← België

Arrest 251249 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/07/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.249 Rolnummer: A. 227934/X-17482 Zaak: Arrest 251249 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-19 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.249 van 9 juli 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.249 van 9 juli 2021 in de zaak A. 227.934/X-17.482 In zake :

  1. Natalie STARCKX
  2. Nico WITTEVEEN
  3. Adriaantje W. DE VIN
  4. Michel VANDERKEILEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joke Derwa kantoor houdend te 2560 Nijlen (Kessel) Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Birgit Creemers kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA HANGAR 29 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen – Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het verzoekschrift, ingediend op 19 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen van 17 december 2018 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) ‘Rijnkaai’. X-17.482-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Hangar 29 heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 augustus
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april
  8. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joke Derwa, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Birgit Creemers, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Maarten van den Nieuwenhuijzen, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. X-17.482-2/15 III. Feiten
  10. Op de Rijnkaai te Antwerpen (hierna: de betrokken zone) bevinden zich twee voormalige havenloodsen met een cultuurhistorische waarde, meer bepaald Hangar 26/27 en Hangar 29, ook bekend als de Waagnatie. In de betrokken zone zijn er op meerdere plaatsen parkeerplaatsen ingericht op maaiveldniveau. Naast parkeerplaatsen langs de straat Rijnkaai en parkeerplaatsen bij de voornoemde loodsen, betreft het de publieke betalende “rotatieparking GAPA” (hierna: de GAPA-parking) op de kaaivlakte tussen de loodsen. De appartementen van verzoekers liggen tegenover de GAPA-parking, aan de overzijde van de straat. In en rond de Waagnatie organiseert de tussenkomende partij socio-culturele evenementen en congressen.
  11. Volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen is de betrokken zone deels gelegen in een ‘gebied voor gemengde gemeenschapsvoorzieningen en dienstverleningsgebied’ en deels in woongebied.
  12. In 2017 wordt de procedure voor de opmaak van een gemeentelijk RUP ‘Rijnkaai’ opgestart.
  13. Bij brief van 31 mei 2018 stelt de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest dat op basis van de screeningsnota en de ingewonnen adviezen het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport niet nodig is. 7.
  14. Op 25 juni 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Antwerpen het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Rijnkaai’ voorlopig vast. X-17.482-3/15 7.
  15. Het ontwerp neemt de kaaivlakte tussen en rondom de twee loodsen grotendeels op in de ‘Zone voor publiek domein’ (artikel 1 van de bijzondere voorschriften), waarvoor onder meer het volgende is bepaald: “1.2.5 Parkeren Parkeerplaatsen mogen ondergronds, onder verhoogd maaiveld, op het maaiveld of in een gebouw worden ingericht. Parkeerplaatsen op het maaiveld is te beschouwen als overgangsmaatregel en mag niet worden gecombineerd met een parkeergebouw, een ondergrondse parking of een parking onder verhoogd maaiveld. Parkeerplaatsen op het maaiveld en de aanleg van laad- en loszones zijn enkel toegelaten in zoverre zij het openbaar domein niet domineren en de toegankelijkheid van de Kaaivlakte niet belemmeren.” 7.
  16. In het ontwerp van toelichtingsnota wordt onder meer het volgende gesteld: “Het huidig gebruik van het plein als autoparking wordt tijdelijk als overgangsmaatregel behouden in afwachting van een definitieve oplossing na de kaaimuurstabilisatie en bouw van nieuwe keermuur. Deze oplossing kan in de vorm van een ondergrondse of halfondergrondse parking (mits minimale gronddekking van 1 m) of als parkeergebouw. In geval er wordt geopteerd voor een parkeergebouw, zullen randvoorwaarden opgelegd worden in functie van de integratie in de publieke ruimte: beperking van het aantal bouwlagen tot 1 bouwlaag, toegankelijkheid en openbaar karakter van het dak. Combinatie van maaiveldophoging (al dan niet in functie van een halfondergrondse parking) met bovengrondse bebouwing wordt niet toegestaan.” 8.
  17. Over het ontwerp van RUP wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 16 juli tot 13 september
  18. Verzoekers dienen, samen met anderen, een bezwaarschrift in (hierna: verzoekers’ bezwaarschrift). 8.
  19. In verzoekers’ bezwaarschrift wordt onder meer aangevoerd dat de voorschriften voor het parkeren in de ‘Zone voor publiek domein’ rechtsonzeker zijn, omdat ze wezenlijk beperkt zijn tot de opsomming van een aantal verschillende opties, terwijl het nochtans gaat om een noodzakelijk element X-17.482-4/15 van de inrichting dat in het RUP zelf moet worden geregeld. 9.
