id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.071 Rolnummer: A. 227851/XII-8720 Zaak: Arrest 251071 - Overheidsopdrachten - 25/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-20 00:36 Fiche Arrest nr 251.071 van 25 juni 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 251.071 van 25 juni 2021 in de zaak A. 227.851/XII-8720 In zake : 1. de BVBA WILLER 2. de NV A.B.O.G. samen vormend een tijdelijke vereniging bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9052 Zwijnaarde Dorpsstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de CVBA TUSSENGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ DER VLAANDEREN VOOR WATERVOORZIENING (TMVW) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de OPDRACHTHOUDENDE VERENIGING INTRADURA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586/9 bij wie woonplaats wordt gekozen. 2. de NV VDV CLEANING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van: XII-8720-1/48 “- de beslissing van de raad van bestuur van de bv o.v.v. cvba Tussen- gemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening […] van 25 oktober 2018, houdende de selectie van de kandidaat ‘opdrachthoudende vereniging Intradura’ voor verdere deelname aan de fase 2 van de overheidsopdracht voor de raamovereenkomst voor ruimen van straatkolken, met referentie DOM-ALL-18-A01-Z; - de gunningsbeslissing van de raad van bestuur van de bv o.v.v. cvba Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Water- voorziening […] van 28 februari 2019, inzake de overheidsopdracht voor de raamovereenkomst voor ruimen van straatkolken, met referentie DOM-ALL-18-A01-Z, waarbij de offerte van [de bvba Willer en de nv ABOG] niet gekozen is voor de percelen 1 Affligem, 2 Asse, 5 Brakel, 10 Destelbergen, 13 Erpe-Mere, 16 Halle, 20 Lede, 21 Liedekerke, 25 Maarkedal, 29 Oosterzele, 30 Ronse, 32 Sint-Lievens-Houtem, 34 Ternat, 35 Wemmel, 36 Wichelen, 38 Zaventem, 42 Zwalm; - de gunningsbeslissing van de raad van bestuur van de bv o.v.v. cvba Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Water- voorziening […] van 28 februari 2019, inzake de overheidsopdracht voor de raamovereenkomst voor ruimen van straatkolken, met referentie DOM-ALL-18-A01-Z, waarbij de offerte van de opdrachthoudende vereniging Intradura als enige inschrijver gekozen is voor de percelen 11 Dilbeek, 12 Drogenbos, 23 Linkebeek, 26 Machelen - de impliciete beslissing om de voormelde percelen van deze raamovereenkomst voor ruimen van straatkolken, met referentie DOM-ALL-18-A01-Z niet aan TV Willer bvba – ABO[G] nv te gunnen.” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 244.455 van 9 mei 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De eerste tussenkomende partij heeft een memorie ingediend Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. XII-8720-2/48 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de eerste tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2021. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Alexandre Peytchev, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij, de TMVW, schrijft een overheidsopdracht voor diensten in de speciale sectoren uit met als omschrijving “Raamovereenkomst voor het ruimen van straatkolken”. De plaatsingswijze is de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. De selectieleidraad en het bestek omschrijven het voorwerp van de opdracht als volgt: XII-8720-3/48 “Teneinde een efficiënte afvoer van hemelwater te verzekeren en zodoende problemen door wateroverlast te vermijden, dienen steden / gemeenten de straatkolken op hun grondgebied op regelmatige basis te (laten) ruimen. Om de steden / gemeenten in haar werkingsgebied hierin bij te staan, wil TMVW voor elk van de hierna vermelde percelen een raamovereenkomst voor het ruimen van straatkolken sluiten.” De opdracht bestaat uit 42 percelen, overeenstemmend met zoveel gemeenten, waarvoor de TMVW een raamovereenkomst wenst te sluiten: perceel 1: Affligem, perceel 2: Asse, perceel 3: Beersel, perceel 4: Blankenberge, perceel 5: Brakel, perceel 6: Buggenhout, perceel 7: De Haan, perceel 8: De Pinte, perceel 9: Deinze (Deinze / Nevele), perceel 10: Destelbergen, perceel 11: Dilbeek, perceel 12: Drogenbos, perceel 13: Erpe-Mere, perceel 14: Gavere, perceel 15: Gent, perceel 16: Halle, perceel 17: Knesselare, perceel 18: Kruishoutem, perceel 19: Lebbeke, perceel 20: Lede, perceel 21: Liedekerke, perceel 22: Lierde, perceel 23: Linkebeek, perceel 24: Lovendegem, perceel 25: Maarkedal, perceel 26: Machelen, perceel 27: Middelkerke, perceel 28: Oostende, perceel 29: Oosterzele, perceel 30: Ronse, perceel 31: Ruiselede, perceel 32: Sint-Lievens-Houtem, perceel 33: Sint-Martens-Latem, perceel 34: Ternat, perceel 35: Wemmel, perceel 36: Wichelen, perceel 37: Wortegem-Petegem, perceel 38: Zaventem, perceel 39: Zelzate, perceel 40: Zomergem, perceel 41: Zuienkerke en perceel 42: Zwalm. De totale kostprijs voor deze opdracht wordt geraamd op 7.200.000 euro, btw niet inbegrepen, dit is 1.800.000, btw niet inbegrepen, per jaar. 3.2. De opdracht wordt op 14 juni 2018 bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen en op 16 juni 2018 in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie. 3.3. De selectieleidraad omschrijft op welke wijze de aanvraag tot deelneming dient te worden opgemaakt en welke selectiecriteria in acht zullen worden genomen. De raad van bestuur van de TMVW beslist op 25 oktober 2018 om tien kandidaten, waaronder de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen te selecteren. XII-8720-4/48 Met een brief en een e-mailbericht van 26 oktober 2018 worden de kandidaten hiervan in kennis gesteld. 3.4. Volgens het bestek worden de offertes voor alle percelen beoordeeld in het licht van de volgende drie gunningscriteria: prijs op 70 %, kwaliteit van de dienstverlening op 22,5 % en maatregelen maatschappelijk verantwoord ondernemen op 7,5 %. 