← België

Arrest 251118 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.118 Rolnummer: A. 228927/IX-9597 Zaak: Arrest 251118 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-05 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 251.118 van 29 juni 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.118 van 29 juni 2021 in de zaak A. 228.927/IX-9597 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 23 juni 2019 waarbij XXXX de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-9597-1/30 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verzoekende partij en Ann Lauwens, adviseur, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is adviseur bij de algemene administratie van de Fiscaliteit (hierna: aaFisc) van de federale overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën). Van 1 september 1999 tot 12 maart 2015 is zij verbonden aan het centrum voor Beroepsopleiding (hierna: CBO) te Gent van de aaFisc, bij de dienst Opleiding Vennootschapsbelasting. Verzoekster is er belast met het geven aan ambtenaren van opleidingen inzake vennootschapsbelasting en boekhouden. Sedert 12 maart 2015 is verzoekster tewerkgesteld bij de dienst Operationele Expertise & Ondersteuning van de aaFisc, waar zij verantwoordelijk is voor het opstellen van syllabi. IX-9597-2/30 IX-9597-3/30 3.
  6. Op 30 augustus 2014 wordt verzoekster, samen met een collega van de FOD Financiën, meerderheidsaandeelhouder van de bvba Practicali, die onder meer tot doel heeft: “- de organisatie van ondermeer seminaries, opleidingen, studiedagen, conferenties, stages, ateliers, webinars, uitwisselingen en ontmoetingen; - de productie, het opstellen, de redactie, het drukken, de verdeling, het uitgeven, het verspreiden en promoten van publicaties, documenten en informatiedragers betreffende de onderwerpen vervat in het maatschappelijk doel van de vennootschap; - het verwerven van auteursrechten van publicaties, documenten en informatiedragers betreffende de onderwerpen vervat in het maatschappelijk doel van de vennootschap; - het ter beschikking stellen aan derden van lokalen, materiaal en personeel.” 3.
  7. Verzoekster verkreeg in het verleden meermaals een cumulatiemachtiging om als zelfstandige vorming te geven voor de bvba Practicali. 3.4.
  8. In een brief van 27 mei 2015 formuleert de cel Cumul van het shared service center Integriteit van de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën (hierna: de cel Cumul) een aantal opmerkingen omtrent voorwaarden vermeld in de cumulatiemachtiging van 12 januari 2015 die verzoekster niet heeft nageleefd. Het betreft het feit dat verzoekster voor de bvba Practicali lessen gaf of had gepland zonder daartoe over een voorafgaande cumulatiemachtiging te beschikken en dat de cel Cumul (nog) geen kopie ontving van de syllabus van de gegeven vormingen. Tevens wordt verzoekster gewezen op de onverenigbaarheid van het bezit van aandelen en het verbod om een bezoldigde activiteit uit te oefenen buiten haar ambt, tenzij na machtiging tot cumulatie. Verzoekster wordt uitgenodigd haar bemerkingen hieromtrent te bezorgen. 3.4.
  9. Verzoekster stuurt op 6 juni 2015 haar schriftelijke bemerkingen aan de cel Cumul. IX-9597-4/30 3.
  10. Op 5 oktober 2015 formuleert de stafdirecteur P&O, namens de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën, een advies waarin wordt gesteld dat de activiteiten die bestaan uit eensdeels het aandeelhouderschap (40%) in de bvba Practicali en anderdeels het gelijktijdig lesgever zijn in fiscale materies én aandeelhouder van de bvba Practicali, uitgeoefend door verzoekster, een belangenconflict inhouden. Dat advies wordt diezelfde dag aan verzoekster meegedeeld door de cel Cumul. Daarbij wordt verzoekster gevraagd haar intenties inzake haar aandeelhouderschap in de bvba Practicali en het geven van lessen voor de bvba Practicali te laten kennen. 3.
  11. Op 5 oktober 2015 ontvangt het diensthoofd van het CBO te Gent een anonieme klacht betreffende de werking van de bvba Practicali. In die klacht wordt er onder meer op gewezen dat verzoekster samen met een collega van de FOD Financiën meerderheidsaandeelhouder is van de bvba Practicali. Naar aanleiding van die klacht start de cel Interne Inspectie van de FOD Financiën een administratief opsporingsonderzoek. 3.
  12. Op 18 oktober 2015 deelt verzoekster schriftelijke opmerkingen mee op het advies van de stafdirecteur P&O van 5 oktober 2015 inzake een vastgesteld belangenconflict. 3.
  13. Op 25 februari 2016 stelt de cel Interne Inspectie van de FOD Financiën in zijn verslag van het administratief opsporingsonderzoek dat verzoeksters persoonlijk voordeel van die aard is dat het de onpartijdige en objectieve uitoefening van haar ambt kan beïnvloeden. Het is, luidens het verslag, de dienst P&O die moet bepalen of er voor de in het verslag opgenomen activiteiten en situaties cumulaanvragen en advies inzake belangenvermenging moesten worden aangevraagd en of de verkregen toestemming voldeed aan de voorwaarden. Indien dit niet zo is, heeft verzoekster volgens het verslag IX-9597-5/30 tuchtrechtelijke inbreuken begaan. Besloten wordt dat er sprake is van integriteitsschendingen, namelijk van de waarden onpartijdigheid en loyaliteit. 3.
  14. Op 23 maart 2017 formuleert de adviseur-generaal van de dienst Operationele Expertise & Ondersteuning van de aaFisc het voorlopige voorstel om aan verzoekster de tuchtstraf van inhouding van wedde voor het maximumbedrag op te leggen – de eerste tuchtprocedure. 3.
