← België

Arrest 251082 - Taxis - 28/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.082 Rolnummer: A. 224426/IX-9813 Zaak: Arrest 251082 - Taxis - 28/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.082 van 28 juni 2021 Economische zaken - Taxis Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.082 van 28 juni 2021 in de zaak A. 224.426/IX-9813 In zake : Chaib EL MELCAOUI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Tondreau kantoor houdend te 1180 Brussel Sumatralaan 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV UBER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Nicolas Goethals kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 februari 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 1 december 2017 houdende niet-inwilliging van het beroep tegen de schorsing van een vergunning voor het verhuren van een voertuig met bestuurder van Chaib El Melcaoui, door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen. IX-9813-1/26 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Uber heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 mei
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei
  4. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaten Julien Tondreau en Margaretha Pil, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Tijs Lust, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Frank Judo, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-9813-2/26 III. Feiten en regelgevend kader 3.
  6. De artikelen 2, 5°, 41 en 42, § 1, 1° tot 5°, van het decreet van 20 april 2001 ‘betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg’ (hierna: het decreet van 20 april 2001) zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, bepalen: “Art.
  7. In dit decreet wordt verstaan onder: […] 5° diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder: alle bezoldigde vervoerdiensten van personen, door middel van voertuigen met bestuurder, die noch geregeld vervoer noch taxidiensten zijn en die naar bouw en uitrusting geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste 9 personen, de bestuurder inbegrepen; […] Art.
  8. §
  9. Niemand mag, zonder vergunning, een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder op het grondgebied van het Vlaamse Gewest exploiteren door middel van één of meer voertuigen. §
  10. De vergunning wordt afgeleverd door de gemeente op wiens grondgebied de exploitatiezetel van de kandidaat-vergunninghouder gevestigd is en is geldig op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. §
  11. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning, afgeleverd door een ander Gewest, erkend wordt voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Art.
  12. §
  13. De voorwaarden voor het exploiteren van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder worden door de gemeenteraad vastgelegd. Hierbij worden minstens de volgende beginselen toegepast: 1° het voertuig dat ingezet wordt voor de exploitatie van een dienst, moet het door het cliënteel vereiste comfort en accessoires bieden aan passagiers. De Vlaamse regering kan deze criteria nader bepalen; 2° het voertuig moet periodiek geschouwd worden ten einde na te gaan of het nog voldoet aan alle exploitatievoorwaarden; 3° elke verhuring geeft aanleiding tot een inschrijving in een register, dat gehouden wordt op de zetel van de onderneming en waarin de datum en het uur van de bestelling voorkomen alsook het precieze voorwerp van het verhuurcontract en de prijs ervan. Dit register dient gedurende vijf jaar vanaf de ingebruikname ervan, op de zetel van de onderneming te worden bewaard; 4° het voertuig mag slechts ter beschikking gesteld worden van een welbepaalde natuurlijke of rechtspersoon krachtens een schriftelijke overeenkomst naar het model vastgelegd door de Vlaamse regering, waarvan een exemplaar zich op de zetel van de onderneming bevindt, en een kopie aan boord van het voertuig, wanneer de ondertekening van de overeenkomst voorafgaat aan het instappen van de klant, of waarvan het origineel zich aan boord van het voertuig bevindt, in de andere gevallen. De schriftelijke IX-9813-3/26 overeenkomst vermeldt in elk geval dat het voertuig ter beschikking gesteld wordt van de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor een duur van ten minste drie uren; 5° het voertuig mag zich noch op de openbare weg begeven noch erop stilstaan, indien het niet vooraf op de zetel van de onderneming verhuurd is.” Artikel 61 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 ‘betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder’ (hierna: BVR van 18 juli 2003) zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing bepaalt: “Het model van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet, is gevoegd als bijlage XIV bij dit besluit. De overeenkomsten en de eventuele ontwerpovereenkomsten krijgen een doorlopende nummering.” 3.
  14. Verzoeker is een professionele vervoerder die door de tussenkomende partij met behulp van de digitale applicatie Uber X in contact wordt gebracht met gebruikers/passagiers, die lid zijn van de rechtspersoon naar Nederlands recht ‘Platform Rider Association’ (hierna: de PRA). Door een rit via de Uber X-applicatie aan te vragen wordt de gebruiker/passagier, na aanvaarding van de algemene voorwaarden, lid van de PRA. De tussenkomende partij oefent een bemiddelingsfunctie uit tussen de professionele vervoerders en de gebruikers/passagiers/leden van de PRA. Een professionele vervoerder die zijn diensten wenst aan te bieden met behulp van de digitale applicatie Uber X, moet over een vergunning beschikken voor het exploiteren van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder (hierna: VVB-vergunning). Tussen de professionele vervoerder en de PRA wordt een verhuurovereenkomst gesloten. Volgens die overeenkomst worden met behulp van de digitale applicatie Uber X, ritten besteld door de gebruikers/passagiers/leden van de PRA. De professionele vervoerder kan beslissen om deze ritaanvragen te aanvaarden of te weigeren. Wanneer hij de ritaanvraag aanvaardt, voert hij de rit uit en wordt hij hiervoor betaald. IX-9813-4/26 Ter vergoeding van haar diensten, namelijk het in contact brengen van professionele vervoerders met gebruikers/passagiers/leden van de PRA, houdt de tussenkomende partij van de prijs van de rit een bepaald percentage in (doorgaans 25%). Nadat de rit beëindigd is, debiteert de tussenkomende partij de kredietkaart van de gebruiker/passagier/lid van de PRA en crediteert zij de rekening van de professionele vervoerder, na aftrek van voormeld percentage. 3.
  15. Verzoeker is houder van een VVB-vergunning, verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen. Het voertuig dat door verzoeker wordt verhuurd, draagt het herkenningsteken VVB-
  16. 3.
