII-40.090-7/40 van State te verkrijgen van de middelen die zij in het kader van haar annulatieberoep aanvoerde. Verzoekster kan aldus, met het instrument waarin artikel 11bis van de RvS-wet voorziet, zelf adequaat inspelen op de veranderde omstandigheden en haar belang, gelet op de gewijzigde inzet van het geschil, vrijwaren. Verzoekster heeft ook effectief van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door vóór de sluiting van het debat bij de Raad van State een vordering tot schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de RvS-wet in te dienen. In het kader van het annulatieberoep, dat ontvankelijk was op het ogenblik waarop het werd ingesteld en gezien het verlies aan actueel belang bij de nietigverklaring de verzoekende partij rekening houdend met de omstandigheden van de zaak niet verwijtbaar is, blijven in het huidige geval wel nog de aangevoerde middelen tot nietigverklaring te onderzoeken en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen in zoverre dit onderzoek en de vaststelling nodig zijn om later, na een tegensprekelijk debat daarover, over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen
  17. In een eerste middel roept verzoekster de onwettigheid in van het BPA, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. VII-40.090-8/40 Eerste middelonderdeel
  18. In het eerste middelonderdeel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 23, tweede en derde lid, en 24, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: stedenbouwwet) zoals van toepassing ten tijde van de goedkeuring van het BPA, in combinatie met de artikelen 21, § 2 en 29, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I). Het goedkeuringsbesluit van het BPA van 10 juni 1997 is volgens haar door een grove onregelmatigheid aangetast, omdat de met blauwe rand omzoomde gedeelten van het bestemmingsplan eruit zijn gesloten. Het BPA kan evenwel onmogelijk opgesplitst worden in, enerzijds, een deel dat samenvalt met het deel van de bedrijfssite dat reeds in het initiële gewestplan voor milieubelastende industrie werd bestemd en, anderzijds, een deel waarin in essentie de uitbreiding van de bedrijfssite werd beoogd. De beide onderdelen van het BPA zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een opsplitsing ervan tast de algemene economie van het plan aan en wijzigt het BPA op inhoudelijk vlak. Tweede middelonderdeel
  19. In een tweede middelonderdeel stelt verzoekster dat het BPA buiten toepassing moet worden gelaten omdat het in strijd is met de artikelen 1 en 14, derde lid, van het Vlaams coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 (hierna: coördinatiedecreet), een zone nr. 7 “bufferzone” (groenzone) intekent ter hoogte van haar woning gelegen in woongebied met landelijk karakter en zo een vergissing tijdens de totstandkoming van het gewestplan probeert recht te zetten. Deze vergissing kon evenwel enkel rechtgezet worden met een herziening van het gewestplan. Het oorspronkelijk gewestplan uit 1979 en het gewijzigd gewestplan uit 1998 zijn bovendien eveneens onwettig als gevolg van het niet VII-40.090-9/40 voorzien van een bufferzone tussen het gebied voor milieubelastende industrieën en het woongebied met landelijk karakter. Bijgevolg is een correcte toetsing van vergunningsaanvragen aan het bestemmingsvoorschrift “zone voor milieubelastende industrieën” niet mogelijk. Derde middelonderdeel
  20. In een derde middelonderdeel stelt verzoekster dat het BPA onwettig is omdat de voorgeschreven bufferzone met een breedte van 5 meter volledig ondermaats is. Dit houdt nauwelijks meer in dan de bevestiging van de bestaande toestand en berust niet op een belangenafweging, waarbij niet enkel de belangen van het bedrijf maar ook deze van de omwonenden in rekening worden gebracht. De vaststelling van de bufferzone doet niet blijken van een duurzame ruimtelijke oplossing. Het ondermaats karakter van de bufferzone werd reeds in vraag gesteld in een schrijven van 21 maart 1995 van de gemachtigde ambtenaar aan de ontwerper van het plan. De gemachtigde ambtenaar wijst op het streven van de overheid om bufferzones te voorzien van 25 meter voor milieubelastende industrieën. Artikel 1 van het coördinatiedecreet, het zogeheten doelstellingenartikel, vestigde de verplichting om, naast met economische en sociale gevolgen, ook rekening te houden met de draagkracht van het gebied, rekening houdend met de gevolgen voor het leefmilieu en de stedenbouwkundige hinder. Er is evenwel geen beoordeling gemaakt van de impact van het bedrijf op de toenmalige ruimtelijke draagkracht van het woongebied. Vierde middelonderdeel
  21. In een vierde middelonderdeel stelt verzoekster dat het BPA onwettig is omdat het niet het algemeen geldend karakter heeft eigen aan een verordening, zoals voorgeschreven door artikel 2, § 1, van de stedenbouwwet. Verzoekster stelt dat het BPA voorschrijft dat de gronden behorend tot de nijverheidszone uitsluitend bestemd zijn voor de uitbreiding van het aldaar bestaand en gevestigd bedrijf. Dit bestemmingsvoorschrift heeft echter geen algemeen geldend karakter, maar kan maar door een welbepaalde persoon worden VII-40.090-10/40 gerealiseerd. Bovendien wil de tussenkomende partij afstappen van de bestaande activiteiten van het vervaardigen van vloerbekleding en wil zij zich toeleggen op de productie van kunstgras. Dit is een activiteit die niet voldoet aan de voorwaarden tot het uitsluitend bestemd zijn voor de uitbreiding van het bestaand bedrijf. Het toenmalig gevestigd bedrijf werd enkel ingeschreven voor de NACEBEL-activiteiten “vervaardiging van vloerkleden en tapijt” en niet voor kunstgras. Het voorwerp van de bestreden beslissing beantwoordt bijgevolg niet aan de bepalingen van het BPA. Vijfde middelonderdeel
  22. In het vijfde middelonderdeel stelt verzoekster, ten slotte, dat het BPA buiten toepassing moet worden gelaten wegens schending van artikel 14, derde lid, van het coördinatiedecreet en verwijst zij naar de interpretatie van de Raad van State sinds het arrest nr. 29.254 van 28 januari
  23. Verzoekster stelt dat het BPA afwijkt van het gewestplan. Bij de goedkeuring van het BPA heeft de Vlaamse regering, ondanks ongunstig advies van haar administratie, gesteld dat het gewestplan achterhaald was maar dit is volgens verzoekster onvoldoende gemotiveerd. De Vlaamse regering verwijst bij de goedkeuring naar de legaal tot stand gekomen zonevreemde bedrijfsgebouwen, waarvoor in strijd met of in afwijking van het gewestplan een vergunning voor bedrijfsgebouwen werd verleend. Dit betreft een vergunning die tot stand is gekomen na gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar op 1 februari
  24. Deze vergunning wordt door verzoekster bekritiseerd. Zij verwijst naar een eerdere aanvraag die op 8 juli 1987 werd geweigerd omdat het aangevraagde de goede aanleg van de plaats in het gedrang bracht en er een vrije strook van 5 meter ten opzichte van de perceelsgrenzen moet behouden worden. Nog volgens verzoekster volgt uit artikel 79 van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 dat de aanvraag tevens moet beoordeeld worden vanuit een ruimer en breder perspectief dan de zorg voor de aanleg van de plaats, waarbij moet onderzocht worden of de wezenlijke kenmerken, de door het gewestplan vastgestelde bestemming en de reeds geplande VII-40.090-11/40 of uitgevoerde ordening van het betrokken gebied niet in het gedrang komt. Verzoekster stelt dat het advies van de gemachtigde ambtenaar van 1 februari 1991 geen afdoende motivering bevat waaruit blijkt dat de zonevreemde constructies de goede plaatselijke ordening niet in het gedrang brengen, noch een motivering waarom de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied achterhaald was. De omstandigheid dat deze vergunning niet werd aangevochten bij de Raad van State stelt de Vlaamse regering niet vrij van de verplichting om de vergunning nog eens opnieuw en kritisch te bekijken. Verzoekster verwijst voorts naar rechtspraak van de Raad van State, waaronder voormeld arrest nr. 29.254 van 28 januari 1988, waaruit blijkt dat moet aangetoond worden dat de gewestplanbestemming achterhaald is, dat de afwijking een beantwoording is van de voorgestelde bestemming aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden, en dat deze planologische redenen duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden. Zij verwijst vervolgens naar de memorie van toelichting bij het BPA. In totaal wijkt het ontwerp van BPA van het gewestplan af voor een oppervlakte van 3 ha, 28 a, 30 ca agrarisch gebied en 10 ha, 9 a landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De gemeente verantwoordt de afwijking van het gewestplan om het bestaand bedrijf maximaal te steunen in haar verdere uitbreiding, expansie en tewerkstelling, maar verzoekster stelt dat de duidelijkheid en goede lokaliseerbaarheid van de planologische redenen, onbesproken blijft in de memorie van toelichting bij het BPA. Voorts verwijst verzoekster naar de notulen van de gemeenteraad, waaruit blijkt dat de gemeenteraad heeft nagelaten om omstandig te motiveren waarom het gewestplan achterhaald is. Er was immers geen enkel overheidsinitiatief vereist om de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied te realiseren. Tot slot blijkt uit het advies van de afdeling Land op 31 maart 1995 dat niet voldaan is aan de drie voorwaarden gesteld in de wetsinterpretatie geformuleerd door de Raad van State en dat een BPA niet het geëigende middel is VII-40.090-12/40 om grootschalige bestemmingswijzigingen door te voeren, maar die wijzigingen slechts mogelijk zijn via een gewestplanwijziging.