  20. Op 24 oktober 2018 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Gecoro) de bezwaren en brengt zij advies uit over het ontwerp van RUP. 9.
  21. Over het in randnummer 7.2 aangehaalde voorschrift stelt de Gecoro: “[…] de Gecoro [is] van mening dat de formulering mbt de overgangsbepaling voor het parkeren op het maaiveld, zoals nu bepaald in het RUP, onvoldoende rechtszekerheid biedt en geherdefinieerd dient [te] worden. Dit houdt concreet in dat parkeren op maaiveld slechts wordt toegestaan tot de eerstvolgende heraanleg van de open ruimte tussen de havenloodsen (artikel 1 Zone voor publiek domein) na de inwerkingtreding van dit RUP”. 10.
  22. Met een besluit van 17 december 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Antwerpen het gemeentelijk RUP ‘Rijnkaai’ definitief vast. Dit is het bestreden besluit. Van het bestreden besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari
  23. 10.
  24. Het bestreden besluit stelt onder meer het volgende: “De GECORO vraagt in functie van de rechtszekerheid de overgangsbepaling voor het parkeren op het maaiveld te herformuleren als volgt: ‘Parkeren op maaiveld slechts wordt toegestaan tot de eerstvolgende heraanleg van de open ruimte tussen de havenloodsen (Artikel 1 ‘Zone voor publiek domein’) na de inwerkingtreding van dit RUP.’ Het college gaat niet akkoord met de aanpassing. Het RUP Rijnkaai voorziet in stedenbouwkundige (inrichtings)voorschriften met betrekking tot het parkeren op de kaaivlakte en stelt het kader vast […] voor het realiseren van nieuwe kwalitatieve publieke ruimte. Het RUP voorziet zo in de nodige flexibiliteit om kwaliteitsvolle oplossingen uit te werken bij de ontwikkeling van het plangebied en om wijzigingen van noden en evoluties te kunnen opvangen.” 10.
  25. Het in randnummer 7.2 aangehaalde wordt ongewijzigd X-17.482-5/15 opgenomen in artikel 1.2.5 van de bijzondere stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden RUP (hierna: het geviseerde voorschrift). Daarnaast is in de bijzondere stedenbouwkundige voorschriften voor de ‘Zone voor publiek domein’ onder meer het volgende bepaald: “1.2.1 Algemeen Alle werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor de aanleg en het onderhoud van het publiek domein met inbegrip van maatregelen in functie van waterkering en evenementen. Bij de inrichting van de zone voor publiek domein moet zowel rekening worden gehouden met de verkeersfunctie als met de gewenste verblijfskwaliteit, gewenste landschappelijke kwaliteit en de ecologische (verbindings)functie van het gebied. 1.2.2 Inrichting buitenruimte De niet-bebouwde delen inclusief de ruimte boven ondergrondse constructies en daken groter dan 100 m² moeten aangewend worden voor de realisatie van publieke buitenruimte met verblijfskarakter. De zone dient ingericht te worden als één stedelijke open ruimte. De zone bestaat uit de ‘Kaaivlakte’ en de ‘Kaaiweg’. De Kaaivlakte dient als een kwalitatieve en toegankelijke publieke ruimte ingericht te worden. […] De kaaiweg dient ingericht te worden in functie van de verbindende en erfontsluitende rol van de straat en afgestemd te zijn op de verschillende weggebruikers.” 10.
