id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.242 Rolnummer: A. 226755/X-17380 Zaak: Arrest 251242 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 251.242 van 9 juli 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.242 van 9 juli 2021 in de zaak A. 226.755/X-17.380 In zake : de NV PLAN-IT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Van den Bergh kantoor houdend te 1700 Dilbeek Kaudenaardestraat 13 tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 23 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 13 september 2018 van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest houdende de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel voor de heraanleg van de Bergensesteenweg tussen de Hof ter Vleestdreef en de Van Laerlaan te Anderlecht. X-17.380-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 243.179 van 7 december 2018 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Van Dyck, die loco advocaten Konstantijn Roelandt en Jean Van den Bergh verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.380-2/18 III. Feiten
- De weg N8, die te Anderlecht de Bergensesteenweg heet, loopt – van noord naar zuid – tussen het centrum van Anderlecht, het kruispunt met de Van Laerlaan, het kruispunt met de op- en afritten van de grote ring (hierna: het ringkruispunt), een vestiging van de meubelzaak Ikea en de zuidelijke Vlaamse gemeentes Sint-Pieters-Leeuw en Halle. De verzoekende partij is eigenaar en uitbater van wat zij zelf noemt een “destination store” van groothandel voor zelfbouw, bekend onder de handelsnaam “Plan-It Brico” op een terrein gelegen aan de Bergensesteenweg 1301 te Anderlecht. De vóór het gebouw van de verzoekende partij gelegen parking sluit op twee plaatsen aan op de westelijke zijde van de Bergensesteenweg. Het gaat meer bepaald om een eerste ontsluiting in het verlengde van de Van Laerlaan (hierna: ontsluiting A) en een tweede ontsluiting ten zuiden daarvan, vlak bij een zebrapad over de steenweg (hierna: ontsluiting B). Ontsluiting A wordt gebruikt als (brede) inrit voor de parking van de handelszaak van de verzoekende partij. Ontsluiting B wordt gebruikt als uitrit van die parking. Anders dan ontsluiting A, is ontsluiting B door wegmarkeringen onderverdeeld in twee rijvakken. Vanuit ontsluiting B kan zowel naar rechts (richting van de nabijgelegen grote ring/E19; hierna: richting ring) als – na het kruisen van de Bergensesteenweg – naar links (richting centrum Anderlecht) worden afgeslagen. Ten zuiden van ontsluiting B bevindt zich het metrostation “Ceria/Coovi”, met daarvoor een bushalte. X-17.380-3/18 Ter verduidelijking volgt hierna een schematische voorstelling van de toestand ter plaatse.
- Op 17 november 2017 ontvangt de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een aanvraag van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit voor een stedenbouwkundige vergunning voor de heraanleg van de Bergensteenweg te Anderlecht. De bedoeling is onder meer de verkeersveiligheid op het kruispunt met de Van Laerlaan en ter hoogte van het metrostation “Ceria/Coovi” te verbeteren. De aanvraag voorziet dat ter hoogte van ontsluiting B, in het midden van de Bergensesteenweg, een verhoogde middenberm wordt aangelegd (hierna: het aanvankelijke inrichtingsvoorstel). Verder voorziet het aanvankelijke inrichtingsvoorstel om op de parking van de verzoekende partij ontsluiting A door wegmarkeringen op te delen in drie rijstroken en ontsluiting B te versmallen tot een rijstrook die verder loopt in een afgeschermde invoegstrook op de Bergensesteenweg. Deze invoegstrook dwarst schuin een voet- en fietspad. Vanuit ontsluiting B zal enkel naar rechts, richting ring, kunnen worden afgeslagen. X-17.380-4/18 5.
- Met een vanaf 10 januari 2018 aangeplakt bekendmakingsbericht wordt het openbaar onderzoek over de aanvraag aangekondigd (hierna: het bekendmakingsbericht). Het bekendmakingsbericht vermeldt onder meer het volgende: “Het openbaar onderzoek vindt plaats van 10/1/2018 tot 08/02/2018 De vergadering van de overlegcommissie vindt plaats op donderdag 22 februari 2018.” 5.
- Op 8 februari 2018 dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in. Nog zes andere (rechts)personen (hierna: de zes (rechts)personen) – waaronder de vereniging Inter-Environnement Bruxelles – geven een inspraakreactie. De zes (rechts)personen en de verzoekende partij vragen in hun inspraakreactie om gehoord te worden op de vergadering van de overlegcommissie. 5.