  25. De verwerende partij antwoordt, wat het eerste middelonderdeel betreft, in essentie dat artikel 159 van de Grondwet niet geldt voor organen van actief bestuur zoals zijzelf, zodat zij het BPA niet buiten toepassing kon laten, tenzij het plan wegens een flagrante, onbetwistbare onwettigheid als onbestaande moet worden beschouwd, hetgeen verzoekster niet aannemelijk maakt. Bovendien toont zij niet aan dat de toepassing van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid van de bestreden beslissing met zich meebrengt. Zowel uit artikel 24 van de stedenbouwwet als uit de door verzoekster aangehaalde rechtspraak volgt dat het BPA gedeeltelijk kon worden goedgekeurd. De kritiek van verzoekster betreft volgens de verwerende partij bovendien loutere opportuniteitskritiek, die geen aanleiding kan geven tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Verzoekster geeft een eigen invulling aan de motieven van het goedkeuringsbesluit en maakt alleszins niet aannemelijk dat de gedeeltelijke goedkeuring van het BPA de algemene economie ervan heeft aangetast. Voorts zet verzoekster niet uiteen welk belang zij heeft bij het middelonderdeel waar zij opwerpt dat niet tot gedeeltelijke goedkeuring van het BPA kon worden overgegaan. In de mate dat het BPA buiten toepassing zou moeten worden gelaten, dient volgens de verwerende partij te worden teruggevallen op het gewestplan, zodat een gebeurlijke toepassing van artikel 159 van de Grondwet verzoekster niet tot voordeel kan strekken. Waar verzoekster van oordeel is dat het BPA onwettig is omdat er een bufferzone in is voorzien die niet in het gewestplan was opgenomen (tweede middelonderdeel), betwist de verwerende partij het belang van verzoekster, omdat zij net vragende partij lijkt te zijn voor een buffer en zij dus geen voordeel kan ontlenen aan de vermeende onwettigheid. Overigens laat verzoekster niet alleen na aan te geven waaruit de plicht tot het voorzien van een buffer zou voortvloeien, maar heeft zij het op dat punt ook bij het verkeerde eind. VII-40.090-13/40 De aanleg van de buffer creëert hoe dan ook een gunstige invloed op een aantal milieurelevante aspecten en werd terecht als bijzondere voorwaarde opgelegd. De bewering in het derde middelonderdeel dat de bufferbreedte van 5 meter ondermaats is, betreft volgens de verwerende partij loutere opportuniteitskritiek waarvoor de wettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet geen ruimte laat. Overigens is de eigenlijke bedrijvenzone van de eigendom van verzoekster afgescheiden met een parkeer- en circulatiezone, zodat de bedrijvenzone op 50 meter van haar eigendom en op 60 meter van haar woning is gelegen. Bovendien ligt een aanzienlijk deel van de tuin van verzoekster, zonevreemd, in gebied voor milieubelastende industrieën. Voorts toont verzoekster niet aan dat het zogeheten doelstellingenartikel werd geschonden. Daarnaast dient verzoekster ook oog te hebben voor de bestaande situatie. Het BPA werd uiteindelijk sterk gereduceerd en had voornamelijk tot doel aanvullende terreinen, die al volledig bebouwd waren met vergunde bedrijfsgebouwen, te bestemmen tot industrieterrein. Er bestaat, ten slotte, geen verplichting om een bufferzone te voorzien in het BPA, laat staan een bufferzone van een minimale omvang. Verzoekster toont zulks evenmin aan.
  26. Volgens de tussenkomende partij mist verzoekster belang bij het eerste middelonderdeel omdat het aangevraagde zich binnen het oude gedeelte van de bedrijfssite bevindt, dat volgens het gewestplan in gebied voor milieubelastende industrie is gelegen. Verzoekster betwist niet dat de het aangevraagde verenigbaar is met die gewestplanbestemming. Zij heeft dus geen belang bij het buiten toepassing laten van het BPA dat slechts een verbijzondering is van die bestemming. Ondergeschikt betoogt de tussenkomende partij dat een gedeeltelijke goedkeuring van het BPA, overeenkomstig de destijds geldende wettelijke bepalingen, wel degelijk mogelijk was. Er werden slechts enkele uitbreidingsgronden, die in landschappelijk waardevol agrarisch gebied waren VII-40.090-14/40 gelegen, uit het plan geschrapt. Dit tast de algemene economie van dat plan niet aan, minstens maakt verzoekster zulks niet aannemelijk. Gelet op de onderliggende gewestplanbestemming heeft verzoekster volgens de tussenkomende partij evenmin belang bij het tweede middelonderdeel. Minstens kan het buiten toepassing laten van het BPA haar niet baten. De tussenkomende partij verwijst naar haar uiteenzetting over het belang bij het eerste middelonderdeel. Ten gronde argumenteert de tussenkomende partij dat in een gewestplan geen bufferzone als afzonderlijk bestemmingsgebied moet worden voorzien. De vraag naar de noodzakelijkheid van een bufferzone moet concreet worden beoordeeld naar aanleiding van een vergunningsaanvraag. Het BPA heeft dan ook geen vergissing willen wegwerken door wel een bufferzone te voorzien. Ze verwijst dienaangaande ook naar haar uiteenzetting bij het tweede middel. Ook wat het derde middelonderdeel betreft betwist de tussenkomende partij het belang van verzoekster, en ook hier verwijst zij naar haar uiteenzetting over het eerste middelonderdeel. Ten gronde wijst de tussenkomende partij vooreerst op het richtinggevende karakter van de omzendbrief van
  27. Daarnaast betoogt zij dat een bufferzone niet noodzakelijk een groenzone moet zijn. De eigendom van verzoekster ligt zelf in industriegebied en de eigenlijke bedrijfszone is afgescheiden van de woning van verzoekster met een grote parkeerzone, zodat de eigenlijke bedrijfszone op 50 meter van de woonzone ligt. Bovendien ligt er nog een groenzone van 5 meter binnen de voorziene bufferzone en beschikt verzoekster ook over groen op haar industriegrond. Er kan dus bezwaarlijk worden gesteld dat de buffering “kennelijk te weinig” is. Daarbij mag overigens niet uit het oog worden verloren dat de bestemmingsvoorschriften bepalen dat enkel nijverheidsgebouwen, zonder abnormale hinder en zonder abnormale risico’s voor de omgeving, mogelijk zijn. Uiteindelijk kan dit middelonderdeel enkel als opportuniteitskritiek worden gelezen. VII-40.090-15/40
  28. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster toe dat artikel 24 van de stedenbouwwet uitsluitend een regeling van dwangtoezicht omvat, en dat er op grond van die bepaling dus geen ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid in hoofde van de verwerende partij bestaat. Het niet naleven van verplichtingen, door de gemeente, op grond van artikel 43 van de stedenbouwwet, kan eveneens aanleiding geven tot een vervangend optreden op grond van het voornoemde artikel