3.5. De tien geselecteerde kandidaten dienen voor meerdere percelen een offerte in. De verzoekende partijen dienen een offerte in voor de percelen 1, 2, 5, 10, 13, 16, 20, 21, 25, 29, 30, 32, 34, 35, 36, 38 en 42. De eerste tussenkomende partij, de ov Intradura (hierna: Intradura), dient een offerte in voor de percelen 1, 2, 3, 11, 12, 16, 21, 23, 26, 34, 35 en 38. 3.6. Bij nader onderzoek stelt de TMVW een algemene stijging van de ingediende prijzen vast in vergelijking met die van de in 2015 gegunde raamovereenkomst. Zij nodigt daarop de inschrijvers met een e-mailbericht van 13 december 2018 uit voor een onderhandelingsgesprek om een beter zicht te krijgen op de door hen gehanteerde prijszetting. Voorafgaandelijk aan deze onderhandelingen, die op 14 en 15 januari 2019 plaatsvinden, worden de inschrijvers uitgenodigd om hun prijszetting voor post 1: “Ruimen van straatkolk volgens 12.2.25 (incl. slibverwerkingskost)” toe te lichten. 3.7. Met een e-mailbericht van 15 januari 2019 verzoekt de TMVW de inschrijvers om hun offerte tegen uiterlijk 21 januari 2019 waar nodig aan te passen of aan te vullen. De verzoekende partijen en de eerste tussenkomende partij hebben een aangepaste offerte ingediend. 3.8. Met een e-mailbericht van 22 januari 2019 worden de inschrijvers uitgenodigd om uiterlijk op 28 januari 2019 een BAFO in te dienen. XII-8720-5/48 3.9. In het gunningsverslag wordt onder hoofding 6.3 “Abnormale (eenheids)prijzen” opgemerkt dat “[n]a onderzoek op het niveau van de totale inschrijvingsprijzen en de eenheidsprijzen […] geen anomalieën [werden] vastgesteld”. Vervolgens wordt geconstateerd dat voor de percelen 7, 11, 12, 15, 22, 23, 26, 27 en 41 slechts één inschrijver een offerte heeft ingediend. Daarbij wordt opgemerkt dat de voor de betrokken percelen ingediende offertes als marktconform mogen worden beschouwd. Voor de overige percelen worden de BAFO-offertes getoetst aan de gunningscriteria en dienovereenkomstig gerangschikt. 3.10. Op 28 februari 2019 beslist de raad van bestuur van de TMVW, in overeenstemming met het gunningsverslag, de percelen 1, 2, 3, 11, 12, 16, 21, 23, 26, 34, 35 en 38 te gunnen aan Intradura terwijl de andere percelen, met uitzondering van perceel 6, dat niet wordt gegund, aan andere inschrijvers worden gegund. Aan de verzoekende partijen wordt geen perceel gegund. 3.11. Bij arrest nr. 244.455 van 9 mei 2019 wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, ingesteld door de verzoekende partijen, verworpen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – verzoek tot heropening van het debat 4.1.1. De verzoekende partijen hebben na de neerlegging van hun laatste memorie en de indiening van de laatste memories van de overige partijen, nog een stuk neergelegd bij brief van 1 december 2020. De verwerende partij verzet zich hiertegen wegens niet tijdige indiening. 4.1.2. Na de sluiting van het debat, vragen de verzoekende partijen met een “verzoek” van 22 juni 2021 om het debat te heropenen wegens “een nieuw feit”. Zij verwijzen naar een tussenvonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel van 11 mei 2021 waarbij, alvorens recht te doen, met toepassing van artikel 871bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt XII-8720-6/48 bevolen dat Intradura en de TMVW hun voor die rechtbank vertrouwelijk neergelegde stukken op de griffie ter inzage leggen voor nominatim aangewezen personen. De verzoekende partijen betogen in hun verzoek tot heropening van het debat dat het voormelde artikel 871bis de omzetting is van artikel 9 van de richtlijn 2016/943/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 ‘betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan’ en dat de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ “geen rekening houdt met de verplichtingen die voor[t]vloeien uit artikel 9 van de Richtlijn 2016/943 ten aanzien van de rechtscolleges om het recht op tegenspraak op een eerlijk proces te garanderen, wanneer een partij in een gerechtelijke procedure de vertrouwelijkheid van haar bewijstukken inroept”. Zij besluiten als volgt: “Doordat verzoekende partijen op geen enkele wijze kennis hebben kunnen nemen van de bewijsstukken die Intradura en TMVW vertrouwelijk hebben neergelegd, is het recht op tegenspraak van verzoekende partijen geschonden. Dit kan alsnog hersteld worden door een verzoek tot heropening van de debatten in te willigen, door de inzage, onder voorwaarden conform artikel 871 bis Ger W, te verlenen in de bewijsstukken die vertrouwelijk zijn neergelegd door TMVW en Intradura en door navolgens het recht op tegenspraak te verlenen door aan alle partijen bijkomende termijnen te verlenen om verweer te voeren.” Beoordeling 4.2.1. Het bijkomend stuk, neergelegd met de brief van 1 december 2020, is niet tijdig in het debat gebracht en wordt derhalve geweerd. 4.2.2. Evenmin is er reden om in te gaan op het verzoek tot heropening van het debat. XII-8720-7/48 In wezen vragen de verzoekende partijen dat de vertrouwelijkheid van de door de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij neergelegde stukken wordt opgeheven nadat zij, na het sluiten van het debat in de procedure voor de Raad, kennis hebben genomen van de rechtsgrond waarop de ondernemingsrechtbank zich in haar tussenvonnis steunt om de verzoekende partijen inzage te geven in de door de wederpartijen vertrouwelijk neergelegde stukken. De verzoekende partijen hebben echter vóór het sluiten van het debat nooit om de opheffing van de vertrouwelijkheid van de bedoelde stukken gevraagd. Thans doen zij dit op grond van een rechtsgrond, namelijk het voornoemde artikel 9 van de voornoemde richtlijn 2016/943/EU en artikel 871bis van het Gerechtelijk Wetboek, die zij zelf tijdig in het debat hadden kunnen brengen, maar wat zij hebben nagelaten te doen. Het feit dat in het tussenvonnis van de ondernemingsrechtbank de aandacht van de verzoekende