← België

Arrest 251171 - Milieuvergunningen - 30/06/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.171 Rolnummer: A. 224854/VII-40240 Zaak: Arrest 251171 - Milieuvergunningen - 30/06/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-05 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 251.171 van 30 juni 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.171 van 30 juni 2021 in de zaak A. 224.854/VII-40.240 In zake :

  1. Filip HILLEBRANT
  2. Johnny BOSSUYT
  3. Diederick MAELFEYT
  4. Agnes LAVENS
  5. Tom GYSELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem (Herzele) Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ELICIO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Vanessa McClelland kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 26 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 12 januari 2018, waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 juni 2017, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de nv Elicio voor het VII-40.240-1/15 exploiteren van een windturbinepark, gelegen aan de Roeselaarseweg te Torhout, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Elicio heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 mei
  8. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
  9. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Vanessa McClelland, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. VII-40.240-2/15 III. Feiten 3.
  11. De tussenkomende partij dient op 13 december 2016 een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een windturbinepark met twee windturbines met een vermogen van 2,6 MW en twee transfo’s, van elk 3.200 kVA, op de percelen langs de Roeselaarseweg in Torhout, kadastraal gekend als Torhout, 3de afdeling, sectie E, nrs. 567 en 596A. De aanvraag wordt ontvankelijk en volledig bevonden op 5 januari
  12. De windturbines zijn volgens het geldende gewestplan Diksmuide-Torhout gelegen in agrarisch gebied. In de nabijheid van de windturbines ligt het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP) “Afbakening kleinstedelijk gebied Torhout”, dat de aanleg van een gemengd bedrijventerrein langs de Roeselaarseweg mogelijk maakt. Er is wiekoverdraai mogelijk van windturbine WT-01 boven een perceel dat gelegen is in het PRUP en daarin bestemd is als bouwvrij agrarisch gebied. 3.
  13. Tijdens het openbaar onderzoek dat loopt van 18 januari 2017 tot en met 17 februari 2017 worden 788 bezwaren ingediend. Tevens worden adviezen ingewonnen die alle gunstig zijn, behalve het advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Torhout, dat ongunstig is. 3.
  14. Op 29 juni 2017 verleent de provincieraad van West-Vlaanderen de milieuvergunning. Tegen deze beslissing worden beroepen ingesteld bij de bevoegde minister. 3.
  15. In graad van beroep worden volgende adviezen verleend: - FOD Mobiliteit en Vervoer - Luchtvaart (24 augustus 2017): voorwaardelijk gunstig; - dienst Waterlopen van de provincie West-Vlaanderen (28 augustus 2017 en 12 september 2017): voorwaardelijk gunstig; - Vlaams Energieagentschap (19 september 2017): gunstig; VII-40.240-3/15 - afdeling Gebiedsontwikkeling, omgevingsplanning en -projecten (Milieu) van het departement Omgeving (26 september 2017): voorwaardelijk gunstig; - afdeling Gebiedsontwikkeling, omgevingsplanning en -projecten (Ruimte) van het departement Omgeving (27 september 2017): gunstig; - Agentschap voor Natuur en Bos (2 oktober 2017): gunstig. - GMVC (oktober 2017 ): voorwaardelijk gunstig. 3.
