← België

Arrest 251185 - Milieuvergunningen - 01/07/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.185 Rolnummer: A. 225280/VII-40282 Zaak: Arrest 251185 - Milieuvergunningen - 01/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.185 van 1 juli 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.185 van 1 juli 2021 in de zaak A. 225.280/VII-40.282 In zake : 1. Willem VANDEWEYER 2. Theo JORIS 3. Johan NEL 4. Goedele EYCKMANS 5. de VZW NATUURPUNT OOST-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Ivan MOONEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 augustus 2017, houdende het verlenen aan Ivan Moonen van de milieuvergunning voor het VII-40.282-1/13 exploiteren van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 243.255 van 18 december 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter De Roover, die loco advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sebastian Ben Abdessalem, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-40.282-2/13 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 7 februari 2017 dient Ivan Moonen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een pluimveehouderij met 81.312 kippen, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest. Het betrokken perceel is volgens het gewestplan Aarschot-Diest gesitueerd in agrarisch gebied. 3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden 264 bezwaarschriften ingediend. 3.3. Bij besluit van 17 augustus 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning onder voorwaarden. 3.4. Tegen dit besluit stellen onder meer de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu. 3.5. Na de nodige adviezen te hebben ingewonnen, verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw met een besluit van 15 maart 2018 het beroep ongegrond en bevestigt zij de verleende milieuvergunning. Dit is de bestreden beslissing. VII-40.282-3/13 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2, §§ 6 en 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit), van de artikelen 11, § 1, en 12, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 5, § 2 en § 3, 2°, en 30bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het tweede onderdeel van het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de project-MER-screeningsnota onvoldoende informatie verschaft over de effecten van het betrokken project op de nabijgelegen natuurreservaten, het landschap en het onroerend erfgoed, dat in die nota evenmin de effecten van de grondwaterwinning worden onderzocht en de stof- en geuremissies in kaart worden gebracht met het verouderde IFDM-PC model dat bovendien niet kan worden gebruikt voor het modelleren van pluimveestallen. De nota is niet opgesteld conform de criteria van bijlage II bij het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) en geeft een vertekend beeld van de hinderaspecten. Op basis van de nota kan niet worden besloten dat de hinder van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Een en ander vindt volgens de verzoekende partijen bevestiging in de adviezen van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en - projecten en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Aangezien het onmogelijk was om een correct beeld te vormen van de hinderaspecten, kon geen milieuvergunning worden verleend en de motivering in de bestreden beslissing is op dat vlak niet afdoende. VII-40.282-4/13 5. De tussenkomende partij vestigt er vooreerst de aandacht op dat zowel de in eerste aanleg betrokken adviesinstanties als de deputatie van oordeel waren dat de project-MER-screeningsnota volledig was. Het screeningsformulier werd op volledige wijze ingevuld: de handleiding ‘intensieve veeteelt’ verplicht niet tot het toevoegen van kaartmateriaal, de relictzone werd niet opgenomen wegens niet relevant, de opname in de landschapsatlas heeft daarenboven geen juridisch bindende gevolgen, en een passende beoordeling was volgens het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos niet vereist. Voorts blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de verwerende partij oog heeft gehad voor alle hinderaspecten, die aspecten zeer uitvoerig heeft onderzocht, en de uitgangspunten en cijfermatige gegevens heeft getoetst en uiteindelijk correct heeft bevonden. Met betrekking tot de aanwezige natuurwaarden, wijst de tussenkomende partij erop dat de natuurreservaten in de omgeving van de inrichting geen bijzondere bescherming genieten en dat het meest nabijgelegen habitatrichtlijngebied en VEN-gebied gelegen is op een afstand van meer dan 850 meter, zodat er geen sprake kan zijn van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. De in het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos aanbevolen voorwaarden, zijn niet noodzakelijk en vormen geen beletsel opdat de gevraagde milieuvergunning kan worden verleend. Aangaande de foutieve informatie over de grondwaterwinning, volstaat de tussenkomende partij met een verwijzing naar het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij. 6. