id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.185 Rolnummer: A. 225280/VII-40282 Zaak: Arrest 251185 - Milieuvergunningen - 01/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.185 van 1 juli 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.185 van 1 juli 2021 in de zaak A. 225.280/VII-40.282 In zake : 1. Willem VANDEWEYER 2. Theo JORIS 3. Johan NEL 4. Goedele EYCKMANS 5. de VZW NATUURPUNT OOST-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Ivan MOONEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 augustus 2017, houdende het verlenen aan Ivan Moonen van de milieuvergunning voor het VII-40.282-1/13 exploiteren van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 243.255 van 18 december 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter De Roover, die loco advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sebastian Ben Abdessalem, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-40.282-2/13 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 7 februari 2017 dient Ivan Moonen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een pluimveehouderij met 81.312 kippen, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest. Het betrokken perceel is volgens het gewestplan Aarschot-Diest gesitueerd in agrarisch gebied. 3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden 264 bezwaarschriften ingediend. 3.3. Bij besluit van 17 augustus 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning onder voorwaarden. 3.4. Tegen dit besluit stellen onder meer de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu. 3.5. Na de nodige adviezen te hebben ingewonnen, verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw met een besluit van 15 maart 2018 het beroep ongegrond en bevestigt zij de verleende milieuvergunning. Dit is de bestreden beslissing. VII-40.282-3/13 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2, §§ 6 en 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit), van de artikelen 11, § 1, en 12, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 5, § 2 en § 3, 2°, en 30bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het tweede onderdeel van het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de project-MER-screeningsnota onvoldoende informatie verschaft over de effecten van het betrokken project op de nabijgelegen natuurreservaten, het landschap en het onroerend erfgoed, dat in die nota evenmin de effecten van de grondwaterwinning worden onderzocht en de stof- en geuremissies in kaart worden gebracht met het verouderde IFDM-PC model dat bovendien niet kan worden gebruikt voor het modelleren van pluimveestallen. De nota is niet opgesteld conform de criteria van bijlage II bij het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) en geeft een vertekend beeld van de hinderaspecten. Op basis van de nota kan niet worden besloten dat de hinder van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Een en ander vindt volgens de verzoekende partijen bevestiging in de adviezen van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en - projecten en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Aangezien het onmogelijk was om een correct beeld te vormen van de hinderaspecten, kon geen milieuvergunning worden verleend en de motivering in de bestreden beslissing is op dat vlak niet afdoende. VII-40.282-4/13 5. De tussenkomende partij vestigt er vooreerst de aandacht op dat zowel de in eerste aanleg betrokken adviesinstanties als de deputatie van oordeel waren dat de project-MER-screeningsnota volledig was. Het screeningsformulier werd op volledige wijze ingevuld: de handleiding ‘intensieve veeteelt’ verplicht niet tot het toevoegen van kaartmateriaal, de relictzone werd niet opgenomen wegens niet relevant, de opname in de landschapsatlas heeft daarenboven geen juridisch bindende gevolgen, en een passende beoordeling was volgens het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos niet vereist. Voorts blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de verwerende partij oog heeft gehad voor alle hinderaspecten, die aspecten zeer uitvoerig heeft onderzocht, en de uitgangspunten en cijfermatige gegevens heeft getoetst en uiteindelijk correct heeft bevonden. Met betrekking tot de aanwezige natuurwaarden, wijst de tussenkomende partij erop dat de natuurreservaten in de omgeving van de inrichting geen bijzondere bescherming genieten en dat het meest nabijgelegen habitatrichtlijngebied en VEN-gebied gelegen is op een afstand van meer dan 850 meter, zodat er geen sprake kan zijn van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. De in het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos aanbevolen voorwaarden, zijn niet noodzakelijk en vormen geen beletsel opdat de gevraagde milieuvergunning kan worden verleend. Aangaande de foutieve informatie over de grondwaterwinning, volstaat de tussenkomende partij met een verwijzing naar het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij. 6. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid niet meebrengt dat leemtes in het aanvraagdossier kunnen worden aangevuld. Beoordeling 7. Het wordt niet betwist dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het project-MER-besluit, waarin de categorieën van projecten worden opgesomd waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2bis en § 3bis, DABM een project-MER of een project-MER-screeningsnota moet worden opgesteld. De VII-40.282-5/13 project-MER-screeningsnota wordt in artikel 1, 5°, van het project-MER-besluit omschreven als “een document waarin van een voorgenomen project wordt aangegeven of er aanzienlijke effecten voor mens en milieu te verwachten zijn”. De MER-screening houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet a priori kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. 