id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.275 Rolnummer: A. 232819/X-17889 Zaak: Arrest 251275 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-20 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 251.275 van 15 juli 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 251.275 van 15 juli 2021 in de zaak A. 232.819/X-17.889 In zake : de BV CÉLIFISH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Victor Petitat kantoor houdend te 8000 Brugge Ter Pannestraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE JETTE -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jette dd. 01.12.2020 waarin wordt beslist [o]m de gevraagde toestemming aan Célifish, gelegen op het Brusselaarsplein op de zondagsmarkt van Jette, te weigeren voor de overdracht van de standplaats met een verandering van specialisatie om de stand van Christian Bauwens, gelegen op het Koningin Astridplein en gespecialiseerd in de verkoop van huishoudgereedschap over te nemen”. II. Verloop van de rechtspleging
- Op 6 april 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling X-17.889-1/8 bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 juni
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Victor Petitat, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthieu Generet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 70, § 1, eerste lid, 2°, van het algemeen procedurereglement geeft het instellen van een beroep tot nietigverklaring aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 200 euro. Volgens artikel 66, 6°, van hetzelfde besluit omvatten de kosten ook “de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’. Gelet op artikel 71, eerste en tweede lid, van het algemeen procedurereglement moeten het rolrecht en de bijdrage worden gekweten door X-17.889-2/8 middel van een overschrijving of een storting op de in die bepaling genoemde bankrekening, geopend bij de dienst die binnen de federale overheidsdienst Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en de bijdrage die betaald moeten worden in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure te innen, en zendt de hoofdgriffier daartoe aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft. Artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement schrijft voor dat, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep van de rol zal worden geschrapt.
- In het aangetekend schrijven waarbij aan de verzoekende partij de voor het overschrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden meegedeeld, heeft de hoofdgriffier het genoemde artikel 71, vierde lid, uitdrukkelijk vermeld en geciteerd. De verzoekende partij heeft de betrokken rekening niet binnen de gestelde termijn van dertig dagen gecrediteerd, maar pas drie dagen nadien.
- Ter terechtzitting legt verzoeker uit dat “[d]oor een zuiver materiële vergissing” in het verzoekschrift tot nietigverklaring woonplaatskeuze is gedaan op het oude kantooradres van zijn advocaat, “niettegenstaande” het nieuwe kantooradres in het briefhoofd van de begeleidende brief werd vermeld. Dit belet volgens hem niet dat er te dezen toch sprake is van een tijdige betaling. Immers beschikte hij over een tegoed bij de Raad van State aangezien hij in een eerdere zaak, tegen een voorloper van de bestreden beslissing, één keer teveel heeft betaald. Dit maakt dat de rekening van de griffie X-17.889-3/8 “eigenlijk op voorhand” en namelijk zelfs nog vóór het ingestelde beroep afdoende werd gecrediteerd. Ondergeschikt argumenteert verzoeker dat de sanctie van de schrapping disproportioneel is nu de rekening kort na de voorgeschreven termijn is gecrediteerd, dat er sprake is van een onoverwinnelijke dwaling omdat hij mocht menen dat zijn eerdere dubbele betaling kon dienen ter delging van het nieuw verschuldigde bedrag, en dat artikel 71, vierde en zevende lid, van het algemeen procedurereglement overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden verklaard omdat de termijn van dertig dagen, in zoverre opgevat als een hakbijltermijn, “nog steeds” te sterk het recht op toegang tot de rechter schendt, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, het recht op een eerlijk proces en het evenredigheidsbeginsel, “zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het EVRM”. Ten slotte is er volgens verzoeker reden om de kwestie met het oog op de eenheid in de rechtspraak aan de algemene vergadering voor te leggen “daar er blijkbaar divergerende rechtspraak bestaat tussen de Nederlandstalige en Franstalige kamers van de Raad van State omtrent de al dan niet strikte toepassing van het nieuwe artikel 71, vierde/zevende lid van het algemene procedurereglement”.