  29. Met betrekking tot het BPA is evenwel niet vervangend opgetreden. Voorts wijst verzoekster er nog op dat het rechtszekerheidsbeginsel niet tegen de wettelijke bepalingen kan worden ingeroepen. Aangaande de betwisting van haar belang bij het middel verwijst verzoekster naar rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en van de Raad van State waaruit blijkt dat een gebrek aan de wettelijk vereiste rechtsgrond een onwettigheid is die de openbare orde aanbelangt en derhalve ambtshalve wordt gesanctioneerd. Het soelaas dat verzoekster met het vernietigingsarrest beoogt bestaat erin dat het BPA in de toekomst niet langer als rechtsgrond kan worden aangewend. Wat het tweede middelonderdeel betreft betoogt verzoekster dat de bestreden beslissing mede gegrond is op de bufferzone die is voorzien door het BPA, zodat zij meent daartegen de exceptie van onwettigheid te kunnen opwerpen. Indien dit middelonderdeel gegrond wordt verklaard, zal het BPA in de toekomst, naar aanleiding van een herstelbeslissing, niet langer een rechtsgrond kunnen bieden voor de toekenning van een milieuvergunning. Fouten van het Vlaamse Gewest moeten door het Gewest zelf worden hersteld en de gemeente kan daarbij niet in zijn plaats treden. Aangaande het derde middelonderdeel merkt verzoekster op dat haar verwijzing naar het doelstellingenartikel, ook betrekking heeft op de interpretatie die door de rechtspraak aan die bepaling is gegeven. De verwerende partij duidt geen enkel dossierstuk aan waaruit blijkt dat de sociaal-economische behoeften op evenwichtige wijze werden afgewogen tegen de woonbehoeften van de omwonenden of waaruit blijkt dat de impact van het bedrijf op de ruimtelijke VII-40.090-16/40 draagkracht van het omliggende woongebied daadwerkelijk bij de beoordeling werd betrokken. Zij betwist eveneens dat haar kritiek loutere opportuniteitskritiek betreft. Wat betreft het vierde middelonderdeel merkt verzoekster op dat de verwerende partij een eigen interpretatie geeft aan de uitdrukking “bestaand en gevestigd bedrijf”, en dat de tussenkomende partij niet verduidelijkt hoe de vereiste van een “bestaand” en “gevestigd” bedrijf te rijmen valt met haar standpunt dat een derde de bestemming “nijverheidsgebouwen” kan realiseren. Een slechts gedeeltelijke buitentoepassing verklaring van het BPA is volgens haar niet mogelijk, en zij verwijst in dat verband naar haar uiteenzetting bij het vijfde middelonderdeel. Met betrekking tot het vijfde middelonderdeel ten slotte, argumenteert verzoekster dat haar kritiek wel degelijk ook is gericht tegen het BPA zoals het door de Vlaamse regering is goedgekeurd. De door de regering doorgevoerde uitsluiting van een deel van het door de gemeenteraad definitief aanvaarde ontwerp van BPA heeft niet de rechtskracht van een aan de regering toe te schrijven validering die het inroepen van mogelijke rechtskritieken in de toekomst uitsluit en daardoor het niet-uitgesloten deel van het BPA consolideert. Het bestuur was verplicht om rekening te houden met de verordenende kracht van het gewestplan en met het toekomstig karakter van het door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschrift. Ook ten aanzien van de gronden in het gebied voor milieubelastende industrieën die reeds bebouwd waren met bedrijfsgebouwen op het ogenblik dat het gewestplan werd vastgesteld, kan volgens haar zonder miskenning van de bindende en verordenende rechtskracht en het toekomstgericht karakter van die plannen niet gesteld worden dat het toepasselijk voorschrift achterhaald was. De vraag of de door verzoekster betwiste keuze die de gemeente en de regering maakten om middels het BPA af te wijken van het gewestplan in redelijkheid kon worden verantwoord, is daarbij zelfs niet aan de orde. De redelijkheid van die verantwoording komt immers pas aan bod wanneer vaststaat dat op wettige wijze kon worden geoordeeld dat de gewestplanbestemming achterhaald was. In de formele motivering van het goedkeuringsbesluit valt niet te VII-40.090-17/40 lezen waarom de door het gewestplan voorgeschreven bestemming niet achterhaald was.
  30. In haar laatste memorie voegt verzoekster wat het tweede en het derde middelonderdeel toe dat, indien de Raad zou beslissen dat het BPA, wat de geviseerde bufferzone betreft, buiten toepassing moet worden gelaten, de verwerende partij ter uitvoering van het vernietigingsarrest niet onafwendbaar zal moeten toetsen aan het gewestplan, en de minister zich niet zal geplaatst zien voor een gebonden bevoegdheid. Verzoekster betoogt dat zij, om te verkrijgen dat zij zou worden gehoord, zich kan beroepen op de wetsinterpretatie die het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 73/2017 van 15 juni 2017 heeft voorgeschreven “en die inhoudt dat wanneer de vraag aan de orde is of een nieuwe vergunning kan worden verleend nadat een eerste vergunning door de bestuursrechter werd vernietigd, ook al voorziet de toepasselijke wetgeving niet in een dergelijke formaliteit, het recht om te worden gehoord als beginsel van behoorlijk bestuur toepassing dient te vinden, niettegenstaande de beroepsindieners die de eerste vergunning hebben aangevochten weliswaar niet de adressanten zijn van de nieuwe vergunning, maar door die vergunning op ernstige wijze in hun belangen zouden kunnen worden geraakt. De vergunningverlenende overheid dient hun derhalve de gelegenheid te bieden, wanneer de procedure tot het verlenen van een nieuwe vergunning niet in een nieuw openbaar onderzoek voorziet, hun standpunt inzake de gevolgen van het vernietigingsarrest uiteen te zetten. Dat arrest vormt immers een nieuw element waarmee de vergunningverlenende overheid rekening zal dienen te houden”. Verzoekster vraagt de Raad te onderkennen “dat het planologisch kader waarbinnen de herstelbeslissing die zich desgevallend zal opdringen, breder kan zijn dan het in 1979 vastgesteld bestemmingsvoorschrift gebied voor milieubelastende industrieën en tevens het vaststaand gegeven van de in het GRUP duidelijk uitgedrukte wil dit voorschrift op te heffen en door een gunstiger te vervangen, kan omvatten. […] Miskenning van dit mogelijk beoordelingskader zou tot gevolg hebben dat op een niet te rechtvaardigen wijze het belang van verzoekster bij het inroepen van het vierde en het vijfde onderdeel van het middel wordt ontkend waardoor deze onderdelen niet zouden onderzocht worden door de bestuursrechter”. VII-40.090-18/40 Het oordeel dat verzoekster niet kan verwijzen naar een vernietigd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP), leidt volgens haar tot een onevenredige beperking van de toegang tot de rechter. Zij vraagt tevens, aangezien “de werkelijke toedracht van het GRUP ‘Historisch gegroeid bedrijf Orotex’” niet in het auditoraatverslag werd onderzocht, dat de Raad zelf de neerlegging zou bevelen van de grafische voorschriften van dit plan, om het te betrekken bij de beoordeling van het belang bij het eerste middel. Beoordeling Ontvankelijkheid van de middelonderdelen
  31. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van de vijf middelonderdelen op identieke wijze. Zij stelt dat het voorwerp van de aanvraag zich binnen het oude gedeelte van de bedrijfssite bevindt, dat volgens het gewestplan is gelegen in gebied voor milieubelastende industrieën. Verzoekster betwist volgens haar niet dat het aangevraagde verenigbaar is met die gewestplanbestemming en zou dus geen belang hebben bij het buiten toepassing laten van het BPA dat, volgens de tussenkomende partij, slechts een verbijzondering is van die bestemming.
