← België

Arrest 251066 - Overheidsopdrachten - 25/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.066 Rolnummer: A. 229628/XII-8835 Zaak: Arrest 251066 - Overheidsopdrachten - 25/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-06 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:36 Fiche Arrest nr 251.066 van 25 juni 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 251.066 van 25 juni 2021 in de zaak A. 229.628/XII-8835 In zake : 1. de CVBA GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR KAGERO 2. Johan VANQUATEM 3. de BVBA A.M.G.E.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elke Casteleyn kantoor houdend te 9160 Lokeren Antwerpse Steenweg 47 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philip Pels kantoor houdend te 9000 Gent Twaalfkameren 17 tegen : de OV TUSSENGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ DER VLAANDEREN VOOR WATERVOORZIENING (TMVW) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV GERECHTSDEURWAARDER PHILIP SCHEIR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Lenders en Joris Wouters kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van: XII-8835-1/16 “1. het besluit van ongekende datum houdende de toewijzing van de opdracht tot centraliserend gerechtsdeurwaarder aan Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba; 2. het besluit van ongekende datum houdende de goedkeuring van het bestek Intern-19-005 getiteld ‘Raamovereenkomst voor het aanstellen van twee (1 per perceel) dienstverleners voor het externe debiteurenbeheer’ in de mate dat dit betrekking heeft op de verplichting tot samenwerking met centraliserend Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba in perceel 2 ‘juridische invorderingen’.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 januari 2020. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2021. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Inge van den Dorpel, die loco advocaten Elke Casteleyn en Philip Pels verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat XII-8835-2/16 Alexandre Peytchev, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joris Wouters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De raad van bestuur van de verwerende partij schrijft een opdracht voor diensten in de speciale sectoren uit met als voorwerp “Raamovereenkomst voor het aanstellen van twee dienstverleners voor het externe debiteurenbeheer”. Perceel 1 heeft betrekking op de minnelijke invordering en perceel 2 – het enige waarop het geding betrekking heeft – op de juridische invordering. Dit laatste perceel wordt hierna genoemd “opdracht raamovereenkomst”. Die opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 26 april 2019 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 29 april 2019, waarna enkele wijzigingsberichten worden bekendgemaakt. De plaatsingswijze is de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. De maximale looptijd van de opdracht bedraagt zes jaar. 3.2. De raad van bestuur van de verwerende partij beslist op 25 april 2019 om de selectieleidraad bij die opdracht goed te keuren en op 26 september 2019 de gunningsleidraad. Drie kandidaturen worden geselecteerd voor perceel 2: Leeward (maatschap in oprichting) (hierna: Leeward), Watersteen Advocaten en de bv PP-LAW. XII-8835-3/16 De verzoekende partijen nemen geen deel aan deze gunningsprocedure. 3.3. Het bijzonder bestek met referentie INTERN-19-005, dat de opdracht raamovereenkomst beheerst, bepaalt onder meer: “3.1.2 Samenwerking met centraliserend gerechtsdeurwaarderskantoor TMVW streeft ernaar om zo snel mogelijk in de aanmaanketting de openstaande vorderingen te innen en de kosten van de debiteur hierbij te beperken. Er wordt daarom gewerkt met een centraliserend gerechtsdeurwaarderskantoor, aangeduid door TMVW. De centraliserende gerechtsdeurwaarder, Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba, werkt nauw samen met de dienstverlener voor het informeren en sensibiliseren van de debiteur, het betekenen van de dagvaarding evenals het vonnis en de uitvoering van het vonnis. 