  17. Op 15 juni 2017 controleren politieagenten uit de politiezone Brussel-Elsene het voormelde voertuig van verzoeker in Brussel. Ze stellen een proces-verbaal op waarin wordt vastgesteld dat het voertuig wordt gebruikt als gewone taxidienst en niet volgens de bepalingen voor de uitbating van een dienst voor verhuur van voertuig met bestuurder. Door de verbaliserende politieagenten wordt de voertuigkaart met herkenningsteken VVB-6110 van verzoeker in beslag genomen en naar de gemeente Machelen gestuurd. 3.
  18. Op 22 augustus 2017 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen om de VVB-vergunning van verzoeker te schorsen tot wanneer hij kan aantonen dat hij werkt conform de geldende regelgeving. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “[...] Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen tijdens de zitting van 12-01-2016 – over de aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder, ingediend door Chaib El Malcaoui op 28-12-2015 – dat deze exploitant wordt gemachtigd om één verhuurvoertuig met bestuurder in te zetten met het herkenningsteken 6110; dat de vergunning geldig is van 12-01-2016 tot en met 11-01-2021; IX-9813-5/26 Overwegende dat de gemeente Machelen door de politiezone Brussel-Elsene werd geïnformeerd over de PV’s omtrent inbreuken op de geldende wetgeving, namelijk dat het voertuig wordt gebruikt als gewone taxidienst en niet volgens de bepalingen voor de uitbating van een dienst voor verhuur van voertuig met bestuurder; Overwegende dat de voertuigkaarten met herkenningsteken 6110 werden in beslag genomen en aan de gemeente teruggestuurd; Overwegende dat de exploitant werd gehoord op 07-08-2017 en volgende documenten werden voorgelegd: - overeenkomst met Platform Rider Association - overzicht individuele ritten van 12 tot 19 juni 2017 Overwegende dat er op basis van deze documenten en de hoorzitting niet kan bewezen worden dat voldaan wordt aan de bepalingen van de wetgeving voor de uitbating van een dienst voor verhuur van voertuig met bestuurder omwille van de volgende redenen: - er is een kaderovereenkomst met Platform Rider Association maar de ritten worden niet op vraag van de vereniging uitgevoerd. - het document met het overzicht van de ritten voldoet niet aan de vereisten van een register, namelijk datum en uur bestelling, voorwerp verhuurcontract, ... - het is niet duidelijk op welke manier de exploitant de betaling ontvangt - optelling van de bedragen over een periode van 3 uren is geen 90 euro zoals in de overeenkomst en op de vergunning vermeld.” 3.
  19. Op 6 september 2017 dient verzoeker beroep in bij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen van 22 augustus
  20. 3.
  21. Op 1 december 2017 beslist de provinciegouverneur om het beroep niet in te willigen. Die beslissing wordt als volgt verantwoord: “Voor de invoering van het decreet gold geen bijzondere wetgeving voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder. Dat leidde tot een hele resem aan misbruiken waarbij de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder in vele gevallen als vermomde taxi’s werden ingezet en dus tot oneerlijke concurrentie met de taxidiensten waarop een strikte regeling van toepassing was. Om een einde te stellen aan die misbruiken heeft de decreetgever er uitdrukkelijk voor gekozen om enerzijds een duidelijk onderscheid te maken tussen de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder en de taxidiensten en anderzijds een uitgebreide regeling uit te werken voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder. Artikel 2, 5°, van het decreet van 20 april 2001 definieert diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder als ‘alle bezoldigde vervoerdiensten van personen, door middel van voertuigen met bestuurder, die noch geregeld IX-9813-6/26 vervoer noch taxidiensten zijn en die naar bouw en uitrusting geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste 9 personen, de bestuurder inbegrepen’. Daarmee zijn de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder de restcategorie van vervoerdiensten die met kleine voertuigen worden uitgevoerd. Dat wordt bovendien bevestigd door de memorie van toelichting bij het decreet. ‘In 5° worden de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder gedefinieerd. Deze diensten worden omschreven als de overblijvende categorie van het personenvervoer over de weg, dat wil zeggen diensten die noch taxidiensten, noch collectieve taxidiensten zijn en niet als geregeld of bijzonder geregeld vervoer te beschouwen zijn.’ Artikel 42, §1 van het decreet d.d. 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg [...] bepaalt dat een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder enkel kan worden geëxploiteerd als voldaan is aan een aantal minimumvoorwaarden. Die minimumvoorwaarden omvatten onder andere dat elke verhuring dient te worden ingeschreven in een register (omvat o.a. datum en uur van bestelling, alsook precieze voorwerp van het verhuurcontract en de prijs ervan), dat de verhuring gebeurt krachtens een schriftelijke overeenkomst naar het model vastgelegd door de Vlaamse Regering die wordt afgesloten voor minstens drie uur, dat het voertuig zich niet op de openbare weg mag begeven indien het niet vooraf op de zetel van de onderneming werd verhuurd en dat de verhuring enkel op het voertuig slaat. De memorie van toelichting verduidelijkt dat het feit dat het voertuig slechts ter beschikking kan worden gesteld aan een op voorhand bepaald persoon, na een voorafgaande bestelling, het voornaamste kenmerk van de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder uitmaakt. Daarin bestaat dan ook het belangrijkste onderscheid met de taxidiensten. Het feit dat diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder vooraf dienen te worden besteld, betekent niet dat bij het sluiten van de overeenkomst alles al dient vast te liggen. In de nota aan de Vlaamse Regering bij het besluit van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder wordt uitdrukkelijk aangehaald dat exploitanten met bedrijven, reisbureaus, mutualiteiten, enz. kaderovereenkomsten kunnen afsluiten om hun klanten, bezoekers, leden, enz. te vervoeren. Het precieze voorwerp van de overeenkomst kan daarbij niet worden bepaald. Daarom dient telkens wanneer de exploitant een opdracht krijgt in uitvoering van de