  16. Op 12 januari 2018 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de beroepen gedeeltelijk gegrond, vervangt zij het besluit van de deputatie en voegt zij bijzondere voorwaarden toe. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  17. Bij beslissing van 22 juni 2017 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij. Tegen deze beslissing worden twee beroepen ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, die bij arrest nr. RvVb-A-1819-0629 van 19 februari 2019 de beslissing vernietigt. IV. Onderzoek van het zesde middel Standpunten van de partijen
  18. In het zesde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 5.6.7, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van het PRUP “Afbakening kleinstedelijk gebied Torhout”, DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg” en van de motiveringsplicht, zoals vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zij betogen dat artikel 5.6.7, § 1, VCRO bepaalt dat een milieuvergunningsaanvraag gunstig kan worden geadviseerd en vergund kan worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor VII-40.240-4/15 zover onder meer de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift. Artikel 3 van de stedenbouwkundige voorschriften “Bouwvrij agrarisch gebied” van het PRUP “Afbakening kleinstedelijk gebied Torhout”, DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg” bepaalt: “Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw. De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de afwatering van het bedrijventerrein en de verderzetting van de fietsdoorsteek langs de spoorweg niet in het gedrang worden gebracht Volgende werken, handelingen en voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen zijn eveneens toegelaten: ● de aanleg en onderhoud van wegen voor langzaam verkeer met een maximale breedte van 3m; ● aanleggen en onderhouden van infrastructuur en leidingen voor openbaar nut en milieutechnische ingrepen kunnen worden toegelaten voor zover de schaal en de bouwkarakteristieken ervan geen fundamentele afbreuk doen aan de kwaliteiten van de bestemmingszone en mits ze qua uitbating geen abnormale hinder en/of risico betekenen voor de omgeving. ● aanleggen en onderhouden van infrastructuur voor de waterbeheersing, met inbegrip van reliëfwijzigingen, voor zover uitgevoerd volgens de principes van het integraal waterbeheer. ● aanleggen en onderhouden van infrastructuur voor de vertraagde afwatering van de noordelijk gelegen bedrijventerreinen richting de Ringaartbeek. Ter hoogte van de overdruk ‘Fluxysleiding’, aangegeven in overdruk op het grafische plan, zijn alle activiteiten die de aardgasvervoersinstallaties of de exploitatie ervan kunnen schaden, verboden binnen de 5,00m aan weerszijden van de as van de aardgastransportinstallaties. Ter hoogte van de indicatieve overdruk ‘fietsverbinding' dient een samenhangende fietsverbinding gerealiseerd te worden van minstens 2,5m breed, die Torhout met Lichtervelde verbindt. De exacte ligging kan afwijken van de indicatieve weergave, met een marge van 10m. Bij de vergunningsaanvraag voor de inrichting van het bedrijventerrein dient een inrichtingsschets gevoegd die aangeeft op welke manier de landschappelijke inpassing en de fietsverbinding wordt uitgewerkt. De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften voor het gebied”. Uit de vergelijking van de plannen bij de aanvraag met het kwestieuze PRUP blijkt volgens de verzoekende partijen duidelijk dat de aanvraag wel degelijk deels gelegen is binnen het PRUP, nu de wiek van windturbine 1 deels VII-40.240-5/15 draait binnen de zone “bouwvrij agrarisch gebied” van het DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg”. Volgens de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning is de bouwplaats echter niet gelegen binnen de contouren van het PRUP, maar dit is wel relevant voor de (stedenbouwkundige) aanvraag, aangezien het de aanleg van een bedrijventerrein langsheen de Roeselaarseweg mogelijk maakt, de voorschriften hier expliciet voorzien dat de productie van energie door middel van grootschalige windmolens niet toegelaten is, er wiekoverslag mogelijk is boven een perceel dat als bouwvrij agrarisch gebied is bestemd, en het PRUP tevens voorziet in de aanleg van een fietsverbinding langs de spoorweg. Ten onrechte gaat de betrokken beslissing ervan uit dat de bouwplaats niet gelegen is binnen de contouren van het PRUP. Gelet op de wiekoverslag dient tevens aan de planologische voorschriften van die zone te worden getoetst. In de stedenbouwkundige vergunning wordt dit als volgt gemotiveerd: “De aanvraag is niet strijdig met de voorschriften van het provinciaal RUP voor het regionaal bedrijventerrein want de aanvraag valt niet binnen de contouren van dit RUP en dient te worden afgetoetst aan de gewestplanvoorschriften voor agrarisch[e] gebieden die van toepassing zijn. De turbines hebben geen wezenlijke impact op de realisatie van het regionaal bedrijventerrein. Er is wiekoverdraai van WT-01 mogelijk boven een perceel dat volgens het PRUP bestemd is als bouwvrij agrarisch gebied, maar dit perceel wordt ook effectief niet bebouwd waardoor er geen strijdigheid is met de stedenbouwkundige voorschriften”. Gelet op de ligging van de zone van overslag binnen de zone “bouwvrij agrarisch gebied” van het DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg”, dient de aanvraag volgens de verzoekende partijen wel degelijk mee aan de voorschriften van het PRUP te worden getoetst. In de huidige bestreden beslissing wordt dienaangaande niet de minste motivering weerhouden, hetgeen volgens de verzoekende partijen op zich reeds een schending van de formelemotiveringsverplichting vormt. Bovendien kan nooit op rechtsgeldige en afdoende wijze gesteld worden dat het aangevraagde niet zou klemmen met de voorschriften van het PRUP. Of met de aanvraag de zone “bouwvrij agrarisch gebied” wordt “bebouwd”, is volgens hen ter zake niet relevant. De voorschriften bepalen dat het gebied bestemd wordt voor beroepslandbouw, en de aanvraag kadert daar niet binnen. Voorts wordt in de VII-40.240-6/15 voorschriften van het PRUP nergens de notie “bebouwing” gehanteerd bij de toegelaten “werken, handelingen en voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen”. Het aangevraagde kan ook niet worden gekwalificeerd onder “aanleggen en onderhouden van infrastructuur en leidingen van openbaar nut”, aangezien sprake is van een industriële functie. Zelfs mocht dit onder deze kwalificatie vallen, dan toetst de bestreden beslissing de aanvraag volgens de verzoekende partijen niet aan de criteria die de voorschriften formuleren voor dit soort “werken, handelingen en voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen”. De bestreden beslissing toetst de aanvraag niet aan de voorschriften van het PRUP, zodat de formelemotiveringsverplichting ook wat dit betreft geenszins werd vervuld.