3.1.3 Juridisch traject – standaardprocedure […] Er wordt een vlotte doorlooptijd nagestreefd tussen het opdracht geven tot dagvaarding (via xml-bestand doorgestuurd door TMVW) en de opmaak en betekening van de dagvaarding. In dit kader dient de dienstverlener optimaal gebruik te maken van het digitaal platform van de gecentraliseerd aangestelde gerechtsdeurwaarder (bv. in functie van beschikbaarheid). Op het digitaal platform van de centraliserende gerechtsdeurwaarder kan de dienstverlener het openstaand saldo, de dagvaarding, eventuele betalingsregelingen bij de centraliserende gerechtsdeurwaarder, nieuwe openstaande facturen, … consulteren. […] 3.2 Plan van aanpak […] 3.2.1 Procedure […] Standaardprocedure De dienstverlener werkt in het plan van aanpak een gedetailleerd voorstel tot standaardprocedure uit. […] Hij houdt hierbij rekening met volgende afspraken: […] ▪ De standaardprocedure wordt tijdens de voorbereidende fase vastgelegd tussen TMVW, de dienstverlener en de gecentraliseerd aangestelde gerechtsdeurwaarder. Gevraagde aanpassingen gemotiveerd door TMVW dienen steeds doorgevoerd te worden. Aanpassingen voorgesteld door de dienstverlener kunnen in overweging worden genomen, maar worden al dan niet doorgevoerd in overleg. […] Samenwerking met gecentraliseerd gerechtsdeurwaarderskantoor XII-8835-4/16 De dienstverlener beschrijft hoe er informatie zal worden uitgewisseld tussen de gecentraliseerd aangestelde gerechtsdeurwaarder na het betekenen van de dagvaarding en na ontvangst van het vonnis. […] 3.3 Digitaal platform 3.3.1 Functionaliteit Zoals eerder beschreven dient de dienstverlener voor het dossierbeheer te communiceren met het digitaal platform van de centraliserende gerechtsdeurwaarder. Daarnaast wordt van de dienstverlener verwacht dat hij ook over een eigen digitaal platform beschikt. De dienstverlener beschrijft hoe hij de vlotte communicatie tussen beide digitale platformen garandeert.” 3.4. De eerste verzoekende partij, de cvba Gerechtsdeurwaarderskantoor Kagero, stelt bij brief van 8 oktober 2019 naar aanleiding van de voormelde opdracht raamovereenkomst een vraag aan de verwerende partij over de toepassing van de overheidsopdrachtenregelgeving op de samenwerking met een centraliserende gerechtsdeurwaarder voor het juridisch gedeelte van de kwestieuze gunningsprocedure. Deze brief stelt in fine: “Graag per kerende […] het geraamde bedrag waarvoor u deze gesloten onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking heeft gevoerd en de beslissing met de bijhorende offertes die u naar aanleiding van deze gesloten onderhandelingsprocedure heeft opgevraagd.” De verwerende partij deelt bij brief van 11 oktober 2019 haar standpunt hierover mee, in essentie verwijzend naar het stelsel van de, van de toepassing van de overheidsopdrachtenregelgeving, uitgesloten diensten, vermeld in de wet overheidsopdrachten 2016, meer bepaald in artikel 28, § 1, 4°,

  1. d)en e). Deze brief luidt onder meer: “Zoals aangegeven in uw schrijven verduidelijkt de Memorie van Toelichting bij art. 28 § 1, 4°,
  2. e)van de Wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (WOO) dat ‘juridische dienstverlening door gerechtsdeurwaarders onder de toepassing valt van hoofdstuk 6 betreffende de sociale diensten en andere specifieke diensten.’ U concludeert op basis hiervan dat de juridische dienstverlening door gerechtsdeurwaarders de facto onder toepassing van de overheidsopdrachtenwetgeving valt. Dit is echter niet altijd het geval. Overeenkomstig art. 28 § 1, 4°,
