← België

Arrest 251054 - Milieuvergunningen - 24/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.054 Rolnummer: A. 226758/VII-40438 Zaak: Arrest 251054 - Milieuvergunningen - 24/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 251.054 van 24 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.054 van 24 juni 2021 in de zaak A. 226.758/VII-40.438 In zake : 1. Gustaaf RENDERS 2. Johan RENDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ria Hens en Hilde Vermeiren kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij: de LV VAN HOECK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Jean-Christophe Beyers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 augustus 2018 waarbij het beroep ingediend namens de lv Van Hoeck tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 21 maart 2018, houdende weigering van een milieuvergunning voor een pluimveebedrijf aan de Klaterstraat te Rijkevorsel, gegrond wordt verklaard en waarbij de milieuvergunning wordt verleend. VII-40.438-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De lv Van Hoeck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 januari 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Vermeiren, die verschijnt voor de verzoekers, is gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.438-2/16 III. Feiten 3.1. Op 23 november 2017 dient de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in met het oog op het exploiteren van een pluimveebedrijf op een perceel aan de Klaterstraat te Rijkevorsel, met als voorwerp: - brandstofverdeelinstallatie met 1 verdeelslang (6.5.1.); - stallen voor het houden van 19.800 slachtkuikens (9.3.1.c.1.); - elektriciteitscabine van 250 kVA (12.2.1.); - opslag van 2.500 liter propaan in een tank (17.1.2.2.1.); - opslag van 2.000 liter of 1,68 ton diesel in een bovengrondse, dubbelwandige tank (17.3.2.1.1.1.b.); - opslag van gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen in kleine verpakkingen (490

  1. kg)(17.4.); - opslag van 500 m³ vaste mest (28.2.c.1.); - opslag van 7 ton eieren (45.4.e.1.); - een grondwaterwinning op een diepte van 165 meter en met een maximaal opgepompt debiet van 15 m³/dag en 2.700 m³/jaar (53.8.2.). De exploitatie zal plaatsvinden in een ammoniakemissiearme stal van het type P-5.6. Het betrokken perceel is volgens het geldende gewestplan Turnhout gelegen in agrarisch gebied. De verzoekers zijn eigenaar van naburige percelen. 3.2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel (hierna: college) verklaart de aanvraag op 6 december 2017 ontvankelijk en volledig. Het college overweegt “dat de aanvraag betrekking heeft op een project dat opgenomen is in bijlage III van het besluit van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; dat de aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota bevat”. VII-40.438-3/16 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek van 15 december 2017 tot en met 15 januari 2018, worden drie schriftelijke bezwaren ingediend. Er wordt daarin onder meer gesteld dat het perceel bebost is en dat de aanvraag gepaard gaat met ontbossing die ten onrechte “niet mee opgenomen [wordt] in de project-m.e.r.-screeningsnota”. 3.4. Bij besluit van 21 maart 2018 weigert het college de gevraagde milieuvergunning te verlenen. 3.5. Op 27 april 2018 dient de tussenkomende partij administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. In graad van beroep worden volgende adviezen ingewonnen: - de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) - afdeling Operationeel Waterbeheer (17 mei 2018): deels gunstig advies; - het departement Omgeving - afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplannen en -projecten (AGOP-M) (20 juni 2018): gunstig advies; - de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (22 juni 2018): gunstig advies. De Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) hoort de aanvrager en geeft op 24 juli 2018 gunstig advies. 3.6. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verklaart het administratief beroep met de bestreden beslissing gegrond, heft het beroepen besluit van het college op en verleent de milieuvergunning voor onbepaalde duur aan de tussenkomende partij. VII-40.438-4/16 De bestreden beslissing geeft na weergave van de beroepsargumenten en de adviezen, volgende overwegingen: “Gelet op de ligging van de inrichting in agrarisch gebied van het gewestplan Turnhout; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de exploitant overeenkomstig het Mestdecreet over de nodige nutriëntenemissierechten moet beschikken alvorens te exploiteren; Overwegende dat het ammoniakemissiearme stalsysteem P-5.6 (Grondhuisvesting met dagelijkse mestverwijdering d.m.v. mestschuif onder de gedeeltelijk verhoogde roosters) zal worden geïmplementeerd bij de bouw van de pluimveestal; dat het ministeriële besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen, zoals gewijzigd bij latere besluiten, bepaalde eisen stelt aan de uitvoering en het gebruik van het vermelde systeem; dat uitvoering en gebruik van het ammoniakemissiearme stalsysteem volledig moet gebeuren conform de bepalingen van het vermelde ministeriële besluit; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.9.2.1.bis §2 van titel II van het Vlarem na afwerking van de bouw van een ammoniakemissiearme stal een attest moet worden afgeleverd dat aantoont dat de bouwwerken werden uitgevoerd conform de ammoniakemissiearme staltechnieken; dat dit attest moet zijn afgeleverd voor er kippen in de stal worden gehouden; dat dit attest ter inzage moet liggen van de toezichthoudende overheid; Overwegende dat de PSA een gunstig advies uitbracht mits grondig onderzoek naar geur-, stof- en geluidshinder uitwijst dat er op dat vlak geen problemen zijn en het erfbeplantingsplan wordt uitgevoerd in het eerstvolgende plantseizoen na voltooiing van de werken; dat uit de uitgebrachte adviezen blijkt dat er zich naar geur-, stof- en geluidshinder geen problemen stellen; dat vermits het dossier een erfbeplantingsplan bevat geen bijzondere voorwaarde ter zake dient te worden opgenomen; dat het al dan niet uitvoeren van een erfbeplantingsplan een toezichtskwestie betreft; Overwegende dat de adviezen van AGOP-M, de AOW en de PMVC, zoals hierboven weergegeven, in aanmerking worden genomen; dat de deputatie ter zake de motivering zoals vermeld in de adviezen van AGOP-M en de PMVC helemaal bijtreedt; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de beroeper, gehoord door de PMVC, verwezen wordt naar het advies van de PMVC, zoals hierboven weergegeven; Overwegende dat voor de toetsing van de aanvraag aan de kenmerken van het watersysteem, en aan de doelstellingen en beginselen van artikel 5, 6 en 7 van het Decreet Integraal Waterbeleid kan verwezen worden naar het advies van de PMVC; Overwegende dat voor de toetsing van de aanvraag aan artikel 26bis en artikel 36ter, §3 en §4 van het Natuurdecreet kan verwezen worden naar het advies van de PMVC; VII-40.438-5/16 Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep gegrond te verklaren, het collegebesluit op te heffen en de gevraagde vergunning te verlenen, behalve voor wat betreft het debiet van de grondwaterwinning boven 2.220m3 per jaar”. IV. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekers voeren de schending aan van artikel 4.3.2, §2bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), de bijlage III van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit), artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 30, §1, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) , de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en motiveringsbeginsel. Zij betogen dat de aanvraag betrekking heeft op projecten vermeld in bijlage III van het project-MER-besluit en in de MER-screeningsnota slechts volgende rubrieknummers uit deze bijlage werden ingevuld: “1.
  2. e)intensieve veeteeltbedrijven” en “10.
  3. j)Grondwaterwinning”, terwijl een deel van het terrein dient te worden ontbost, zodat ten onrechte de rubriek “1.