  15. Bij schrijven van 8 augustus 2017 vraagt de voorzitter van het directiecomité aan verzoekster om uiterlijk op 1 september 2017 een einde te stellen aan het vastgestelde belangenconflict. Omdat verzoekster geen gevolg geeft aan dat verzoek stuurt de directeur van de stafdienst P&O op 16 oktober 2017 een nota aan de adviseur- generaal van de aaFisc waarin het belangenconflict wordt gemeld. 3.
  16. Naar aanleiding van de nota van de directeur van de stafdienst P&O van 16 oktober 2017 wordt een tweede tuchtprocedure opgestart. 3.
  17. Op 18 mei 2018 legt de minister van Financiën in de eerste tuchtprocedure aan verzoekster de tuchtstraf ‘blaam’ op, omdat verzoekster fiscale vorming heeft gegeven voor de bvba Practicali zonder daartoe over een cumulatiemachtiging te beschikken en een aantal opleidingen heeft gegeven op dagen dat zij aan telewerk deed. Bij arrest nr. 251.119 van heden vernietigt de Raad van State deze beslissing wegens een schending van de redelijketermijnvereiste. 3.
  18. Op 20 juli 2018 stuurt de adviseur-generaal van de aaFisc het proces-verbaal van het verhoor van 19 februari 2018 in het kader van de tweede tuchtprocedure naar verzoekster, die het op 30 juli 2018 ondertekent. IX-9597-6/30 3.
  19. Op 7 september 2018 wordt het tweede tuchtdossier aanhangig gemaakt bij het beheerscomité. 3.
  20. Op 24 oktober 2018 wordt verzoekster uitgenodigd om in het kader van de tweede tuchtprocedure te verschijnen voor het beheerscomité. 3.
  21. Op 29 november 2018 formuleert het beheerscomité het voorstel om verzoekster de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Dit voorstel wordt op 11 december 2018 aan verzoekster meegedeeld. 3.
  22. Op 19 december 2018 stelt verzoekster beroep in tegen dit voorstel van tuchtstraf bij de interdepartementale raad van beroep. 3.
  23. Na verzoekster te hebben gehoord, adviseert de raad van beroep op 4 april 2019 om verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  24. Met een e-mail van 23 april 2019 stuurt de raad van beroep zijn advies aan de minister van Financiën. 3.
  25. Bij koninklijk besluit van 23 juni 2019 wordt aan verzoekster de tuchtstraf van ontslag van ambtswege opgelegd omdat zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité om ten laatste op 1 september 2017 een einde te stellen aan het vastgestelde belangenconflict en zij ook na die datum geen gevolg heeft gegeven aan dat verzoek. Dat is de bestreden beslissing. Ze is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat [verzoekster] bij brief van 1 februari 2018, door de […] adviseur-generaal bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, werd opgeroepen om, om tuchtredenen, gehoord te worden over de hierna vermelde tenlastelegging: Het geen gevolg geven aan het verzoek van 8 augustus 2017 van de Voorzitter van het Directiecomité om ten laatste op 1 september 2017 een einde te stellen aan het op 5 oktober 2015 vastgesteld belangenconflict IX-9597-7/30 ingevolge haar nevenactiviteiten als aandeelhouder (winstbegunstigde) van en lesgever in fiscale materies voor de bvba Practicali. Ze bevindt zich derhalve nog steeds in een toestand van belangenconflict; Gelet op de verklaringen van [verzoekster] en haar verdediger, [S.R.], advocaat, opgetekend tijdens het verhoor van 19 februari 2018 en opgenomen in het proces-verbaal van 19 juli 2018, dat door betrokkene werd ondertekend op 30 juli 2018; Overwegende dat het tuchtdossier bij e-mail van 7 september 2018 werd toegezonden aan de hogere overheid; Overwegende dat [verzoekster], bij aangetekende brief van 24 oktober 2018, werd uitgenodigd voor de zitting van het Beheerscomité van 29 november 2018; Gehoord op 29 november 2018 [verzoekster], bijgestaan door meester [S.R.]; Gelet op het ter zake opgemaakte proces-verbaal; Overwegende dat het Beheerscomité tijdens de zitting van 29 november 2018 unaniem voorstelde om aan [verzoekster] de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen; Gelet op de kennisgeving van dit voorstel aan betrokken ambtenaar bij aangetekende brief van 11 december 2018, door middel van een bulletin tot kennisgeving nr. 533; Overwegende dat [verzoekster] op 24 december 2018, door middel van het bulletin nr. 533 tot kennisgeving, meedeelde dat zij wenste gehoord te worden door de Raad van beroep; Overwegende dat voormelde Raad, tijdens de zitting van 4 april 2019, - unaniem van oordeel was dat de feiten als voldoende bewezen voorkomen; - met 8 stemmen tegen 3 van oordeel was dat de voorgestelde tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ de meest aangepaste tuchtstraf is voor deze feiten; - adviseerde om het voorstel van tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ te behouden’; Overwegende dat uit het verweer van [verzoekster] blijkt dat zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Voorzitter omdat zij meent dat er geen belangenconflict is; Overwegende dat de Voorzitter van het Directiecomité bevoegd is om een advies uit te brengen over het al dan niet bestaan van een belangenconflict, dit overeenkomstig artikel 9, § 2, van het statuut van het rijkspersoneel; dat de Voorzitter op 5 oktober 2015 het advies uitbracht dat de activiteiten die bestaan uit enerzijds het aandeelhouderschap in de bvba Practicali (als winstbegunstigde) en anderzijds het gelijktijdig (bezoldigd en/of onbezoldigd) lesgever zijn in fiscale materies, in combinatie met haar functie van ambtenaar bij de FOD Financiën, een belangenconflict inhouden; dat het Directiecomité in zijn zitting van 30 juni 2017 vaststelde dat [verzoekster] zich nog altijd in een toestand van belangenconflict bevond en aangaf dat zij moest worden aangemaand om ten laatste op 1 september 2017 een einde te stellen aan het belangenconflict; dat de Voorzitter van het Directiecomité haar daartoe verzocht bij brief van 8 augustus 2017; IX-9597-8/30 Overwegende dat de feiten waarvan sprake in het dossier van aard kunnen zijn de onpartijdige en objectieve uitoefening van het ambt van rijksambtenaar te beïnvloeden of de schijn daarvan te doen ontstaan; Overwegende dat het principe ‘non bis in idem’ niet werd geschonden; dat de vorige tuchtstraf het niet indienen