kaderovereenkomst die opdracht te worden uitgeschreven in het register en moet er een overeenkomst worden opgesteld die het precieze voorwerp van de opdracht bepaalt en die voldoet aan de minimumduur van drie uur. Daarbij gaat de regelgever er dan ook van uit dat er enkel rechten en verplichtingen ontstaan tussen de partijen die de overeenkomst aangaan. De betaling gebeurt normaliter ook via facturatie tussen deze partijen nadat de dienstverlening van drie uur is uitgevoerd. In het hogervermelde voorbeeld van de kaderovereenkomst, is het dan ook het bedrijf, reisbureau, mutualiteit, enz. die instaat voor de betaling van de geleverde diensten. Diegene die gebruik heeft gemaakt van het voertuig IX-9813-7/26 betaalt in dit geval de vervoerder niet. ‘Uber X’ bestaat in feite uit een vereniging naar Nederlands recht (met rechtspersoonlijkheid) getiteld ‘Platform Rider Association’. De vereniging heeft als statutair doel ‘de belangenbehartiging van ‘riders’ binnen het geheel van economische platformen in de ruimste zin te bevorderen’. Concreet komt het erop neer dat de vereniging als tussenpersoon instaat voor de organisatie van vervoer van haar leden (‘riders’). Hoewel de statuten bepalen dat de leden worden aanvaard door het bestuur van de vereniging geeft Uber in haar toelichting zelf aan dat alle gebruikers van ‘Uber X’ in België (automatisch?) lid zijn van de vereniging. De rol van tussenpersoon van de vereniging bestaat erin dat zij als rechtspersoon overeenkomsten aangaat met aanbieders van diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder. In die overeenkomsten wordt bepaald dat de vervoerder vervoer zal aanbieden aan de vereniging voor een minimum periode van 3 uur en aan een minimumtarief van €
  22. Leden van de vereniging kunnen middels de vereniging gebruik maken van de vervoerdiensten van de vervoerder en staan individueel in voor het betalen van de kosten van de diensten waarvan ze gebruik maken aan de vervoerder zelf. Dit komt niet overeen met hetgeen de wetgeving voorschrijft, noch met hetgeen de decreetgever voor ogen had voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder. In tegenstelling tot hetgeen de regelgever voor ogen had, geldt ‘Uber X’ enkel als tussenpersoon. De ritten worden niet voor ‘Uber X’, noch op vraag van ‘Uber X’ uitgevoerd. De sturende factor van de dienstverlening zal de individuele gebruiker zijn, die geen partij is bij de overeenkomst tussen de vereniging en de vervoerder. Dat wordt bevestigd door het feit dat de ritten individueel door de gebruikers worden geboekt via de app en eveneens door hen rechtstreeks worden betaald aan de vervoerder. Normaliter komen de individuele ritten die geboekt worden door de gebruikers ook niet aan de minimumduur van drie uur, noch worden ze vooraf op de zetel van de onderneming besteld. Het onderscheidend element tussen taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder is dan ook niet voorhanden. Daarboven komt het ontwerp van overeenkomst die ‘Uber X’ met de exploitant zou afsluiten niet overeen met het model dat vastgelegd werd door de Vlaamse Regering. Aangezien het voorwerp van de dienstverlening niet precies bepaald is, zou het eventueel als een kaderovereenkomst, zoals vermeld in de nota aan de Vlaamse Regering kunnen worden gekwalificeerd. Echter, voor zover het om een kaderovereenkomst zou gaan, dient er voor elke verhuring afzonderlijk dan een specifieke overeenkomst te worden afgesloten. Die afzonderlijke overeenkomst dient opnieuw vooraf te worden besteld en aan de minimumduur van drie uur te voldoen. Niets in het ontwerp van overeenkomst wijst erop dat die werkwijze zal worden toegepast. De diensten die de exploitant uitvoert in opdracht via ‘Uber X’ moeten dan ook als ‘vermomde taxidiensten’ worden gekwalificeerd. Het zijn net die diensten die de decreetgever heeft willen aanpakken bij de goedkeuring van het decreet van 20 april 2001 door ze niet onder de diensten voor het IX-9813-8/26 verhuren van voertuigen met bestuurder te laten vallen. De dienst, die ‘Uber X’ aanbiedt, en door de heer Chaib El Melcaoui in de verhuur van zijn voertuig met herkenningsteken VVB-6110 gebruikt, is niet in overeenstemming met de huidige Vlaamse regelgeving. Om die reden kan het eerste rechtsmiddel niet worden weerhouden. De heer Chaib El Melcaoui heeft sinds de hoorzitting van 7 augustus 2017 geen nieuwe informatie en/of nieuwe documenten bezorgd aan de gemeentelijke administratie van Machelen. Het door de beroepsindiener toegezonden document voldoet bovendien niet aan de voorwaarden van het register. Om die reden kan het tweede rechtsmiddel niet worden weerhouden. Het derde rechtsmiddel van de beroepsindiener kan weerhouden worden daar noch in de hogere wetgeving, noch in het gemeentelijk reglement voor het exploiteren van taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder hierover concrete bepalingen zijn opgenomen. Het weerhouden van dit rechtsmiddel is niet van die aard dat het leidt tot een andere beoordeling. De vorige rechtsmiddelen zijn reeds voldoende onderbouwd om de beslissing tot schorsing te rechtvaardigen. In het vierde rechtsmiddel gaat de beroepsindiener uit van een gemiddelde berekening op lange termijn. Per tijdsduur van drie uren wordt het minimumbedrag van € 90 evenwel niet altijd gehaald. Om die reden kan het vierde rechtsmiddel niet worden weerhouden.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de verwerende partij
  23. De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is. Zij argumenteert dat verzoeker de nietigverklaring vordert van “[h]et besluit van de gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant houdende niet-inwilliging van het beroep tegen de intrekking van een vergunning voor het verhuren van een voertuig van de heer Chaib El Melcaoui, door het college van burgemeester en schepenen van Machelen d.d. 22 août 2017”, terwijl het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen de vergunning van verzoeker niet heeft ingetrokken, maar enkel heeft geschorst tot wanneer verzoeker kan aantonen dat hij werkt conform de geldende wetgeving. De gouverneur heeft zich bijgevolg enkel uitgesproken over het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen waarbij verzoekers IX-9813-9/26 vergunning werd geschorst. Verzoeker vraagt derhalve de vernietiging van een niet-bestaande beslissing.