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid niet meebrengt dat leemtes in het aanvraagdossier kunnen worden aangevuld. Beoordeling 7. Het wordt niet betwist dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het project-MER-besluit, waarin de categorieën van projecten worden opgesomd waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2bis en § 3bis, DABM een project-MER of een project-MER-screeningsnota moet worden opgesteld. De VII-40.282-5/13 project-MER-screeningsnota wordt in artikel 1, 5°, van het project-MER-besluit omschreven als “een document waarin van een voorgenomen project wordt aangegeven of er aanzienlijke effecten voor mens en milieu te verwachten zijn”. De MER-screening houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet a priori kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. 8. In het ongunstig advies van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van 7 december 2017 wordt onder meer overwogen dat “de ligging vlakbij natuurreservaten en de ruimschootse overschrijding van de IPPC drempel een duidelijke indicatie is om diepgaander te screenen; dat, conform de handleiding intensieve veeteelt van de dienst MER, in zulke gevallen een uitgebreidere screening inzake de relevante aspecten noodzakelijk is; dat niet kan worden volstaan door louter het invullen van het screeningsformulier”, dat “indien de drempels van bijlage I worden benaderd en het een nieuw bedrijf of een aanzienlijke uitbreiding betreft en het bedrijf grenst aan gevoelig gebied (bijvoorbeeld bewoning of natuurgebied) een project-MER eerder aangewezen kan zijn dan een loutere project-m.e.r.-screening”, dat de project-MER-screening “geen kaart noch informatie over de effecten van voorliggend project op voor de natuur waardevolle gebieden bevat; […] dat bij de exploitatie van een intensief veeteeltbedrijf mogelijke betekenisvolle negatieve effecten op deze natuurreservaten door vermesting en verzuring kunnen verwacht worden; dat deze mogelijke betekenisvolle effecten hadden onderzocht en beschreven moeten worden in de project-m.e.r.-screening”, dat de screening evenmin een “kaart noch informatie over de effecten van voorliggend project op het landschap of onroerend erfgoed bevat; […] dat de mogelijke betekenisvolle effecten hadden onderzocht en beschreven moeten worden in de project-m.e.r.-screening” en dat “in de project-m.e.r.-screening wordt verwezen naar bijlage F5; dat in deze bijlage wel het aangevraagde debiet van 6.854 m³/jaar wordt vermeld maar dat de potentiële effecten van de gevraagde winning niet worden besproken; dat door het ontbreken van correcte informatie in de m.e.r.-screening het onderzoek naar de mogelijke effecten van de grondwaterwinning niet kan steunen op juiste gegevens; dat een onderzoek naar de VII-40.282-6/13 mogelijke effecten van deze diepe grondwater nochtans relevant is gezien de aangevraagde winning zich bevindt in het grondwaterlichaam BLKS_0400_GWL_2s met een slechte kwantitatieve toestand gelegen in het waakgebied van het Oligoceen Aquifersysteem”. De conclusie van het advies luidt dat “door het ontbreken van informatie betreffende natuur en erfgoedwaarden en de foutieve informatie inzake de grondwaterwinning in de project-m.e.r.-screening niet kan worden geconcludeerd dat een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”, zodat “de aangevraagde milieuvergunning bijgevolg niet verleend kan worden”. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie neemt die overwegingen over in haar ongunstig advies van 11 januari 2018. In het bestreden besluit wordt omtrent de project-MER-screening overwogen: “Overwegende dat door het benaderen van de MER-drempel van 85.000 plaatsen voor slachtkippen, overeenkomstig de handleiding intensieve veeteelt van de dienst Mer van 11 maart 2013, het voorzichtigheidsprincipe en een verhoogde motiveringsplicht van toepassing zijn; dat in deze handleiding volgende criteria zijn opgenomen die de noodzakelijkheid van de diepgang van een project-m.e.r.