  3. d)van de WOO zijn een aantal diensten uitgesloten van de mededinging en dit 1) wanneer de gerechtsdeurwaarders aangewezen zijn door een hof of een rechtbank of door de wet om specifieke XII-8835-5/16 taken uit te voeren én daarbij 2) deze dienstverlening uitvoeren onder toezicht van deze rechtscolleges. […] Concreet heeft dit als gevolg dat de dienstverlening zoals bedoeld onder art. 519 § 1, 1° van het GW – te weten: het opstellen en betekenen van alle exploten en de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen, alsmede van akten of titels in uitvoerbare vorm – zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenwetgeving. […] Bijkomend merken wij op dat andere bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder, zoals beschreven in art. 519 § 2, 5° (het zorgen voor de minnelijke inning van schuldvorderingen) en 14° (uitvoeren van solvabiliteitsonderzoeken) waarvoor deze uitzonderingen niet van toepassing zijn en dus wel degelijk onder het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenwetgeving vallen, in de geplaatste onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging in het voorwerp van de opdracht werden opgenomen. Concluderend kunnen we stellen dat de juridische dienstverlening door gerechtsdeurwaarders in principe onder het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenwetgeving valt. Omtrent de diensten van een gerechtsdeurwaarder zoals vervat in artikel 519 § 1 van het GW dient echter besloten te worden dat deze niet onderworpen zijn aan de toepassing van de overheidsopdrachtenwetgeving en dat daartoe derhalve geen plaatsingsprocedure in de zin van de WOO dient georganiseerd.” 3.5. Binnen het kader van de opdracht raamovereenkomst worden over de taken van de centraliserende gerechtsdeurwaarder in verhouding tot deze van de dienstverlenende gerechtsdeurwaarders onder meer inzake de te realiseren koppeling met het digitaal platform van de centraliserende gerechtsdeurwaarder en de informatieverdeling en -flow tussen de platformen van de dienstverlener, de verwerende partij en de centraliserende gerechtsdeurwaarder, nog diverse vragen gesteld, die een antwoord krijgen in verduidelijkingen, verstrekt door de verwerende partij op 15 en 18 oktober 2019. 3.6. De verzoekende partijen leiden de onderhavige procedure in op 25 november 2019 met een vordering tot nietigverklaring tegen de beslissing, voor hen van ongekende datum, waarbij de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir, dit is de tussenkomende partij, wordt aangesteld als centraliserende gerechtsdeurwaarder (de eerste bestreden beslissing) en tegen de beslissing, voor hen van ongekende datum, tot goedkeuring van het bestek in de opdracht raamovereenkomst voor zover die “betrekking heeft op de verplichting tot XII-8835-6/16 samenwerking met centraliserend Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba in perceel 2 ‘juridische invorderingen’”. 3.7. Op 18 december 2019 beslist de verwerende partij om de opdracht raamovereenkomst te gunnen aan Leeward. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie betreffende de tijdigheid van het vernietigingsberoep 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord in een eerste exceptie op dat het beroep laattijdig is en dus niet ontvankelijk. Zij verklaart echter in haar laatste memorie dat zij zich wat de ontvankelijkheid van deze exceptie betreft, wel naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt. Beoordeling 5. De verwerende partij moet in de voormelde omstandigheid worden geacht afstand te hebben gedaan van haar exceptie. De Raad van State dient echter de tijdigheid van een beroep ook ambtshalve te onderzoeken. 6. In de bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen van 26 april 2019 is de volgende beschrijving van de opdracht raamovereenkomst opgenomen: “Perceel 2: de juridische invordering o Juridische adviesverlening, inclusief niet-gerechtelijke dossiers, principekwesties en wetgeving; o Ingebrekestellingen namens TMVW; o Solvabiliteitsnazicht; o De gegevens overmaken aan de door TMVW aangestelde gerechtsdeurwaarder die instaat voor opmaak en betekening van de dagvaarding; o Vertegenwoordigen van TMVW doorheen het volledige traject van gerechtelijke procedures inclusief IOS in voorkomend geval; o Overmaken van het vonnis aan de door TMVW aangestelde gerechtsdeurwaarder.” XII-8835-7/16 7. Een bekendmaking kan de beroepstermijn slechts doen ingaan wanneer die de draagwijdte van de betrokken handeling op een genoegzaam duidelijke wijze doet kennen. Met de verwijzing naar “de door TMVW aangestelde gerechtsdeurwaarder” zijn de verzoekende partijen niet