- De gemeente Anderlecht geeft een voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag. 5.
- Op 16 februari 2018 stuurt de secretaris van de overlegcommissie de oproepingen voor de vergadering van 22 februari 2018 aan de verzoekende partij en de zes (rechts)personen.
- Op 22 februari 2018 vergadert de overlegcommissie over de aanvraag. De verzoekende partij is niet aanwezig.
- De Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit dient vervolgens een nieuw plan in voor de ontsluiting van de parking van de verzoekende partij (hierna: het uiteindelijke inrichtingsvoorstel). In het uiteindelijke inrichtingsvoorstel wordt de invoegstrook ter hoogte van ontsluiting B geschrapt, zodat er tussen deze ontsluiting en het metrostation meer X-17.380-5/18 ruimte wordt gecreëerd voor voetgangers en fietsers.
- Met het bestreden besluit verleent de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, gestoeld op het uiteindelijke inrichtingsvoorstel. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Het aangevoerde middel 9.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 191 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), evenals van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 9.
- In het middel wordt er op gewezen dat er na het openbaar onderzoek gewijzigde plannen zijn ingediend door de aanvrager die vervolgens werden vergund. Volgens de verzoekende partij is niet voldaan aan artikel 191 BWRO dat slechts toelaat om wijzigingen aan te brengen aan ingediende plannen op voorwaarde dat deze “van bijkomstig belang” zijn. Te dezen betreft het evenwel ingrijpende wijzigingen, die zowel een impact hebben op het privéterrein van de verzoekende partij als op het openbaar domein. Het gaat meer bepaald om de aanpassing van de uitrit van de verzoekende partij, waardoor bij het uitrijden van de parking niet meer in de richting van het centrum van Anderlecht kan worden afgeslagen, daar nu een middenberm op de Bergensesteenweg wordt voorzien, de verkeerslichten verdwijnen en er blijft slechts één rijstrook van de twee behouden. Om vanuit de parking naar het centrum van Anderlecht te rijden moet een U-bocht worden gemaakt ter hoogte van de uitrit van de bushalte. Deze U-bocht is te smal en daardoor onbruikbaar voor vrachtwagens en personenwagens met een aanhangwagen. X-17.380-6/18 Nog kan de vraag worden gesteld in welk opzicht de gewijzigde plannen tegemoet komen aan de bezwaren die werden geuit tijdens het openbaar onderzoek.
- In haar memorie van wederantwoord erkent de verzoekende partij dat de middenberm op de Bergensesteenweg reeds in het aanvankelijke inrichtingsvoorstel voorzien was. Zij voegt er evenwel aan toe dat die middenberm door de aangepaste plannen plots een heel andere invulling krijgt, omdat nu iedere rechtstreekse ontsluiting naar het centrum van Anderlecht onmogelijk wordt gemaakt. Bovendien zijn nog andere elementen gewijzigd ten opzichte van de initiële plannen. Er wordt een flessenhals gecreëerd ter hoogte van de uitrit van de verzoekende partij, met enorme filevorming tot gevolg. Wanneer vrachtwagens en auto’s met aanhangwagens op de Bergensesteenweg een U-bocht maken zullen ze onvermijdelijk over de infrastructuur van de zwakke weggebruikers rijden. Op die manier ontstaat er ook een conflict met het doorgaand verkeer op de Bergensesteenweg en met de busstaanplaatsen langs die steenweg.
- In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de doorgevoerde planwijziging essentieel is omdat ze tot doel heeft de verkeersveiligheid van zwakke weggebruikers te verhogen. Verder herhaalt zij dat het verkeer dat vanuit haar parking naar het centrum van Anderlecht wil rijden, een omweg of een U-bocht dient te maken op de gereduceerde Bergensesteenweg. Beoordeling
- Artikel 191 BWRO, bepaalt in de te dezen toepasselijke versie dat de vergunningverlenende overheden “voorwaarden [kunnen] opleggen die wijzigingen impliceren van de plannen die tot staving van de aanvraag zijn ingediend”, dat “[i]n dit geval, voorzover de wijzigingen het voorwerp van de aanvraag niet aantasten, van bijkomstig belang zijn en tegemoetkomen aan de bezwaren die de oorspronkelijke plannen opwierpen [...], zonder […] afbreuk te doen aan het voorwerp van de aanvraag, [...] de vergunning [kan] worden afgegeven”. X-17.380-7/18 13.