van een aanvraag tot cumulatiemachtiging voor een aantal seminaries betrof, alsmede het geven van enkele seminaries op dagen waarop zij in telewerk was; dat de huidige procedure het geen gevolg geven aan het verzoek van de Voorzitter betreft; dat dit feit wel degelijk duidelijk werd weergegeven in de oproepingsbrief van 1 februari 2018; Overwegende dat de feiten niet zijn verjaard aangezien de termijn van zes maanden voor het instellen van de tuchtprocedure ingaat op 1 september 2017, de datum waarop zij uiterlijk een einde moest gesteld hebben aan het belangenconflict; dat de tuchtprocedure werd ingesteld op 1 februari 2018 en dus binnen de termijn van zes maanden; Overwegende dat het niet naleven van de ordetermijnen niet de nietigheid van de procedure tot gevolg heeft; dat het dossier overigens wel degelijk binnen een redelijke termijn werd behandeld; Overwegende dat de procedures tot nietigverklaring die [verzoekster] heeft ingediend bij de Raad van State tegen de beslissingen inzake cumulatie en tucht geen schorsing van de desbetreffende beslissingen tot gevolg hebben; Overwegende dat artikel 7, § 1, van het statuut van het rijkspersoneel bepaalt: ‘De rijksambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. Daartoe dient hij: 1° de van kracht zijnde wetten en reglementen na te leven, alsmede de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van die wetten en reglementen; 2° (…); 3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.’; Overwegende dat artikel 9, § 1, van het statuut van het rijkspersoneel bepaalt: ‘De rijksambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.’; Overwegende dat in het handboek ‘Beheer van belangenconflicten in het Belgische federaal administratief openbaar ambt’, opgesteld door het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie, wordt bepaald: ‘Als een rijksambtenaar voordeel haalt uit zijn positie bij de overheid om onrechtmatig zijn particuliere belangen te bevoordelen, breekt hij met de plicht die hem door zijn statuut is opgelegd, om belangeloos en onpartijdig te handelen, met enkel het openbaar belang voor ogen. Dit kan ook gelden voor een situatie waarin belangenconflicten schijnbaar bestaan. Deze schijn van conflict kan, gelet op de mogelijke verdenking die IX-9597-9/30 ze inhoudt ten aanzien van de integriteit van de ambtenaar en zijn overheidsdienst, even nefast zijn als een echt belangenconflict’; Gelet op de omzendbrief nr. 573 van 17 augustus 2007 met betrekking tot het deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt en de deontologische code van de FOD Financiën; Overwegende dat [verzoekster] ook tijdens haar afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden het statuut en de deontologische code moet naleven; dat zij immers onderworpen blijft aan het statuut van het rijkspersoneel; Overwegende dat de ambtenaar niet het recht heeft om, buiten het geval van klaarblijkelijke onwettigheid, bevelen van de hiërarchie naast zich neer te leggen; dat de goede werking van het bestuur volledig in het gedrang zou komen mocht worden aanvaard dat ambtenaren het recht hebben om zonder meer bevelen niet uit te voeren omdat zij van mening zijn dat ze onrechtmatig worden gegeven; Overwegende dat [verzoekster] bijgevolg de plicht had om het advies van de Voorzitter van het Directiecomité te respecteren en gevolg te geven aan zijn verzoek om een einde te stellen aan het belangenconflict; Overwegende dat de tuchtprocedure werd ingesteld op 1 februari 2018; dat haar bijgevolg ruimschoots de gelegenheid werd gegeven om de toestand recht te zetten; dat zij ook nadien geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Voorzitter; Overwegende dat [verzoekster] een ambtenaar is van niveau A ; dat zij als ambtenaar van niveau A een voorbeeldfunctie moet vervullen; Overwegende dat de feiten van aard kunnen zijn de onpartijdige en objectieve uitoefening van het ambt van rijksambtenaar te beïnvloeden of de schijn daarvan te doen ontstaan; dat daardoor het vertrouwen van het publiek in de openbare dienst wordt aangetast; dat de feiten getuigen van een gebrek aan loyaliteit tegenover de FOD en een gebrek aan respect voor de Voorzitter en de andere leden van het Directiecomité; Overwegende dat het in haar gestelde vertrouwen daardoor onherstelbaar beschadigd is en een verdere tewerkstelling bij de FOD niet meer mogelijk is; Overwegende dat de oplegging van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege beantwoordt aan de betrachtingen van de Administratie en bovendien in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde feiten.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  26. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 81, IX-9597-10/30 § 3, juncto artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937), gelezen in samenhang met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verzoekster voert aan dat de tuchtvordering verjaard is. Zij argumenteert dat de verjaringstermijn van zes maanden een aanvang neemt vanaf de vaststelling van de feiten. In de oproeping voor het verhoor van 1 februari 2018 wordt verwezen naar het bij advies van 21 – eigenlijk 5 – oktober 2015 vastgestelde belangenconflict en in de brief van de voorzitter van het directiecomité van 8 augustus 2017 wordt verwezen naar de zitting van het directiecomité van 30 juni 2017 tijdens dewelke werd vastgesteld dat verzoekster zich nog steeds in een toestand van belangenconflict bevond. Volgens verzoekster is de tuchtvordering derhalve minstens eind december 2017 verjaard. In de bestreden beslissing wordt gewag gemaakt van 1 september 2017 – de uiterste datum voor verzoekster om tegemoet te komen aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité – als startdatum. Volgens verzoekster is dit niet correct en zou een dergelijke interpretatie impliceren dat een tuchtsanctie nooit verjaart indien steeds dergelijke brieven worden verstuurd. Verzoekster doet gelden dat de verwerende partij minstens kennis had van het vermeende tuchtfeit op 25 februari 2016 met het verslag van het eerste administratief opsporingsonderzoek en dat zij op 2 september 2017 niet plots een nieuw feit heeft gepleegd.