  26. In de toelichtingsnota bij het bestreden RUP wordt de in randnummer 7.3 geciteerde passage opgenomen. 10.
  27. Uit het bij het bestreden RUP horende grafische plan – waarvan hierna een uittreksel is opgenomen – blijkt dat de kaaivlakte tussen en rondom de twee loodsen grotendeels bestemd wordt tot ‘Zone voor publiek domein’. Ook het nieuwe tracé van de straat Rijnkaai is in die zone gesitueerd. X-17.482-6/15 IV. Ontvankelijkheid Exceptie van de verwerende partij
  28. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op dat verzoekers geen belang hebben bij het bestrijden van het RUP ‘Rijnkaai’. Zij betoogt dat verzoekers geen belang kunnen putten uit vermeende onduidelijkheden in de stedenbouwkundige voorschriften. Een vernietiging op dit punt levert hen geen direct en persoonlijk voordeel op. Een nadere verduidelijking van de betrokken bestemmingsvoorschriften zal immers niet tot een verandering van de bestemmingsvoorschriften leiden. Ook voor wat de eventuele verhoging van het maaiveld betreft, is de verwerende partij van oordeel dat dit niet rechtstreeks het belang van verzoekers raakt. Een dergelijke verhoging X-17.482-7/15 werd immers reeds voorzien in het Masterplan Scheldekaaien, dat al op 9 juli 2010 werd goedgekeurd. De verhoging van de waterkering is geen rechtstreeks gevolg van de bestreden beslissing, maar wel van het Geactualiseerd Sigmaplan. Bovendien tast het RUP het concrete uitzicht van de verzoekers niet op een negatieve manier aan. Het RUP heeft slechts een wijziging van de zijdelingse uitzichten op de Schelde tot gevolg. Verzoekers zullen nog steeds kunnen genieten van de open ruimte aan de voorzijde van hun woningen. Verder kunnen verzoekers zich, volgens de verwerende partij, niet met goed gevolg beroepen op de eventuele geluidshinder van evenementen die het bestreden RUP toestaat. De huidige bestemming volgens het gewestplan laat immers ook de organisatie van evenementen toe. Bovendien hebben verzoekers ervoor gekozen om in een stedelijke omgeving te wonen. In een dergelijke omgeving kan een mate van tolerantie ten aanzien van stedelijke evenementen worden verwacht.
  29. De tussenkomende partij voert in haar memorie tot tussenkomst dezelfde exceptie aan.
  30. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het belang van verzoekers niet rechtstreeks is, daar, enerzijds, de verhoging van de waterkering beslist beleid is en, anderzijds, evenementen eveneens op grond van de gewestplanbestemming kunnen worden georganiseerd. Beoordeling
  31. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de appartementsgebouwen van verzoekers palen aan het plangebied van het bestreden RUP, dat de herinrichting mogelijk maakt van de kaaivlakte waarop zij vanuit hun appartementen zicht hebben. Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat verzoekers, gelet op de potentiële impact op hun leefomgeving, rechtstreeks belang hebben bij het in rechte bestrijden van het RUP, dat een reglementair karakter heeft. X-17.482-8/15 Het komt niet aan de verwerende partij en de tussenkomende partij toe om, in de plaats van verzoekers, te oordelen welke inrichting van de kaaivlakte voor hen het mooiste uitzicht oplevert. Verder wordt er in de exceptie ten onrechte aan voorbij gegaan dat, na een gebeurlijke vernietiging van het bestreden RUP, de kans bestaat dat de plannende overheid een nieuw RUP tot stand brengt dat de leefomgeving van verzoekers minder negatief beïnvloedt. Ook de andere omstandigheden die worden aangehaald door de verwerende partij en de tussenkomende partij, doen aan het voormelde belang geen afbreuk. De aangevoerde exceptie wordt verworpen. V. Het eerste middel Standpunt van de partijen 15.
  32. Het eerste middel is onder meer genomen uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 15.
  33. Verzoekers lichten toe dat de voorschriften voor het parkeren in de ‘Zone voor publiek domein’ dermate vaag en onduidelijk geformuleerd zijn dat ze de rechtsonderhorigen voor onbepaalde tijd in het ongewisse laten over de concrete inrichting van deze zone. Er worden enkel verschillende alternatieve oplossingen aangereikt voor de inplanting van voorzieningen in de zone voor publiek domein. Het parkeren op het maaiveld wordt een “overgangsmaatregel” genoemd, maar wordt niet aan enige tijdsbeperking gekoppeld. Nochtans heeft de Gecoro omtrent het parkeren op het maaiveld een opmerking geformuleerd. Ook verzoekers hebben daarover een bezwaar geuit, maar dat werd niet gevolgd bij de vaststelling van het plan. 16.
  34. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het middel onontvankelijk is. Het middel is immers zo goed als een herneming van het X-17.482-9/15 bezwaarschrift dat tijdens het openbaar onderzoek werd ingediend. De Raad van State heeft echter slechts een marginale toetsingsbevoegdheid, zodat hij niet kan overgaan tot een nieuwe beoordeling van het bezwaarschrift. De tussenkomende partij sluit zich aan bij deze exceptie van onontvankelijkheid van het middel. 16.2.