-screeningsnota bepalen: - ligging in of nabij gevoelig gebied inzake natuur (SBZ, VEN, natuurreservaten); - ligging in of nabij woongebied; - een nieuw bedrijf; - grootte van het bedrijf (indicatie: IPPC drempels); - cumulatie met andere projecten in de omgeving; dat de IPPC-drempel voor pluimveehouderijen 40.000 plaatsen voor pluimvee betreft (rubriek 6.6.a); dat deze drempel bijgevolg met meer dan 100% wordt overschreden; dat het Vlaams Natuurreservaat ‘Vallei van de drie beken’ grenst aan de perceelgrens en dat op circa 150 meter ten zuiden van de perceelgrens het erken natuurreservaat ‘Vallei van de Zwarte beek’ is gelegen; dat de ligging vlakbij natuurreservaten, de overschrijding van de IPPC-drempel en het feit dat het een nieuwe inrichting betreft, duidelijke indicaties zijn om diepgaander te screenen; dat de handleiding intensieve veeteelt van de dienst MER in zulke gevallen een uitgebreidere screening inzake de relevante aspecten aanraadt; Overwegende dat de dienst Milieueffectrapportage (Mer) van de afdeling GOP op 24 november 2017 een subadvies formuleerde; dat van rechtswege de opmaak van een MER niet verplicht is, omdat het aangevraagde VII-40.282-7/13 dierenaantal onder de drempel van rubriek 21 van bijlage I van het MER-besluit ligt; dat rubriek 1, e, van bijlage II van het MER-besluit niet van toepassing is, omwille van de ligging in agrarisch gebied; dat voor deze inrichting mer-plicht geldt omwille van rubriek 1, e, van bijlage III, waardoor er minstens een project-m.e.r.-screening moet uitgevoerd worden; dat de dienst MER vaststelde dat de IPPC-drempels overschreden worden, dat de drempelwaarde van bijlage I van het MER-besluit wordt benaderd en dat er gevoelige locaties in de nabije omgeving gelegen zijn; dat de dienst MER niet bevoegd is om uitspraak te doen over de beslissing of er al dan niet een MER moet opgemaakt worden; Overwegende dat een project-m.e.r.-screening werd uitgevoerd; dat de dienst Mer in zijn advies van 24 november 2017 stelt dat de opmaak van een MER niet verplicht is; dat volgens het advies in de ‘interpretatiehandleiding Intensieve Veeteelt’ wordt aangeraden bij dergelijke inrichtingen een uitgebreide project-m.e.r.-screening uit te voeren; Overwegende dat in de handleiding intensieve veeteelt van de dienst Mer eveneens wordt opgemerkt dat wanneer het aantal dieren op een bedrijf de grenzen van rubriek 21 van bijlage I (85.000 stuks pluimvee) benadert (in casu 81.312 stuks pluimvee), men in eerste instantie zou verwachten dat het bedrijf valt onder rubriek 1,

  1. e)van bijlage II van het MER-besluit; dat deze rubriek echter niet van toepassing is indien de inrichting volledig is gelegen in agrarisch gebied; dat indien de drempels van bijlage I worden benaderd en het een nieuw bedrijf [of] een aanzienlijke uitbreiding betreft en het bedrijf grenst aan gevoelig gebied (bijvoorbeeld bewoning of natuurgebied), een project-MER aangewezen kan zijn; dat de beslissing over de MER-plicht bij de vergunningverlenende overheid ligt, die de dienst Mer om advies kan vragen; dat de dienst Mer stelt dat indien uit de project-m.e.r.-screening op voldoende wijze blijkt dat er geen aanzienlijke negatieve gevolgen optreden, er voldaan is aan de MER-plicht; dat uit de screening, het aanvraagdossier en de adviezen blijkt dat de inrichting geen aanzienlijke negatieve effecten veroorzaakt; Overwegende dat de project-m.e.r.-screening geen kaart noch informatie over de effecten van voorliggend project op voor de natuur waardevolle gebieden bevat; dat voorliggen project grenst aan het Vlaamse natuurreservaat ‘Vallei van de drie beken’ en op circa 150 meter van het erkend natuurreservaat ‘Vallei van de Zwarte beek’ is gelegen; dat deze gebieden geen SBZ of VEN-gebied zijn; dat uit het gunstige advies van het ANB van 17 maart 2017 (eerste aanleg) echter blijkt dat, mits voldaan wordt aan de geldende regelgeving, de risico’s op de nabijgelegen reservaten klein worden geacht, zeker aangezien de mest na elke mestronde van het bedrijf meteen afgevoerd wordt en afgezet wordt volgens het Mestdecreet; Overwegende dat de project-m.e.r.