  19. De verwerende partij stelt daar tegenover dat waar de formelemotiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, het voldoende is dat in de beslissing motieven worden vermeld die de beslissing kunnen dragen. Zij wijst op de overweging in het bestreden besluit dat de windturbines gelegen zijn in agrarisch gebied volgens het gewestplan “Diksmuide-Torhout”, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979, en stelt dat het vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht dan ook afdoende is dat het bestreden besluit onderzoekt of voor de windturbines die gelegen zijn in agrarisch gebied een milieuvergunning kan worden verleend overeenkomstig artikel 5.6.7, § 1, VCRO samengelezen met artikel 4.4.9 en 7.4.13, eerste lid, VCRO. De loutere kritiek van de verzoekende partijen in hun verzoekschrift voor de Raad “dat de wiek van WT-01 draait binnen de zone “bouwvrij agrarisch gebied” van het DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg”, impliceert volgens de verwerende partij niet “dat het bestreden besluit formeel had moeten motiveren waarom dat aspect irrelevant is bij het onderzoek of de milieuvergunning voor de betrokken windturbines kon worden verleend”. VII-40.240-7/15 Uit de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijkt volgens de verwerende partij dat dit effectief irrelevant is. Zij verwijst daarbij naar het arrest nr. RvVb/A/1516/1298 van 30 juni
  20. Volgens de verwerende partij dient de bestemming louter te worden getoetst aan de planvoorschriften van het gebied waar de windturbines worden verankerd in de grond. Zij verwijst eveneens naar rechtspraak van de Raad van State waarin wordt “bevestigd dat bestemmingsvoorschriften louter betrekking hebben op de bestemming van de bodem”. Dat het bestreden besluit de verenigbaarheid van de windturbines niet behoefde af te toetsen aan de zone “bouwvrij agrarisch gebied” van het DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg” geldt volgens de verwerende partij des te meer daar ook in de administratieve beroepen nergens wordt beweerd dat de verenigbaarheid van de windturbines ook aan dit DeelRUP zou moeten worden getoetst “omdat de wiek van WT-01 over die zone kan draaien”.
  21. De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de argumentatie van de verwerende partij en voegt eraan toe dat een en ander niet betekent dat het RUP geen belang heeft voor de voorliggende aanvraag. Er moet nog steeds worden onderzocht of de wiekoverdraai geen onaanvaardbare impact heeft op het aanpalende bestemmingsgebied, maar dit gebeurde volgens haar ook daadwerkelijk. Het bouwvrij karakter van het gebied blijft gevrijwaard, en er valt volgens haar niet in te zien hoe een wiekoverdraai het agrarisch doel in het gedrang zou brengen.
  22. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie toe dat, anders dan wat betreft de beoordeling van de milieutechnische impact op het nabijgelegen bouwvrije agrarisch gebied, geen toetsing aan de planologische stedenbouwkundige voorschriften van het RUP diende te gebeuren. Het is volgens de verwerende partij niet omdat het PRUP de plaatsing van windmolens verbiedt VII-40.240-8/15 vanuit de eigen logica van het bedrijventerrein, dat dit impliceert dat buiten het bedrijventerrein windturbines uitgesloten zijn.
