← België

Arrest 251030 - Niet begeleide minderjarigen - 23/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.030 Rolnummer: A. 230422/XIV-38306 Zaak: Arrest 251030 - Niet begeleide minderjarigen - 23/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-30 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 251.030 van 23 juni 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.030 van 23 juni 2021 in de zaak A. 230.422/XIV-38.306 In zake : Noor SHERZADA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Van Isterdael kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 c 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 16 januari 2020 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. XIV-38.306-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021, om 14.40 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 14 november 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 juli
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. Op vraag van de dienst Voogdij ondergaat verzoeker op 15 januari 2020 een medisch onderzoek in het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 15.01.2020 een leeftijd XIV-38.306-2/9 heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 26.7 jaar met een standaarddeviatie van een 2.3 jaar een goede schatting is”. Op 16 januari 2020 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  6. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Sharzada NOOR door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7, § 1 en § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’, van de zorgvuldigheidsplicht en de redelijkheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van artikel 25 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en van artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest. XIV-38.306-3/9 Verzoeker voert aan dat hij blijkt te zijn geïnformeerd over het medisch onderzoek doch dat niet blijkt dat hij formeel toestemming heeft gegeven of werd geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Hij acht dit in strijd met artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 en de motiveringsplicht. Verzoeker wijst erop dat de toegepaste medische technieken omstreden zijn en een grote foutenmarge kennen. De referentietabellen, zowel voor de botleeftijd als de radiografie van de tanden, zijn gebaseerd op de westerse blanke bevolking terwijl verzoeker een Afghaan is. Vermits de onderzoeken vatbaar zijn voor discussie, had men rekening moeten houden met verzoekers achtergrond. De in aanmerking genomen leeftijd van 26,7 jaar met een deviatie van 2,3 jaar is totaal buiten proportie. Uit verzoekers tazkira blijkt dat hij 16 jaar is, hetgeen meer overeenstemt met zijn uiterlijk. Verzoeker acht baardgroei voor een 16-jarige ook niet abnormaal. Verzoeker vervolgt dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet in onder meer psycho-affectieve tests, die te dezen echter niet zijn uitgevoerd. Volgens verzoeker vormt dit een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Tot slot acht verzoeker de formelemotiveringsplicht geschonden doordat de motivering niet afdoende is, geen motieven werd opgenomen en de vaststellingen van de radioloog niet werden meegedeeld. Beoordeling
  8. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie of artikel 17 van het Europees Sociaal handvest zou zijn geschonden met de bestreden beslissing.
  9. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die XIV-38.306-4/9 beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het verslag van het deskundig onderzoek maakt deel uit van het administratief dossier. Verzoeker voert niet aan, en maakt a fortiori niet aannemelijk, dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen. Verzoeker toont geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  10. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker bekritiseert de nauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. XIV-38.306-5/9 Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 15 januari 2020 om “een leeftijd […] van ouder dan 18 jaar, waarbij 26,7 jaar met een standaarddeviatie van een 2.3 jaar een goede schatting is”. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker wijst op het grote verschil tussen de voorgehouden leeftijd en de op grond van het medisch onderzoek geschatte leeftijd doch hij ontkracht daarmee niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. In de mate dat verzoeker verwijst naar zijn tazkira, blijkt niet dat hij dit stuk heeft bezorgd aan de verwerende partij eer de bestreden beslissing werd genomen. Daargelaten de vraag naar de bewijswaarde van dergelijke tazkira, kan er derhalve geen rekening mee worden gehouden bij het beoordelen van de wettigheid van de bestreden beslissing. XIV-38.306-6/9 Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 7 van de voogdijwet en van het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  11. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Uit de bestreden beslissing blijkt dat “dat de betrokkene werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek”. In de fiche niet-begeleide minderjarige staat vermeld dat verzoeker werd geïnformeerd over de twijfel aan zijn voorgehouden leeftijd, dat hij een document heeft ontvangen over het verloop van de leeftijdstest en dat hij geen bezwaar heeft geuit tegen de uitvoering van de leeftijdstest. In het verslag van het leeftijdsonderzoek staat dat verzoeker bij zijn onderzoek onder meer werd vergezeld door E.H.S. van de dienst Voogdij en dat hij op vraag van de geneesheer-deskundige heeft verklaard 16 jaar en 5 maanden oud te zijn en als geboortedatum 31 juli 2003 heeft opgegeven. Verzoeker heeft zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Er blijkt geenszins dat verzoeker niet beschikte over het vereiste onderscheidingsvermogen om al of niet XIV-38.306-7/9 akkoord te gaan met een leeftijdsonderzoek. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd.
  12. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel.
  13. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.306-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.306-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.