-screening geen kaart of informatie over de effecten van voorliggend project op het landschap of onroerend erfgoed bevat; dat de projectzone volgens de landschapsatlas gelegen is in de relictzone ‘Diestiaan ruggen ten noordoosten van Diest’; dat de opname in de landschapsatlas echter geen juridisch bindende gevolgen heeft; dat de relictzone werd geïnventariseerd omwille van het open glooiend karakter van het landschap; dat deze zone zeer uitgestrekt is; dat het voorwerp van de aanvraag alleen een ruimtelijke impact op deze relictzone heeft, die reeds werd beoordeeld in de (definitief verleende) stedenbouwkundige VII-40.282-8/13 vergunning; dat in het Ruimtelijk Structuurplan Diest door middel van een symbool, een dubbele pijl, op verschillende locaties de openruimteverbinding wordt aangegeven, waar het zeer belangrijk is de openruimte en de zichten te vrijwaren; dat in de omgeving van de aanvraag dit symbool niet terug te vinden is; dat er in de stedenbouwkundige vergunning hieromtrent geconcludeerd wordt dat volgens het Ruimtelijk Structuurplan Diest het gebied en het perceel van de aanvraag voorbestemd zijn voor landbouw en er op deze locatie geen openruimte verbinding gegarandeerd moet worden; dat dit bevestigd wordt door het gunstige advies van de afdeling GOP (Ruimte); Overwegende dat voorliggend project eveneens project-m.e.r.-screeningsplichtig is via rubriek 10.j ‘werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater, die niet zijn opgenomen in bijlage I of II’; dat een grondwaterwinning uit een boorput met een diepte van 138 meter en een debiet van 20 m³ per dag en 5.854 m³ per jaar wordt aangevraagd; dat in de nota van het project-m.e.r.-screeningsformulier verkeerdelijk een debiet van 555 m³ per jaar wordt vermeld; dat echter eveneens in de nota van de project-m.e.r.-screening wordt verwezen naar bijlage F5; dat in deze bijlage wel de juiste weergave van het aangevraagde debiet wordt vermeld; dat de VMM, afdeling Operationeel Waterbeheer, in haar advies van 1 december 2017 duidelijk stelt dat het correcte debiet van de grondwaterwinning, zoals weergegeven in bijlage F5 van de aanvraag, bij de evaluatie van de aanvraag onderzocht werd door dezelfde dienst (advies van 18 april 2017); Overwegende dat de grondwaterwinning zich in het waakgebied van het Oligoceen Aquifersysteem bevindt; dat in dit gebied het grondwater uit het Oligoceen voorbehouden is voor hoogwaardige toepassingen; dat de maximale waterbehoefte voor hoogwaardige toepassingen voor deze concrete aanvraag 5.584 [m³] per jaar bedraagt, waardoor een deels gunstig advies verleend werd op 18 april 2017; dat echter, gelet op de ligging in het waakgebied, de evolutie van de toestand van de laag nauwlettend moet worden opgevolgd; dat daarom in de bijzondere voorwaarden door de deputatie maandelijkse peilmetingen, een maximaal afpompingsniveau en een jaarlijkse kwaliteitsanalyse werden opgelegd; dat de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM stelt dat, rekening houdend met de aangevraagde toepassing, het debiet en de gebiedsgerichte doelstellingen voor het grondwaterlichaam waaruit gewonnen zal worden, een debiet van 5.854 [m³] per jaar kan worden aanvaard, mits de gepaste bijzondere voorwaarden in acht worden genomen; dat bij dit debiet de capaciteit van de watervoerende laag niet in het gedrang komt door de winning; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III van het project-m.e.r.-besluit, meer bepaald in de categorieën 1,
  2. e)‘intensieve veeteeltbedrijven (projecten die niet in bijlage I of II zijn opgenomen)’en 10,
  3. j)‘werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater, die niet zijn opgenomen in bijlage I of II’; dat zoals bovenvermeld wordt vastgesteld dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu worden verwacht; dat blijkt uit de project-m.e.r.-screening dat een VII-40.282-9/13 project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over [aanzienlijke] milieueffecten zal bevatten”. 