  27. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat de tuchtfeiten – het belangenconflict inzake privaat aandeelhouderschap en lesgeven “met ambtenarij” – reeds op 21 (lees: 5) oktober 2015 werden vastgesteld. Zij benadrukt dat de verwerende partij dit niet ontkent en dat de omstandigheid dat de verwerende partij de terminologie “nog steeds” hanteert erop duidt dat de verwerende partij reeds lange tijd op de hoogte was van het tuchtfeit. Zij herhaalt voorts haar standpunt dat ook uit de brief van 8 augustus 2017 blijkt dat de tuchtfeiten zijn verjaard, aangezien er wordt verwezen naar de IX-9597-11/30 zitting van het directiecomité van 30 juni 2017 tijdens dewelke werd vastgesteld dat verzoekster zich nog steeds in een toestand van belangenconflict bevindt.
  28. In haar laatste memorie doet verzoekster gelden dat in de overwegingen van de bestreden beslissing het belangenconflict inzake privaat aandeelhouderschap en lesgeven “met ambtenarij” als het tuchtfeit wordt aangemerkt. Zij wijst er voorts op dat zij tegen de beslissing van 5 oktober 2015 nooit een beroep heeft kunnen instellen doordat niet werd vermeld dat deze beslissing aanvechtbaar was. Beoordeling
  29. In zoverre verzoekster in haar laatste memorie aanvoert dat zij tegen de beslissing van 5 oktober 2015 geen beroep heeft kunnen instellen, moet worden opgemerkt dat dit een nieuw argument is dat verzoekster ook reeds in haar verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is dit argument laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
  30. Artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt: “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid de ambtenaar op de hoogte brengt van de tuchtprocedure zoals voorzien in artikel 78, § 2.” In artikel 78, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 wordt bepaald: “De tuchtprocedure start door een oproeping gericht aan de ambtenaar door de bevoegde hiërarchische meerdere. In deze oproepingsbrief wordt de ambtenaar geïnformeerd over de feiten die hem ten laste worden gelegd en over het feit dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart.” IX-9597-12/30
  31. Aldus blijkt dat de tuchtoverheid de tuchtvordering dient in te stellen binnen zes maanden vanaf de vaststelling van de feiten. Een tuchtvordering wordt ingesteld door de oproeping van de ambtenaar door de hiërarchische meerdere om zich voor de hem ten laste gelegde feiten te verantwoorden. IX-9597-13/30
  32. Anders dan verzoekster beweert, blijkt uit de bestreden beslissing dat het tuchtfeit niet het belangenconflict op zich is, maar wel het feit dat verzoekster op 1 september 2017 nog steeds geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité om een einde te stellen aan het vastgestelde belangenconflict en dat verzoekster zich nog steeds in een toestand van belangenconflict bevindt. Als tuchtfeit wordt immers uitdrukkelijk vermeld: “Het geen gevolg geven aan het verzoek van 8 augustus 2017 van de Voorzitter van het Directiecomité om ten laatste op 1 september 2017 een einde te stellen aan het op 5 oktober 2015 vastgesteld belangenconflict ingevolge haar nevenactiviteiten als aandeelhouder (winstbegunstigde) van en lesgever in fiscale materies voor de bvba Practicali. Ze bevindt zich derhalve nog steeds in een toestand van belangenconflict.” Voorts wordt omtrent dit tuchtfeit overwogen: “Overwegende dat de ambtenaar niet het recht heeft om, buiten het geval van klaarblijkelijke onwettigheid, bevelen van de hiërarchie naast zich neer te leggen; dat de goede werking van het bestuur volledig in het gedrang zou komen mocht worden aanvaard dat ambtenaren het recht hebben om zonder meer bevelen niet uit te voeren omdat zij van mening zijn dat ze onrechtmatig worden gegeven; Overwegende dat [verzoekster] bijgevolg de plicht had om het advies van de Voorzitter van het Directiecomité te respecteren en gevolg te geven aan zijn verzoek om een einde te stellen aan het belangenconflict; Overwegende dat de tuchtprocedure werd ingesteld op 1 februari 2018; dat haar bijgevolg ruimschoots de gelegenheid werd gegeven om de toestand recht te zetten; dat zij ook nadien geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Voorzitter.”