8. In het ongunstig advies van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van 7 december 2017 wordt onder meer overwogen dat “de ligging vlakbij natuurreservaten en de ruimschootse overschrijding van de IPPC drempel een duidelijke indicatie is om diepgaander te screenen; dat, conform de handleiding intensieve veeteelt van de dienst MER, in zulke gevallen een uitgebreidere screening inzake de relevante aspecten noodzakelijk is; dat niet kan worden volstaan door louter het invullen van het screeningsformulier”, dat “indien de drempels van bijlage I worden benaderd en het een nieuw bedrijf of een aanzienlijke uitbreiding betreft en het bedrijf grenst aan gevoelig gebied (bijvoorbeeld bewoning of natuurgebied) een project-MER eerder aangewezen kan zijn dan een loutere project-m.e.r.-screening”, dat de project-MER-screening “geen kaart noch informatie over de effecten van voorliggend project op voor de natuur waardevolle gebieden bevat; […] dat bij de exploitatie van een intensief veeteeltbedrijf mogelijke betekenisvolle negatieve effecten op deze natuurreservaten door vermesting en verzuring kunnen verwacht worden; dat deze mogelijke betekenisvolle effecten hadden onderzocht en beschreven moeten worden in de project-m.e.r.-screening”, dat de screening evenmin een “kaart noch informatie over de effecten van voorliggend project op het landschap of onroerend erfgoed bevat; […] dat de mogelijke betekenisvolle effecten hadden onderzocht en beschreven moeten worden in de project-m.e.r.-screening” en dat “in de project-m.e.r.-screening wordt verwezen naar bijlage F5; dat in deze bijlage wel het aangevraagde debiet van 6.854 m³/jaar wordt vermeld maar dat de potentiële effecten van de gevraagde winning niet worden besproken; dat door het ontbreken van correcte informatie in de m.e.r.-screening het onderzoek naar de mogelijke effecten van de grondwaterwinning niet kan steunen op juiste gegevens; dat een onderzoek naar de VII-40.282-6/13 mogelijke effecten van deze diepe grondwater nochtans relevant is gezien de aangevraagde winning zich bevindt in het grondwaterlichaam BLKS_0400_GWL_2s met een slechte kwantitatieve toestand gelegen in het waakgebied van het Oligoceen Aquifersysteem”. De conclusie van het advies luidt dat “door het ontbreken van informatie betreffende natuur en erfgoedwaarden en de foutieve informatie inzake de grondwaterwinning in de project-m.e.r.-screening niet kan worden geconcludeerd dat een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”, zodat “de aangevraagde milieuvergunning bijgevolg niet verleend kan worden”. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie neemt die overwegingen over in haar ongunstig advies van 11 januari 2018. In het bestreden besluit wordt omtrent de project-MER-screening overwogen: “Overwegende dat door het benaderen van de MER-drempel van 85.000 plaatsen voor slachtkippen, overeenkomstig de handleiding intensieve veeteelt van de dienst Mer van 11 maart 2013, het voorzichtigheidsprincipe en een verhoogde motiveringsplicht van toepassing zijn; dat in deze handleiding volgende criteria zijn opgenomen die de noodzakelijkheid van de diepgang van een project-m.e.r.-screeningsnota bepalen: - ligging in of nabij gevoelig gebied inzake natuur (SBZ, VEN, natuurreservaten); - ligging in of nabij woongebied; - een nieuw bedrijf; - grootte van het bedrijf (indicatie: IPPC drempels); - cumulatie met andere projecten in de omgeving; dat de IPPC-drempel voor pluimveehouderijen 40.000 plaatsen voor pluimvee betreft (rubriek 6.6.a); dat deze drempel bijgevolg met meer dan 100% wordt overschreden; dat het Vlaams Natuurreservaat ‘Vallei van de drie beken’ grenst aan de perceelgrens en dat op circa 150 meter ten zuiden van de perceelgrens het erken natuurreservaat ‘Vallei van de Zwarte beek’ is gelegen; dat de ligging vlakbij natuurreservaten, de overschrijding van de IPPC-drempel en het feit dat het een nieuwe inrichting betreft, duidelijke indicaties zijn om diepgaander te screenen; dat de handleiding intensieve veeteelt van de dienst MER in zulke gevallen een uitgebreidere screening inzake de relevante aspecten aanraadt; Overwegende dat de dienst Milieueffectrapportage (Mer) van de afdeling GOP op 24 november 2017 een subadvies formuleerde; dat van rechtswege de opmaak van een MER niet verplicht is, omdat het aangevraagde VII-40.282-7/13 dierenaantal onder de drempel van rubriek 21 van bijlage I van het MER-besluit ligt; dat rubriek 1, e, van bijlage II van het MER-besluit niet van toepassing is, omwille van de ligging in agrarisch gebied; dat voor deze inrichting mer-plicht geldt omwille van rubriek 1, e, van bijlage III, waardoor er minstens een project-m.e.r.-screening moet uitgevoerd worden; dat de dienst MER vaststelde dat de IPPC-drempels overschreden worden, dat de drempelwaarde van bijlage I van het MER-besluit wordt benaderd en dat er gevoelige locaties in de nabije omgeving gelegen zijn; dat de dienst MER niet bevoegd is om uitspraak te doen over de beslissing of er al dan niet een MER moet opgemaakt worden; Overwegende dat een project-m.e.r.-screening werd uitgevoerd; dat de dienst Mer in zijn advies van 24 november 2017 stelt dat de opmaak van een MER niet verplicht is; dat volgens het advies in de ‘interpretatiehandleiding Intensieve Veeteelt’ wordt aangeraden bij dergelijke inrichtingen een uitgebreide project-m.e.r.-screening uit te voeren; Overwegende dat in de handleiding intensieve veeteelt van de dienst Mer eveneens wordt opgemerkt dat wanneer het aantal dieren op een bedrijf de grenzen van rubriek 21 van bijlage I (85.000 stuks pluimvee) benadert (in casu 81.312 stuks pluimvee), men in eerste instantie zou verwachten dat het bedrijf valt onder rubriek 1,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.