  24. In haar laatste memorie handhaaft de verwerende partij haar exceptie. Dat er geen betwisting over kan bestaan dat verzoeker zich heeft vergist en dat hij bedoeld zou hebben om beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij de schorsing van zijn vergunning werd bevestigd, is volgens de verwerende partij zonder belang. Feit is dat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen een niet-bestaande beslissing, hetgeen hij in zijn memorie van wederantwoord zelfs niet betwist. De verwerende partij maakt de vergelijking met een beroep dat 61 dagen na de bestreden beslissing is ingesteld en dat altijd als onontvankelijk zal worden afgewezen, ook indien er geen betwisting over bestaat dat verzoeker de bedoeling had om het beroep in te stellen binnen de 60 dagen na de bestreden beslissing. Beoordeling
  25. Het inquisitoriaal karakter van de rechtspleging voor de Raad van State houdt onder meer in dat het aan de Raad toevalt om uit te maken wat het precieze voorwerp is van een beroep, waarbij hij rekening dient te houden met de bewoordingen van het verzoekschrift, maar ook onder meer met het resultaat dat de verzoekende partij wil bereiken en de middelen die zij daartoe aanvoert. De Raad van State moet ook ervoor waken dat hij in een te strikt formalisme zou vervallen, als dat een ontoelaatbare belemmering zou zijn voor het recht van een verzoekende partij op toegang tot de rechter. In die zin verschilt een materiële misslag bij het omschrijven van het voorwerp van het beroep van een beroep dat buiten de beroepstermijn is ingesteld. IX-9813-10/26 7.
  26. Er wordt vastgesteld dat verzoeker inderdaad de nietigverklaring vordert van “het besluit van de gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant houdende niet-inwilliging van het beroep tegen de intrekking van een vergunning voor het verhuren van een voertuig van de heer Chaib El Melcaoui door het college van burgemeester en schepenen van Machelen d.d. 22 août 2017”, terwijl het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen op 22 augustus 2017 de vergunning van verzoeker niet heeft ingetrokken, maar enkel heeft “geschorst tot wanneer [verzoeker] kan aantonen dat hij werkt conform de geldende wetgeving”. 7.
  27. Er moet echter aangenomen dat de vermelding ‘intrekking’ in plaats van ‘schorsing’ bij het aanduiden van het voorwerp van het beroep een louter materiële misslag van verzoeker betreft. Uit het administratief dossier blijkt dat op 22 augustus 2017 met betrekking tot de VVB-vergunning van verzoeker slechts één beslissing werd genomen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen, namelijk de beslissing tot schorsing van de vergunning. Voor zover kan worden nagegaan, bestaat er geen enkele andere beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen die ertoe strekt de Vlaamse VVB-vergunning van verzoeker in te trekken. De gouverneur heeft zich ook enkel uitgesproken over het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen waarbij verzoekers vergunning werd geschorst. In die omstandigheden kan er geen verwarring zijn over welke beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant het precieze voorwerp uitmaakt van voorliggend beroep tot nietigverklaring. 7.
  28. Uit het door de verwerende partij in de memorie van antwoord en laatste memorie gevoerde verweer blijkt trouwens dat zij heel goed heeft begrepen welk besluit verzoeker als het voorwerp van zijn beroep heeft bedoeld. IX-9813-11/26 7.
  29. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie wordt verworpen. Het beroep tot nietigverklaring is ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 8.
  30. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2, 4°, en 42, § 1, 3°, 4° en 5°, van het decreet van 20 april 2001, van artikel 61 van het BVR van 18 juli 2003 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. 8.
  31. In een eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat hij als exploitant van de verhuurdienst met de rechtspersoon PRA (huurder), met maatschappelijke zetel te Amsterdam, op 29 september 2016 een kaderovereenkomst heeft gesloten. Uit die kaderovereenkomst blijkt dat het voertuig van verzoeker door de PRA wordt gehuurd, ten voordele van diens leden, voor een duur van twee jaar. Volgens verzoeker zou deze overeenkomst volledig vergelijkbaar zijn met een eerder klassieke huurovereenkomst voor de verhuur van een voertuig met bestuurder, bijvoorbeeld gesloten tussen een bestuurder en een bedrijf dat meerdere werknemers telt en waardoor elke werknemer van het bedrijf gebruik mag maken van de verhuurdiensten van de bestuurder voor een bepaalde duur. Deze kaderovereenkomst voldoet aan het model dat door de Vlaamse Regering in overeenstemming met artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001 en artikel 61 van het BVR van 18 juli 2003 werd vastgelegd in bijlage XIV van het voormelde BVR. IX-9813-12/26 Daarnaast verwijst verzoeker naar verschillende verklaringen van de toenmalige minister van Mobiliteit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waaruit blijkt dat “Uber X legaal is”. Voorts benadrukt verzoeker dat – in tegenstelling tot wat de verwerende partij argumenteert – uit geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling blijkt dat het de PRA (de huurder) zelf dient te zijn die de verhuring bestelt bij verzoeker (de verhuurder). De leden van de PRA, die natuurlijke personen zijn, kunnen dit perfect doen conform de geldende regelgeving. Met betrekking tot het vereiste in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001 dat het voertuig voor een duur van minstens drie uur ter beschikkingstelling moet zijn gesteld, betoogt verzoeker dat die minimumduur van drie uur niet aaneengesloten moet zijn, maar kan worden opgesplitst in verschillende ritten en bekeken moet worden over de ganse duur van de kaderovereenkomst, zijnde een duur van twee jaar. Ook wijst verzoeker erop dat de manier waarop en door wie hij vergoed wordt, niet in aanmerking mag worden genomen om te oordelen of hij aan de exploitatievoorwaarden voldoet, aangezien er geen wettelijke of reglementaire bepaling is die dit verduidelijkt. Ten slotte benadrukt verzoeker dat, waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de trajecten niet besteld zijn op de maatschappelijke zetel, zoals bepaald in artikel 42, § 1, 5°, van het decreet van 20 april 2001, de verwerende partij niet bewijst dat de voertuigbestellingen niet zijn uitgevoerd op “de maatschappelijke zetel van de onderneming”. 8.