  33. Verzoekster kreeg tot 1 september 2017 om gevolg te geven aan het verzoek. Het tuchtrechtelijk feit kon dan ook ten vroegste worden vastgesteld op 2 september
  34. De tuchtprocedure tegen verzoekster werd opgestart met de uitnodiging van 1 februari 2018 om te worden gehoord om tuchtredenen. De start van de tuchtprocedure ligt dus binnen de in artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepaalde termijn van zes maanden nadat de feiten werden vastgesteld. IX-9597-14/30
  35. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  36. Het tweede middel is genomen uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, van artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 ‘inzake burgerrechten en politieke rechten’ en van artikel 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag over de rechten van de mens, gelezen in samenhang met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster voert aan dat het vermeende belangenconflict, dat het voorwerp is van de huidige tuchtprocedure, reeds deel uitmaakte van de tenlasteleggingen in de tuchtprocedure die heeft geleid tot de beslissing van 18 mei 2018 waarbij haar een blaam werd opgelegd, terwijl hetzelfde feit niet tweemaal het voorwerp kan vormen van een tuchtprocedure. Zij voegt daar aan toe dat in de motivering van de bestreden beslissing omtrent deze argumentatie eraan wordt voorbijgegaan dat er ook in de eerste tuchtprocedure sprake was van het aandeelhouderschap in combinatie met lesgeven en dat er evenmin wordt geantwoord op het feit dat het belangenconflict reeds het voorwerp is van een hangend beroep bij de Raad van State gericht tegen de weigering van een cumulatiemachtiging.
  37. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat het aandeelhouderschap van de bvba Practicali verweven zat in de eerste tuchtstraf. Beoordeling
  38. Zoals reeds bij de beoordeling van het eerste middel is uiteengezet, is het thans bestreden ontslag van ambtswege aan verzoekster IX-9597-15/30 opgelegd omwille van het feit dat zij op 1 september 2017 nog steeds geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité om een einde te stellen aan het vastgestelde belangenconflict. De op 18 mei 2018 aan verzoekster opgelegde blaam werd daarentegen opgelegd voor het niet indienen van een aanvraag tot cumulatiemachtiging voor bepaalde lesopdrachten en voor het lesgeven op dagen dat verzoekster aan telewerk deed. De beide tuchtprocedures hebben dus niet hetzelfde voorwerp. Het beginsel non bis in idem is derhalve niet geschonden. Evenmin zijn de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel op dit punt miskend.
  39. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  40. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 78, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, gelezen in samenhang met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verzoekster voert aan dat in het verslag van de hiërarchische meerdere niet duidelijk wordt vermeld om welk tuchtfeit het gaat. Er wordt gesteld dat haar bij brief van 8 augustus 2017 werd verzocht om ten laatste op 1 september 2017 een einde te stellen aan het bij advies van 21 oktober 2015 (lees: 5 oktober 2015) vastgestelde belangenconflict. Wat dat belangenconflict precies inhoudt, wordt niet uiteengezet. Dit blijkt enkel uit het advies van 5 oktober 2015 of de brief van 8 augustus 2017 van de voorzitter van het directiecomité. Verzoekster voegt daar nog aan toe dat in de motivering van de bestreden beslissing louter het tegendeel wordt beweerd, namelijk dat in de oproepingsbrief van 1 februari 2018 het tuchtfeit duidelijk staat omschreven, maar dat ook hierin de inhoud van het belangenconflict niet valt te ontwaren. IX-9597-16/30 IX-9597-17/30
  41. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster nog dat de omstandigheid dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord refereert aan voorgaande adviezen ervan doet blijken dat in het verslag van de hiërarchische meerdere zelf het tuchtfeit niet duidelijk wordt vermeld. Beoordeling
  42. Artikel 78, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt: “De bevoegde hiërarchische meerdere stuurt het dossier naar het directiecomité binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van ontvangst. Het omstandig dossier bevat een verslag opgesteld door de bevoegde hiërarchische meerdere dat minstens de volgende elementen bevat: • de feiten die worden ten laste gelegd; • het verslag van de eventuele getuigenissen; • het proces-verbaal van de hoorzitting; • de bezwaren van de ambtenaar tegen het proces-verbaal.”
  43. Zoals reeds uiteengezet, betreft het ten laste gelegde feit in de huidige tuchtprocedure niet het belangenconflict op zich maar wel het feit dat verzoekster op 1 september 2017 nog steeds geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité om een einde te stellen aan het vastgestelde belangenconflict. Welnu, in het verslag van de hiërarchische meerdere wordt duidelijk vermeld dat verzoekster bij brief van 8 augustus 2017 werd verzocht om uiterlijk op 1 september 2017 een einde te stellen aan het op 5 oktober 2015 vastgestelde belangenconflict, doch dat verzoekster zulks heeft geweigerd. Het verslag van de hiërarchische meerdere bevat dan ook het feit dat ten laste wordt gelegd. Verzoekster kan niet ernstig beweren dat zij de inhoud van het belangenconflict niet kent. Het is geenszins vereist dat het volledige belangenconflict in het verslag van de hiërarchische meerdere wordt uiteengezet. Dit geldt des te meer omdat niet het belangenconflict op zich het tuchtfeit uitmaakt, maar wel dat verzoekster op 1 september 2017 geen gevolg heeft IX-9597-18/30 gegeven aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité om een einde te stellen aan het belangenconflict.