  32. In het vierde middelonderdeel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, bekritiseert verzoekster het feit dat de voorschriften van het BPA met betrekking tot de bestemmingswijziging naar nijverheidszone uitsluitend bestemd zijn voor de uitbreiding van het daar bestaand en gevestigd bedrijf en dat die bestemming enkel door één welbepaald bedrijf kan worden gerealiseerd. Daarnaast stelt zij dat de productie van kunstgras niet voldoet aan de voorwaarde dat de bestemmingswijziging dient voor de uitbreiding van het bestaand bedrijf, dat enkel de productie betreft van vloerkleden en tapijt. In het vijfde middelonderdeel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, beroept verzoekster zich er in essentie op dat de voorbereidende VII-40.090-19/40 stukken voor de totstandkoming en ter verantwoording van het BPA, met betrekking tot de afwijking van het gewestplan, niet deugdelijk gemotiveerd zijn. Volgens verzoekster kon niet worden verwezen naar de eerder, na de totstandkoming van het gewestplan verleende vergunning, omdat het advies van de gemachtigd ambtenaar in dat dossier geen afdoende motivering heeft gegeven over het in het gedrang komen van de gewestplanbestemming en de reeds geplande of uitgevoerde ordening van het betrokken gebied. Deze beide middelonderdelen kunnen enkel betrekking hebben op de motivering betreffende het deel van het BPA dat niet gelegen is in de gewestplanbestemming industriegebied of gebied voor milieubelastende industrieën volgens het gewestplan. Die bestemming wordt met het BPA immers niet gewijzigd. Verzoekster bekritiseert daarentegen de wettigheid van de motieven die de omvorming van de oorspronkelijke gewestplanbestemming “landschappelijk waardevol agrarisch gebied” naar “nijverheidzone” moeten verantwoorden. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de thans te vergunnen handelingen volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan “Roeselare-Tielt” gelegen zijn in een gebied voor milieubelastende industrie, meer bepaald in de gebouwen C2 en E, die de exploitant “wenst te renoveren en te transformeren tot productie-eenheden via het installeren van acht extrusielijnen”. De onwettigheid van het gewestplan wordt aangevoerd in het tweede middel, maar zoals uit de beoordeling daarvan zal blijken, wordt dat middel verworpen. In de betrokken middelonderdelen wordt de wettigheid van de vaststelling van dat gewestplan niet betwist, noch wordt gevraagd om het gewestplan buiten toepassing te laten. Een bijzonder plan van aanleg vormt in beginsel één ondeelbaar geheel. Een gedeeltelijke buitentoepassingverklaring is niettemin mogelijk indien vaststaat dat het betreffende gebiedsdeel kan worden afgesplitst van de rest van het plan en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen. VII-40.090-20/40 Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het BPA, enerzijds, de oorspronkelijke gewestplanbestemming (gebied voor milieubelastende industrieën en industriegebied) omvat en dit gebied (grotendeels) als nijverheidszone inkleurt en, anderzijds, delen van landschappelijk waardevol agrarisch gebied herbestemt als (grotendeels) nijverheidszone. Aan de stukken gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, wordt de goedkeuring onthouden en zij worden uit het BPA gesloten. De visie en het ontwikkelingsperspectief van het bestreden besluit komen voort uit de uitbreiding van de bestaande bedrijvenzone. Een gebeurlijke gedeeltelijke buitentoepassingverklaring van het BPA zou, anders dan verzoekster het ziet, er niet toe leiden dat de algemene economie van dat plan wordt aangetast. Het BPA zou in voorkomend geval immers blijven bestaan voor het gedeelte dat volgens het gewestplan van 1979 als gebied voor milieubelastende industrie was ingekleurd en als industriegebied volgens de gewestplanwijziging van
  33. Het overeenstemmende gebied in het BPA is immers volledig conform die oorspronkelijke gewestplanbestemming. Het kan dus niet onwettig worden bevonden op grond van een schending van de gewestplanbestemming, aangezien het slechts een bevestiging vormt van de bestaande planologische toestand en de economie van het plan, dat ook nieuw gebied tot nijverheidszone bestemt, niet aantast. De thans aangevraagde handelingen bevinden zich binnen de contouren van het gewestplan in een gebied voor milieubelastende industrieën. Verzoekster voert in het vierde en vijfde middelonderdeel enkel argumenten aan tegen het gedeelte van het BPA dat in landschappelijk waardevol agrarisch (gewestplan)gebied is gelegen en niet tegen het gedeelte in het gebied voor milieubelastende industrieën. Het gebeurlijk gegrond bevinden van het vierde of vijfde middelonderdeel zou er, gelet op het deelbaar karakter van het BPA, slechts toe leiden dat enkel het gedeelte van het BPA waarbij het landschappelijk waardevol agrarisch (gewestplan)gebied in nijverheidszone werd omgezet, buiten VII-40.090-21/40 toepassing moet worden gelaten. Verzoekster maakt in het licht van die vaststelling niet aannemelijk dat zij enig voordeel kan halen uit het gegrond bevinden van het vierde of vijfde middelonderdeel. Het vierde en vijfde middelonderdeel zijn niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De excepties ten aanzien van het vierde en het vijfde middelonderdeel zijn in die mate gegrond.
  34. In het tweede en derde middelonderdeel uit verzoekster kritiek op de bufferzone, in het gebied voor milieubelastende industrieën. De bestreden beslissing steunt, wat betreft de geviseerde bufferzone, op de bestemmingsvoorschriften die door het BPA worden ingevoerd. Indien het BPA buiten toepassing zou worden gelaten, gelden opnieuw de bestemmingsvoorschriften van het oorspronkelijke gewestplan, met name de gewestplanbestemming “milieubelastende industrie”. De verwerende partij moet in voorkomend geval de aanvraag aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan toetsen en de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening aan een nieuwe beoordeling onderwerpen. Het komt de Raad van State niet toe daarop vooruit te lopen. De excepties betreffende het tweede en derde middelonderdeel worden verworpen.
  35. De Raad heeft geen rechtsmacht om te oordelen “dat het planologisch kader waarbinnen de herstelbeslissing die zich desgevallend zal opdringen, breder kan zijn dan het in 1979 vastgesteld bestemmingsvoorschrift gebied voor milieubelastende industrieën en tevens het vaststaand gegeven van de in het GRUP duidelijk uitgedrukte wil dit voorschrift op te heffen en door een gunstiger te vervangen, kan omvatten”, zoals verzoekster in haar laatste memorie voorstelt. VII-40.090-22/40 De Raad acht het niet noodzakelijk om de neerlegging te bevelen van de grafische voorschriften van het vernietigde GRUP “Historisch gegroeid bedrijf Ortotex”. Door de vernietiging van voormeld GRUP bij arrest nr. 194.702 van 25 juni 2009 werd dit GRUP uit de rechtsorde verwijderd. Verzoekster maakt niet duidelijk hoe het feit dat met dit vernietigde GRUP geen rekening kan worden gehouden leidt tot een onevenredige beperking van verzoeksters toegang tot de rechter.