partijen op deze rechtsgrond wordt gevestigd, mag in de voornoemde omstandigheid niet worden beschouwd als een nieuw feit dat zou nopen tot de heropening van het debat. Het verzoek wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ten opzichte van de derde bestreden beslissing Standpunt van de partijen 5. Zowel de TMVW als Intradura werpt een exceptie van onontvankelijkheid op in de mate dat het beroep gericht is tegen de derde bestreden beslissing, zijnde de gunningsbeslissing van 28 februari 2019 waarbij de offerte van Intradura als enige inschrijver gekozen is voor de percelen 11, 12, 23 en 26. Niettegenstaande zij hiertoe de mogelijkheid hadden, hebben de verzoekende partijen immers geen offerte ingediend voor deze percelen waardoor zij niet over het rechtens vereiste belang beschikken om de vernietiging te vorderen van de derde bestreden beslissing. XII-8720-8/48 6. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift aan dat zij ook belang hebben bij aanvechting van de percelen waarvoor alleen Intradura een offerte heeft ingediend omdat zij aldus een kans behouden om bij een heraanbesteding van die percelen alsnog een offerte te kunnen indienen en alsnog de opdracht te verkrijgen. In hun memorie van wederantwoord betogen zij nog dat zij belang hebben bij hun beroep, wat de voormelde percelen betreft, gelet op de inhoud van de drie middelen die van aard zijn om ten opzichte van Intradura de meest ruime vernietiging van de bestreden beslissingen tot gevolg te hebben. Ten onrechte stelt de TMVW volgens hen ook dat een vernietigingsbeslissing geen afbreuk zou doen aan de wettigheid van de intussen met Intradura gesloten overeenkomst. Wanneer de gunningsbeslissing is vernietigd, verdwijnt immers de rechtsgrond en de oorzaak van de contractsluiting. In hun laatste memorie wijzen zij nog op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 november 2018, zaak C-328/17 inzake Amt Azienda Trasporti e Mobilità SpA e.a., waarin wordt gesteld dat de nationale rechter – rekening houdend met de concrete elementen van de zaak – moet nagaan of de nationale regeling inzake ontvankelijkheid er niet toe leidt dat afbreuk wordt gedaan aan het effectieve recht op rechterlijke bescherming. Beoordeling 7. In beginsel heeft een verzoekende partij die niet zelf aan de gunningsprocedure heeft deelgenomen geen belang bij het beroep tegen een beslissing die met het oog op de gunning van deze opdracht wordt genomen, tenzij onder meer wanneer de gevolgde gunningswijze de verzoekende partij heeft belet een offerte in te dienen, wanneer een gebrek in de bekendmaking wordt aangevoerd of wanneer de verzoekende partij een beroep heeft ingesteld tegen de selectie- of besteksvoorwaarden die haar verhinderen om deel te nemen aan de opdracht. XII-8720-9/48 In de voornoemde zaak C-328/17 bevestigt het Hof van Justitie dat de deelname aan een aanbestedingsprocedure in beginsel, gelet op artikel 1, lid 3, van de richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 ‘houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken’, een voorwaarde kan vormen die vervuld moet zijn om aan te tonen dat de betrokken persoon belang heeft bij de gunning van de betrokken opdracht of door de beweerde onrechtmatigheid van het besluit tot gunning van die opdracht, is of dreigt te worden geschaad. 8. Te dezen hebben de verzoekende partijen geen offerte ingediend voor de betrokken percelen ook al blijken zij de kans daartoe te hebben gehad. Dit laatste wordt ook niet door de verzoekende partijen betwist. De exceptie van gebrek aan belang is dan ook gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk in de mate dat het gericht is tegen de derde bestreden beslissing. B. Ten opzichte van de vierde bestreden beslissing Standpunt van de partijen 9. De TMVW werpt een exceptie van onontvankelijkheid op in de mate dat het beroep gericht is tegen de vierde bestreden beslissing. Volgens de TMVW maken de verzoekende partijen in hun verzoekschrift geenszins in concreto aannemelijk dat er te dezen bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden voorliggen op grond waarvan de TMVW alle 17 percelen waarvoor de verzoekende partijen een offerte hebben ingediend, in elk geval aan hen – en niet aan een andere inschrijver – had dienen te gunnen. 10. De verzoekende partijen betogen in hun verzoekschrift en memorie van wederantwoord dat indien hun grieven gegrond worden bevonden, de inhoudelijke beoordeling van de aanvragen tot deelneming en van de offertes dient te worden overgedaan en zij een nieuwe kans krijgen op het verkrijgen van de XII-8720-10/48 opdracht. Voor de percelen waar zij als enige inschrijver naast Intradura hebben meegedongen, menen zij te beschikken over een vaststaand recht op het verkrijgen van het perceel wanneer blijkt dat de offerte van Intradura onwettig is op grond van één van de drie ingeroepen middelen. In hun laatste memorie komen zij niet terug op deze problematiek. Beoordeling 11. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep in de mate dat het gericht is tegen de impliciete weigeringsbeslissing om de opdracht voor bepaalde percelen aan de verzoekende partijen te gunnen, hangt te dezen samen met het onderzoek van de middelen. Wel valt hier reeds op te merken dat dit beroep geenszins beperkt is tot de percelen waarin de verzoekende partijen als enige inschrijver naast Intradura hebben deelgenomen, doch alle percelen omvat waarvoor de verzoekende partijen een offerte hebben ingediend. Zo blijkt onder meer dat de offerte van de verzoekende partijen voor de percelen 16 en 21 pas als derde is gerangschikt. C. Ten opzichte van de tweede bestreden beslissing 12. Zoals opgemerkt in het auditoraatsverslag en niet weersproken in de laatste memorie door de verzoekende partijen, dient te worden vastgesteld dat de aangevoerde middelen enkel betrekking hebben op de onwettige selectie van en de gunning aan Intradura en dat, voor zover ze gegrond worden bevonden, ze slechts tot nietigverklaring kunnen leiden van de tweede bestreden beslissing in de mate dat deze beslissing betrekking heeft op percelen die aan Intradura werden gegund. Wat de percelen 5, 10, 13, 20, 25, 29, 30, 32, 36 en 42 betreft, waarvoor Intradura geen offerte heeft ingediend, worden geen middelen aangevoerd die de onwettigheid van de gunningsbeslissing inroepen. Het beroep is XII-8720-11/48 dan ook niet ontvankelijk in de mate dat het gericht is tegen de beslissing tot gunning van deze percelen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 13.