  44. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  45. Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 78, § 5, 79, § 1, eerste en derde lid, 79, §§ 1 en 3, en 94, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, evenals de redelijketermijnvereiste, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verzoekster voert aan dat de verjaringstermijn voor het instellen van de tuchtvordering werd overschreden en dat vervolgens ook de andere termijnen van de tuchtprocedure niet werden gerespecteerd. Zij onderkent de volgende termijnoverschrijdingen: - Overeenkomstig artikel 78, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 diende de hiërarchische meerdere het dossier naar het directiecomité te sturen binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van ontvangst van de notulen. In casu werden de notulen door verzoekster ondertekend op 30 juli 2018 maar werd het dossier pas op 7 september 2018 naar het directiecomité gestuurd, hetgeen 38 dagen later is. - Overeenkomstig artikel 79, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 diende zij binnen tien dagen nadat het dossier bij het directiecomité aanhangig was gemaakt, opgeroepen te worden. In casu ontving het directiecomité het dossier op 7 september 2018 maar werd zij pas op 24 oktober 2018 opgeroepen, hetgeen een termijnoverschrijding van minstens 37 dagen is. - Overeenkomstig artikel 79, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 diende zij te worden gehoord tussen de twintigste en de dertigste IX-9597-19/30 dag volgend op het aanhangig maken van het dossier bij het directiecomité. Zij diende dus uiterlijk op 7 oktober 2018 te worden gehoord maar ook deze termijn werd miskend. - Overeenkomstig artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 diende het directiecomité binnen de termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak is ingediend, een voorstel van tuchtstraf te doen en dit te betekenen binnen vijftien dagen bij ontstentenis waarvan het directiecomité geacht wordt af te zien van de tuchtprocedure. In casu diende het directiecomité tegen 7 november 2018 een voorstel van tuchtstraf te formuleren en dit uiterlijk tegen 22 november 2018 te betekenen, terwijl het tuchtvoorstel pas op 11 december 2018 werd betekend. - Overeenkomstig artikel 94, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 dient de minister een beslissing te nemen binnen vijftien dagen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep. In casu is het advies van de raad van beroep van 4 april 2019 op 23 april 2019 betekend terwijl de bestreden beslissing dateert van 23 juni 2019, hetgeen 61 dagen later is. Verzoekster rekent voor dat de tuchtbeslissing een jaar en vijf maanden op zich heeft laten wachten tijdens welke periode geen onderzoeksdaden werden verricht. Zij merkt op dat de feiten reeds werden aangeklaagd in oktober 2015 zodat er eigenlijk reeds een termijn van bijna vier jaar verstreken is. Volgens verzoekster is de redelijke termijn voor het tuchtonderzoek en om een tuchtstraf uit te spreken met zekerheid overschreden. Verzoekster stelt ten slotte nog dat in de motivering van de bestreden beslissing louter wordt gesteld dat het niet naleven van de ordetermijnen niet de nietigheid van de procedure tot gevolg heeft en dat het dossier binnen een redelijke termijn werd behandeld. Hiermee wordt echter voorbijgegaan aan de vervaltermijn bedoeld in artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en wordt evenmin gemotiveerd waarom de redelijke termijn niet zou zijn geschonden. IX-9597-20/30
  46. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster vast dat de verwerende partij nalaat om in concreto aan te duiden waarom elke termijn werd overschreden. Voorts doet zij gelden dat de termijnen van artikel 79, § 3, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 in samenhang dienen te worden gelezen. Aangezien het dossier op 7 september 2018 bij het directiecomité aanhangig werd gemaakt, diende het directiecomité tegen 7 november 2018 een voorstel van tuchtstraf te formuleren en dit op straffe van verval van de tuchtprocedure tegen uiterlijk 22 november 2018 aan haar te betekenen. In casu is het tuchtvoorstel pas op 11 december 2018 aan haar betekend.
  47. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster nogmaals dat de termijnen van artikel 79, § 3, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 in samenhang dienen te worden gelezen. Zij wijst erop dat in het tweede lid van de voornoemde bepaling gewag gemaakt wordt van een termijn van “ten hoogste” twee maanden terwijl dit voor andere ordetermijnen in het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet wordt vermeld. Verzoekster besluit hieruit dat duidelijk wordt aangestuurd op een maximale termijn van twee maanden en vijftien dagen vanaf het aanhangig maken van het dossier bij het directiecomité. Deze termijn werd niet gerespecteerd, zodat de bestreden beslissing volgens verzoekster met nietigheid is behept. Ten slotte doet verzoekster ook gelden dat de redelijke termijn in zijn geheel moet worden bekeken en niet louter gefaseerd. Beoordeling
  48. Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat een tuchtprocedure moet worden afgehandeld binnen een redelijke termijn. IX-9597-21/30 IX-9597-22/30 De redelijkheid van de termijn moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld waarbij inzonderheid rekening dient te worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen, houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van een administratie, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak.
  49. Zoals al meermaals uiteengezet, is het tuchtfeit van de huidige tuchtprocedure gelegen in het feit dat verzoekster op 1 september 2017 nog steeds geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de voorzitter van het directiecomité van 8 augustus 2017 om een einde te stellen aan het vastgestelde belangenconflict. De start van de redelijke termijn ligt – anders dan verzoekster laat uitschijnen – dus niet bij het aanklagen van het belangenconflict in oktober
  50. De tuchtoverheid heeft ten vroegste op 2 september 2017 het tuchtfeit kunnen vaststellen. Overeenkomstig artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 moet de tuchtoverheid de tuchtvordering instellen binnen zes maanden vanaf de vaststelling van de feiten. De tuchtprocedure tegen verzoekster is opgestart met de IX-9597-23/30 uitnodiging van 1 februari 2018 om te worden gehoord om tuchtredenen. De periode die voorafgaat aan het opstarten van de tuchtprocedure tegen verzoekster mag evenwel niet in aanmerking worden genomen bij het beoordelen van de redelijke termijn. De redelijke termijn geldt immers slechts aanvullend ten aanzien van een normatief geregelde termijn – zoals in casu de verjaringstermijn van zes maanden, die zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, door de verwerende partij is gerespecteerd – en het bestuur mag dan ook een dergelijke termijn ten volle benutten. 28.