  4. d)eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)” niet werd opgenomen in deze screening. Bovendien werd in de MER-screeningsnota ten onrechte aangeduid dat er geen ontbossing dient te gebeuren. De nodige ontbossing wordt aldus niet meegenomen in de MER-screening. De aangevraagde VII-40.438-6/16 inplanting van een industriële niet aan de grond gebonden kippenveeteelt, gepaard gaande met een ontbossing en wateronttrekking, genereert nochtans gelet op de noodzakelijke ontbossing van een waardevol bos dat reeds sinds heugenis aanwezig is en dat verbonden is met een groter in het noorden/oosten liggend bosgebied aanzienlijk milieueffecten. De MER-screeningsnota is inhoudelijk niet afdoende en het bezwaar hierover werd niet met de gepaste zorgvuldigheid onderzocht. Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. 5. De verwerende partij antwoordt dat de eventuele ontbossing en de verplichtingen ter zake in de MER-screeningsnota enkel kunnen kaderen in het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning. In het kader van het verkrijgen van een milieuvergunning is dit argument dan ook niet dienend. 6. De tussenkomende partij werpt op dat het middel onontvankelijk is voor zover de schending van artikel 30, § 1, 5°, van Vlarem I wordt aangevoerd omdat dit enkel geldt voor de beslissingen in eerste aanleg. Hetzelfde geldt voor het middel dat de schending van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet en het redelijkheidsbeginsel aanvoert, omdat deze schendingen op geen enkele wijze verder worden uitgewerkt. Voorts wijst zij erop dat ontbossen mogelijk is onder de voorwaarden in artikel 90bis, § 1, van het bosdecreet. In geval van een ontheffing op het ontbossingsverbod, moet vervolgens ingevolge artikel 4.2.1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) een omgevingsvergunning tot ontbossing worden aangevraagd samen met een voorstel tot boscompensatie. De voor de te bouwen stal noodzakelijke ontbossing kan enkel maar plaatsvinden mits het verkrijgen van een omgevingsvergunning tot ontbossen. Op basis van de thans verleende milieuvergunning is dit niet mogelijk. Overeenkomstig artikel 4.3.1, eerste lid, DABM moet een MER(-screeningsnota) worden opgemaakt voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project. De MER-plicht is met andere woorden gekoppeld aan hetgeen wordt vergund. In deze VII-40.438-7/16 moet worden vastgesteld dat de ontbossing thans niet de vergunningsplichtige activiteit van het project uitmaakt. Het betreft in voorliggend dossier immers een milieuvergunning, terwijl een ontbossing enkel mogelijk is mits het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, meer specifiek een omgevingsvergunning tot ontbossing. Het is dan ook de logica zelve dat de rubriek nr. 1.
  5. d)niet werd ingevuld in de MER-screeningsnota bij de voorliggende aanvraag. De milieueffecten van de ontbossing zullen immers worden besproken in de MER-screeningsnota bij de omgevingsvergunningsaanvraag tot ontbossing. De verzoekers vertrekken van foutieve feitelijke en juridische premissen. Het middel mist aldus feitelijke en juridische grondslag. 7. De verzoekers dupliceren: “De verwerende en tussenkomende partij wijzen erop dat de eventuele ontbossing en de verplichtingen ter zake in de m.e.r.-screeningsnota enkel kunnen kaderen in het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning en dat de ontbossing thans niet de vergunningsplichtige activiteit van het project uitmaakt. In de bestreden milieuvergunning worden evenwel stallen voor het houden van 19.800 slachtkuikens vergund. Voor deze stallen voor het houden van 19.800 slachtkuikens dient een ontbossing te gebeuren, bij gebreke waarvan de exploitatie niet mogelijk is”. 8. In de laatste memorie laat de verwerende partij gelden dat “de milieuvergunning [...] niet de devolutieve werking van een beroep [kende]. Een beroep kon beperkt zijn tot beroep tegen een voorwaarde en dan kon niet het geheel van de beslissing in vraag gesteld worden en/of de aanvraag in haar geheel opnieuw beoordeeld worden. De bestreden beslissing is [...] een milieuvergunning met als finaliteit het beoordelen van ingedeelde activiteiten en inrichtingen, met een koppelingsregeling met de samenhangende stedenbouwkundige vergunning. Indien de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd vervalt de milieuvergunning”. 