  23. De tussenkomende partij voegt in haar laatste memorie toe dat aan alle voorwaarden is voldaan opdat een motivering door verwijzing aanvaardbaar zou zijn. Te dezen wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwezen naar de lokalisatienota. In die nota wordt de ruimtelijke en planologische aanvaardbaarheid van het project uitgebreid gemotiveerd, zodat hierover geen twijfel kan bestaan. Met betrekking tot het clusteringsprincipe wordt onder meer gesteld dat in de betrokken zone de twee turbines (zoals destijds de drie turbines) als geclusterd met het stedelijk gebied en zijn infrastructuur ervaren zullen worden, “wat conform de Omzendbrief is”. Het loutere gegeven dat in de omzendbrief sprake is van clusters van drie windturbines, betekent nog niet dat clusters van twee windturbines onaanvaardbaar zouden zijn. Zij betwist dat de motivering die in de bestreden beslissing wordt gegeven een “loutere stijlclausule” zou zijn en stelt dat de beoordeling waarbij de lokalisatienota expliciet wordt bijgetreden zowel wat betreft het clusteringsprincipe als wat betreft het bundelingsprincipe in concreto is gebeurd. Wat de planologische toets en de wiekoverdraai betreft, betwist de tussenkomende partij dat er in de bestreden beslissing rekening diende te worden gehouden met het DeelRUP “Gemengd regionaal bedrijventerrein Roeselaarseweg”. Zij ontkent niet dat er gedeeltelijke wiekoverdraai zal plaatsvinden over de bouwvrije agrarische zone, maar uit de concrete omstandigheden hiervan leidt zij af dat de wiekoverslag geen verplichting doet ontstaan tot planologische toetsing aan het betrokken PRUP. Zij wijst erop dat slechts een beperkt deeltje van de wieken over de bouwvrije agrarische zone zal draaien, en dat de wiekoverdraai van beperkte duur is. VII-40.240-9/15 Beoordeling
  24. In de bestreden beslissing wordt volgende motivering gegeven met betrekking tot de stedenbouwkundige toetsing van de aanvraag: “Overwegende dat de windturbines ingeplant worden in agrarisch gebied; dat de windturbines geen aanzienlijke impact hebben op de landbouwfunctie; dat de windturbines niet gelegen zijn in de buurt van een ankerplaats, beschermd landschap of beschermd dorps- of stadsgezicht; dat de windturbines aansluiten bij een spoorlijn, de gewestweg N32 en een te ontwikkelen bedrijvenzone; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten zijn op het landschap; Overwegende dat de windturbines verafgelegen zijn van erkende natuurgebieden; dat de windturbines niet gelegen zijn in een belangrijk vogelgebied en ook niet langs vogeltrekroutes; dat in de onmiddellijke omgeving geen vleermuizenpopulaties zijn waargenomen; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten op de natuurwaarden in de buurt zijn; […] Overwegende dat de windturbines gelegen zijn in agrarisch gebied; dat agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden alleen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven, mogen bevatten; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met een industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts opgericht mogen worden op ten minste 300 meter van een woongebied of op ten minste 100 meter van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstanden van 300 meter en 100 meter niet gelden in het geval van een uitbreiding van een bestaand bedrijf; dat de aanvraag niet in overeenstemming is met het geldend gewestplan; Overwegende dat artikel 4.4.9 van de VCRO voorziet in de mogelijkheid om bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning voor windturbines en windturbineparken in een gebied dat sorteert onder de voorschriften van een gewestplan, af te wijken van de bestemmingsvoorschriften, indien het aangevraagde kan worden vergund op grond van de voor de vergelijkbare categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding bepaalde standaardtype-bepalingen, vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen; dat overeenkomstig artikel 7.4.13, eerste lid, van de VCRO, het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied concordeert met de standaardtypebepaling voor het gebied landbouw; dat voormelde standaardtypebepaling windturbines toelaat voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; dat dit moet worden aangetoond in een lokalisatienota waarin de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en VII-40.240-10/15 landschappelijke kwaliteiten moeten worden beschreven en geëvalueerd; dat deze bepaling de principiële rechtsgrond biedt voor de exploitatie; Overwegende dat artikel 4.3.1, §2, van de VCRO de beginselen bepaalt die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de basis voor een verantwoorde inplantingswijze met betrekking tot windturbineprojecten is vervat in het bundelingsprincipe en het optimalisatieprincipe; dat moet worden gestreefd naar een ruimtelijke concentratie van windturbines in en bij de als prioritaire zoekgebieden omschreven industriegebieden, zijnde grootschalige bedrijventerreinen en economische poorten; dat anderzijds projecten ook ruimtelijk verantwoord geacht worden als zij aantakken bij voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren; dat de windturbines geplaatst worden langs de gewestweg N32 en een spoorlijn; dat de N32 een drievaksweg is met pechstroken en fietspaden, langs beide zijden omzoomd door een bomenrij; dat de spoorlijn bestaat uit een dubbel spoor op een talud omgeven door struiken en bomen; dat de windturbines aansluiten op het stedelijk gebied Torhout en het nieuwe regionaal bedrijventerrein; dat