  36. In het eerste middelonderdeel werpt verzoekster in essentie een bevoegdheidsoverschrijding door de verwerende partij op, doordat zij het BPA slechts gedeeltelijk heeft goedgekeurd. Het gegrond bevinden van het eerste middelonderdeel zou erop neer komen dat het BPA wel degelijk in zijn geheel buiten toepassing moet worden gelaten. In dat geval gelden opnieuw de bestemmingsvoorschriften van het oorspronkelijke gewestplan, ook wat betreft het gebied voor “milieubelastende industrie”, waarin de aangevraagde handelingen zullen plaatsvinden. In voorkomend geval moet de verwerende partij de aanvraag aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan toetsen en de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening aan een nieuwe beoordeling onderwerpen. Het komt de Raad van State niet toe daarop vooruit te lopen. De exceptie van de tussenkomende partij is, wat betreft het eerste middelonderdeel, evenmin gegrond. Ten gronde Eerste middelonderdeel
  37. In het eerste middelonderdeel betoogt verzoekster in essentie dat het BPA onwettig is omdat de Vlaamse regering het slechts gedeeltelijk heeft VII-40.090-23/40 goedgekeurd, terwijl zulks de algemene economie van het plan aantast. Om die reden zou de Raad van State het BPA met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten laten. Hiervoor is reeds gebleken dat, anders dan verzoekster het ziet, een opsplitsing van het BPA in, enerzijds, een gedeelte dat samenvalt met de oorspronkelijke gewestplanbestemming (gebied voor milieubelastende industrieën en industriegebied) en, anderzijds, een gedeelte waarin landschappelijk waardevol agrarisch (gewestplan)gebied wordt herbestemd als nijverheidszone, de algemene economie van het plan van aanleg niet aantast. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat het BPA ondeelbaar is. Er bestaat immers een wezenlijk verschil tussen het gedeelte van het BPA dat agrarisch gewestplangebied omzet naar nijverheidszone en het gedeelte van het BPA dat de bestaande (industriële) bestemming bevestigt. Uit de destijds toepasselijke artikelen 23 en 24 van de stedenbouwwet (artikelen 21 en 22 van het coördinatiedecreet), blijkt daarnaast dat de Vlaamse regering niet verplicht was de gemeentelijke plannen van aanleg in hun geheel goed te keuren of af te wijzen, maar dat zij er gedeeltelijk haar goedkeuring kon aan onthouden. Een gedeeltelijke goedkeuring is evenwel niet mogelijk zo deze de algemene economie van het plan aantast en derhalve dit plan inhoudelijk wijzigt, wat te dezen niet het geval is. Indien aan het definitief vastgestelde bijzonder plan van aanleg de goedkeuring (gedeeltelijk) wordt onthouden, moet het besluit met redenen omkleed worden. Uit het loutere feit van de gedeeltelijke goedkeuring blijkt nog niet dat de minister in de plaats is getreden van de gemeentelijke overheid. De gedeeltelijke goedkeuring heeft enkel tot gevolg dat enkele percelen niet de bestemming krijgen die door de gemeenteraad was aanvaard. Door het goedkeuringsbesluit wordt aan de overige percelen geen andere bestemming gegeven dan deze die de gemeenteraad voor ogen had. Evenmin worden de VII-40.090-24/40 bestemmingsvoorschriften gewijzigd. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat door de gedeeltelijke goedkeuring in die mate werd ingegrepen in de draagwijdte van het bijzonder plan van aanleg dat de minister zich in de plaats zou hebben gesteld van de gemeentelijke overheid. De verwijzing naar artikel 43 van de stedenbouwwet (artikel 41 van het coördinatiedecreet) is niet dienstig, aangezien dit betrekking heeft op de herziening van een bijzonder plan van aanleg en niet op de goedkeuring ervan. Overigens biedt die bepaling slechts een mogelijkheid aan de Koning (thans: Vlaamse regering) tot herziening, en legt zij geen verplichting op. Het gegeven dat de uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijven Orotex en Orotuft door de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring werden beperkt, waardoor zij op een veel beperktere oppervlakte moesten zien te overleven, toont op zich niet de onwettigheid van dat goedkeuringbesluit aan. Verzoekster maakt voorts geen tekortkoming aan de motiveringsverplichting aannemelijk. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede middelonderdeel
  38. In het tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat het BPA onwettig is omdat het een bufferzone intekent en zo een onwettigheid van het gewestplan zou rechtzetten. Het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit) onderscheidt twee soorten bufferzones. Er zijn enerzijds de bufferzones zoals voorzien bij artikel 14 van het inrichtingsbesluit. Deze bufferzones vormen afzonderlijke bestemmingsgebieden in het gewestplan. Zij worden voorzien om gebieden met bestemmingen die moeilijk met elkaar te verzoenen zijn, van elkaar te scheiden. VII-40.090-25/40 Met deze bufferzones wordt niet het “schermgroen” bedoeld dat vereist is rond industriële zones. Het toepasselijke gewestplan Roeselare-Tielt voorziet niet in een bufferzone in de zin van deze bepaling. Anderzijds zijn er de bufferzones die op grond van artikel 7 van het inrichtingsbesluit moeten worden aangebracht binnen industriegebied. De omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen verduidelijkt dat deze bufferstrook moet worden aangebracht binnen het industriegebied en dat de breedte en de aanleg ervan afhankelijk is van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden. Deze bufferzones moeten worden bepaald in de stedenbouwkundige vergunningen, verleend voor de randpercelen van het gebied, in het indelingsplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van een onteigeningsplan, of in een bijzonder plan van aanleg van het gebied. Waar verzoekster verwijst naar een in het BPA ingetekende “groenzone” en een “bufferzone die […] werd nagelaten op te leggen voor de gronden palend aan de achterzijde van het eigendom Verloo”, kan dit enkel worden begrepen als een bufferzone in de zin van artikel 7 van het inrichtingsbesluit. Dat dit type bufferzone in het geding is, blijkt bovendien ook uit het advies van de gemachtigd ambtenaar van 21 maart 1995 naar aanleiding van de opmaak van het BPA, waarin die ambtenaar naar artikel 7 van het inrichtingsbesluit verwijst. Verzoekster gaat er ten onrechte van uit dat de bufferzone reeds in het gewestplan had moeten worden bepaald. Het BPA kon, anders dan verzoekster voorhoudt, wel degelijk de bufferzone intekenen. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Derde middelonderdeel
  39. Artikel 7.2.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt dat industriegebieden een bufferzone omvatten. Die bufferzone betreft een strook die VII-40.090-26/40 wordt aangelegd binnen het industriegebied, langsheen de grens ervan. Het inrichtingsbesluit legt niet op hoe breed de bufferzone moet zijn. Verzoekster verwijst naar de omzendbrief van 8 juli 1997 en naar het voormelde advies van de gemachtigde ambtenaar van 21 maart
  40. Die ambtenaar verwijst op zijn beurt naar de richtinggevende breedtes in de toelichtingsnota bij het inrichtingsbesluit. Noch de omzendbrief, noch de toelichtingsnota hebben evenwel een verordenend karakter. Een gebeurlijke schending ervan kan dus niet tot de onwettigheid van het BPA leiden. Overigens is in de desbetreffende nota zelf sprake van “richtinggevende” waarden. In zoverre verzoekster de schending aanvoert van artikel 1 van het coördinatiedecreet, wordt erop gewezen dat de Raad van State op deze doelstellingenbepaling enkel de redelijkheidstoets uitoefent, vermits het aan de bevoegde overheden toekomt de nodige beleidskeuzes te maken. Het komt verzoekster, die de genoemde bepaling geschonden acht, toe om aan te tonen dat de gemaakte keuze manifest onredelijk is. Zij kan de verwerende partij dan ook niet verwijten “geen dossierstukken aan [te duiden] waaruit het tegendeel zou blijken”, nu de bewijslast bij haar zelf rust. Verzoekster maakt haar bewering dat niet voldoende rekening is gehouden met de impact van het bedrijf op het woongebied met landelijk karakter en met de ruimtelijke draagkracht, niet concreet aannemelijk. Dit klemt des te meer nu in de memorie van toelichting bij het BPA wordt gemotiveerd dat “[r]ond de bedrijfsgebouwen […] een ruime bufferzone [is] voorzien, die moet aangelegd worden in streekeigen beplantingen en gehandhaafd worden, waardoor kan belet worden dat deze bedrijven zich storend zouden opstellen t.o.v. het landschap in het algemeen en op het vlak van het milieu (zicht, lawaai,…)”. Bovendien blijkt uit de gegevens van het dossier dat in werkelijkheid een buffer is gerealiseerd van ongeveer 25 meter, bestaande uit, enerzijds, de bufferzone in het BPA en, anderzijds, de tuin van verzoekster, die eveneens in het gebied voor milieubelastende industrie ligt. Het derde middelonderdeel is niet gegrond. VII-40.090-27/40 Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunten van de partijen
  41. In een tweede middel werpt verzoekster de onwettigheid op van het gewestplan en betoogt zij dat dit plan geen rechtsgrond kan bieden aan de bestreden vergunning. Het gebied voor milieubelastende industrie strijdt volgens verzoekster met artikel 1 van de stedenbouwwet en de artikelen 7.2.0 en 14.4.5 van het inrichtingsbesluit, in combinatie met de artikelen 21, § 1 en 29, 2°, van Vlarem I, omdat geen bufferzone is voorzien tussen het industriegebied en het woongebied met landelijk karakter. Nochtans rust op de overheid de verplichting om in het gewestplan in een bufferzone te voorzien in de gevallen waarin aan gebiedsdelen die aanpalend zijn bestemmingen worden gegeven die niet met elkaar te verenigen zijn. Uit de rechtspraak van de Raad van State volgt een vermoeden van onverenigbaarheid tussen de bestemming industriegebied en de bestemming woongebied. Het verzuim om een bufferzone aan te duiden in het gewestplan tast de wettigheid van het industriegebied aan, minstens wat betreft de niet met industriegebouwen bezette ruimte grenzend aan het woongebied met landelijk karakter, waarvan de inrichting als bufferzone noodzakelijk was. De aanvraag kan in de toekomst enkel worden getoetst aan de bestemming bufferzone die ten onrechte in de opeenvolgende beslissing over het gewestplan niet werd opgelegd voor de gronden palend aan de achterzijde van haar eigendom. Verzoekster verwijst nog naar de richtlijnen in de omzendbrief van 8 juli 1997 omtrent de bufferzones in industriële gebieden.