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 2, 17°, 4, 30 en 31, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van artikel 74 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren), samen genomen met artikel 41 en 162 van de Grondwet en met de artikelen 2, §§ 1 en 2, 396, § 1, 397, tweede lid, en 398, §§ 1 en 2, 3°, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: DLB). 13.2. In een eerste middelonderdeel voeren zij in essentie aan dat de bestreden beslissingen de kandidatuurstelling en de offerte van Intradura ten onrechte niet hebben geweerd als substantieel onregelmatig. Immers, de deelname en de offerte van Intradura is onrechtmatig en niet bindend omdat haar decretale en statutaire handelingsbevoegdheid beperkt is tot het territorium van haar vennoten. Een gemeente mag overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet en artikel 2, §§ 1 en 2, van het DLB enkel het belang van haar burgers behartigen binnen het grondgebied van haar eigen gemeente. De artikelen 396, § 1, en 398, § 1, van het DLB verlenen aan de gemeenten de mogelijkheid om zich te verenigen in een intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid om doelstellingen te verwezenlijken die behoren tot één of meerdere beleidsdomeinen van de gemeente en daarbij de beheersbevoegdheid over te dragen. De verzoekende partijen betogen dat dergelijke vereniging van gemeenten enkel mag optreden met het oog op de gezamenlijke behartiging van aangelegenheden van gemeentelijk belang. Zij verwijzen daarbij onder meer naar het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, nr. 42.186/AV van XII-8720-12/48 6 februari 2007 en naar artikel 3, eerste lid, van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Aangezien gemeenten in het belang van de plaatselijke bevolking hun aangelegenheden moeten regelen en beheren, zijn intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, en dus ook Intradura, gebonden en beperkt door de beheersoverdracht die zij hebben verkregen van de gemeenten. Wanneer de oprichting van een dergelijk samenwerkingsverband gepaard gaat met een beheersoverdracht voor een bepaald beleidsdomein aan het samenwerkingsverband, impliceert dit volgens de verzoekende partijen dat de deelnemende gemeente de uitvoeringsbevoegdheid van dat bepaalde beleidsdomein aan het samenwerkingsverband toevertrouwt. In de mate dat de beslissingsbevoegdheid van de gemeente beperkt is tot haar territorium, spreekt het volgens de verzoekende partijen voor zich dat de aan het samenwerkingsverband overgedragen uitvoeringsbevoegdheid zich ook beperkt tot het territorium van de deelnemende gemeenten. Elke statutaire bepaling van een opdrachthoudende vereniging die strijdig is met artikel 41 van de Grondwet is volgens hen onwettig en niet bindend. De aanvraag tot deelname en de offerte van een opdrachthoudende vereniging die betrekking hebben op uitvoeringshandelingen die buiten de grenzen van het territorium van de deelnemende gemeenten reiken, is volgens de verzoekende partijen bijgevolg onwettig en niet bindend. Voorts merken de verzoekende partijen op dat Intradura inschrijft als intergemeentelijke opdrachthoudende vereniging op een overheidsopdracht buiten haar eigen werkingsterritorium. Zij handelt dan ook niet binnen het kader van de haar verleende grondwettelijke en decretale bevoegdheden. Statutair is er volgens de verzoekende partijen bovendien bepaald dat de vennoten een limitatief aantal opdrachten met beheersoverdrachten aan de vereniging mogen toevertrouwen. Volgens de verzoekende partijen omzeilt de TMVW bovendien door een overheidsopdracht te gunnen aan een intergemeentelijke opdrachthoudende vereniging eveneens de regels inzake toetreding tot een intergemeentelijk samenwerkingsverband. Er is volgens hen ook sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel indien de artikelen 396, § 1, juncto 397 juncto 398 van het DLB en artikel 41 van de Grondwet zouden mogen worden geïnterpreteerd en XII-8720-13/48 toegepast in de zin dat ze de ruimte zouden laten aan het samenwerkingsverband om handelingen te stellen buiten het grondgebied van haar leden en aldus eveneens andere belangen zou kunnen nastreven dan de belangen van de burgers die op haar grondgebied leven en op die manier een ongelijkheid tot stand brengen tussen, enerzijds, de bewoners van gemeenten die tot het intergemeentelijk samenwerkingsverband behoren en belastingen betalen waarmee het intergemeentelijk samenwerkingsverband deels wordt gefinancierd en, anderzijds, de bewoners van niet-leden met wiens belastinggeld het intergemeentelijk samenwerkingsverband aldus niet wordt gefinancierd terwijl het intergemeentelijk samenwerkingsverband op hun beide grondgebieden dezelfde diensten aanbieden. Het intergemeentelijk samenwerkingsverband gaat niet alleen op reglementaire grond diensten verlenen aan de eigen bewoners, maar gaat vervolgens tegen loutere kostprijs dezelfde diensten op contractuele grond verlenen aan bewoners van gemeenten die geen deel uitmaken van het intergemeentelijk samenwerkingsverband. Indien de bewoners van een lidgemeente en een niet-lidgemeente hetzelfde tarief genieten, creëert dit een ongelijkheid nu de bewoners van het niet-lid geen bijdragen via belastingen