  51. De eindbeslissing in de tuchtprocedure is genomen op 23 juni
  52. Dit betekent dat er tussen het opstarten van de tuchtprocedure – op 1 februari 2018 – en de eindbeslissing ongeveer een jaar en vijf maanden verstreken zijn. De vraag is of dit tijdsverloop in overeenstemming is met het vereiste van de redelijke termijn. 28.2.
  53. Vooreerst wordt opgemerkt dat in die periode van een jaar en vijf maanden ook de beroepsprocedure is doorlopen. Voorts wordt vastgesteld dat in zoverre verzoekster aanvoert dat diverse ordetermijnen zijn overschreden, sommige van die ordetermijnen zijn verstreken in een vakantieperiode of in een periode van verkiezingen, alsook dat verzoekster niet uiteenzet dat zij door die termijnoverschrijdingen in haar belangen werd geschaad. 28.2.
  54. Voor zover verzoekster in het bijzonder stelt dat de termijnen van artikel 79, § 3, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet werden gerespecteerd en meer bepaald de in die bepaling opgenomen vervaltermijn, dient te worden gewezen op wat volgt. Artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt: “Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het directiecomité is ingediend, doet deze een voorstel van IX-9597-24/30 tuchtstraf en betekent het voorstel aan de ambtenaar binnen de vijftien dagen. Bij ontstentenis van deze betekening binnen de termijn van vijftien dagen, wordt het directiecomité geacht af te zien van de procedure voor de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd.” Deze bepaling vermeldt twee termijnen; een termijn van “ten hoogste twee maanden” en een termijn van “vijftien dagen”. Op het overschrijden van de eerste termijn is geen sanctie gesteld. Het betreft een termijn van orde. De laatste termijn is daarentegen een dwingende vervaltermijn waaraan een duidelijke sanctie is gekoppeld: bij ontstentenis van een tijdige betekening “wordt het directiecomité geacht af te zien van de procedure voor de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd”. In casu werd de zaak bij het directiecomité aanhangig gemaakt op 7 september
  55. Het directiecomité formuleert op 29 november 2018 het voorstel om verzoekster de tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Op 11 december 2018 deelt de verwerende partij het voorstel aan verzoekster mee. Daarmee werd de vervaltermijn van vijftien dagen voor de betekening nageleefd. De ordetermijn van twee maanden voor het formuleren van het voorstel van tuchtstraf werd daarentegen overschreden met drie weken. Deze vertraging komt echter niet abnormaal voor. 28.
  56. In die omstandigheden mag worden besloten dat een doorlooptijd van zeventien maanden voor alle procedurestappen niet buiten het normale verwachtingspatroon valt en dat de behandeling van verzoeksters tuchtzaak, in zijn geheel bekeken, geen abnormale vertragingen heeft opgelopen, zodat van een schending van de redelijke termijn geen sprake is. Zoals verzoekster immers terecht opmerkt in haar laatste memorie, moet de naleving van de redelijke termijn allereerst in zijn geheel worden bekeken.
  57. Het vierde middel is niet gegrond. IX-9597-25/30 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  58. Het vijfde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster voert aan dat zij in elke verweernota heeft opgeworpen dat het tuchtonderzoek met nietigheden is behept. Zij verwijst naar discrepanties in het tuchtonderzoek, het niet volgen van de procedure integriteitsschending, het onwettig verkrijgen van vennootschapsdocumenten en het ontbreken van originele handtekeningen op het verslag van het administratief opsporingsonderzoek. Verzoekster betoogt dat de opgeworpen nietigheden in het tuchtvoorstel van het beheerscomité op geen enkele wijze zijn behandeld. Zo is onder meer niet gemotiveerd waarom de procedure integriteitsschending niet werd gevolgd. Hetzelfde geldt, aldus verzoekster, voor de bestreden beslissing. Haar argumenten zijn op geen enkele manier ontkracht. Voorts voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet op deugdelijke motieven is gestoeld. Zij argumenteert dat een tuchtstraf wordt opgelegd in het belang en ten behoeve van een dienst. Volgens verzoekster is er in casu geen sprake van een slechte dienstuitvoering. Haar hiërarchische meerdere is lovend over haar werk. Dit blijkt uit haar recente evaluatierapporten en wordt ook bevestigd in de eerste tuchtbeslissing. Ook in de uiteenzetting van het belangenconflict wordt de werking van de dienst geenszins ter discussie gesteld. Een aantasting van de waardigheid van het ambt wordt volgens verzoekster evenmin aangetoond. Daaromtrent betoogt zij dat het aandeelhouderschap van de bvba Practicali behoort tot haar privésfeer aangezien het een investering van spaargelden betreft. Er wordt volgens verzoekster niet afdoende gemotiveerd dat deze privésituatie een invloed heeft op het ambt. IX-9597-26/30 Verzoekster is van mening dat er geen sprake is van een belangenconflict. Zij merkt op dat het vermeende belangenconflict het voorwerp uitmaakt van een procedure bij de Raad van State gericht tegen de weigering van een cumulatiemachtiging. In de bestreden beslissing wordt, aldus verzoekster, niet geantwoord op haar argumentatie dat er geen sprake is van een belangenconflict. Verzoekster wijst er ook op dat zij sedert 1 april 2018 afwezig is, eerst met ouderschapsverlof, vervolgens met gewoon verlof en dan met loopbaanonderbreking. Zij stelt dat de werking van de dienst geenszins in het gedrang kan komen gelet op haar afwezigheid. De doelmatigheid van een tuchtsanctie – het vrijwaren van de goede werking van de dienst – wordt genegeerd doordat tijdens haar afwezigheid toch een tuchtsanctie wordt opgelegd. Ten slotte voert verzoekster aan dat in de voorafgaande adviezen die tot de bestreden beslissing hebben geleid haar argumentatie ook is genegeerd. Zo worden in het advies van de raad van beroep haar schriftelijke en haar mondelinge uiteenzetting gewoon genegeerd. De bestreden beslissing zelf is volgens verzoekster een kopie van het tuchtvoorstel van het beheerscomité met de loutere toevoeging van een standaardalinea over het belangenconflict. Volgens verzoekster noopt dit tot het besluit dat de verwerende partij niet zorgvuldig en redelijk is geweest en niet afdoende heeft gemotiveerd.
