id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.077 Rolnummer: A. 231356/IX-9739 Zaak: Arrest 251077 - Tucht (openbaar ambt) - 28/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.077 van 28 juni 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping heropening debatten Voortzetting gewone procedure Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.077 van 28 juni 2021 in de zaak A. 231.356/IX-9739 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33, bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van: 1. De beslissing van het beheerscomité van 5 maart 2020 om het voorstel om de tuchtmaatregel om XXXX over te plaatsen naar “het centrum KMO Gent – Controle 5” van 27 juni 2019 te behouden. 2. Het besluit van de minister van Financiën van 30 april 2020 waarbij aan XXXX de tuchtsanctie van de overplaatsing bij tuchtmaatregel naar “het centrum KMO Gent – Controle Gent 5” wordt opgelegd, met ingang van 1 mei 2020. IX-9739-1/9 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april 2021. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is attaché (klasse A22) en in die hoedanigheid als controle-agent bij de Vennootschapsbelasting verbonden aan de algemene administratie van de federale overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën). IX-9739-2/9 3.2. Met een aangetekende brief van 15 januari 2019 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart en hij wordt opgeroepen om te worden verhoord. Verzoeker wordt, in essentie, ten laste gelegd dat zijn houding, gedrag en woordgebruik niet beantwoorden aan wat van een ambtenaar in functie mag worden verwacht. Zijn houding stemt niet overeen met de waarden ‘correct’, ‘dienstbaar’ en ‘integer’, die de FOD Financiën in het vaandel draagt. Hierdoor wordt de goede werking van de diensten van de FOD Financiën verstoord. 3.3. Met een besluit van 31 januari 2019 van de voorzitter van het directiecomité wordt verzoeker, met zijn akkoord, bij ordemaatregel in het belang van de dienst overgeplaatst naar “het Centrum KMO Leuven controle 13”, met ingang van 1 maart 2019. 3.4. Na verzoeker te hebben gehoord, stelt het beheerscomité van de algemene administratie van de Fiscaliteit op 27 juni 2019 unaniem voor om verzoeker de tuchtstraf van de overplaatsing naar “het centrum KMO Gent – Controle 5” op te leggen. Verzoeker wordt van dit voorstel in kennis gesteld met een aangetekende brief van 9 juli 2019. 3.5. Met e-mails van 18 en 30 juli 2019 deelt verzoeker mee dat hij beroep aantekent tegen het voorstel van de tuchtsanctie en dat hij inzage wenst in het tuchtdossier. 3.6. Op 23 januari 2020 adviseert de raad van beroep dat het beroep van verzoeker ontvankelijk en gegrond is in de mate dat het voorstel van tuchtstraf ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ wordt bevestigd maar de overplaatsing bij tuchtmaatregel naar “het Centrum KMO Leuven controle 13 (Vilvoorde)” wordt aanbevolen. IX-9739-3/9 3.7. Op 5 maart 2020 stelt het beheerscomité van de algemene administratie van de Fiscaliteit voor om de tuchtmaatregel van de verplaatsing naar “het centrum KMO Gent – Controle 5” alsnog te behouden. Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.8. Met een besluit van 30 april 2020 beslist de minister van Financiën om aan verzoeker de tuchtsanctie van de verplaatsing bij tuchtmaatregel op te leggen naar “het centrum KMO Gent – controle Gent 5”, met ingang van 1 mei 2020. Dat is het bestreden ministerieel besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep – toepassing kortedebattenprocedure 4. Het auditoraat heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met een kort debat in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Volgens het auditoraat is het voorliggende beroep niet ontvankelijk, omdat het verzoekschrift geen “middel” bevat in de zin artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Beoordeling 5.1. Zoals de verwerende partij terecht aangeeft, beperkt verzoeker zich in zijn omvangrijk verzoekschrift (133 pagina’