hebben moeten leveren en de bewoners van het lid wel. Het louter kostendekkend karakter van de prijszetting zorgt dus voor een ongelijkheid. Het intergemeentelijk samenwerkingsverband, dat functioneert bij gratie van het uitzonderingsregime van het in-house-toezicht, omzeilt dit uitzonderingsregime, door met het operationeel en financieel voordeel dat het op die manier genereert, buiten zijn grondgebied en buiten dat toezichtkader, deel te nemen aan een overheidsopdracht voor andere territoriale overheden die geen zeggenschap hebben over Intradura. Een contractuele samenwerking zou voor Intradura hoogstens mogelijk zijn onder de vorm van een niet-geïnstitutionaliseerde horizontale samenwerking voor activiteiten binnen haar eigen territorium in samenwerking met een ander intergemeentelijk samenwerkingsverband, waarbij beide intergemeentelijke samenwerkingsverbanden hun middelen aanwenden om het openbaar belang te dienen via verlening van openbare diensten in het kader van een gemeenschappelijke doelstelling en dit elk voor hun eigen territorium. In ondergeschikte orde betogen de verzoekende partijen dat, indien zou moeten worden aangenomen dat voor een horizontale samenwerking XII-8720-14/48 het toegestaan zou zijn om zelf buiten het eigen werkingsgebied diensten te verlenen, dan nog blijkt dat artikel 31 van de wet overheidsopdrachten 2016 is geschonden, nu overeenkomstig deze bepaling de niet-geïnstitutionaliseerde horizontale samenwerking beperkt in omvang moet zijn. De samenwerkende aanbesteders mogen op de open markt niet meer dan 20 % van de onder die samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening nemen. In casu heeft Intradura binnen de activiteiten die de TMVW in de markt heeft gezet meer dan een derde van de percelen gegund gekregen. Ook vanuit deze invalshoek is de samenwerking dus onwettig. 13.3. In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat de bestreden beslissingen de kandidatuurstelling en de offerte van Intradura ten onrechte niet hebben uitgesloten als substantieel onregelmatig, aangezien deze deelname en offerte onrechtmatig en dus niet bindend zijn, gelet op haar decretale en statutaire doel waarbij wordt gestipuleerd dat haar verbintenissen geen handelskarakter mogen hebben zodat Intradura door haar deelname aan de overheidsopdracht het algemeen belang van de burgers van de deelnemende gemeenten niet nastreeft doch dat zij blijkbaar uit is op winstmaximalisatie. Volgens de verzoekende partijen heeft “het inschrijven op de overheidsopdracht” wel degelijk een handelskarakter. Immers de inschrijvers hebben de verplichting om in een winstmarge te voorzien. Artikel 26 van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren schrijft volgens de verzoekende partijen duidelijk voor dat alle algemene en financiële kosten alsmede de winst, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld over de onderscheiden posten. Deze verplichting om realistische en normale prijzen in te dienen, beoogt volgens de verzoekende partijen het voorkomen van speculatie en het garanderen van een goede en besteksconforme uitvoering van de overheidsopdracht. Wanneer er niet in een winstmarge is voorzien, kan een onderneming die meedingt naar een overheidsopdracht niet op behoorlijke wijze haar werking financieren en komt de goede uitvoering van de overheidsopdracht in het gedrang. In de mate dat Intradura volgens de verzoekende partijen geen verbintenis met handelskarakter mag aangaan, mag zij ook geen offerte indienen voor een overheidsopdracht. Door de offerte te aanvaarden, creëert de TMVW volgens hen een ongelijke behandeling omdat zij rekening houdt met een onwettig XII-8720-15/48 aanbod van Intradura. Immers, zo vervolgen de verzoekende partijen, is het discriminerend en doet het afbreuk aan de gelijkheid onder de inschrijvers indien de verzoekende partijen wel als handelaar of ondernemer worden beschouwd, bijgevolg ook als onderworpen aan de bepalingen van het Wetboek Economisch Recht (hierna: WER) en als ondernemer in de zin van artikel 2, 10°, van de wet overheidsopdrachten 2016 worden aangemerkt, terwijl Intradura wel een ondernemer zou zijn in de zin van de voormelde wet maar geen handelaar of ondernemer in de zin van het WER. Bovendien is Intradura als publiekrechtelijke rechtspersoon er volgens de verzoekende partijen toe gehouden om taken van algemeen belang uit te oefenen, wat precies de ontstentenis van winstbejag veronderstelt. Het ontplooien van commerciële activiteiten, zelfs indien deze verband houden met het doel van Intradura, is een handelwijze die strijdig is met het verbod op verbintenissen met een handelskarakter zoals voorzien in het DLB. 14.1. In hun memorie van wederantwoord betwisten de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat zij verkeerde juridische en feitelijke uitgangspunten zouden hanteren in hun betoog. De vraag of de te leveren diensten al dan niet tot de beheersoverdracht behoren, is volgens hen totaal niet relevant omdat het territorialiteitsbeginsel van artikel 41 van de Grondwet daar evenmin gewag van maakt of een onderscheiden gevolg aan koppelt. Een verwijzing naar de inhoud van de statuten is volgens hen zonder overtuigingskracht omdat ze de facto niet mogen afwijken van het grondwettelijk territorialiteitsbeginsel op straffe van onwettigheid van de desbetreffende bepaling. Ook stellen zij vast dat de verwerende partij voor de aangevoerde ongelijke behandeling in haar memorie van antwoord geen geoorloofd doel aanreikt, noch het verschil in behandeling concreet verantwoordt. In de mate dat de verwerende partij betoogt dat een gebeurlijke statutaire bevoegdheidsoverschrijding niet tot de onwettigheid van de gunningsbeslissing moet leiden, gaat zij er volgens hen aan voorbij dat een XII-8720-16/48 schending van de grondwettelijke territoriale bevoegdheidsbepalingen wordt aangevoerd. 