  32. In een tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat wanneer er een kaderovereenkomst met betrekking tot de verhuur gesloten is tussen hem en de PRA, het niet nodig is om een specifieke verhuurovereenkomst te sluiten voor elk traject/elke rit. Met het opleggen van een dergelijke verplichting wordt een IX-9813-13/26 bepaalde interpretatie gegeven aan het decreet van 20 april 2001 en het BVR van 18 juli 2003, die betwistbaar en volledig achterhaald is en de toets met de praktijk niet kan doorstaan. In ondergeschikte orde betoogt verzoeker dat hij wel degelijk voor elk traject een specifieke overeenkomst opstelt. Van zodra hij de verhuring van zijn voertuig aanvaardt, heeft hij, met behulp van de app Uber X via telefoon en via de website toegang tot een “bestelbon”. Hierin worden vermeld: het nummer van de bestelde verhuring, het uur van de bestelling, het tarief, de verwijzing naar de kaderovereenkomst, die met de PRA is gesloten, de naam van de passagier die vervoerd dient te worden, het punt van vertrek en aankomst van de verhuring, de naam van de exploitant en van de bestuurder en de nummerplaat. Bijgevolg stemt dit document “bestelbon” overeen met de vereisten van de specifieke overeenkomst beschreven in de bestreden beslissing. 8.
  33. In een derde middelonderdeel stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing ten onrechte is geoordeeld dat “de individuele ritten die geboekt worden door de gebruikers niet vooraf in het register op de zetel van de onderneming worden besteld”. Hij wijst erop dat hij alle verhuringen inschrijft in een digitaal register dat bewaard wordt in de “cloud” en dat eveneens toegankelijk is op de zetel van de onderneming. In dit register worden de datum en het uur van de bestelling, de identiteit van de exploitant, de identiteit van de bestuurder, de nummerplaat van het voertuig, de prijs van de verhuring en de afgelegde kilometers vermeld. Bovendien is het mogelijk om het vertrekpunt en het beginmoment van de verhuring te raadplegen evenals het einduur van de verhuring en de plaats van aankomst door te klikken op de tab met betrekking tot de verhuring in kwestie. Bijgevolg is artikel 42, § 1, 3°, van het decreet van 20 april 2001 niet geschonden. 8.
  34. In een vierde middelonderdeel stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt vermeld dat de diensten die hij uitvoert als “vermomde taxidiensten” moeten worden gekwalificeerd. Diensten voor het IX-9813-14/26 verhuren van een voertuig met bestuurder die door verzoeker worden geëxploiteerd via de applicatie Uber X kunnen niet worden beschouwd als taxidiensten zonder schending van het begrip ‘taxidiensten’ zoals bepaald in artikel 2, 4°, van het decreet van 20 april
  35. 9.
  36. In zijn memorie van wederantwoord geeft verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel nog aan dat – in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert – onder “zetel van de onderneming”, alwaar een kopie van het register met de uitgevoerde verhuringen moet worden bewaard, de zetel van de exploitant van de dienst moet worden begrepen en niet de zetel van de huurder, namelijk de PRA. 9.
  37. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt verzoeker in ondergeschikte orde dat hij wel degelijk voor elk traject een specifieke overeenkomst opstelt, namelijk de hiervóór vermelde bestelbon. Dat één en ander digitaal – en niet op papier – gebeurt, doet geen afbreuk aan het schriftelijk karakter van de overeenkomst. Deze bestelbon bevindt zich altijd aan boord van het voertuig aangezien deze elektronisch geconsulteerd kan worden met een smartphone via de applicatie Uber X. 9.
  38. In verband met het derde middelonderdeel stelt verzoeker dat de applicatie Uber X, waartoe hij met zijn smartphone toegang heeft, een digitaal register bevat waarin alle verhuringen (evenals de details van elke verhuring afzonderlijk) gecentraliseerd worden. Van zodra een verhuring aanvaard is, wordt deze automatisch in de historiek van de verhuringen van verzoeker opgenomen. Deze historiek wordt digitaal bewaard en is toegankelijk via de applicatie en online via de website. Dit digitaal register is derhalve ook toegankelijk op de zetel van de onderneming van verzoeker. Het kan ook uitgeprint worden en op die manier fysiek bewaard worden op zijn zetel. Voorts benadrukt verzoeker ook nog dat artikel 42, § 1, 5°, van het decreet van 20 april 2001 niet inhoudt dat het vertrekpunt van elke verhuring IX-9813-15/26 zijn maatschappelijke zetel is, maar dat om zich op de openbare weg te kunnen begeven vanaf deze plaats, het voertuig vooraf gehuurd moet zijn door een klant van wie de instapplaats niet precies overeenstemt met de maatschappelijke zetel van verzoeker. 9.
  39. Met betrekking tot het vierde middelonderdeel stelt verzoeker nog dat zijn voertuig enkel ter beschikking wordt gesteld van de leden van de PRA en niet van het publiek in het algemeen. Hij wijst er in dat verband op dat het lidmaatschap van de PRA niet automatisch is, zoals de verwerende partij beweert en dat dit lidmaatschap door de PRA kan worden geweigerd of dat leden door de PRA kunnen worden uitgesloten. Daarnaast kan verzoeker het vervoer dat hem gevraagd wordt weigeren, aangezien hij geen dienst van openbaar nut uitoefent. In de visie van verzoeker is het bovendien zo dat het decreet van 20 april 2001 zo moet worden begrepen dat de categorie van diensten van verhuur van voertuigen met bestuurder “de residuaire categorie van bezoldigd personenvervoer is”, dit wil zeggen dat ze alle types van vervoersdiensten bevat die geen taxidiensten zijn. Aangezien de diensten via de applicatie Uber X geen taxidiensten zijn, kunnen ze terecht onder de categorie van diensten van verhuur van voertuigen met bestuurder worden gebracht.