  59. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de verwerende partij in de memorie van antwoord nieuwe argumenten aanbrengt om de opgeworpen nietigheden te weerleggen, wat erop wijst dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Voorts benadrukt zij nog dat de werking van de dienst niet ter discussie wordt gesteld en dat die werking ook niet in het gedrang kan komen, gelet op haar afwezigheid. Beoordeling IX-9597-27/30
  60. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat er is geantwoord op de door verzoekster aangevoerde nietigheden. Zo is in het kader van de tuchtprocedure die geresulteerd heeft in de tuchtstraf ‘blaam’ reeds uiteengezet dat het volgen van de procedure integriteitsschending geen verplichting is en dat het niet volgen van deze procedure de regelmatigheid van de gevoerde tuchtprocedure niet aantast. De raad van beroep heeft in de huidige tuchtprocedure die tot het ontslag van ambtswege van verzoekster heeft geleid, hetzelfde standpunt ingenomen. Voorts werd in de eerste tuchtprocedure gesteld “dat de andere door de verdediging ingeroepen nietigheden, nl. het onwettig gebruik maken van vennootschapsdocumenten en het gebrek aan authenticiteit van het verslag van het opsporingsonderzoek, niet ontvankelijk zijn; dat de tenlasteleggingen immers niet gebaseerd werden op vennootschapsdocumenten maar op het geven van opleidingen en seminaries zonder over een cumulatiemachtiging te beschikken en/of tijdens dagen waarop betrokken ambtenaar in telewerk was; dat de authenticiteit van het opsporingsonderzoek niet in het gedrang komt en dat het ontbreken van sommige originele handtekeningen hierop zonder verband is”. Dit geldt uiteraard ook voor de huidige tuchtprocedure. Verzoekster had dus, mede gelet op de vorige tuchtprocedure, reeds kennis van de argumenten van de verwerende partij ter zake, zodat verzoeksters kritiek op dit punt niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing omwille van een motiveringsgebrek. Dat verzoekster niet akkoord gaat met het antwoord van de verwerende partij, houdt nog niet in dat de motiveringsplicht werd miskend.
  61. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster niet wordt gestraft voor gedragingen in haar privéleven, maar wel voor een tekortkoming aan artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  62. Voorts worden de aantasting van de waardigheid van het ambt en het belangenconflict aangetoond in het advies van 5 oktober 2015 en de verschillende weigeringen tot cumulatiemachtiging. Verzoekster kan dan ook niet op ernstige wijze beweren IX-9597-28/30 dat zij de motieven daarvan niet kende. Tevens blijkt uit die dossierstukken dat verzoeksters kritiek inzake het belangenconflict daar in aanmerking werd genomen. Dit volstaat vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, aangezien de verwerende partij er niet toe gehouden was om punt per punt op die kritiek te antwoorden.
  63. Anders dan verzoekster meent, moet niet worden vastgesteld dat de kwaliteit van verzoeksters werk in het gedrang komt alvorens een tuchtsanctie kan worden opgelegd. De werking van de dienst kan immers ook in het gedrang komen door deloyaal gedrag, een gebrek aan respect voor de overheidsorganen, perceptie bij het publiek van belangenvermenging en dergelijke meer. Verzoeksters langdurige afwezigheid is daarop niet van invloed en staat er niet aan in de weg dat verzoekster tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd.
  64. Uit hetgeen voorafgaat, uit de stukken van het administratief dossier en uit de voorgeschiedenis van de zaak, volgt dat verzoekster hoe dan ook reeds kennis had van de antwoorden van de verwerende partij op haar argumenten, evenals van de motieven van de bestreden tuchtstraf. Het normdoel van de formelemotiveringsplicht werd hoe dan ook bereikt. Verzoekster overtuigt bovendien niet ervan dat die motieven ondeugdelijk zouden zijn. Zij heeft immers ontegensprekelijk op 1 september 2017 – en ook nadien – geen gevolg gegeven aan een beslissing van een hiërarchische meerdere, hetgeen in strijd is met artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  65. Het voorgaande leidt tot het besluit dat de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen niet werden miskend.
  66. Het vijfde middel is niet gegrond. IX-9597-29/30 BESLISSING
  67. De Raad van State verwerpt het beroep.
  68. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
  69. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9597-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.