- s)nagenoeg uitsluitend tot een beschrijving van bepaalde feiten, van animositeit tussen hem en andere personeelsleden, alsook van zijn persoonlijk gekibbel met zijn hiërarchische oversten. IX-9739-4/9 Nochtans lijken – met enige welwillendheid – in het verzoekschrift twee middelen te kunnen worden ontwaard. 5.2. Vooreerst lijkt verzoeker wat het bestreden besluit betreft, de schending aan te voeren van artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’, welke bepaling luidt als volgt: “De rijksambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega’s, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega’s, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.” Volgens verzoeker is artikel 7, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet nageleefd naar hem toe, heeft hij artikel 7, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet overtreden en kan die bepaling geen rechtsgrond bieden voor het opleggen van de tuchtsanctie van de overplaatsing bij tuchtmaatregel naar “het centrum KMO Gent – controle Gent 5”. 5.3. Daarnaast voert verzoeker ook de schending aan van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, dat luidt als volgt: “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid de ambtenaar op de hoogte brengt van de tuchtprocedure zoals voorzien in artikel 78, § 2.” Volgens verzoeker is in de beslissing van het beheerscomité van 27 juni 2019 rekening gehouden met feiten uit 2014 en 2017 die reeds definitief hun beslag hadden gekregen en die overeenkomstig voormeld artikel 81, § 3, zijn verjaard. Omdat mede op basis van die feiten een tuchtprocedure is opgestart, het IX-9739-5/9 beheerscomité in zijn beslissing van 27 juni 2019 met deze feiten rekening heeft gehouden bij zijn voorstel om verzoeker bij tuchtmaatregel over te plaatsen naar “het centrum KMO Gent – controle Gent 5” en dit voorstel in de eerste bestreden beslissing heeft behouden, is artikel 81, § 3, volgens verzoeker geschonden. 6. Het auditoraat besluit tot de onontvankelijkheid van het beroep. Uit de bespreking hiervóór is evenwel gebleken dat de Raad van State die conclusie vooralsnog niet kan bijvallen voor zover in het beroep op het eerste gezicht de voormelde twee middelen worden aangevoerd. Voor het overige wordt het auditoraat wél bijgevallen en stelt de Raad van State vast dat in de uitvoerige uiteenzettingen van het verzoekschrift geen andere rechtsmiddelen te ontdekken zijn. 7. Uit wat voorafgaat volgt dat de zaak niet kan worden afgedaan met een kort debat in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948. V. Schorsingsvoorwaarden 8. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-9739-6/9 VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting door verzoeker 9. Onder een opschrift ‘redenen voor vordering tot schorsing’ stelt verzoeker, naast de beschrijving van een ganse reeks van feitelijkheden, vooreerst dat het bestreden ministerieel besluit hem fysieke en psychische last toebrengt, omdat hij ingevolge zijn overplaatsing “vanaf 1 juni 2020 elke dag weer 1.45 u enkel en 3 u heen onderweg [is] om [zijn] werk te kunnen uitoefenen”. Daarnaast betoogt verzoeker dat hij ten gevolge het doorlopen van de tuchtprocedure, driemaal loopbaanonderbreking heeft moeten nemen met het oog op de voorbereiding van zijn verdediging en dat hij daardoor financiële schade heeft geleden. Beoordeling 10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. 11. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. IX-9739-7/9 Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. De Raad van State mag daarenboven alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. 12. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij door het bestreden ministerieel besluit nu langer onderweg is om zijn werk te kunnen uitoefenen en dat dit daadwerkelijk een bijkomende fysieke en mentale belasting voor hem betekent, moet worden vastgesteld dat hij geen enkel concreet gegeven bijbrengt waaruit blijkt dat hij ten gevolge van deze bijkomende belasting het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Met dit argument vermag verzoeker derhalve niet de spoedeisendheid van zijn vordering te staven. 13. Voor zover verzoeker stelt dat hij een beroep heeft moeten doen op een advocaat en driemaal loopbaanonderbreking heeft moeten nemen met het oog op de voorbereiding van zijn verdediging en het aanvechten van de hem opgelegde tuchtsanctie waardoor hij financiële schade heeft geleden die hij begroot op 40.435,02 euro, dient hoe dan ook te worden vastgesteld dat die financiële schade nu eenmaal geleden is, zodat een schorsingsarrest verzoeker daarvoor niet meer vermag te behoeden. 14. Verzoeker toont niet aan dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. 15. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. IX-9739-8/9 BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. 3. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9739-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.077 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div