14.2. Aangaande het tweede middelonderdeel menen de verzoekende partijen dat de verwerende partij een tegenstrijdig verweer voert. Het is volgens hen van twee zaken één: - Ofwel gaat Intradura verbintenissen aan met een burgerlijk karakter, die louter kostendekkend zijn, en kan zij dus niet deelnemen aan een overheidsopdracht die per definitie marktspelers met een handelskarakter in mededinging stelt. Deelnemen zou een schending van de gelijkheid onder de inschrijvers tot gevolg hebben. - Ofwel mag Intradura verbintenissen met een handelskarakter aangaan waarin dan per definitie een winstcomponent moet vervat zitten zodat zij dan kan deelnemen aan een overheidsopdracht, samen met andere marktspelers. Immers, opdat Intradura als publiekrechtelijk orgaan zich op de markt zou mogen begeven, moet zij zich gedragen zoals elke andere marktspeler en mag zij (op straffe van onwettige staatsteun) geen voordeel genieten dat een normale marktspeler niet zou genieten, zoals bijvoorbeeld het onbeperkt aanbieden van diensten tegen loutere kostprijs of verlieslatende prijs wat momenteel uit de jaarrekening van 2017 en 2018 blijkt. 15.1. In de laatste memorie blijven de verzoekende partijen er aangaande het eerste middelonderdeel bij dat zij wel degelijk aantonen dat de rechtspraak van de Raad van State niet kan worden gehandhaafd. Ook al neemt een intergemeentelijk samenwerkingsverband autonoom beslissingen in naam van de publiekrechtelijke rechtspersoon zelf, en niet in naam van de gemeenten-leden, is dit volgens hen geen verklaring waarom die publiekrechtelijke rechtspersonen op grond van die vaststelling buiten het territorium van de oprichtende gemeenten, diensten zouden mogen verlenen zonder het territorialiteitsbeginsel te schenden. “In de mate dat er een overdracht van bevoegdheid is, vermag de begunstigde rechtspersoon geen verregaander bevoegdheid hebben dan deze die haar is verleend. De vaststelling dat andere opdrachthoudende intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ook lid zijn van Intradura (zoals Ecowerf, Interrand, Incovo en Interza) doet daar evenmin afbreuk XII-8720-17/48 aan. Ecowerf, Interrand, Incovo en Interza zijn zelf elk intergemeentelijke verenigingen met een beheersbevoegdheid zoals Intradura en zijn dus ook onderhevig aan dezelfde territoriale beperking wat hun actieradius betreft”. De verzoekende partijen benadrukken voorts dat “[h]et deelnemen aan een overheidsopdracht van TMVW […] geen ‘samenwerking’ [is] in de zin van een horizontale samenwerking tussen publiekrechtelijke rechtspersonen die door de statuten wordt geviseerd, waarbij TMVW en Intradura op gelijke voet en gezamenlijk een activiteit ontplooien. Het gaat daarentegen om een contractuele transactie waarbij er een duidelijk hiërarchisch verschil is tussen TMVW die in de hoedanigheid van opdrachtgever optreedt en Intradura in de hoedanigheid van opdrachtnemer optreedt en daarvoor in mededinging is gesteld met privaatrechtelijke entiteiten”. Daarenboven stellen zij vast dat de kolkenruiming wel degelijk als een toegestane materie voor “beheersoverdracht” wordt beschouwd en in die zin niet als een “bijkomstige activiteit” kan worden beschouwd, maar dus kadert binnen de hoofdactiviteit van het intergemeentelijk samenwerkingsverband. De verzoekende partijen betwisten ook nog dat kolkenruiming buiten het grondgebied van Intradura zou toelaten om de exploitatiekosten te drukken. Nu Intradura zelf heeft verklaard dat haar prijs gesteund is op slechts een deel van de exploitatiekosten die verband houden met de dienstverlening en exploitatiekosten enkel kunnen worden gedrukt als de naakte kost van de prestatie zelf volledig wordt doorgerekend en er een extra marge wordt verrekend voor de overheadkosten en onvoorziene omstandigheden, is er per definitie sprake van een verlieslatende activiteit. Zij menen dan ook dat Intradura enkel op wettige wijze haar exploitatiekosten kan drukken door “kolkenruiming en slibverwerking” te verrichten voor haar leden binnen het territorium van haar leden. “De vraag of dit al dan niet via beheersoverdracht gebeurt, is niet relevant. Het gaat in wezen om het grondgebied waarop deze dienst wordt verricht”. De verzoekende partijen vragen ten slotte dat de Raad de volgende prejudiciële vraag stelt aan het Grondwettelijk Hof teneinde de draagwijdte van het gemeentelijk territorialiteitsbeginsel te bepalen: XII-8720-18/48 “Schenden de artikelen 2, §§1 en 2, 396 § 1, 397 tweede lid en 398 §§ 1 en 2, 3° van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest over het lokaal bestuur van 22 december 2017, de artikelen 41 en 162 van de Grondwet, in de interpretatie dat deze aangehaalde artikelen van het Decreet Lokaal Bestuur zouden toelaten dat een intergemeentelijke vereniging die met een gemeentelijke beheersbevoegdheid is belast, als een onderneming in de zin van het WER, diensten verleent buiten het grondgebied van de leden van de intergemeentelijke vereniging zelf?” De verzoekende partijen menen dat deze pas in de laatste memorie gestelde vraag wel degelijk nog ontvankelijk is, nu er geen wettelijk of reglementair procedurevoorschrift bestaat dat voorschrijft dat een dergelijk verzoek in limine litis moet worden geformuleerd op straffe van onontvankelijkheid. Ook is er volgens hen geen sprake van een schending van de wapengelijkheid nu de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij nog de mogelijkheid hebben om hun verweer te voeren in het kader van hun laatste memorie. Zij wijzen er tevens op dat de Raad steeds de mogelijkheid heeft om het debat te heropenen, teneinde de partijen in staat te stellen om standpunt in te nemen over een juridische vraagstelling, teneinde de wapengelijkheid te waarborgen. Zij benadrukken ten slotte nog dat de Raad zelfs de plicht heeft om ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen wanneer de vraag noodzakelijk of minstens nuttig is voor de beslechting van het geschil, wat te dezen het geval is omdat de vraag betrekking heeft op de kern van het middelonderdeel. 