- Ten onrechte gaat de verzoekende partij er aan voorbij dat het uiteindelijke inrichtingsvoorstel het mogelijk maakt om vanop haar parking rechtstreeks uit te rijden naar links, in de richting van het centrum van Anderlecht, meer bepaald via ontsluiting A. Het verkeer dat vanuit deze parking naar het centrum van Anderlecht wil rijden, moet dus geenszins – zoals de verzoekende partij meent – eerst afslaan naar rechts en dan een omweg of een U-bocht maken op de Bergensesteenweg. 13.
- Evenzeer ten onrechte gaat de verzoekende partij er aan voorbij dat in het uiteindelijke inrichtingsvoorstel – net als in het aanvankelijke inrichtingsvoorstel – het kruispunt tussen de Bergensesteenweg en de Van Laerlaan geregeld zal worden door verkeerslichten.
- Zoals vermeld, is in het uiteindelijke inrichtingsvoorstel de invoegstrook ter hoogte van ontsluiting B geschrapt, waardoor er meer ruimte ontstaat voor voetgangers en fietsers. Anders dan in het aanvankelijke inrichtingsvoorstel, zullen in het uiteindelijke inrichtingsvoorstel auto’s die via ontsluiting B de parking van de verzoekende partij verlaten het voet- en fietspad niet schuin dwarsen. Aldus is tegemoet gekomen aan hetgeen werd gevraagd in het advies van de gemeente Anderlecht en het bezwaarschrift van de vereniging Inter-Environnement Bruxelles. Anders dan de verzoekende partij in haar laatste memorie voorhoudt, verhindert het enkele feit dat een wijziging de verkeersveiligheid van zwakke weggebruikers verbetert, niet dat deze wijziging ten opzichte van het geheel van de vergunde werken “van bijkomstig belang” kan zijn in de zin van artikel 191 BWRO. De bewering van de verzoekende partij als zou het uiteindelijke inrichtingsvoorstel – met de woorden van het verzoekschrift – “gigantische filevorming” veroorzaken, overtuigt niet, al was het maar omdat ze (mede) steunt op haar onjuiste uitgangspunt dat er voor het traject tussen haar parking en het centrum van Anderlecht een omweg of een U-bocht op de Bergensesteenweg zou moeten worden gemaakt. X-17.380-8/18
- De conclusie is dat de verzoekende partij niet overtuigt van de schending van de aangevoerde rechtsregels.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 17.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 9, § 1, 2°, en § 2, 5°, van het BWRO, van artikel 5 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 29 juni 1992 ‘betreffende de overlegcommissies’ (hierna: het besluit van 29 juni 1992), van het zorgvuldigheidsbeginsel en het hoorrecht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van de artikelen 18 tot 20 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet). 17.
- De verzoekende partij stelt dat zij zeer laat en volkomen in strijd met het besluit van 29 juni 1992 uitgenodigd werd voor de vergadering van de overlegcommissie van 22 februari 2018, zodat zij zich er onmogelijk nog voor kon vrijmaken. Uit het verslag van deze vergadering blijkt dat meerdere bezwaarindieners gehoord werden, maar de verzoekende partij niet. Bijgevolg kan bezwaarlijk worden betwist dat het hoorrecht van de verzoekende partij geschonden werd, minstens het gelijkheidsbeginsel. Er valt immers geen aanvaardbare reden te bedenken waarom sommige bezwaarindieners wel tijdig werden uitgenodigd om gehoord te worden en de verzoekende partij niet. De verzoekende partij benadrukt dat in het verslag van de overlegcommissie met geen woord gerept wordt over haar bezwaarschrift, zodat ofwel dit bezwaarschrift niet overgemaakt werd aan deze commissie, ofwel zij er volledig aan voorbij gegaan is. X-17.380-9/18 De verzoekende partij vervolgt dat de bestuurstaalwet van openbare orde is en dat iedere overtreding ervan die betrekking heeft op een substantieel onderdeel van de besluitvorming, tot de onwettigheid leidt. Het verslag van de overlegcommissie is ongetwijfeld een essentieel stuk, aangezien er daarin ingegaan wordt op diverse bezwaren. Nochtans is dit stuk uitsluitend in het Frans gesteld.