9. In de aangehaalde motieven van de bestreden beslissing erkent de bevoegde Vlaamse minister dat er “duidelijke indicaties zijn om diepgaander te screenen”, rekening houdend met het feit dat het gaat om nieuwe inrichting, de grootte ervan en de ligging van het voorgenomen project in de nabijheid van natuurreservaten. Overeenkomstig bijlage II bij het DABM moet, bij de beoordeling van de kwetsbaarheid van het milieu waarop het project van invloed kan zijn, onder meer het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor, onder andere natuurreservaten, in overweging worden genomen. Wat de locatie van het project betreft, stelt de bevoegde Vlaamse minister vast dat de project-MER-screening “geen kaart noch informatie” bevat over de effecten van het voorgenomen project op waardevolle natuurgebieden. Dezelfde vaststelling geldt wat betreft de effecten van het project op het landschap en het onroerend erfgoed. 10. De conclusie van de Vlaamse minister dat “uit de project-m.e.r.-screening [blijkt] dat een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over [aanzienlijke] milieueffecten zal bevatten”, strijdt met de vastgestelde leemten in de project-MER-screening. Het gegeven dat het toevoegen van kaartmateriaal niet verplicht zou zijn, neemt niet weg dat de screeningsnota evenmin enige andere informatie over de te verwachten effecten bevat. In zoverre in de bestreden beslissing, bij de beoordeling van de potentiële effecten, wordt verwezen naar het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 17 maart 2017 en naar het gunstige advies van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten, wordt voorbij gegaan aan de eigenheid van de voorafgaande screening, die de vergunningverlenende overheid in staat moet stellen om aanzienlijke milieueffecten a priori, bij een eerste beoordeling voorafgaand aan de adviesverlening, te kunnen uitsluiten. Dezelfde vaststelling geldt tevens voor de beoordeling van de effecten van de VII-40.282-10/13 grondwaterwinning, waarbij de bestreden beslissing enkel volstaat met een verwijzing naar het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij. Bovendien blijkt uit de bestreden vergunningsbeslissing noch uit het administratief dossier, dat de project-MER-screeningsnota of de bij de aanvraag gevoegde bijlage F5 de vereiste informatie bevat op grond waarvan kan worden besloten dat bij het aangevraagde debiet de capaciteit van de watervoerende laag niet in het gedrang komt door de grondwaterwinning. Integendeel moet op dit punt een discrepantie worden vastgesteld tussen enerzijds de screeningsnota en de bijlage wat betreft het aangevraagde debiet en, anderzijds, tussen bijlage F5 bij de aanvraag en het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij wat betreft de watervoerende laag. 11. Uit wat voorafgaat volgt dat de MER-screeningsnota aanzienlijke leemten bevat met betrekking tot de effecten op de waardevolle natuurgebieden, op het landschap en op het onroerend erfgoed. Bovendien wordt vastgesteld dat die nota onjuiste, minstens onvolledige, informatie bevat over de effecten van de aangevraagde grondwaterwinning. In het licht van deze vaststellingen kon de bevoegde Vlaamse minister haar beoordeling van de te verwachten aanzienlijke effecten van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteiten niet enkel baseren op de gegevens die de vergunningsaanvrager in de MER-screeningsnota had bijgebracht. Voor de conclusie in de bestreden beslissing dat “uit de project-m.e.r.-screening [blijkt] dat een project-MER geen nieuwe of bijkomende gegevens over [aanzienlijke] milieueffecten zal bevatten”, ontbreekt een in feite en in rechte afdoende verantwoording. Dit klemt des te meer nu de bevoegde Vlaamse minister in de bestreden beslissing zelf uitdrukkelijk aangeeft dat “door het benaderen van de MER-drempel van 85.000 plaatsen voor slachtkippen […] het voorzichtigheidsprincipe en een verhoogde motiveringsplicht van toepassing zijn” en er “duidelijke indicaties zijn om diepgaander te screenen”. 12. Het tweede onderdeel van het eerste middel is gegrond. VII-40.282-11/13 V. Kosten 13. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april 2017. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 augustus 2017, houdende het verlenen aan Ivan Moonen van de milieuvergunning voor het exploiteren van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-40.282-12/13 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 2.000 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 4. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 160 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.282-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.185 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.