met zekerheid ingelicht over de draagwijdte van die omschrijving en zelfs niet over de essentie ervan. De termijn voor het instellen van dit annulatieberoep heeft dus nog geen aanvang kunnen nemen bij de bekendmaking van de opdracht in het Bulletin der Aanbestedingen van 26 april 2019. Dit was de datum die de verwerende partij in haar exceptie aannam als de dag vanaf wanneer de termijn zou hebben gelopen. De verzoekende partijen worden bijgevallen in zoverre zij in hun inleidend verzoekschrift voor de aanvang van de termijn verwijzen naar de brief van 11 oktober 2019 uitgaande van de verwerende partij, waaruit zij konden afleiden dat een opdracht van centraliserende gerechtsdeurwaarder aan de bvba Gerechtsdeurwaarder Philip Scheire was gegund. 8. Het beroep, ingesteld op 25 november 2019, is bijgevolg niet laattijdig. B. Exceptie betreffende de draagwijdte van het vernietigingsberoep 9. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord in een tweede exceptie op dat de draagwijdte van het vernietigingsberoep gericht tegen de tweede bestreden beslissing “beperkt is tot (enkel) de vermelding in het bestek van de naam van de centraliserend gerechtsdeurwaarder, zijnde ‘gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba’”, dat de verzoekende partijen op zich niet de wettigheid van de rechtsfiguur van de “centraliserend gerechtsdeurwaarder” betwisten, “maar enkel de vaststelling dat de TMVW deze zonder overheidsopdrachtenprocedure dan wel zonder enige vorm van mededinging heeft aangesteld” en dat ze bijgevolg niet over het rechtens vereiste belang beschikken om de overige bepalingen van het bestek aan te vechten. XII-8835-8/16 Beoordeling 10. De verzoekende partijen omschrijven hun belang in het verzoekschrift onder meer als volgt: “Verzoekende partijen zijn allen gerechtsdeurwaarders. Indien in deze de mededinging had gespeeld dan hadden zij meegedongen naar de opdracht van de centraliserende gerechtsdeurwaarder. Door het gebrek aan elke vorm van mededinging hebben zij evenwel geen enkele kans gekregen een offerte in te dienen, zij hebben zelfs de kans niet gekregen zich kenbaar te maken als geïnteresseerde partijen in de opdracht.” 11. Uit deze omschrijving en het opzet van het verzoekschrift kan genoegzaam worden afgeleid dat de verzoekende partijen de aanstelling van de centraliserende gerechtsdeurwaarder bekritiseren, omdat zij de gelegenheid willen hebben om zelf te worden aangesteld als centraliserende gerechtsdeurwaarder. Het voorwerp van het beroep is derhalve hiertoe beperkt, zoals ook uitdrukkelijk door de verzoekende partijen wordt aangegeven: het beroep is, eensdeels, gericht tegen de aanstelling van de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir als de centraliserende gerechtsdeurwaarder, anderdeels, tegen de goedkeuring van het bestek “in de mate dat dit betrekking heeft op de verplichting tot samenwerking met centraliserend Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba in perceel 2 ‘juridische invorderingen’”. 12. Met de zogenaamde exceptie benadrukt de verwerende partij enkel de beperkte draagwijdte van het beroep tegen de tweede bestreden beslissing, wat echter ook in de bedoeling blijkt te liggen van de verzoekende partijen. 13. De exceptie mist dus grondslag. XII-8835-9/16 V. De middelen 14.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 28, § 4, 1° [lees: artikel 28, § 1, eerste lid, 4°], juncto artikel 108 en de artikelen 4, 158 en 159 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van “de beginselen van gelijke behandeling, mededinging, transparantie en evenredigheid, en de formele en materiële motiveringsplicht”. 