  40. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de wijze waarop de exploitant wordt vergoed en door wie, niet in aanmerking mag worden genomen om te beoordelen of hij voldoet aan de exploitatievoorwaarden. Hij wijst in dit verband naar de nota van de afdeling Lokale Organisatie en Werking van het agentschap Binnenlands Bestuur gericht aan de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant op 10 november 2017, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld: “De beroepsindiener is in derde orde van oordeel dat de manier waarop de exploitant vergoed wordt, niet mag in aanmerking genomen worden bij het beoordelen van de naleving van de toepasselijke wettelijke bepalingen. IX-9813-16/26 Artikel 48 van het Besluit van de Vlaamse regering d.d. 18.07.2003 betreffende de taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder […] zou geen wettelijke bepaling bevatten die de manier waarop de vergoeding aan de exploitant wordt betaald, verduidelijkt. Deze stelling van de raadsman van de exploitant kan gevolgd worden, daar noch in de hogere wetgeving, noch in het gemeentelijk reglement voor het exploiteren van taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder hierover concrete bepalingen zijn opgenomen.” Daarnaast verwijst verzoeker ook naar een vonnis van de Franstalige ondernemingsrechtbank van Brussel van 16 januari 2019, waaruit blijkt dat naar analogie met de Vlaamse regelgeving, in de in die zaak toepasselijke regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, slechts drie voorwaarden aan de exploitatie van een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder worden opgelegd, namelijk dat het een geschreven huurovereenkomst is, dat het voor een minimumperiode van drie uur wordt gesloten en dat de minimumprijs van 90 euro in acht wordt genomen, alsook dat deze drie voorwaarden zijn vastgelegd in een tussen de vervoersonderneming en de PRA gesloten huurovereenkomst. In zoverre ten slotte zou worden geoordeeld dat ook voor een individuele rit – zijnde een individuele bestelling van een vervoersdienst door een lid van de PRA – een afzonderlijke schriftelijke en ondertekende overeenkomst moet worden opgesteld, wijst verzoeker op het volgende: “De bestelling van een individuele vervoersdienst is […] een langs elektronische weg gesloten contract waarop artikel XII.15 van het Wetboek van economisch recht van toepassing is, dat het volgende bepaalt: ‘§ 1er. Aan elke wettelijke of reglementaire vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg is voldaan wanneer de functionele kwaliteiten van deze vereiste zijn gevrijwaard. §
  41. Voor de toepassing van § 1 moet in overweging worden genomen dat: - aan de vereiste van een geschrift is voldaan door een geheel van alfabetische tekens of van enige andere verstaanbare tekens aangebracht op een drager die de mogelijkheid biedt toegang ertoe te hebben gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen en waarbij de integriteit ervan wordt beschermd, welke ook de drager en de transmissiemogelijkheden zijn; [...].’ Zoals de rechtsleer uitlegt, ‘artikel XII.15 definieert de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een elektronisch procedé te assimileren met een overeenkomstige formaliteit in de ‘papieren’ omgeving’ (vrije vert.). Artikel XII.15 WER legt met name de voorwaarden vast waaronder het sluiten van een contract langs elektronische weg het mogelijk maakt om te IX-9813-17/26 voldoen aan de vereiste van een geschrift, met dien verstande dat voormeld artikel “zich niet beperkt tot de bewijsvormen: de vereiste formaliteiten ad validitatem of voor andere doeleinden worden ook beoogd” (vrije vert.). In het onderhavige geval voldoet de bestelbon die bij elke vervoersdienst wordt uitgegeven door een lid van de PRA aan de voorwaarde van ‘begrijpelijke tekens aangebracht op een drager waartoe men gedurende een passende tijd toegang heeft’ (vrije vert.), zodat, hoe het ook zij, aan de vereiste van een geschrift wordt voldaan.”
  42. In haar laatste memorie verwijst de tussenkomende partij naar twee vonnissen, het vonnis van de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel van 16 januari 2019 voornoemd en een vonnis van de Nederlandstalige politierechtbank te Brussel van 29 mei 2018, in verband met de rechtsgeldigheid van diensten voor verhuur van voertuigen met bestuurder verricht met behulp van de applicatie Uber X. Deze vonnissen bevestigen volgens de tussenkomende partij de principiële rechtsgeldigheid van de vervoersdiensten die worden geëxploiteerd door de VVB-bedrijven die gebruik maken van de applicatie Uber X. Ten onrechte betoogt de verwerende partij dat met deze vonnissen geen rekening zou kunnen worden gehouden, omdat deze betrekking hebben op de reglementering inzake bezoldigd personenvervoer uitgevaardigd door enerzijds het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en anderzijds het Waalse Gewest, terwijl de huidige procedure de Vlaamse regelgeving betreft. Dit standpunt kan volgens de tussenkomende partij niet worden bijgevallen omdat de Brusselse en Waalse regelgeving omzeggens identiek is aan hun “Vlaamse tegenhanger”. Dit is in het bijzonder het geval voor de exploitatievoorwaarden van toepassing op diensten voor verhuur van voertuigen met bestuurder die in casu aan de orde zijn. De verwerende partij toont niet aan in welk opzicht de verschillende gewestelijke regelingen (relevante) verschillen zouden vertonen waardoor de vonnissen in kwestie “niet naar analogie [zouden kunnen] worden toegepast” op deze zaak. Met deze vonnissen kan (en moet) integendeel wel degelijk rekening worden gehouden bij de beoordeling van het vernietigingsberoep, nu ze de gegrondheid van het eerste middel bevestigen. Beoordeling IX-9813-18/26 12.