  35. Ten gronde wijst de verwerende partij er op dat het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften niet verhindert dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een omgevingsvergunning. Verder is er volgens de verwerende partij, in tegenstelling tot wat verzoekers voorhouden, wel degelijk rekening gehouden met de verschillende adviezen die tijdens de planprocedure werden gegeven. Zo is er concreet voorzien in een maximale bouwhoogte voor het enig parkeergebouw dat zou worden opgericht in de ‘Zone voor publiek domein’. Tegelijkertijd behouden de vastgestelde stedenbouwkundige voorschriften de flexibiliteit die de overheid vooropstelt. De verwerende partij benadrukt dat het behoud van de huidige situatie (parkeren op het maaiveld) slechts een overgangsmaatregel mag zijn. In de toelichtingsnota is gepreciseerd dat deze overgangsmaatregel het gevolg is van het afwachten van de kaaimuurstabilisatie en de bouw van de nieuwe keermuur. De combinatie van eventuele parkeergelegenheden met de verhoging van de waterkering is een essentieel element van het onderhavige dossier. Het gegeven dat de stedenbouwkundige voorschriften niet voorzien in een concrete tijdsspanne voor het verdwijnen van het parkeren op het maaiveld, levert niet het bewijs dat de verwerende partij kennelijk onredelijk handelde. Een RUP is in essentie toekomstgericht en het is niet vereist dat de voorschriften de toekomstige ontwikkelingen op een vaste tijdslijn vastleggen. Wanneer de voorschriften worden gelezen in samenhang met de toelichtingsnota, blijkt afdoende wanneer het parkeren op het maaiveld zal verdwijnen. Evenmin leidt het gegeven dat de inrichtingsvoorschriften van het bestreden RUP voorzien in een aantal X-17.482-10/15 alternatieven, tot de gevolgtrekking dat de verwerende partij de grenzen van het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel overschrijdt. In het bestreden RUP worden limitatief de mogelijke scenario’s voor het parkeren opgesomd. De keuze voor een welbepaald scenario is evenwel afhankelijk van de concrete realisatie van de kaaimuurstabilisatie en de waterkering. Anders dan verzoekers voorhouden wordt de voornoemde keuze niet geheel overgelaten aan de vergunningverlenende overheid. De limitatieve alternatieven zijn immers in het bestreden RUP zelf verwerkt. De voorschriften zijn dan ook voldoende duidelijk en rechtszeker. 16.2.
  36. In haar toelichtende memorie werpt ook de tussenkomende partij de in het vorige randnummer weergegeven argumenten op. Zij benadrukt dat het gegeven dat het parkeren op het maaiveld eindig is, voldoende blijkt uit de toelichtingsnota bij het bestreden RUP. Er zal worden toegewerkt naar een nieuwe parkeervoorziening. Hiervoor werd thans geen bindende timing opgenomen in het RUP, wat ook niet kan worden verwacht van een plannende overheid. 17.
  37. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden RUP expliciet voorzien dat het behoud van de huidige situatie (parkeren op het maaiveld) slechts een overgangsmaatregel kan zijn. Deze overgangsmaatregel kan worden beschouwd als een fasering die op grond van artikel 2.2.6, § 1, tweede lid, VCRO toelaatbaar is. Uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat stedenbouwkundige voorschriften niet rechtsonzeker zijn louter omdat het tijdstip van de omschakeling niet is bepaald, zolang deze omschakeling maar bepaalbaar is. Volgens de verwerende partij is in het tweede lid van het geviseerde voorschrift het omschakelmoment voldoende bepaalbaar. Uit dit tweede lid blijkt immers dat de overgangsmaatregel ten einde loopt zodra het parkeren wordt georganiseerd in een parkeergebouw, een ondergrondse parking of een parking onder verhoogd maaiveld. Derhalve kan er geen twijfel over bestaan dat de overgangsmaatregel eindigt wanneer één van de andere parkeervormen een aanvang neemt. X-17.482-11/15 In de toelichtingsnota is gepreciseerd dat de overgangsmaatregel in het tweede lid van het geviseerde voorschrift, het gevolg is van het afwachten van de kaaimuurstabilisatie en de bouw van de nieuwe keermuur. Dit is te beschouwen als een bijkomende toelichting bij het artikel, meer bepaald de opgave van de reden waarom de overgangsmaatregel wordt voorzien. De verwerende partij vervolgt dat het bewijs dat zij kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld niet geleverd wordt nu het geviseerde voorschrift zelf voldoende aanknopingspunten bevat om het einde van de overgangsmaatregel in te schatten. 17.