- In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij er op dat het mailbericht om haar uit te nodigen voor de vergadering van de overlegcommissie pas verstuurd is op vrijdagnamiddag 16 februari 2018, zodat het aannemelijk is dat zij dit bericht pas na het weekend heeft gelezen en zij nog slechts drie dagen had om raadgevers te contacteren en vrij te krijgen voor de vergadering van 22 februari
- De verzoekende partij noemt het zonneklaar dat deze termijn onmogelijk voldoende is om aanwezig te zijn op de vergadering. Verder merkt de verzoekende partij op dat het verslag van de overlegcommissie beschouwd moet worden als een mededeling die voor het publiek bestemd is in de zin van artikel 18 van de bestuurstaalwet en dus tweetalig diende te zijn.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat zij volhardt in haar standpunt. Zij voegt er aan toe dat krachtens artikel 58 van de bestuurstaalwet alle administratieve handelingen die naar vorm strijdig zijn met de bepalingen van die wet nietig zijn. Beoordeling
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bezwaarschrift van de verzoekende partij wel degelijk is bezorgd aan de overlegcommissie. Uit het enkele feit dat het antwoord op het bezwaarschrift van de verzoekende partij niet terug te vinden is in het verslag van de vergadering van de overlegcommissie van 22 februari 2018 volgt geen onwettigheid nu dit antwoord ook uit andere stukken van het administratief dossier kan blijken. X-17.380-10/18 21.
- De schending van de modaliteiten inzake de organisatie van het openbaar onderzoek kan enkel met goed gevolg worden ingeroepen door wie aantoont dat hij door de betreffende schending is benadeeld. 21.
- In de te dezen toepasselijke versie bepaalt artikel 5 van het besluit van 29 juni 1992 dat “[d]e secretaris [...] de oproepingen ten minste acht dagen vóór de vergadering van de [overleg]commissie naar de betrokkenen [stuurt]”. In onderhavig geval blijkt dat de secretaris de oproepingen voor de overlegcommissie van 22 februari 2018 naar de verzoekende partij én de zes (rechts)personen verstuurd heeft op 16 februari
- 21.
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de verzoekende partij niet benadeeld is door de beperkte vertraging bij de verzending van de oproepingen voor de overlegcommissie, daar zij reeds minstens veertien dagen op voorhand op de hoogte was van de vergaderdatum van 22 februari
- Met haar bezwaarschrift van 8 februari 2018 reageerde de verzoekende partij immers op het bekendmakingsbericht, waarin deze vergaderdatum werd aangekondigd. 21.
- In haar memorie van wederantwoord gaat de verzoekende partij niet in op de in het vorige randnummer aangehaalde opwerping van de verwerende partij. Ook nadat deze opwerping in het auditoraatsverslag is bijgevallen, behoudt de verzoekende partij hierover in haar laatste memorie het stilzwijgen. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de verzoekende partij reeds minstens veertien dagen op voorhand op de hoogte was van de vergaderdatum, zodat niet blijkt dat zij benadeeld is door de vertraging bij de verzending van de oproepingen voor de overlegcommissie. Gelet op het in randnummer 21.1 gestelde, kan het middelonderdeel niet tot de vernietiging leiden. X-17.380-11/18 22.
- Het verslag van de overlegcommissie van 22 februari 2018 geeft de bespreking weer van de tijdens die vergadering mondeling naar voor gebrachte bezwaren en opmerkingen. Opmerkingen of bezwaren van de verzoekende partij zijn daar evident niet bij, daar zij niet aanwezig was op de overlegcommissie. 22.
- In het auditoraatsverslag – dat de verwerende partij in haar laatste memorie bijtreedt – is opgeworpen dat niet blijkt dat de omstandigheid dat het verslag van de overlegcommissie uitsluitend in het Frans is gesteld de draagwijdte van de bestreden beslissing heeft beïnvloed of heeft kunnen beïnvloeden, dan wel aan de verzoekende partij enige waarborg heeft ontnomen. 22.