9. De verzoekers antwoorden dat het administratief beroep van de tussenkomende partij “niet beperkt [is] tot een beroep tegen een voorwaarde van de vergunning, doch […] een beroep tegen de weigering van de vergunningsaanvraag VII-40.438-8/16 [behelst]” en dus “betrekking [heeft] op gans de vergunningsaanvraag, zodat […] de verwerende partij de aanvraag opnieuw in haar geheel dient te onderzoeken, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met de bezwaren die door derden-belanghebbenden werden geuit tijdens het openbaar onderzoek dat werd gehouden. Door de verwerende partij wordt dit standpunt niet weerlegd”. Beoordeling 10. Artikel 30, § 1, 5°, van Vlarem I is uitsluitend van toepassing op beslissingen over milieuvergunningsaanvragen die door de in eerste aanleg beoordelende instanties worden genomen. Uit die bepaling volgt niet dat in de beroepsbeslissing moet worden geantwoord op de adviezen die tijdens de procedure in eerste aanleg zijn uitgebracht, zelfs niet indien deze ongunstig zijn, en op de tijdens het openbaar onderzoek gemaakte opmerkingen en bezwaren. De door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie met betrekking tot deze geschonden geachte bepaling wordt bijgetreden. 11. Met betrekking tot de exceptie die ten aanzien van de schending van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet wordt opgeworpen door de tussenkomende partij, dient te worden vastgesteld dat deze bepaling een motiveringsplicht oplegt. Nu ook de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van de motiveringsplicht wordt aangevoerd, kan deze exceptie niet aangenomen worden. Luidens artikel 17, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet dient de beslissing over de vergunningsaanvraag met redenen omkleed te zijn. De vereiste van een formele motivering is vervat in de bepaling van artikel 52, 3°, van Vlarem I. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet VII-40.438-9/16 zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 12. Artikel 4.3.2, § 2bis, DABM luidde ten tijde van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag: “§ 2bis De Vlaamse Regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in paragrafen 1 en 2 vermelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld. De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt niet, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben, voor: 1° de loutere hernieuwing van de milieuvergunning; 2° de loutere hernieuwing van omgevingsvergunning; 3° de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”. In bijlage III bij het project-MER-besluit blijken onder meer volgende criteria te zijn opgenomen: “1. Landbouw, bosbouw en aquacultuur
  6. a)ruilverkavelingsprojecten
  7. b)projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)
  8. c)waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen) VII-40.438-10/16
  9. d)eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)
  10. e)intensieve veeteeltbedrijven (projecten die niet in bijlage I of II zijn opgenomen)
  11. f)intensieve aquacultuur van vis (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)”. Tevens wordt onder de rubriek 10.
  12. j)van deze bijlage III “werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater, die niet zijn opgenomen in bijlage I of II” opgenomen. 13. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. 14. De eigenheid van de voorafgaande screening houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De bevoegde overheid dient dit onderzoek te voeren overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten, om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke motivering. Deze screening moet uitgevoerd worden in het licht van de criteria opgenomen in de bijlagen bij het DABM. Het gaat meer bepaald om de kenmerken en de locatie van het project en de soort en de kenmerken van het potentiële effect. De toetsing aan vermelde criteria moet afdoende aantonen dat het voorgenomen project geen aanzienlijke milieueffecten zal teweegbrengen. Het feit VII-40.438-11/16 dat tal van bijzondere exploitatievoorwaarden moeten worden opgelegd vormt eerder een tegenaanwijzing bij het screeningscriterium inzake de ligging van het project. Voorts zal tevens moeten worden rekening gehouden met cumulatieve effecten, wat niet noodzakelijk samenvalt met of beperkt is tot het voorwerp van de vergunningsaanvraag. Om te beoordelen of de screening deugdelijk is uitgevoerd moet men acht slaan op het geheel van het screeningsdossier. De screeningsnota dient bovendien ter inzage te liggen tijdens het openbaar onderzoek, dat dient om het inspraakrecht van derden te garanderen. De Raad van State mag bij het toetsen van de wettigheid van een screeningsbeslissing geen eigen beoordeling van de te verwachten milieueffecten van het plan of project maken. Wel kan hij nagaan of de bevoegde overheid in redelijkheid tot de genomen beslissing is kunnen komen, in het licht van de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd. Indien de milieuvergunningsaanvraag onderworpen is aan een MER-screeningsplicht, moet de vergunningsbeslissing een duidelijk identificeerbare passage bevatten waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is door middel van een toetsing aan de relevante criteria van de bijlagen bij het DABM, en waarom de screening in voorkomend geval leidt tot de conclusie dat voor het project geen milieueffectenrapport moet worden opgemaakt. 