← België

Arrest 251031 - Niet begeleide minderjarigen - 23/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.031 Rolnummer: A. 231097/XIV-38398 Zaak: Arrest 251031 - Niet begeleide minderjarigen - 23/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-30 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 251.031 van 23 juni 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.031 van 23 juni 2021 in de zaak A. 231.097/XIV-38.398 In zake : Izatullah MAROUFKHEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Riad kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 19 mei 2020, strekt tot de nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 24 maart 2020 waarbij wordt besloten dat de leeftijdsbeslissing van 11 (lees: 7) februari 2020 betreffende verzoeker behouden blijft. II. Verloop van de rechtspleging

  1. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent XIV-38.398-1/7 van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021, om 14.10 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Hind Riad verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  2. III. Feiten 3.
  3. Verzoeker komt België binnen en hij dient 13 november 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 januari
  4. De dienst Vreemdelingenzaken uit op 21 januari 2020 twijfels over verzoekers leeftijd wegens “info uit Griekenland dat betrokkene er gekend is als meerderjarige: [A. I.] * 01.01.2000”. Op vraag van de dienst Voogdij ondergaat verzoeker op 5 februari 2020 in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven een medisch onderzoek teneinde zijn leeftijd te schatten. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. XIV-38.398-2/7 Op 7 februari 2020 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  5. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede en de voogdij uitgevoerd door mevrouw [G.L.B.] van Jongeheer Izatullah MAROUFKHEL door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” 3.
  6. Met een e-mail van 11 maart 2020 vraagt verzoeker de herziening van de voornoemde beslissing en maakt hij een aantal stukken over, waaronder een observatieverslag van zijn voogd en een observatieverslag van het opvangcentrum. Met een e-mail van 18 maart 2020 deelt de dienst Voogdij mee dat het dossier wordt heropend. De dienst Voogdij beslist op 24 maart 2020 dat de leeftijdsbeslissing van 7 februari met betrekking tot verzoeker behouden blijft. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van XIV-38.398-3/7 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003) en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker voert in concreto aan dat hij met een e-mail van 11 maart 2020 een kopie van zijn geboorteakte en twee observatieverslagen, meer bepaald van zijn voogd G. B. en van het opvangcentrum, heeft opgestuurd doch dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met deze observatieverslagen. Nochtans zijn deze verslagen, opgemaakt door personen in zijn onmiddellijke omgeving, volgens verzoeker van belang omdat zij vermelden dat hij op emotioneel vlak en op het vlak van zelfstandig functioneren duidelijk nog minderjarig is. Uit de bestreden beslissing blijkt echter niet dat deze stukken in overweging werden genomen bij het nemen ervan. Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 moest de dienst Voogdij nochtans rekening houden met de observatieverslagen. Door dit niet te doen, acht verzoeker artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Beoordeling
  8. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker op 5 februari 2020 een leeftijd had van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Voorts geeft de bestreden beslissing aan dat het medisch onderzoek door de wet is ingesteld als ultiem bewijsmiddel om de al dan niet minderjarigheid van de betrokkene te achterhalen en stelt zij vast dat er tussen de middels het medisch onderzoek vastgestelde minimumleeftijd van 19,5 jaar en de in het voorgelegde document voorgehouden geboortedatum een niet redelijk te verantwoorden verschil van 3 jaar is, en dat de resultaten van het medisch onderzoek voorrang hebben op de door verzoeker voorgelegde documenten. XIV-38.398-4/7 Verzoeker toont geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  9. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2, van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Zulks wordt ook in de bestreden beslissing vermeld. Het vormt op zich dan ook geen schending van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 of van de zorgvuldigheidsplicht om de uitslag van een leeftijdsonderzoek te laten primeren op de door verzoeker overgelegde documenten.
  10. Verzoeker gaat niet in op de concrete vaststellingen van het medisch onderzoek. Hij toont dan ook niet aan dat de materiëlemotiveringsplicht werd geschonden doordat de bestreden beslissing is gesteund op een medisch onderzoek dat door de wet zelf is voorzien. Net om die reden moest in de bestreden beslissing geen voorrang worden gegeven aan eventuele verklaringen van verzoekers voogd of observaties door het opvangcentrum. Verzoeker betwist XIV-38.398-5/7 evenmin de motivering omtrent de suprematie van de resultaten van het medisch onderzoek op de in het door het voorgelegde document (kopie van een geboorteakte) gestipuleerde geboortedatum. Voor zover de observatieverslagen slechts een bevestiging inhouden van de in het voorgelegde document gestipuleerde minderjarigheid, hetgeen verzoeker niet betwist, diende de verwerende partij niet nog eens uitdrukkelijk hieromtrent te motiveren. Waar in de bestreden beslissing wordt besloten dat de resultaten van het medisch onderzoek voorrang hebben op de door verzoeker voorgelegde documenten, blijkt hoe dan ook uitdrukkelijk dat de verwerende partij tevens rekening heeft gehouden met de voorgelegde observatieverslagen, maar dat zij heeft geoordeeld dat deze observatieverslagen geen ander licht werpen op de resultaten van het medisch onderzoek en evenmin kunnen primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 7 van de voogdijwet of van de aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  11. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.398-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.398-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.