15.2. Betreffende het tweede middelonderdeel beperken de verzoekende partijen er zich in hun laatste memorie toe mee te delen dat zij in hun grief zoals verwoord in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord volharden. Beoordeling Eerste onderdeel 16. Voor zover de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij ten aanzien van dit onderdeel bepaalde excepties van onontvankelijkheid XII-8720-19/48 opwerpen, mogen deze hier onbesproken blijven nu, zoals hierna zal blijken, het middel niet gegrond is. Hiervoor werd reeds besloten dat het beroep slechts ontvankelijk is in de mate dat het gericht is tegen de gunningsbeslissing voor de percelen 1, 2, 16, 21, 34, 35 en 38, dit zijn percelen waarvoor de verzoekende partijen een offerte hebben ingediend en die aan Intradura werden gegund. Daarnaast kan worden vastgesteld dat het middelonderdeel waarin de verzoekende partijen aanklagen dat Intradura ten onrechte buiten haar eigen territoriale werkingssfeer zou treden, feitelijke grondslag mist, voor zover het gericht is tegen percelen die wel deel uitmaken van de territoriale werkingssfeer van Intradura. 17. Artikel 41, eerste lid, eerste zin, van de Grondwet waarborgt de bevoegdheid van de gemeenten voor alles wat tot het gemeentelijk belang behoort. De bepaling verankert het beginsel van de lokale autonomie, dat veronderstelt dat de lokale overheden zich elke aangelegenheid kunnen toe-eigenen waarvan zij menen dat ze tot hun belang behoort en ze kunnen regelen zoals zij dat opportuun achten. Artikel 162 van de Grondwet bepaalt onder meer dat, ter uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel de voorwaarden regelt waaronder en de wijze waarop verscheidene provincies, verscheidene bovengemeentelijke besturen of verscheidene gemeenten zich met elkaar kunnen verstaan of zich kunnen verenigen. Overeenkomstig artikel 396, § 1, van het DLB, kunnen twee of meer gemeenten een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid tot stand brengen om doelstellingen te verwezenlijken die behoren tot een of meer beleidsdomeinen. Artikel 398, § 2, 3°,van het DLB omschrijft een opdrachthoudende vereniging als een samenwerkingsverband met beheersoverdracht waaraan de deelnemende gemeenten de uitvoering van een of XII-8720-20/48 meer duidelijk omschreven bevoegdheden met betrekking tot een of meer beleidsdomeinen toevertrouwen. 18. De argumentatie van de verzoekende partijen, waarbij zij op algemene wijze betogen dat een opdrachthoudende vereniging geen verbintenissen mag aangaan die buiten de territoriale grenzen van de vennoten van de opdrachthoudende vereniging ligt, kan om de volgende redenen niet worden gevolgd. Zo heeft de Raad onder meer in het arrest nr. 190.341 van 10 februari 2009 inzake de nv Van Gansewinkel reeds vastgesteld dat “geen enkele bepaling op algemene wijze een intercommunale vereniging verbiedt om diensten te verstrekken op het grondgebied van gemeenten die er geen deel van uitmaken, net zoals in het verleden werd toegestaan dat een gemeente water levert op het grondgebied van een buurgemeente, met dien verstande evenwel dat de relaties met de gebruikers in dat geval van contractuele aard zijn, terwijl ze op het grondgebied zelf van reglementaire aard kunnen zijn”. In het arrest nr. 237.577 van 7 maart 2017 inzake de nv Sita Treatment & Recycling werd door de Raad nogmaals bevestigd dat naast haar kernbevoegdheden en taken, beperkt tot het grondgebied van de betrokken gemeenten, de opdrachthoudende vereniging als rechtspersoon ook over de juridische mogelijkheid beschikt om buiten dit kader verhoudingen aan te gaan, zoals overeenkomsten te sluiten die het haar mogelijk moeten maken haar taken uit te oefenen of te optimaliseren en dat zij deze overeenkomsten ook mag aangaan met rechtssubjecten van buiten haar territorium en dit ook in het kader van een overheidsopdracht. Ook hier neemt de Raad aan dat een opdrachthoudende vereniging gerechtigd is om dergelijke bijkomende activiteiten te verrichten op het grondgebied van gemeenten die er geen deel van uitmaken, op voorwaarde dat de activiteit valt onder of verband houdt met de reguliere activiteiten, de activiteit inpasbaar is binnen het doel van de vereniging en het gaat om bijkomstige XII-8720-21/48 activiteiten, zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan de uitvoering van de taken waarvoor de gemeentes een beheersoverdracht hebben verricht. 19. Waar de verzoekende partijen nog verwijzen naar de memorie van toelichting bij het decreet van 6 juli 2001 ‘houdende de intergemeentelijke samenwerking’ en de vermelding “intergemeentelijke verenigingen zijn te beschouwen als een verlengd lokaal bestuur en behoren hulpstructuren van de gemeenten te zijn”, blijkt geenszins dat deze opmerking betrekking heeft op het territoriaal werkingsgebied van intergemeentelijke verenigingen, doch wel op het feit dat het “[i]n het voorontwerp van decreet op de intergemeentelijke samenwerking niet langer mogelijk [is] dat private rechtspersonen in verenigingen met rechtspersoonlijkheid participeren en bestuursfuncties uitoefenen”. 