  43. In het eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat de overeenkomst die hij heeft gesloten met de PRA, voldoet aan het model dat door de Vlaamse Regering in overeenstemming met artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001 en artikel 61 van het BVR van 18 juli 2003 is vastgelegd. In zijn tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat wanneer een kaderovereenkomst met betrekking tot de verhuur gesloten is tussen hem en de PRA, het niet nodig is om een specifieke verhuurovereenkomst te sluiten voor elk traject/elke rit. In ondergeschikte orde argumenteert hij dat de zogenaamde “bestelbon” beschouwd kan worden als een dergelijke specifieke verhuurovereenkomst. 12.2.
  44. Artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001 bepaalt dat het voertuig slechts ter beschikking mag worden gesteld van een welbepaalde natuurlijke of rechtspersoon krachtens een schriftelijke overeenkomst naar het model vastgelegd door de Vlaamse Regering, waarvan een exemplaar zich op de zetel van de onderneming bevindt en een kopie aan boord van het voertuig, wanneer de ondertekening van de overeenkomst voorafgaat aan het instappen van de klant, of waarvan het origineel zich aan boord van het voertuig bevindt, in de andere gevallen. De schriftelijke overeenkomst vermeldt in elk geval dat het voertuig ter beschikking wordt gesteld van de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor een duur van ten minste drie uren. Het model van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001, is gevoegd als bijlage XIV bij het BVR van 18 juli 2003 (artikel 61 BVR 18 juli 2003). Uit deze modelovereenkomst blijkt dat een kaderovereenkomst kan worden gesloten. Ook in de nota aan de Vlaamse Regering bij het ontwerp dat later het BVR 18 juli 2003 is geworden, wordt vermeld dat kan worden gewerkt met een kaderovereenkomst. Dat een kaderovereenkomst kan worden gesloten, wordt trouwens ook bevestigd in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft IX-9813-19/26 geleid tot het decreet van 13 februari 2004 ‘tot wijziging van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen’ (Parl.St. Vl.Parl. 2003-2004, nr. 1873/1, 7): IX-9813-20/26 “De essentiële voorwaarden voor een dienst voor verhuurvoertuigen met bestuurder blijven dat het voertuig het voorwerp uitmaakt van een vooraf-gaande bestelling, dat er een overeenkomst wordt opgemaakt en dat het voertuig ter beschikking wordt gesteld van de klant gedurende ten minste drie uur. Als er niet aan deze voorwaarden is voldaan, dan gaat het om een taxidienst. Deze vorm kan dus worden gebruikt door bedrijven, reisbureaus, mutualiteiten, enzovoort die met een exploitant een kaderovereenkomst afsluiten om hun klanten, bezoekers, leden, enzovoort te vervoeren. In dat geval kan het precieze voorwerp van het verhuurcontract echter nog niet worden bepaald. Telkens wanneer de exploitant een opdracht krijgt in uitvoering van deze kaderovereenkomst, moet dit worden ingeschreven in het register en moet er een overeenkomst worden opgesteld. Het precieze voorwerp van de verhuring moet dus worden opgenomen in de overeenkomst: het voertuig dat wordt verhuurd, moet geïdentificeerd kunnen worden, de duur van de overeenkomst moet worden bepaald, enzovoort. Deze overeenkomst kan met de gewone post of per fax worden opgestuurd en teruggestuurd, of de klant kan deze ondertekenen op het ogenblik dat hij in het voertuig stapt. De essentiële voorwaarde blijft dat het voertuig ter beschikking wordt gesteld van de klant, dus het bedrijf, het reisbureau, de mutualiteit, enzovoort voor een duur van minimum drie uur. Om te verduidelijken dat de klant in dit laatste geval het bedrijf, het reisbureau, de mutualiteit is, wijzigt artikel 8, tweede lid van dit ontwerp van decreet het woord ‘de persoon’ door de woorden ‘de natuurlijke persoon of rechtspersoon’ zodat deze woorden verwijzen naar de eerste zin van artikel 42, § 1, 3°, van het [decreet van 20 april 2001], waarin bepaald wordt dat het voertuig slechts ter beschikking mag worden gesteld van een welbepaalde persoon of rechtspersoon op basis van een schriftelijke overeenkomst.” 12.2.
  45. Verzoeker heeft op 29 september 2016 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met de PRA. De PRA huurt het voertuig van verzoeker, volgens de bewoordingen van deze overeenkomst, voor een duur van twee jaar ten voordele van haar leden. Verzoeker blijkt via zijn smartphone en via de website www.uber.com te allen tijde toegang te hebben tot dit document. Die schriftelijke huurovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een kaderovereenkomst. In casu is in de kaderovereenkomst onder meer bepaald dat verzoeker zijn voertuig gedurende een periode van minstens drie uren ter beschikking stelt van de PRA voor 90 euro en dat de leden van de PRA (gebruikers/passagiers) tegen betaling gebruik kunnen maken van het voertuig met bestuurder. IX-9813-21/26 12.3.
  46. Uit de hiervóór geciteerde parlementaire voorbereiding, blijkt echter dat als een kaderovereenkomst is gesloten, voor iedere individuele rit ter uitvoering ervan, nog steeds een afzonderlijke schriftelijke overeenkomst moet worden opgesteld. Dit kan trouwens ook worden afgeleid uit het model van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001, dat is gevoegd als bijlage XIV bij BVR van 18 juli
  47. Daarin wordt in de mogelijkheid voorzien van deelprestaties – een individuele rit – maar deze moeten zijn opgenomen in een “overeenkomst” en daarbij moet voor iedere deelprestatie de dag en het begin en einde van de uitvoering van de deelprestatie worden vermeld. Dit sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001 waarin melding wordt gemaakt van een ondertekende schriftelijke overeenkomst. Dat volgens verzoeker met het opleggen van dergelijke verplichting een bepaalde interpretatie wordt gegeven aan het decreet van 20 april 2001 en het BVR van 18 juli 2003, die volledig achterhaald is en de toets met de praktijk niet kan doorstaan, kan verzoeker misschien betreuren maar is louter een opportuniteitskritiek. De Raad van State blijft daarvan weg. Hij is rechter van de wettigheid en moet de regelgeving toepassen zoals die van toepassing was ten tijde van de bestreden beslissing en wars van elke toets met de “praktijk”, zeker als die contra legem is. 12.3.