- In haar laatste memorie laat de verzoekende partij de in het vorige randnummer weergegeven opwerping onbesproken. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat niet blijkt dat de verzoekende partij door de laatstgenoemde omstandigheid is benadeeld. Gelet op het in randnummer 21.1 gestelde, kan ook dit middelonderdeel niet tot de vernietiging leiden.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 24.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 141 en 143, 6°, van het BWRO, van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, alsook van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 24.
- De verzoekende partij stelt dat er in het bij de vergunningsaanvraag gevoegde effectenverslag helemaal geen rekening is gehouden met voor haar exploitatie minder schadelijke, maar op verkeerstechnisch vlak even goede alternatieven. De verzoekende partij heeft met een eigen studiebureau een aantal alternatieven uitgewerkt en meegedeeld aan de diensten van het gewest, die deze voorstellen echter niet in aanmerking hebben genomen. X-17.380-12/18
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het effectenverslag weinig tot geen motivering bevat. Er wordt enkel een loutere opsomming van een aantal alternatieven en vergaderingen hieromtrent gegeven. Uit niets blijkt dat deze alternatieven voldoende onderzocht zijn. Beoordeling
- Ten onrechte laat de verzoekende partij uitschijnen dat het effectenverslag beperkt zou zijn tot een loutere opsomming van een aantal alternatieven en van de vergaderingen die hieromtrent werden gehouden. In het middel wordt er aan voorbij gegaan dat het effectenverslag een uitgebreid hoofdstuk “[s]amenvatting van de verschillende oplossingen die werden overwogen voorafgaand aan de keuze van de ingediende plannen en toelichting van de voornaamste redenen van deze keuze, gelet op de milieueffecten” bevat en dat dit hoofdstuk steunt op het gedetailleerde inhoudelijke alternatievenonderzoek dat in de als bijlage bij het effectenverslag gevoegde mobiliteitsstudie is uitgevoerd. Door noch het laatstgenoemde hoofdstuk, noch het voormelde alternatievenonderzoek bij de uiteenzetting te betrekken is het middel niet deugdelijk geadstrueerd. Verder wordt in het middel in het ongewisse gelaten welke precieze voorstellen van de verzoekende partij door de verwerende partij niet in aanmerking zouden zijn genomen. De verzoekende partij kan niet van de gegrondheid van het middel overtuigen.
- Het derde middel wordt verworpen. X-17.380-13/18 D. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 28.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, evenals van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ook wordt gesteld dat er sprake is van machtsafwending. 28.
- De verzoekende partij wijst er op dat zij reeds sedert 1995 actief is aan de Bergensesteenweg te Anderlecht, en dat pas veel later Ikea zich ook langs die steenweg is komen vestigen. Met lede ogen stelt zij vast dat het bestreden besluit de bereikbaarheid van haar exploitatie drastisch bemoeilijkt, terwijl het de bereikbaarheid van Ikea sterk verbetert door extra capaciteit te voorzien voor het verkeer komende uit de zuidelijke Vlaamse gemeentes en aan het ringkruispunt. Volgens de verzoekende partij behandelt de verwerende partij niet alle betrokken bedrijven op een gelijke wijze en wendt zij haar macht af om Ikea een concurrentieel voordeel te bieden. De verzoekende partij meent dat het klaarblijkelijk de bedoeling is de verkeerscapaciteit in de richting van haar vestiging volledig toe te knijpen. Bovendien werd niet alles met betrekking tot Ikea onderzocht of werd het onderzoek niet bekendgemaakt, dit alles met de bedoeling te misleiden. Er wordt geen enkele modellering gegeven van het traject van aan Ikea tot aan de verzoekende partij, wat bewijst dat het dossier gemanipuleerd wordt. Tot slot stelt de verzoekende partij de voormelde kritieken reeds te hebben geuit in het kader van het openbaar onderzoek, doch die opmerkingen zijn op geen enkele wijze ontmoet. Beoordeling 29.
- Op basis van het effectenverslag en de daarbij horende mobiliteitsstudie, heeft de verwerende partij geoordeeld dat de vergunde herinrichting van de Bergensesteenweg geen noemenswaardige nadelen voor de bereikbaarheid van de exploitatie van de verzoekende partij meebrengt. X-17.380-14/18 29.