  42. De verwerende partij verwijst vooreerst naar wat zij bij het tweede en derde middelonderdeel van het eerste middel heeft uiteengezet omtrent het voorzien van een bufferzone. Er moet niet in een buffer worden voorzien in het gewestplan tussen het industriegebied en het woongebied met landelijk karakter. VII-40.090-28/40 De voorwaarden waaraan buffers in industriegebied moeten voldoen, moeten worden bepaald in vergunningen of in een bijzonder plan van aanleg. Zij verwijst naar de vaste rechtspraak van de Raad van State waaruit kan worden geconcludeerd dat geen onrechtmatigheid voorligt indien een gewestplan geen bufferzone voorziet binnen een industriegebied, ter afbakening van dat gebied met andere gebieden.
  43. De tussenkomende partij betwist het belang van verzoekster bij het tweede middel, omdat het gewestplan niet de rechtsgrond vormt van het bestreden besluit. Bovendien stelt verzoekster volgens haar ten onrechte dat de vergunningverlenende overheid de aanvraag in het geval van de buitentoepassingverklaring van het gewestplan op grond van artikel 159 van de Grondwet, aan de voorschriften van een bufferzone moet toetsen. Bij de toepassing van die bepaling mag immers in het geheel geen rekening worden gehouden met het gewestplan. Beoordeling
  44. Het voordeel dat verzoekster met het tweede middel beoogt, namelijk dat de aanvraag “in de toekomst enkel getoetst [kan] worden aan de bestemming tot bufferzone die op onwettige wijze werd nagelaten op te leggen voor de gronden palend aan de achterzijde van het eigendom Verloo, in de opeenvolgende beslissingen over het gewestplan”, kan niet worden bereikt met het middel waarin zij precies vraagt om het gewestplan onwettig te horen verklaren en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. Het tweede middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Standpunten van verzoekster en de tussenkomende partij
  45. In het derde middel voert verzoekster de miskenning aan van het recht op een goede ruimtelijke ordening, de motiveringswet, het VII-40.090-29/40 motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de hoorplicht, in combinatie met de artikelen 21, § 1, en 29, 2°, van Vlarem I. Verzoekster stelt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuaanvraag moet in een eigen redengeving aangeven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Noch het besluit van de deputatie, noch het thans bestreden besluit bevatten een afdoende motivering in dat verband. De eenzijdig opgemaakte, aanvullende geluidsstudie is niet objectief. De beoordeling werd bovendien maar gemaakt op basis van twee actieve extrusielijnen, terwijl er in totaal acht zullen worden geïnstalleerd. Dit maakt dat objectief gezien redelijkerwijze niet aan de strengste geluidsnormen kan worden voldaan. Verder wordt in de beoordeling in het bestreden besluit geen aandacht geschonken aan het historisch gegeven dat de gebouwen C1 en C2 werden voorzien voor opslag, wordt slechts verwezen naar de parkeerproblematiek zonder objectieve beoordeling en wordt verwezen naar de overeenkomstig de stedenbouwkundige vergunning aan te leggen groenzone die evenwel werkelijk ondermaats is. Verzoekster geeft nog aan dat zij niet werd gehoord, niettegenstaande zij daar in haar beroepsschrift om had gevraagd. Zij was aldus in de onmogelijkheid om de studie en de uitgebrachte adviezen reeds te beoordelen en ze van repliek te dienen. Wat betreft geurhinder wijst verzoekster erop dat in 2014 reeds een klacht in dat verband werd geuit. Ook thans zijn deze klachten nog heel actueel. Verder bespreekt verzoekster nog hinder afkomstig van de installatie van een productie-unit in de gebouwen C2 en E, die tot nog toe steeds als opslagplaats hebben gediend. In dit verband verwijst verzoekster nog naar het “inmiddels nietig verklaarde GRUP”. VII-40.090-30/40 Vervolgens brengt zij hinder als gevolg van het “dag/nachtregime” onder de aandacht. Ook hier verwijst verzoekster naar de “verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het inmiddels nietig verklaarde GRUP”. Verzoekster betoogt met betrekking tot deze twee hinderaspecten dat niet kan worden verantwoord waarom thans tot een beoordeling kan worden gekomen die minder streng is. Voorts komt hinder afkomstig van mobiliteit aan bod. Zij wijst op het reeds bestaande parkeer- en ontsluitingsprobleem. Ze betoogt dat wanneer een groenzone wordt aangelegd aan de achterzijde van haar perceel, de aldaar gelegen parkeerzone moet opschuiven richting de gebouwen, waardoor er te weinig manoeuvreerruimte overblijft voor vrachtwagens. Overigens is er te weinig plaats op de site om de parkeerplaatsen te verplaatsen. Bovendien zal de uitbreiding van de activiteiten gepaard gaan met een toename van het personeelsbestand, waardoor ook het aantal parkeerplaatsen zal verhogen. Voorts wijst verzoekster erop dat de installatie van de extrusielijnen gepaard zal gaan met bijkomende hinderlijke fabrieksgeluiden, geurhinder en ventilatieproblematiek. De uitbreiding ter plaatse is dermate disproportioneel met de hinder die erdoor wordt veroorzaakt voor de omwonenden dat zij kennelijk niet verantwoord kan worden. De motivering gaat aldus voorbij aan de woonkwaliteit op het eigendom van verzoekster. Dit aspect wordt op geen enkele wijze onderzocht in het licht van de bestaande toestand inzake burenhinder. Verzoekster verwijst naar de zogenaamde Gosseye-rechtspraak van de Raad van State en argumenteert dat de vergunning moet worden geweigerd wanneer de aanvraag zal leiden tot bovenmatige burenhinder in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de plaatselijke aanleg. Ten slotte werpt verzoekster op dat zij om aanvullende voorwaarden had verzocht en dat dit verzoek onbehandeld is gebleven. Minstens VII-40.090-31/40 dient volgens haar als aanvullende voorwaarde te worden opgelegd dat er geen productieactiviteiten kunnen plaatsvinden in de gebouwen A, C2 en E, dat elke activiteit in de gebouwen A, C2 en E beperkt wordt tot dagactiviteiten tussen 9 uur en 17.00 uur, en dat er (naast een bufferzone) een noodzakelijk groenscherm van 25 meter wordt aangelegd aan de achterzijde en aan zijkant van haar woning.