de koppeling met alleen de historisch aanwezige gewestweg en de spoorlijn onvoldoende is; dat echter het geheel van deze lijninfrastructuren die hier historisch aanwezig zijn, samen met de hiermee gelinkte ontwikkeling van het bedrijventerrein als voldoende structurerend moet worden beschouwd voor dit beperkte project van twee windturbines; Overwegende dat de omgeving landelijk versnipperd is door verspreide bebouwing, de kernen Torhout en Lichtervelde, verschillende woonconcentraties, bestaande en geplande bedrijvenzones, de gewestweg N32 en de dubbele spoorlijn op een talud; dat ter hoogte van de projectzone een grootschalig landbouwbedrijf met mestverwerkingsinstallatie is gelegen; Overwegende dat de afbakeningslijn van het kleinstedelijk gebied op circa 190 meter van de meest noordelijke windturbines is gelegen; dat bijgevolg het windpark ruimtelijk-landschappelijk aansluit bij dit stedelijk gebied; dat de inplanting, parallel aan de gewestweg en de spoorweg, de historische landschappelijke structurering tussen Torhout en Roeselare accentueert; dat door het bundelen van de windturbines de resterende open ruimte in het sterk verstedelijkt Vlaanderen wordt gegarandeerd; Overwegende dat in de lokalisatienota wordt aangegeven dat het project de betreffende projectzone optimaal benut, rekening houdende met de ruimtelijke en landschappelijke mogelijkheden en de (milieu)technische randvoorwaarden; dat de realisatie van een derde windturbine niet mogelijk is; Overwegende dat traagdraaiende windturbines als statiger en minder storend worden ervaren dan sneldraaiende windturbines; dat de kleur van de windturbines gebroken wit of grijs is, wat passend is in de omgeving; dat de wieken voorzien zijn van een speciale coating die lichtflikkeringen of -weerkaatsing vermijdt; dat windturbines vanop een afstand als naaldvormig worden ervaren met minder visuele impact; dat de transparantie van het ter plaatse toch aangetaste landschap net door deze naaldvormige mast amper beïnvloed wordt; Overwegende dat de windturbines voorzien worden in agrarisch gebied; dat het project amper impact heeft op de landbouwfunctie; VII-40.240-11/15 Overwegende dat uit bovenstaande overwegingen in het kader van de milieutechnische evaluatie de hinder en de externe risico’s tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt; Overwegende dat op basis van bovenstaande overwegingen moet worden gesteld dat, gelet op de verschillende beginselen zoals opgenomen in artikel 4.3.1, §2, van de VCRO, de aanvraag verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening; Overwegende dat conform artikel 5.6.7, §1, van de VCRO een milieuvergunningsaanvraag vergund kan worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: 1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund; dat aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”.
  25. Bij het uitvoeren van de planologisch-stedenbouwkundige toets van een project moet de vergunningverlenende overheid in beginsel uitgaan van de inrichting in haar geheel. De rotor en de wieken van een windturbine moeten worden beschouwd als een substantieel en evident noodzakelijk onderdeel van de turbine, die immers op die manier gebruik maakt van het element wind om stroom en energie te produceren. Van de ruimtelijke locatie van die rotor en de wieken kan derhalve geen abstractie worden gemaakt om de planologische verenigbaarheid van een windturbine te evalueren. De verwerende en de tussenkomende partij gaan er ten onrechte van uit dat enkel de “footprint” van een mast, zijnde de locatie waar de constructie materieel de grond raakt, relevant is voor het uitvoeren van de planologische toets van een windturbineproject. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat er een stedenbouwkundige toetsing van de aanvraag plaatsvindt, hoewel de wieken van een van de betreffende windturbines zich binnen het plangebied van dit PRUP kunnen bevinden. Gelet op de eenheid van inrichting van deze windturbine, die VII-40.240-12/15 zowel de mast als de wieken omvat, raakt deze bijgevolg tevens het PRUP, met name een bouwvrij agrarisch gebied, en dient hier tevens vanuit stedenbouwkundig oogpunt een toetsing plaats te vinden. Dat die toetsing niet is gebeurd klemt des te meer nu de stedenbouwkundige vergunning door de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd vernietigd. De poging van de tussenkomende partij om de impact van de overdraaiende wieken te minimaliseren als “zeer beperkt van aard” en slechts tijdelijk, stelt de verwerende partij niet vrij van het verplicht onderzoek of de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Het zesde middel is gegrond. V. Kosten
  26. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  27. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve VII-40.240-13/15 werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
  28. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 12 januari 2018, waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 juni 2017, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de nv Elicio voor het exploiteren van een windturbinepark, gelegen aan de Roeselaarseweg te Torhout, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
  29. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  30. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. De onterecht betaalde bijdrage van 80 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. VII-40.240-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.240-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.