14.2. De verzoekende partijen betogen in essentie dat de verwerende partij een opdracht voor centraliserend gerechtsdeurwaarder gegund heeft aan de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir zonder de overheidsopdrachtenregelgeving te hebben nageleefd, laat staan enige vorm van mededinging te hebben georganiseerd, terwijl die opdracht volgens hen moet worden gekwalificeerd als een opdracht voor sociale en andere specifieke diensten – opgesomd in bijlage III van de wet overheidsopdrachten 2016 waardoor deze in mededinging had moeten worden gesteld op grond van één van de procedures voorzien in artikel 159 van die wet. 14.3. De verzoekende partijen doen voorts gelden dat te dezen, gelet op de uitgebreide taakomschrijving die blijkbaar aan de centraliserende gerechtsdeurwaarder zal toekomen, geenszins mag worden gesteld dat zijn taken beperkt zijn tot deze opgesomd in artikel 519, § 1, 1° [lees: artikel 519, § 1, tweede lid, 1°], van het Gerechtelijk Wetboek, zijnde het enige takenpakket waar de verwerende partij naar verwijst in het hiervoor aangehaalde schrijven van 11 oktober 2019. Uit de huidige opdracht raamcontract blijkt evenwel, aldus de verzoekende partijen, dat aan de centraliserende gerechtsdeurwaarder een zeer ruim takenpakket werd toebedeeld, dat verder reikt dan zijn wettelijke en uitgesloten taken, waarbij zij opmerken dat deze taken ook niet onder het toezicht van een rechtscollege worden uitgeoefend. Daarenboven kent de opdracht van de centraliserende gerechtsdeurwaarder ook een sterk logistieke invulling, namelijk de ontwikkeling en terbeschikkingstelling van een digitaal platform waarop gegevens dienen te worden uitgewisseld met het advocatenkantoor en de verwerende partij, zodat “niet ernstig [kan] worden betwist dat in casu sprake is XII-8835-10/16 van een logistieke dienstverlening vanwege de centraliserend gerechtsdeurwaarder die het verlenen van zijn wettelijk ambt ver te boven gaat”. 14.4. De verzoekende partijen doen aldus gelden dat de verwerende partij zich bijgevolg niet kan beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 28, § 1, eerste lid, 4°, d), in de wet overheidsopdrachten 2016 luidend: “
  4. d)juridische dienstverlening door bewindvoerders of aangewezen voogden, en andere juridische dienstverlening waarvan de aanbieders door een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat, of van rechtswege, aangewezen zijn om specifieke taken te verrichten onder toezicht van die rechterlijke instanties.” De verzoekende partijen betogen voorts dat de verwerende partij zich evenmin dienstig kan beroepen op de uitzonderingsgrond bepaald in artikel 28, § 1, eerste lid, 4°, e), van de wet overheidsopdrachten 2016, waarop zij zich in het voormelde schrijven van 11 oktober 2019 eveneens beroept en dat betrekking heeft op “andere juridische diensten die in het Rijk al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag”. 14.5. De verzoekende partijen voeren nog aan in de memorie van wederantwoord, dat in de gunningsleidraad van de opdracht raamovereenkomst “op geen enkele wijze ook maar enige motivering [wordt] opgenomen waaruit zou blijken dat verwerende partij zonder enige vorm van mededinging kon overgaan tot aanstelling van Gerechtsdeurwaarde[r] Philip Scheir bvba” en dat de motivering zoals weergegeven in het schrijven van 11 oktober 2019 dan ook niet meer blijkt te zijn dan een motivering a posterio en bijgevolg niet kan worden aanvaard. Voorts zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de verwerende partij haar bewering in de memorie van antwoord, dat de taken van de centraliserende gerechtsdeurwaarder beperkt zijn tot de wettelijke taken in de zin van artikel 519, § 1, tweede lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, op geen enkele wijze onderbouwt, zoals aan de hand van een beslissing tot aanstelling van de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir en blijven zij erbij dat de essentie van de rol XII-8835-11/16 van de centraliserende gerechtsdeurwaarder, zoals in casu geconcipieerd, duidelijk heel wat verder gaat dan hetgeen de verwerende partij wenst te doen aannemen. Er wordt trouwens met de voormelde gekozene niet op een “gewone” deurwaarder maar op een “centraliserende” deurwaarder een beroep gedaan. De verzoekende partijen benadrukken in hun laatste memorie nog dat bij gebrek aan enige formele beslissing tot aanstelling van de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir in het administratief dossier, moet worden aangenomen dat alvast