  46. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel, omdat verzoekster allerlei “kritieken” formuleert, zonder daarbij aan te geven welke norm geschonden wordt geacht en hoe die norm concreet geschonden zou zijn. Bovendien herneemt verzoekster woordelijk haar beroepsgrieven, waarbij zij de Raad van State uitnodigt tot een appreciatieoordeel te komen, waartoe hij evenwel niet bevoegd is. Evenmin kan de Raad van State bijzondere milieuvoorwaarden toevoegen aan de bestreden beslissing.
  47. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster kort samengevat toe dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening zich beperkt tot een beschrijving van de bestemmingsvoorschriften. Dit is niet afdoende. Een toetsing aan de hand van de actuele onmiddellijke omgeving dringt zich op. Zij gaat voorts in essentie verder in op de geluids- en de mobilitieitshinder.
  48. In haar laatste memorie voegt verzoekster toe dat “blijkt dat de minister bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen aandacht heeft besteed aan de beleidsvoornemens uitgedrukt in het GRUP en nog minder aan het door de NV Orotex bekomen vernietigingsarrest dat noopte tot een vergaande relativering van het motief waarop het schorsings- en vernietigingsarrest van het GRUP rustte, die op haar beurt toeliet een groot gewicht te verlenen aan de voorzieningen van het GRUP die de opheffing inhouden van het bestemmingsvoorschrift gebieden voor milieubelastende industrieën”. VII-40.090-32/40 Beoordeling
  49. Uit de hoofding van het middel kan worden afgeleid dat verzoekster een schending van de formele en materiële motivering met betrekking tot de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening aanvoert. Daarnaast voert zij ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de hoorplicht. De artikelen van Vlarem I waarnaar ze verwijst, hebben eveneens betrekking op de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. De tussenkomende partij geeft zelf een korte “uiteenzetting” van de aangevoerde normen en beginselen en verbetert terecht de verwijzing naar artikel 21, § 1, van Vlarem I. Aldus moet worden aangenomen dat het voor haar duidelijk is welke normen op welke wijze volgens verzoekster werden geschonden. Het gegeven dat verzoekster in de toelichting bij het middel niet meer expliciet naar die normen, bepalingen en beginselen verwijst, noopt te dezen niet tot de conclusie dat de andere partijen of de Raad het middel moeten construeren. Dat verzoekster haar beroepsgrieven herneemt, leidt op zich evenmin tot de onontvankelijkheid van het middel. De tussenkomende partij werpt daarentegen terecht op dat de Raad van State geen bijzondere milieuvoorwaarden kan toevoegen aan de bestreden beslissing. In de mate dat verzoekster met het middel beoogt dat de Raad van State aanvullende voorwaarden zou opleggen, is het niet ontvankelijk. De exceptie wordt, voor het overige, verworpen.
  50. In zoverre zij de overwegingen van het besluit van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 januari 2017 bekritiseert, gaat verzoekster voorbij aan de devolutieve werking van het administratief beroep. De thans bestreden beslissing is in de plaats gekomen van de beroepen beslissing van de deputatie, ook wat betreft de beoordeling van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. In de mate dat verzoekster kritiek uit op het besluit van de deputatie van 12 januari 2017, kan het middel niet tot de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing leiden. VII-40.090-33/40
  51. Met betrekking tot de geluidsproblematiek bekritiseert verzoekster de objectiviteit van de aanvullende studie van 9 mei 2017 en stelt zij dat een “tegensprekelijk[e] geluid[s]studie” zich opdringt. Ze voert aan dat zij niet gehoord werd, zodat zij “in de onmogelijkheid [was] om de eenzijdige studie” te beoordelen. De aangevoerde schending van de hoorplicht blijkt aldus te moeten worden betrokken op de aanvullende geluidsstudie van 9 mei
  52. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is niet van toepassing wanneer in de betrokken regelgeving expliciet een procedure inzake hoorplicht is voorzien, zoals te dezen in artikel 28, § 4, van Vlarem I, zoals destijds van toepassing. Met de verwerende partij en de tussenkomende partij wordt vastgesteld dat er in hoofde van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, op grond van artikel 28, § 4, van Vlarem I, slechts een mogelijkheid en geen verplichting bestaat tot het horen van andere personen dan de aanvrager van de vergunning. Waar verzoekster de objectiviteit van de studie betwist, omdat niet met het totaal aantal voorziene extrusielijnen rekening wordt gehouden, blijkt dat de methodologie van de studie er onder meer in bestaat om “in de omgebouwde (productie)hal, bij de nieuwe extrusielijnen, de invallende geluidsdruk op de elementen van het gebouw” te bepalen en de gegevens te verwerken volgens een “geometrisch model”. In dat model “worden de elementen van het gebouw beschouwd als bronnen. Het uitgestraalde vermogen van deze bronnen wordt berekend aan de hand van de invallende geluidsdruk (meting) op de elementen en de isolatiewaarden van deze elementen”. Met de “elementen” worden onder andere het dak met de lichtstraten en de wand met de toegangspoort bedoeld. In de studie wordt verder gesteld dat “een bestaand magazijn (gebouw E) omgevormd [werd] tot een nieuwe productiehal” en dat in die productiehal vier nieuwe extrusielijnen zullen worden geplaatst. Op basis van meetresultaten op de site “ter hoogte van de 2 actieve extrusielijnen”, wordt vervolgens de maximale geluidsdruk bepaald. Verzoekster gaat eraan voorbij dat in de studie een “geluidsmodel [werd] opgemaakt ten einde een inschatting te kunnen maken van de impact door de VII-40.090-34/40 nieuwe productieafdeling” en dat de vier extrusielijnen nog niet zijn voorzien. De toepassing van het geometrisch model laat de geluidsdeskundige toe de resultaten op basis van de twee actieve extrusielijnen te extrapoleren naar de toekomstige situatie in gebouw E, met vier extrusielijnen. Op basis van die resultaten worden de geluidsvermogens in de nieuwe productiehal E bepaald en wordt een “akoestisch bestek” opgemaakt. Verzoekster gaat er bovendien aan voorbij dat dit akoestisch bestek als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing is opgelegd, zodat bij een verbouwing van gebouw C2 tot productiehal dezelfde materialen en technieken zullen moeten worden aangewend. Zij toont niet genoegzaam aan dat de studie de vereiste objectiviteit zou ontberen. De vaststelling dat er nog studies lopende zijn met als doel de ventilatoren van de afzuigingen op lagere snelheid te laten draaien met het oog op energiezuinigheid en een daling van geluidsemissie, noopt evenmin tot de onwettigheid van de bestreden beslissing, minstens toont verzoekster zulks niet aan. Het al dan niet sluiten van de poorten vormt een zaak van handhaving, waarvoor de Raad van State niet bevoegd is.