- In de bij de bestreden vergunning horende mobiliteitsstudie is vastgesteld dat in de bestaande situatie de grootste verkeersproblemen zich voordoen op het zuidelijke traject komende uit de zuidelijke Vlaamse gemeentes tot aan het ringkruispunt (hierna: het zuidelijke traject), als gevolg van de vermenging van verkeer dat naar Ikea, de grote ring en Brussel wil rijden. Het is deze objectieve vaststelling – waarover de verzoekende partij het stilzwijgen bewaart – die verklaart waarom de bestreden vergunning de belangrijkste capaciteitsverhogende maatregel voorbehoudt voor dit zuidelijke traject en het ringkruispunt. 29.
- Er valt ook niet in te zien waarom een verbeterde doorstroming op het zuidelijke traject en het ringkruispunt alleen aan Ikea en niet ook aan de verzoekende partij ten goede zou komen. De verzoekende partij gaat er verder aan voorbij dat in de meergenoemde mobiliteitsstudie gedetailleerde berekeningen zijn opgenomen die uitwijzen dat er geen noemenswaardige veranderingen zullen zijn voor de doorstroming van het verkeer op het traject tussen het ringkruispunt en de vestiging van de verzoekende partij (hierna: het noordelijke traject). Het enkele feit dat de berekeningen in de mobiliteitsstudie afzonderlijk zijn gebeurd voor, enerzijds, het zuidelijke traject en, anderzijds, het noordelijke traject, vitieert het bestreden besluit niet. In het middel wordt verder niet verduidelijkt welke gegevens met betrekking tot Ikea niet zouden zijn onderzocht of niet zouden zijn bekendgemaakt. 29.
- Er is sprake van machtsafwending wanneer een overheid de bevoegdheid die haar tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt voor het nastreven van een ander doel. Opdat er van machtsafwending sprake kan zijn, moet daarenboven het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn. Gezien het gestelde onder randnummer 29.2 en het aldaar vermelde motief van de bestreden beslissing, wordt er te dezen geen machtsafwending aangetoond. X-17.380-15/18 29.
- Tot slot maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de stellingnames in het bestreden besluit en in de daarbij horende documenten niet afdoende zouden laten begrijpen waarom haar bezwaarschrift niet is gevolgd.
- Het vierde middel wordt verworpen. E. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel 31.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 31.
- De verzoekende partij betoogt dat het onzorgvuldig is dat in de mobiliteitsstudie nieuwe grote projecten – zoals de renovatie van de wijk Het Rad, de Ceria/Coovi-campus en de Greyson-site – niet mee verrekend zijn. Het is kafkaiaans dat de bestreden vergunning de verkeerscapaciteit van de Bergensesteenweg ter hoogte van de vestiging van de verzoekende partij sterk afbouwt, terwijl er net een grotere verkeersstroom zit aan te komen. Beoordeling 32.
- In de mobiliteitsstudie zijn berekeningen opgenomen van wat op verschillende momenten de vermoedelijke trajectduur zal zijn tussen de vestiging van de verzoekende partij en de grote ring of de zuidelijke Vlaamse gemeentes. In alle gevallen wordt een verkorting van de reisduur voorspeld (tussen 0,7 % en 2,5% sneller), behalve voor de reistijd tijdens de avondspits op het noordelijk traject, waarvoor een toename van 1,2 % wordt verwacht. De mobiliteitsstudie concludeert daaruit dat de herinrichting van de Bergensesteenweg voor de bereikbaarheid van de vestiging van de verzoekende partij “geen noemenswaardige veranderingen” zal meebrengen. X-17.380-16/18 32.
- Uit hetgeen de verzoekende partij aanvoert blijkt niet dat de in het vorige randnummer bedoelde berekeningen onjuist zouden zijn. Zij overtuigt dan ook niet van haar stelling dat de bestreden vergunning de verkeerscapaciteit van de Bergensesteenweg ter hoogte van haar vestiging sterk zou afbouwen.
- De verzoekende partij maakt verder niet aannemelijk dat de aangehaalde projecten die – met de woorden van het verzoekschrift – “in de pijplijn zitten” reeds in voldoende mate geconcretiseerd waren opdat de gevolgen ervan voor de Bergensesteenweg konden en moesten verrekend worden in de mobiliteitsstudie.
- Het vijfde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.380-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juli tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust. X-17.380-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.242 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div