← België

Arrest 251032 - Niet begeleide minderjarigen - 23/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.032 Rolnummer: A. 229267/XIV-38164 Zaak: Arrest 251032 - Niet begeleide minderjarigen - 23/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 251.032 van 23 juni 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.032 van 23 juni 2021 in de zaak A. 229.267/XIV-38.164 In zake : Nasratullah HABIBI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 1 oktober 2019 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’, van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor de plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van deze beslissing. XIV-38.164-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 245.697 van 8 oktober 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, ingesteld met een afzonderlijk verzoekschrift op 3 oktober 2019, verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend en de verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021, om 14.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Katrin Verhaegen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-38.164-2/8 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 245.697 van 8 oktober
  5. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid – Ambtshalve exceptie van het actueel belang bij het beroep Standpunt van verzoeker
  6. Verzoeker gaat in zijn laatste memorie in op de ambtshalve in het auditoraatsverslag opgeworpen exceptie dat verzoeker zelf heeft verklaard geboren te zijn op 15 mei 2002, zodat de verwerende partij na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing enkel zou kunnen vaststellen dat verzoeker inmiddels de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en de vernietiging van de bestreden beslissing hem dus geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel zou kunnen verschaffen. Verzoeker stelt dat hij ab initio heeft aangevoerd dat hij bij zijn binnenkomst in België werd vergezeld door zijn moeder en op het punt stond te worden herenigd met zijn vader. Er had hem dus geen voogd mogen worden opgedrongen. Indien de bestreden beslissing reeds was vernietigd eer verzoeker de leeftijd van 18 jaar had bereikt, zou de dienst Voogdij ook maar enkel kunnen vaststellen dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor de bijstand van een voogd. Het vormt willekeur dat de verwerende partij, zonder dat verzoeker er enige controle op kan uitoefenen, verzoeker tegenhoudt aan de Belgische grens, zijn leeftijd in vraag stelt op grond van zijn uiterlijk, hem scheidt van zijn ouders, hem vasthoudt met het oog op terugdrijving en hem onderwerpt aan een leeftijdstest. Indien nu zou worden vastgesteld dat verzoeker geen wettelijk vereist belang meer XIV-38.164-3/8 heeft omdat hij op 15 mei 2020 de leeftijd van 18 jaar zou hebben bereikt, wordt die willekeur bestendigd. Verzoeker wijst erop dat hij wel degelijk belang heeft bij het horen uitspreken van de onwettigheid van de bestreden beslissing omdat het resultaat van de leeftijdstest ertoe heeft geleid dat zijn paspoort in beslag werd genomen en de registratie in het rijksregister niet is gebeurd op basis van zijn verklaarde leeftijd. Deze gevolgen vloeien voort uit de bestreden beslissing, die het enige oordeel inhoudt van een Belgische overheid over verzoekers leeftijd. De bestreden beslissing houdt verder een vaststelling in van frauduleuze verklaringen over verzoekers leeftijd en verzoeker heeft er belang bij dit weerlegd te zien. Zo wordt verzoekers algemene geloofwaardigheid hersteld.
  7. Ter terechtzitting voegt verzoeker nog toe dat hij inmiddels een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en de subsidiaire beschermingsstatus heeft gekregen. Hij wijst eveneens op het belang van de leeftijd voor een aanvraag tot gezinshereniging, waarbij immers rekening wordt gehouden met de leeftijd op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend. Beoordeling
  8. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  9. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). XIV-38.164-4/8 Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
  10. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoeker dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken. XIV-38.164-5/8 Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en verzoeker om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
  11. Het wordt niet betwist dat verzoeker bij het indienen van zijn asielaanvraag heeft verklaard dat hij op 15 mei 2002 is geboren. Volgens artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002, is de voogdijregeling over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van toepassing op elke persoon “van minder dan achttien jaar oud”. Het niet bereikt hebben van de leeftijd van 18 jaar is bijgevolg beslissend om onder de toepassing van de wetgeving op de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen te vallen en om dus door de dienst Voogdij onder de hoede van een voogd te worden geplaatst. Na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing zal de dienst Voogdij enkel kunnen vaststellen dat verzoeker ook op basis van de door hemzelf verstrekte gegevens de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Wat zijn paspoort en zijn registratie in het rijksregister betreft, gaat verzoeker eraan voorbij dat met de bestreden beslissing zijn geboortedatum niet wordt bepaald. De bepalingen betreffende het leeftijdsonderzoek in Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’, van de programmawet (I) van 24 december 2002 houden niet in dat de verwerende partij zich uitspreekt over een vordering van staat. Een dergelijke vordering behoort bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken, overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet. De bestreden beslissing heeft dus niet tot gevolg dat een element van het persoonlijk statuut van verzoeker wordt bepaald maar strekt er enkel toe het toepassingsgebied van een wet van politie en veiligheid vast te stellen. Hierbij gaat het slechts om een leeftijdsschatting, meer bepaald om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De XIV-38.164-6/8 nietigverklaring van de bestreden beslissing kan derhalve niet leiden tot het bepalen van verzoekers juiste leeftijd. Hiervoor dient verzoeker zich desgewenst tot de gewone rechtbanken te wenden. Verzoeker verwijst op algemene wijze naar het belang van zijn leeftijd voor het indienen van een aanvraag tot gezinshereniging. Naast hetgeen supra reeds is uiteengezet over het bepalen van verzoekers leeftijd, dient te worden opgemerkt dat verzoeker niet expliciet aanvoert en a fortiori niet aantoont dat hij dergelijke aanvraag heeft ingediend. Voor zover die aanvraag nog zou worden ingediend, bestaat er geen betwisting over dat verzoeker de leeftijd van 18 jaar reeds heeft bereikt. Derhalve verschaft de vernietiging van de bestreden rechtshandeling verzoeker te dezen geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem ook. Er blijkt ook niet dat verzoeker tot op het ogenblik van het sluiten van het debat een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangezien verzoekers gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure niet is te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken, beschikt verzoeker niet langer over het vereiste belang om de voortzetting van de vernietigingsprocedure bij de Raad van State te benaarstigen.
  12. Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. XIV-38.164-7/8
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.164-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.032 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.