  53. In de mate dat verzoekster opwerpt dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt overwogen dat er “tijdens de exploitatie geen klachten met betrekking tot geur werden geuit” toont zij niet aan dat deze vaststelling onjuist is of de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Hetzelfde geldt voor wat betreft de overweging dat uit metingen in het verleden “naar de aanwezigheid van 1,3-butadieen in de afgassen van de latexeerlijnen (tapijtproductie)” is gebleken dat die stof een “aromatische geur” verspreidt, maar dat de betrokken emissiewaarde “lager was dan de bepaalbaarheidsgrens” en voor de conclusie dat “de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt”. Het gegeven dat zij zich bij de tussenkomende partij wel degelijk heeft beklaagd over de “toenemende geuroverlast” ten gevolge van de latexproductie, kan in de gegeven omstandigheden niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden, aangezien uit die klacht evenmin de onjuistheid of onredelijkheid van de voormelde overwegingen blijkt. De desbetreffende klacht blijkt immers een e-mail VII-40.090-35/40 van verzoekster aan de Milieudienst van de gemeente Oostrozebeke waarin ze schrijft “aangifte [te willen] doen van ernstige geurhinder […] afkomstig van […] een indringende latexgeur” die “de laatste tijd quasi dagelijks [voorkomt], al dan niet in sterke mate”. Zij maakt er de milieudienst nog op attent dat zij de dienst reeds had gecontacteerd, dat toen gemeld werd dat de milieuvergunning zou worden opgezocht en het bedrijf gecontacteerd zou worden, maar dat daarover nog geen verdere berichtgeving werd ontvangen. Een medewerker antwoordde toen dat hij om persoonlijke redenen nog niet op kantoor was geweest en dat (telefonisch) contact kon worden opgenomen met het diensthoofd. Verzoekster maakt op geen enkele manier duidelijk welk gevolg aan dat laatste bericht nog werd gegeven. Zij maakt haar bewering dat “ook anno 2017 […] deze klachten nog heel actueel zijn” geenszins concreet aannemelijk. Evenmin brengt zij enig ander bewijs bij over de geuroverlast, zoals bijvoorbeeld een proces-verbaal waarin die overlast wordt vastgesteld. Het argument dat bij de beoordeling geen aandacht werd geschonken aan de historische beslissing om de betrokken gebouwen niet te belasten met productie, maar enkel te voorzien voor opslag, mist feitelijke grondslag. Uit de overweging dat “met de huidige aanvraag de exploitant de gebouwen C2 en E, momenteel in gebruik als smidse en opslagmagazijn, wenst te renoveren en te transformeren tot productie-eenheden” blijkt immers dat de verwerende partij de historische functie van de gebouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, wel degelijk bij haar beoordeling heeft betrokken. De loutere bewering dat het bestreden besluit “verwijst naar de parkeerproblematiek zonder objectieve beoordeling”, terwijl de “ontsluiting van de onderneming […] een gekend probleem” is, toont niet de onjuistheid of kennelijke onredelijkheid aan van de overwegingen “dat de exploitant maatregelen implementeert om het parkeren van vrachtwagens op het bedrijfsterrein ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen en op de Ingelmunstersteenweg te voorkomen; dat een extra parking werd voorzien ter hoogte van de Mandelstraat en vrachtwagens terecht kunnen op de hoek van de Zandstraat en de Pauwstraat en in de Pauwstraat; dat achteraan op de inrichting een tweede weegbrug werd geplaatst, zodat het aantal vrachtbewegingen vooraan de inrichting is gedaald; dat voortaan, VII-40.090-36/40 omwille van de verplaatsing van de opslag-magazijnen, niet langer zal worden geladen ter hoogte van de parking gelegen tussen de tuinen van de woningen en de gebouwen van de inrichting; dat door het verplaatsen van de opslag-ruimte naar verderop de inrichting, het transport met heftrucks vooraan de inrichting sterk zal verminderen; dat de hinder ten gevolge van transportbewegingen ter hoogte van de omliggende woningen zal dalen”. In die overwegingen wordt ook de ontsluitingsproblematiek betrokken, waar wordt geoordeeld dat, gelet op de tweede weegbrug achteraan de inrichting, het “aantal vrachtbewegingen vooraan de inrichting is gedaald”. De bewering van verzoekster dat de “reële toestand inzake mobiliteit […] niet anders [kan] worden beoordeeld als zijnde méér dan verzadigd”, wordt niet concreet aannemelijk gemaakt.
  54. De bewering dat de “aan te leggen groenzone […] werkelijk ondermaats is”, is loutere opportuniteitskritiek die niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden. Dezelfde vaststelling geldt voor de uiteenzetting over de hinder “gelet op het installeren van een productieunit in de gebouwen C2 en E” en de hinder “gelet op het dag/nachtregime”.
  55. Wat betreft de aangevoerde hinder “gelet op de mobiliteit”, geeft verzoekster haar visie op de mobiliteitsproblematiek weer. Zij slaagt er evenwel niet in de onjuistheid of onredelijkheid van de overweging omtrent de mobiliteit aan te tonen. Zij betrekt die overweging zelfs in het geheel niet bij haar betoog. Zo betoogt zij, onder meer, met betrekking tot de parking ter hoogte van de achterzijde van haar eigendom, dat ingevolge de aanleg van de groenzone te weinig ruimte zal overblijven voor een “haakse levering”. Daarmee gaat zij evenwel volledig voorbij aan de overweging dat “omwille van de verplaatsing van de opslag-magazijnen, niet langer zal worden geladen” ter hoogte van die parking. In de mate zij in de memorie van wederantwoord nog een tekort aan parkeerplaatsen aanvoert, gelet op de uitbreiding van het personeelsbestand, gaat zij voorbij aan de overweging dat een “extra parking werd voorzien ter hoogte van de Mandelstraat”. Waar verzoekster er in de memorie van wederantwoord op wijst dat de tussenkomende partij tijdens de administratieve procedure een toelichtende nota heeft overgemaakt en dat de verwerende partij niet zorgvuldig heeft gecontroleerd of de voorgestelde maatregelen haalbaar zijn en een afdoende oplossing zullen bieden, VII-40.090-37/40 moet worden vastgesteld dat zij dit argument reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren en het dus laattijdig is.
  56. Voorts beweert verzoekster nog dat zij “bijkomende hinder” zal ondervinden “door fabricage-ventilatie” en dat de “schaalvergroting en uitbreiding […] op de gegeven locatie dermate disproportioneel is met de hinder die hierdoor wordt veroorzaakt voor de omwonenden dat zij kennelijk [niet] verantwoord kan worden”, maar laat zij na deze beweringen concreet aannemelijk te maken. In de bestreden beslissing worden alle relevante hinderaspecten afdoende onderzocht en wordt besloten dat “de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. Minstens maakt verzoekster het tegendeel niet aannemelijk. Zij maakt derhalve evenmin aannemelijk dat de motivering van de bestreden beslissing voorbijgaat aan de “woonkwaliteit van de woning”, noch dat er sprake is van “overmatige burenhinder”. In zoverre verzoekster in de memorie van wederantwoord nog opwerpt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing, wat betreft de geluidshinder en de mobiliteitshinder, geen rekening heeft gehouden met “gegevens die op het ogenblik van de beslissing een voldoende graad van zekerheid vertoonden”, geeft zij een nieuwe, niet-ontvankelijke wending aan het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift. Het derde middel is niet gegrond. VI. Schadevergoeding tot herstel
  57. Een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel valt slechts onder de rechtsmacht van de Raad van State en kan door dit rechtscollege enkel worden aangenomen indien een arrest voorligt waarbij de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld. Dit is te dezen niet het VII-40.090-38/40 geval. Deze vordering kan, om proceseconomische redenen, bijgevolg zonder verder onderzoek of debat worden afgedaan.
  58. Gelet op het bepaalde in artikel 70, § 1, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, dient het rolrecht dat verband houdt met het verzoek tot een schadevergoeding tot herstel aan verzoekster te worden terugbetaald. BESLISSING
  59. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schadevergoeding tot herstel.
  60. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Het onverschuldigde recht in verband met het verzoek tot een schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro, dient aan verzoekster te worden terugbetaald. VII-40.090-39/40 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.090-40/40 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.