id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.184 Rolnummer: A. 227337/VII-40484 Zaak: Arrest 251184 - Natuurbehoud - Vergunningen - 01/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.184 van 1 juli 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.184 van 1 juli 2021 in de zaak A. 227.337/VII-40.484 In zake : Diane BELLEMANS-SAMSON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van de stilzwijgende verwerping door de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot van 29 januari 2018 houdende het verlenen aan Jan Verlinden van de natuurvergunning voor het wijzigen van een permanent grasland, gelegen aan de Binneweg 68 te Langdorp. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. VII-40.484-1/8 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 juni
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 7 maart 2017 dient Jan Verlinden, namens de cvba Ballmore, bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot een aanvraag in voor het wijzigen van een permanent grasland en akker, gelegen aan de Binneweg 68 te Langdorp (Aarschot), kadastraal gekend als afdeling 4, sectie D, nrs. 336G, 336H, 336I, 336K en 337 (thans nrs. 336M en 337A). 3.
- Bij besluit van 29 januari 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot de gevraagde natuurvergunning onder voorwaarden. 3.
- Tegen deze vergunningsbeslissing stelt verzoekster op 7 maart 2018 bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. VII-40.484-2/8 3.
- Op 10 december 2018 deelt de deputatie aan verzoekster het volgende mee: “De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant nam geen beslissing inzake dit dossier binnen de voorziene termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroep. Dit betekent dat cf. art. 16 § 6 van het BVR van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, de aangevraagde vergunning waartegen beroep werd ingesteld, geacht wordt te zijn bekomen”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat haar bevoegdheid tot het nemen van een nieuwe beslissing over het bestuurlijke beroep hoe dan ook is uitgeput door het verstrijken van de decretale beslissingstermijn, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing verzoekster geen voordeel kan opleveren. De gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing zou volgens de verwerende partij enkel kunnen leiden tot een nieuwe stilzwijgende verwerping van het beroep.
- In haar memorie van wederantwoord preciseert verzoekster dat de verwijzing naar een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) niet dienstig is omdat daarin sprake was van een vergunningsbeslissing genomen buiten de wettelijke termijn, terwijl het in voorliggende zaak gaat over een stilzwijgende beslissing. Voorts benadrukt zij dat uit het verzoekschrift haar belang voldoende duidelijk blijkt. VII-40.484-3/8 Beoordeling
- Uit de samenlezing van de artikelen 113, 231, tweede lid, en 237, 5°, van het decreet van 8 december 2017 ‘houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving’, volgt dat de natuurvergunningsaanvraag in kwestie moet worden behandeld volgens de procedureregels van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: decreet van 21 oktober 1997), zoals die golden op het ogenblik van indiening van de aanvraag, in dit geval 7 maart
- De procedureregels van het decreet van 21 oktober 1997 werden uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 ‘tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: besluit Natuurbehoud). Artikel 19, § 1, tweede lid, van het besluit Natuurbehoud, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalde dat “[i]ndien er binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van ontvankelijk verklaring van het beroepsschrift geen uitspraak is gedaan” over het administratief beroep, dit beroep wordt “geacht te zijn verworpen”.
- De thans bestreden beslissing vormt derhalve een stilzwijgende afwijzende beslissing die via een wettelijke fictie, ingesteld door het aangehaalde artikel 19 van het besluit Natuurbehoud, tot stand is gekomen ingevolge het stilzitten van de administratieve overheid. Indien die stilzwijgende afwijzende beslissing door de Raad van State wordt vernietigd, wordt de verwerende partij teruggeplaatst in de verplichting om zich opnieuw, ditmaal in uitdrukkelijke bewoordingen, uit te spreken over het door verzoekster ingestelde bestuurlijk beroep. De verwijzing door de verwerende partij naar het arrest van de RvVb nr. RvVb/A/1617/0580 van 21 februari 2017 is niet dienstig. Anders dan in VII-40.484-4/8 die zaak het geval was, is er in voorliggende zaak immers geen sprake van een uitdrukkelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid.
- Verzoekster stelt dat zij eigenares is van het aanpalende perceel waar ook haar woning is gelegen. Zij beroept zich op visuele hinder doordat “een hele haag van bomen” werd geplaatst tussen haar perceel en dat van de aanvrager, waardoor het “open karakter” van het gebied wordt aangetast. Haar betoog wordt ondersteund door fotomateriaal dat door de verwerende partij niet wordt tegengesproken. Verzoekster doet aldus blijken van een voldoende persoonlijk belang.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster wijst erop dat de overheid in het kader van een georganiseerd bestuurlijk beroep ertoe gehouden is om zich over de beroepsargumenten uit te spreken. De verwerende partij heeft evenwel nagelaten om binnen de daartoe wettelijk voorziene termijn uitdrukkelijk standpunt in te nemen en heeft op geen enkele wijze geantwoord op de haar opgeworpen grieven.
- De verwerende partij antwoordt dat, in zoverre het annulatieberoep ontvankelijk is, zij zich wat betreft de gegrondheid van het tweede middel gedraagt naar de wijsheid van de Raad. VII-40.484-5/8 Beoordeling
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Zij moeten kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig zijn. Zij moeten de beslissing dus rechtens kunnen dragen en verantwoorden. Bij het onderzoek van de vraag naar de materiëlemotivering van de bestreden beslissing moet de Raad van State derhalve onderzoeken of de concrete gegevens van het dossier de vermelde motieven op een deugdelijke wijze onderbouwen.
- Artikel 19, § 1, van het besluit Natuurbehoud bepaalt in zijn historisch toepasselijke versie: “Binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van ontvankelijk verklaring van het beroep wordt er uitspraak gedaan over het beroep. Deze uitspraak omvat een beslissing over de aanspraken of bezwaren die door de indiener van het beroep werd gesteld. Indien er binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van ontvankelijk verklaring van het beroepsschrift geen uitspraak is gedaan, wordt het beroep geacht te zijn verworpen”. Uit voormelde bepaling volgt dat, bij gebrek aan een beslissing binnen de gestelde termijn, een impliciet afwijzende beslissing tot stand komt die als administratieve rechtshandeling onderworpen is aan de controle van de Raad van State. Het wettigheidstoezicht van de Raad van State omvat niet alleen de naleving, door de administratieve overheid, van de toepasselijke wettelijke bepalingen, maar ook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen vereisen onder meer dat de beslissing gesteund is op motieven waarvan het bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. VII-40.484-6/8
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot van 29 januari 2018 beroep heeft ingesteld, waarbij onder meer werd aangevoerd dat de natuurvergunningsaanvraag onverenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften en er geen openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden. In dit geval betreft het bestreden besluit een impliciete beslissing, die geen formele motivering bevat. Evenmin is in het administratief dossier enige motivering terug te vinden. Aldus kan de Raad van State niet beoordelen op grond waarvan de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, in weerwil van de door verzoekster in de administratieve beroepsprocedure aangehaalde argumenten, de stilzwijgende beslissing tot verwerping van het beroep steunt.
- Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de stilzwijgende verwerping door de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot van 29 januari 2018 houdende het verlenen aan Jan Verlinden van de natuurvergunning voor het wijzigen van een permanent grasland, gelegen aan de Binneweg 68 te Langdorp.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. VII-40.484-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.484-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div