- Het recht op toegang tot een rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet worden gewaarborgd aan eenieder. Het is evenwel niet absoluut. Het kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, voor zover ze geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht. De reglementering ter zake dient de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling na te streven en de beperkingen waarin wordt voorzien, moeten redelijk evenredig zijn met dat nagestreefde doel. X-17.889-4/8 Te dezen wordt in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 25 december 2017 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ het volgende uiteengezet over de termijn van dertig dagen en het sanctiemechanisme bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement: “De termijn moet verhinderen dat een verzoeker het onderzoek naar de gegrondheid van zijn beroep en de uitspraak daarover voor onbepaalde termijn zou uitstellen en zolang de rechtsgeldigheid van de door hem bestreden rechtshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie ze uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse zou houden, met alle nadelige gevolgen van dien. De termijn van dertig dagen – naar het voorbeeld van de termijn die geldt om bijvoorbeeld in algemene geschillen een laatste memorie in te dienen – is redelijk omdat hij bijna vier maal langer is dan die welke vernietigd is door de algemene vergadering van de Raad van State [bij arrest nr. é.609 van 26 januari 2016]. Het grootste probleem met die termijn van acht dagen was dat het voor bepaalde betalingen tussen verschillende banken tot vier dagen kon duren vooraleer het bedrag op de rekening van de Raad van State stond. Met een termijn van dertig dagen is dat probleem van de baan. Deze bepaling verzoent de vereisten van rechtszekerheid (de overheid mag niet te lang in het ongewisse worden gelaten over het lot van haar beslissingen) met deze van tegenspraak en het recht van de betrokkenen om overmacht of een onoverwinnelijke daling in te roepen: de strengheid van de procedurewet kan immers worden gemilderd in geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling.” In het licht van de aangehaalde verantwoording, die in geen enkel opzicht door verzoeker in het gedrang wordt gebracht, komt artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement voor te beantwoorden aan een wettig doel, pertinent te zijn ten aanzien van dat doel, en niet zonder redelijk verband van evenredigheid ermee. Dat laatste is des te minder het geval wanneer de betrokkene – zoals in casu – door de griffie uitdrukkelijk geattendeerd is geworden op zowel de termijn voor het kwijten van de betaling als het gevolg dat verbonden is aan het verzuim om de betaling tijdig te doen. X-17.889-5/8 De Raad van State ziet geen reden om aan te nemen dat artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement, het recht op toegang tot de rechter schendt en om de bepaling niet toe te passen.
- Blijkbaar heeft verzoeker per vergissing woonplaatskeuze gedaan op een oud kantooradres van zijn advocaat. Dit kan, op zich, niet gelden als overmacht of onoverwinnelijke dwaling en niet een overschrijding van de termijn in artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement, ook al is het maar met een beperkt aantal dagen, wettigen.
- Onterecht ziet verzoeker een voldoende verantwoording voor een overschrijding van die termijn in het feit dat hij in een eerdere zaak 220 euro te veel betaalde: hij zou aldus het bedrag dat voor het voorliggende beroep verschuldigd is al op voorhand betaald hebben, minstens zou hij het slachtoffer van een onoverwinnelijke dwaling zijn. De in artikel 71 van het algemeen procedurereglement bedoelde bedragen moeten worden gekweten door betaling op een rekening bij de federale overheidsdienst Financiën, met het oog waarop de griffie een overschrijvingsformulier bezorgt “dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft”. De omstandigheid dat verzoeker voor zijn beroep in de zaak A. 230.618/X-17.709 per vergissing twee keer 220 euro betaalde, stelt hem er niet van vrij om, wanneer de griffie hem de betalingsuitnodiging met de te vermelden gestructureerde mededeling voor specifiek zijn nieuwe verzoekschrift in de voorliggende zaak toezendt, daaraan gevolg te geven – op straffe van de sanctie waarin artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement voorziet. De “eerdere dubbele betaling” kan overigens des te minder gelden als een afdoend excuus om niet tijdig voor het beroep in de voorliggende zaak te hebben betaald, aangezien verzoeker er al vóór het moment waarop hij de X-17.889-6/8 uitnodiging voor de betrokken betaling ontving van ingelicht was geworden, via de betekening van het arrest in de zaak A. 230.618/X-17.709, dat het in die zaak teveel betaalde aan hem terugbetaald wordt. Er restte hem in die zaak dus überhaupt geen tegoed meer.
- De “divergerende rechtspraak” die verzoeker ten slotte meent te ontwaren, heeft geen betrekking op een geval zoals hier aan de orde is en waarin binnen de gestelde termijn geen enkele betaling gebeurde. Ze betreft integendeel het geval waarin wel tijdig het rolrecht van 200 euro werd betaald, maar niet de sinds 1 maart 2018 verschuldigde bijdrage van 20 euro bedoeld in artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. In één arrest van kort nadien werd geoordeeld dat dit in de zeer particuliere omstandigheden van de zaak niet prohibitief was. Die zienswijze is in latere arresten niet herhaald, wat het arrest nr. 246.724 van 20 januari 2020 waarnaar verzoeker verwijst niet nalaat te onderstrepen.
- Het beroep dient van de rol te worden geschrapt. BESLISSING
- Het beroep wordt van de rol geschrapt.
- Het laattijdig door verzoeker betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro wordt aan hem terugbetaald. X-17.889-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juli tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.889-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.275 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div