20. Een intergemeentelijk samenwerkingsverband mag niet zonder meer worden gelijkgesteld met een gemeente of met de som van de deelnemende gemeenten. Met een intergemeentelijk samenwerkingsverband wordt immers een dienstgewijze gedecentraliseerde dienst tot stand gebracht. Zij die het beheer hebben van een gedecentraliseerde dienst, oefenen het hun opgedragen beslissingsrecht niet uit in naam van de betrokken lokale besturen, maar in naam van de publiekrechtelijk rechtspersoon waarvan zij de organen of de vertegenwoordigers zijn. Krachtens het specialiteitsbeginsel mogen publiekrechtelijke rechtspersonen alleen met het oog op het verwezenlijken van hun doel handelen, waarbij zij alle rechten genieten die verenigbaar zijn met hun aard en het doel waarvoor zij werden opgericht. Aldus dient te worden gewezen op artikel 4 van de statuten van Intradura dat luidt: “4 Doel De Vereniging heeft tot doel de preventie en het beheren van afvalstoffen, in de zin van het Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (het Materialendecreet), doch beperkt XII-8720-22/48 tot de activiteiten waarvoor de uitvoering middels een beheersoverdracht aan de Vereniging kan en mag overgedragen worden. […] Tot de realisatie van het doel mogen de vennoten middels beheersoverdrachten aan de Vereniging de uitvoering toevertrouwen van volgende activiteiten, zoals in voorkomend geval gedefinieerd of omschreven in het Materialendecreet of in uitvoeringsbesluiten en -plannen: […] 6 Kolkenruiming en slibverwerking Ruiming van straatkolken via gespecialiseerde wagens en verwerking van het afval dat daarbij ontstaat via een eigen slibverwerkingsinstallatie. […] De Vereniging mag alle technische, commerciële, economische, financiële, sociale en andere activiteiten ontplooien in eigen bedrijf of op enige andere wijze, die rechtstreeks met voormeld doel verband houden, en zulks al dan niet in samenwerking met derden, hieronder verstaan: andere intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, gemeenten en/of andere privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen. [...].” Hieruit blijkt, enerzijds, dat de activiteit van kolkenruiming, waarop onderhavige opdracht betrekking heeft, rechtstreeks verband houdt met het statutair doel van de vennootschap, en, anderzijds, dat de vereniging overeenkomstig de statuten ook bevoegd is om alle technische, commerciële, economische, financiële, sociale en andere activiteiten te ontplooien in eigen bedrijf of op enige andere wijze, die rechtstreeks met het voormelde doel verband houden, en zulks al dan niet in samenwerking met derden, waaronder ook andere intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zoals de TMVW mogen worden verstaan. Het blijkt niet – de verzoekende partijen tonen in elk geval het tegendeel niet aan – dat het te dezen niet zou gaan om bijkomstige activiteiten, noch dat hierdoor afbreuk zou worden gedaan aan de uitvoering van de aan Intradura door haar vennoten opgedragen taken. Met de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij wordt vastgesteld dat slechts 4 van de 12 percelen waarvoor de eerste tussenkomende partij heeft ingeschreven, betrekking hebben op (omliggende) gemeenten die geen aandeelhouder zijn van de opdrachthoudende vereniging en XII-8720-23/48 dat de aangeboden dienstverlening geen betrekking blijkt te hebben op het verplichte basispakket van diensten waarvoor overeenkomstig de statuten minstens een beheersoverdracht dient te worden gedaan. In de mate dat de eerste tussenkomende partij er ook op wijst dat deze dienstverlening haar toelaat om het daartoe bestemde wagenpark en haar slibverwerkingsinstallatie ten volle te benutten om zo haar exploitatiekosten te drukken, valt op te merken dat deze uitleg spoort met de statuten waarin gewezen wordt op “gespecialiseerde wagens” en een “eigen slibverwerkingsinstallatie”. Het getuigt voorts van goed economisch beheer om de capaciteit, voortgebracht door publieke middelen, ten volle te benutten. Anders dan de verzoekende partijen dit zien, wordt deze stelling van de eerste tussenkomende partij evenmin “manifest tegengesproken” door haar jaarrekeningen. Dat een jaarrekening een verlies vertoont, bewijst op zich immers niet dat de uitvoering van de litigieuze dienstverlening de eerste tussenkomende partij niet zou toelaten haar exploitatiekosten te drukken in het bijzonder wat haar statutair doel kolkenruiming en slibverwerking betreft. Ook de verwijzing in het jaarverslag naar een nieuwe aanrekeningsmethode die volledig kostendekkend zou moeten zijn, blijkt geen betrekking te hebben op de voormelde activiteit, maar op de ophaling en verwerking van huishoudelijk afval. 21. Voorts blijkt, wat de gemeenten betreft, gelegen binnen het territorium van Intradura en die zij voor de kolkruiming zou bedienen met de kwestieuze overheidsopdracht, dat kolkruiming geen deel uitmaakt van een effectieve beheersoverdracht zodat de grief over een omzeiling van de regels inzake statutaire toetreding tot Intradura evenmin gegrond is. 22. De verzoekende partijen voeren nog aan dat er tevens sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel doordat Intradura niet alleen diensten zou verlenen aan de eigen bewoners op reglementaire basis, maar ook tegen loutere kostprijs dezelfde diensten op contractuele basis zou verlenen aan bewoners van gemeenten die geen deel van haar uitmaken. Indien bewoners van een lidgemeente en een niet-lidgemeente hetzelfde tarief genieten, creëert dit volgens hen een ongelijkheid nu de bewoners van het niet-lid geen bijdragen via XII-8720-24/48 belastingen hebben moeten leveren en de bewoners van het lid wel. Het louter kostendekkende karakter van de prijszetting zorgt volgens hen dus voor een ongelijkheid. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij hier echter tegenover dat er geen sprake is van een ongeoorloofd verschil in behandeling tussen de inwoners van de deelnemende en niet-deelnemende gemeenten van een intergemeentelijke vereniging die een grensoverschrijdende activiteit ontplooit. Integendeel zorgt deze grensoverschrijdende werking volgens haar voor een kostendrukkend effect waarvan alle inwoners en belastingsplichtigen van alle gemeenten (deelnemende en niet-deelnemende) kunnen genieten. Indien een intergemeentelijke vereniging grensoverschrijdende activiteiten ontplooit teneinde haar capaciteit ten volle te benutten realiseert zij immers schaalvoordelen die zorgen voor een lagere prijs. In het bijzonder zal zij hierdoor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.