15. De devolutieve werking van het administratief beroep impliceert dat de beroepsinstantie dat gedeelte van de vergunningsaanvraag waarop het beroep betrekking heeft, zowel wat de legaliteit als de opportuniteit betreft, terug onderzoekt, zonder gebonden te zijn door de motieven van de beroepen beslissing, noch door de tijdens de beroepsprocedure ontwikkelde argumenten. Over het gedeelte van de vergunningsaanvraag waarover de beroepsinstantie niet gevat werd, kan zij in de te nemen beroepsbeslissing geen uitspraak doen. 16. In voorliggend geval heeft de tussenkomende partij als aanvrager bestuurlijk beroep ingesteld tegen de door het college geweigerde milieuvergunningsbeslissing. Dit beroep strekte ertoe dat voor de beoogde exploitatie een vergunning zou worden verleend. In die zin was de strekking van het ingestelde bestuurlijk beroep in totaliteit gericht ten gunste van het beoogde project. VII-40.438-12/16 17. Uit het onvolledig administratief dossier blijkt dat te dezen een MER-screening noodzakelijk was en een MER-screeningsnota werd gevoegd bij het aanvraagdossier. Daaruit blijkt ook dat de veeteeltbedrijvigheid en de grondwaterwinning van de inrichting werden gescreend op hun milieueffecten. De tussenkomende partij ontkent niet dat voor de aangevraagde exploitatie minstens een deel van het betrokken perceel zal dienen te worden ontbost, maar stelt dat de ontbossing deel uitmaakt van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en dat dit bijgevolg niet bij de aanvraag die tot de huidige bestreden beslissing heeft geleid, moest worden betrokken. Gelet op de onmiskenbare samenhang van de aangevraagde en vergunde bedrijvigheid enerzijds en de door te voeren ontbossing hiertoe anderzijds, kan niet worden ingezien waarom deze ontbossing geen deel diende uit te maken van de MER-screening, nu niet uitgesloten kan worden dat deze ontbossing tevens effecten heeft op de hinder die de inrichting kan veroorzaken ten aanzien van de omgeving waarin zij zich bevindt. Deze vaststelling klemt des te meer nu het college in eerste administratieve aanleg, in het kader van de natuurtoets, opmerkt dat de exploitant in de aanvraag geen informatie opneemt met betrekking tot de verwijdering van het naaldhoutbestand, dat als waardevol wordt aangemerkt, bij de aanleg van de stal en de eventuele maatregelen die men zal nemen om het standstillprincipe, de zorgplicht en de ecologische compensatie na te leven. Daarnaast moet worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing nergens de term (project-)MER-screening(snota) kan worden teruggevonden. Deze vaststelling klemt des te meer gelet op het feit dat het bestuurlijk beroep dat ten grondslag lag aan de bestreden beslissing, de verwerende partij ertoe verplichtte de aanvraag opnieuw in haar geheel te onderzoeken, waarbij tevens rekening diende te worden gehouden met de bezwaren die door derden-belanghebbenden werden geuit tijdens het openbaar onderzoek. Uit het bezwaarschrift van eerste verzoeker blijkt dat vanaf het begin van de vergunningsprocedure kritiek werd geuit ten aanzien van de inhoud van de MER-screening die heeft plaatsgevonden, meer bepaald dat het ontbossingscomponent in de screeningsnota ontbreekt. In de bestreden beslissing wordt aan dit bezwaar voorbijgegaan. Het loutere feit dat de exploitant over een VII-40.438-13/16 ontheffing van het ontbossingsverbod zou beschikken doet hieraan niets af, aangezien beide beslissingen, de ontheffing en de bestreden milieuvergunning, een onderscheiden doel hebben. Het besluit is dat geen rekening werd gehouden met de noodzakelijke ontbossing bij de project-MER-screening en hierop evenmin in de bestreden beslissing, laat staan op afdoende wijze, werd ingegaan. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk en in de mate dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht wordt aangevoerd, gegrond. V. Kosten 18. De kosten dienen ten laste van het Vlaamse Gewest te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april 2017. VII-40.438-14/16 Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 augustus 2018 waarbij het beroep ingediend namens de lv Van Hoeck tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 21 maart 2018, houdende weigering van een milieuvergunning voor een pluimveebedrijf aan de Klaterstraat te Rijkevorsel, gegrond wordt verklaard en waarbij de milieuvergunning wordt verleend. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 4. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekers. VII-40.438-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.438-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.