diens “verlengde” aanstelling werd goedgekeurd op 26 september 2019, zijnde de datum waarop de raad van bestuur van de verwerende partij de gunningsleidraad voor de opdracht raamovereenkomst “onverkort tot de zijne maakt” en goedkeurt en dat in die beslissing geen formele motivering wordt opgenomen over deze aanstelling. “De enige motivering die ter zake voorligt is deze in het schrijven van 11 oktober 2019, wat niet meer is dan een motivering a posteriori en waarmee aldus geen rekening kan worden gehouden. Deze vaststelling op zich volstaat om de vernietiging van de bestreden beslissing uit te spreken”. 15. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, “de beginselen van gelijke behandeling, mededinging, transparantie en evenredigheid, en de formele en materiële motiveringsplicht”, doordat de verwerende partij de opdracht aan de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir zonder ook maar enige vorm van mededinging heeft gegund, terwijl de verplichting tot het organiseren van mededinging voortvloeit uit de fundamentele beginselen opgenomen in het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, namelijk het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, niet-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Te dezen heeft de verwerende partij volgens hen niet alleen de betrokken beginselen niet nageleefd, evenmin heeft zij “enige motivering aangebracht waarom beperkingen op het transparantie- en gelijkheidsbeginsel in casu gerechtvaardigd zouden zijn”. XII-8835-12/16 16. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op : “In elk geval is de keuze voor ‘gerechtsdeurwaarder Philip Scheir bvba’ redelijkerwijze verantwoord en (helemaal) niet ‘willekeurig’ – integendeel. Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir werd eertijds (minstens onrechtstreeks) aangesteld via een overheidsopdracht, zijnde de vorige/aflopende raamovereenkomst met PP-LAW (2016-2020) […]. Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir maakte immers deel uit van het door PP-law voorgesteld (project)team en de TMVW heeft het specifiek aan gerechtsdeurwaarder Philip Scheir toe te wijzen aandeel van deze opdracht als positief beoordeeld. Sindsdien heeft Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir zijn diensten altijd tot grote tevredenheid van de TMVW uitgevoerd. Ten tijde van de vaststelling van het bestek lagen er voor de TMVW, mede gelet op het toepassingsgebied van de (nieuwe) Wet Overheidsopdrachten 2016, afdoende motieven voor om de gewaarde [lees: gewaardeerde] samenwerking met gerechtsdeurwaarder Philip Scheir verder te zetten (en aldus geen bevraging te organiseren).” Zij besluit dat zij dan ook “in alle redelijkheid [heeft] beslist dat het gebeurlijk organiseren van een marktbevraging dan wel het aanschrijven van meerdere gerechtsdeurwaarders […] te dezen geen meerwaarde heeft. Dit geldt des te meer [wanneer] de kwaliteit van de dienstverlening het enige/determinerende criterium zou zijn (aangezien de wettelijke tarieven dienen te worden nageleefd)”. 17.1. De verzoekende partijen doen voorts van hun kant nog gelden dat het loutere gegeven dat geen of nauwelijks buitenlandse entiteiten in een opdracht zouden geïnteresseerd zijn – nog een stelling verdedigd door de verwerende partij –, louter tot gevolg heeft dat er op Europees niveau geen transparantieverplichtingen moeten worden nageleefd, doch geenszins belet dat op nationaal niveau dergelijke verplichtingen zouden bestaan. Zij benadrukken daarbij dat uit het – louter Belgisch – gelijkheidsbeginsel, dat niet alleen vervat is in de Grondwet maar ook toepassing vindt als beginsel van behoorlijk bestuur, de principes van mededinging en transparantie voortvloeien en dat België ook de vrijheid van ondernemen kent, zodat aldus blijkt dat er wel degelijk een nationale verankering voorhanden is van de door de verzoekende partijen geschonden geachte beginselen. XII-8835-13/16 17.2. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen voorts dat zij ook de schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht hebben ingeroepen: “Nogmaals uit geen enkel stuk blijkt dat voorafgaandelijk aan het schrijven van 11 oktober 2019 ook maar op enige wijze werd onderzocht, laat staan gemotiveerd of de hier voorliggende opdracht in mededinging diende te worden gesteld en indien niet, waarom niet”. Beoordeling 18. Luidens artikel 3.1 van het bestek betreffende de opdracht raamovereenkomst heeft die opdracht betrekking op de juridische dienstverlening inzake het externe debiteurenbeheer en omvat deze de volgende aspecten: “opmaak en verzending van de aangetekende ingebrekestelling op briefhoofd van de dienstverlener, de juridische adviesverlening en het juridische traject (opmaken van de dagvaarding (of verzoekschrift van vrijwillige verschijning), voorbereiding dossier na rolzetting, opmaken van conclusies, pleiten en verwerken van bekomen vonnissen in samenwerking met het centraliserend gerechtsdeurwaarderskantoor).” 19. De vraag naar de juiste taken van de centraliserende gerechtsdeurwaarder bij deze opdracht maakt het belangrijkste voorwerp uit van de discussies tussen de partijen. De inhoud van die taken bepaalt de toepasselijkheid van de regelgeving inzake de overheidsopdrachten op diens aanstelling, en de eventuele verplichting om voor zijn aanstelling in mededinging te voorzien. Teneinde hun middelen te onderbouwen, zeker het eerste middel, verwijzen de verzoekende partijen naar gegevens uit de plaatsingsprocedure voor de opdracht raamovereenkomst en beschrijven zij daarop steunende een aantal van de taken van de centraliserende gerechtsdeurwaarder. In het betrokken bestek en de vragen en antwoorden komen bepaalde van die taken weliswaar naar voor, maar een volledig beeld van wat de taken zijn die hem zijn opgedragen, blijft daardoor nog uit en zijn ook voor de Raad van State niet volledig duidelijk. De verzoekende partijen beseffen dat blijkbaar ten volle en doen daartoe een verzoek om bepaalde stukken neergelegd door de verwerende partij van hun vertrouwelijk karakter te ontheffen, zij verwijzen voorts naar XII-8835-14/16 formelemotiveringsverplichtingen en stellen in het voormelde verzoek niet zonder reden in hun memorie van wederantwoord: “De weinig transparante wijze waarop verwerende partij handelt met betrekking tot de aanstelling van Gerechtsdeurwaarder Scheir bvba maakt het voor verzoekende partijen bijzonder moeilijk om een gedegen argumentatie te voeren”. 20. Teneinde de onderhavige zaak decisief te kunnen beslechten, is het daarom noodzakelijk om de verwerende partij te verplichten alle stukken betreffende de “verlengde” aanstelling van de bv Gerechtsdeurwaarder Philip Scheir als centraliserende gerechtsdeurwaarder aan het administratief dossier toe te voegen. Het lijkt dat het hier zeker alle stukken betreft inzake de opdracht raamovereenkomst die aan Leeuward is gegund, maar evenzeer alle stukken inzake de voornoemde opdracht die aan PP-Law toeviel en waaraan Philip Scheir participeerde. Na die neerlegging, die gepaard kan gaan met een nota van de verwerende partij betreffende – enkel – de mogelijke vertrouwelijkheid of het ontbreken van sommige van die stukken, zullen de verzoekende partijen en het auditoraat handelen zoals hierna wordt bepaald. BESLISSING 1. Het debat wordt heropend. 2. De Raad van State beveelt de verwerende partij alle hiervoor onder randnummer 20 vermelde stukken aan het administratief dossier toe te voegen, uiterlijk op 29 september 2021. De verzoekende partijen wordt de mogelijkheid geboden om na de voormelde neerlegging van stukken een aanvullende memorie in te dienen, uiterlijk op 29 oktober 2021. XII-8835-15/16 De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben tot uiterlijk 29 november 2021 de mogelijkheid om op deze aanvullende memorie te antwoorden. Vervolgens wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin staatsraad, Pierre Barra staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8835-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.066 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.665 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.