  48. Uit de informatie die verzoeker heeft verstrekt, blijkt dat er een “waybill” of “digitale bestelbon” wordt opgemaakt van zodra hij een rit, besteld door een gebruiker/passagier via de digitale applicatie Uber X, heeft aanvaard. Op dit document zijn de volgende gegevens terug te vinden: het nummer van de bestelde verhuring, de datum en het uur van de bestelling, het tarief, de verwijzing naar de kaderovereenkomst, gesloten tussen verzoeker en de PRA, de naam van de gebruiker/passagier, het punt van vertrek en het punt van aankomst van de rit, de naam van de bestuurder van het voertuig en de gegevens van het voertuig. Verzoeker heeft via zijn smartphone en via de website www.uber.com te allen tijde toegang tot dit document. IX-9813-22/26 De vraag rijst of deze “waybill” of “digitale bestelbon” als een geldige afzonderlijke schriftelijke overeenkomst kan worden beschouwd. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 13 juni 2017 (P.16.0886.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170613.4) geoordeeld, dat e-mailcorrespondentie tussen partijen niet beantwoordt aan het model van schriftelijke overeenkomst bedoeld onder meer in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april
  49. Als e-mailcorrespondentie geen ondertekende schriftelijke overeenkomst is, dan is de “waybill” dit evenmin. Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie aangeeft dat een bestelling van een individuele rit een langs elektronische weg gesloten contract is, wordt vastgesteld dat hij op geen enkele wijze het bewijs voorlegt – bijvoorbeeld aan de hand van een uitgeprinte versie – dat een dergelijke “bestelling” een langs elektronische weg gesloten overeenkomst is die door beide partijen is ondertekend met een digitale handtekening. Verzoeker levert aldus niet het bewijs dat voor individuele ritten steeds een afzonderlijke schriftelijke ondertekende overeenkomst wordt opgesteld zoals bedoeld in artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april
  50. Die vaststelling volstaat, zonder dat nog onderzocht moet worden of de gebruiker dan wel de PRA de schriftelijke overeenkomst moet ondertekenen en of een individuele rit ter uitvoering van een kaderovereenkomst minimum drie uren moet duren. 12.
  51. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij tot het besluit mocht komen dat verzoeker artikel 42, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2001 niet heeft nageleefd. 12.
  52. Het eerste en het tweede middelonderdeel samengenomen, zijn in de hiervóór aangegeven mate niet gegrond. IX-9813-23/26 13.
  53. In een derde middelonderdeel stelt verzoeker dat hij alle verhuringen heeft ingeschreven in een register dat hij bijhoudt op de zetel van zijn onderneming en waarin hij de datum, het uur van de bestelling en het precieze voorwerp van het huurcontract en de prijs heeft vermeld, zodat artikel 42, § 1, 3°, van het decreet van 20 april 2001 niet is geschonden. Het derde middelonderdeel betreft op dat punt een overtollig motief. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot vernietiging leiden. Het derde middelonderdeel is in die mate onontvankelijk. 13.
  54. In zoverre verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord met betrekking tot het derde middelonderdeel de schending aanvoert van artikel 42, § 1, 5°, van het decreet van 20 april 2001 en dit pas daarin toelicht, is dit laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
  55. In een vierde middelonderdeel stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt vermeld dat de diensten die hij uitvoert als “vermomde taxidiensten” moeten worden gekwalificeerd. Het vierde middelonderdeel betreft eveneens een overtollig motief. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot vernietiging leiden. Het vierde middelonderdeel is onontvankelijk.
  56. Het eerste middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. B. Conclusie
  57. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het eerste middel. Uit de bespreking hiervóór is evenwel gebleken dat de Raad van State die conclusie niet kan bijvallen. IX-9813-24/26
  58. Er is echter meer. Op de terechtzitting heeft de verwerende partij verklaard dat verzoeker thans opereert met een vergunning uitgereikt op grond van het decreet van 29 maart 2019 ‘betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer’. Deze bewering is althans op de terechtzitting door verzoeker en de tussenkomende partij niet weersproken. Dit decreet heeft onder meer hoofdstuk VI ‘De diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder’ van het decreet van 20 april 2001 opgeheven en bevat daarenboven niet meer de zogenaamde strenge voorwaarden om als verhuurder van een voertuig met bestuurder actief te zijn. Dit doet bijgevolg de vraag rijzen of verzoeker het voordeel dat hij nastreeft met huidig beroep ingevolge de gewijzigde regelgeving ondertussen reeds heeft verworven – minstens kunnen verwerven – en of hij bijgevolg nog langer over een actueel belang beschikt. De vraag naar het actueel belang raakt de openbare orde en mag door de Raad van State, desnoods ambtshalve, in elke stand van het geding worden opgeworpen, op voorwaarde dat de partijen hierover debat hebben kunnen voeren. Om die reden wordt aan de partijen toegelaten hun standpunt schriftelijk aan de Raad over te maken, op de wijze zoals in het dictum bepaald, en wordt het auditoraat met een aanvullend onderzoek belast, dat in voorkomend geval beperkt mag worden tot het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep. BESLISSING
  59. De Raad van State heropent het debat.
  60. Aan de partijen wordt een termijn van dertig dagen verleend, vanaf de kennisgeving door de griffie van dit arrest, om aan de griffie een aanvullende memorie toe te sturen met betrekking tot het actueel belang van de verzoekende partij.
  61. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee belast om een aanvullend verslag op te stellen. IX-9813-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9813-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.082 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.046 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170613.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.