  38. De verwerende partij voegt er in haar laatste memorie nog aan toe dat het plein overigens op heden als parking gebruikt wordt, zodat verzoekers ook geen belang aantonen. Beoordeling
  39. Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij aanvoeren, strekt het middel er niet toe verzoekers’ tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift te laten beoordelen door de Raad van State. Evenzeer ten onrechte laat de verwerende partij in haar laatste memorie uitschijnen dat verzoekers geen belang bij het middel zouden hebben door de loutere omstandigheid dat de GAPA-parking bestaat. De in de randnummers 16.1 en 17.2 weergegeven excepties worden bijgevolg verworpen.
  40. Het in het middel geviseerde voorschrift luidt: X-17.482-12/15 “1.2.5 Parkeren Parkeerplaatsen mogen ondergronds, onder verhoogd maaiveld, op het maaiveld of in een gebouw worden ingericht. Parkeerplaatsen op het maaiveld is te beschouwen als overgangsmaatregel en mag niet worden gecombineerd met een parkeergebouw, een ondergrondse parking of een parking onder verhoogd maaiveld. Parkeerplaatsen op het maaiveld en de aanleg van laad- en loszones zijn enkel toegelaten in zoverre zij het openbaar domein niet domineren en de toegankelijkheid van de Kaaivlakte niet belemmeren.” 20.
  41. Vooreerst moet worden vastgesteld dat het geviseerde voorschrift afwijkt van wat in de bij het bestreden RUP horende stukken van het administratief dossier wordt gesteld. In deze stukken wordt het verdwijnen van de GAPA-parking gekoppeld aan de op til zijnde kaaimuurstabilisatie en bouw van nieuwe keermuur. Deze koppeling – die de verwerende partij in haar memorie van antwoord een essentieel element van het onderhavige dossier noemt – is niet hernomen in de stedenbouwkundige voorschriften. Daarin wordt evenmin, zoals de Gecoro heeft geadviseerd (randnr. 9.2), een koppeling gemaakt met de eerstvolgende heraanleg van de open ruimte tussen de havenloodsen. 20.
  42. In het eerste lid van het geviseerde voorschrift wordt parkeren op het maaiveld overal in de ‘Zone voor publiek domein’ toegelaten. In het tweede lid daarentegen, wordt parkeren op het maaiveld een “overgangsmaatregel” genoemd, die niet gecombineerd mag worden met andere parkeervormen. Het derde lid tenslotte legt aan de vergunningverlenende overheid criteria op die moeten worden nageleefd bij het vergunnen van parkeerplaatsen op het maaiveld. Het staat vast dat, zolang geen van de andere parkeervormen gerealiseerd wordt, er zonder enige tijdsbeperking verder op het maaiveld geparkeerd kan worden, dus desgevallend ook na de stabilisatie van de kaaimuur, na de bouw van de nieuwe keermuur, na de herinrichting van de ‘Zone voor publiek domein’ en na de verhoging van het maaiveld in deze zone. Het in het geviseerde voorschrift ingeschreven predicaat “overgangsmaatregel” is dan ook verwarrend, zo niet misleidend. X-17.482-13/15 Hoe dan ook is het geviseerde voorschrift, gelet op het in het vorige randnummer gestelde, geen zorgvuldige vertaling van de bedoelingen die uitgedrukt zijn in de stukken van het administratief dossier, met name in de toelichtingsnota en het in het licht van de toelichtingsnota niet afdoende weerlegde advies van de Gecoro. Dit laatste geldt daarenboven ook voor de exacte locatie waar er – nadat er andere parkeervormen zijn gerealiseerd – parkeerplaatsen op het maaiveld zouden verdwijnen. Daar waar volgens de stukken van het administratief dossier de GAPA-parking moet verdwijnen, dienen volgens de tekst van het geviseerde voorschrift de parkeerplaatsen op het maaiveld overal in de ‘Zone voor publiek domein’ dit lot te ondergaan, dus ook bijvoorbeeld de parkeerplaatsen langs de straat Rijnkaai.
  43. Vastgesteld moet worden dat het geviseerde voorschrift niet getuigt van de vereiste nauwkeurigheid. Aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de door de verwerende partij en de tussenkomende partij aangehaalde omstandigheden dat planvoorschriften flexibel kunnen worden opgevat, dat het “omschakelmoment” in het geviseerde voorschrift voldoende bepaalbaar is en dat de intentie bestaat om toe te werken naar een nieuwe parkeervoorziening.
  44. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Kosten
  45. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  46. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. X-17.482-14/15 BESLISSING
  47. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen van 17 december 2018 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Rijnkaai’.
  48. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  49. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 60 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juli tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.482-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.