← België

Arrest 251307 - Overheidsopdrachten - 27/07/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.307 Rolnummer: A. 234049/XII-9108 Zaak: Arrest 251307 - Overheidsopdrachten - 27/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-28 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-20 00:35 Fiche Arrest nr 251.307 van 27 juli 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 251.307 van 27 juli 2021 in de zaak A. 234.049/XII-9108 In zake: de VZW MAATWERKBEDRIJF SPOOR 2 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Burssens kantoor houdend te 9052 Gent Bollebergen 2 A/20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 juli 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing[en] van […] de Belgische Staat vertegenwoordigd door de minister van Financiën (FOD Financiën – Stafdienst Begroting en Beheerscontrole) dd. 24.06.2021, waarbij werd beslist dat de ingediende offerte van VZW Maatwerkbedrijf Spoor 2 in het kader van de ‘Openbare procedure voor het onderhoud van de groenzones aan verschillende gebouwen gelegen in het Vlaams, Waals en Brussels-Hoofdstedelijk Gewest’ [voor de percelen 5 en 6] niet rechtmatig ondertekend werd en dus ook impliciet beslist werd om de opdracht niet te gunnen aan [de vzw Maatwerkbedrijf Spoor 2]”. XII-9108-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 juli 2021, om 10.30 uur. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Burssens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp het onderhoud van de groenzones aan diverse gebouwen gelegen in het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De opdracht is opgesplitst in 16 percelen. 3.2. De opdracht is bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 27 mei 2020 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 28 mei 2020. De opdracht wordt gegund met een openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium. XII-9108-2/13 3.3. Het bestek met referte S&L/DA/2020/035 is van toepassing. Onder punt C.1.2 “Ondertekening van de offertes” bepaalt het bestek: “De gekwalificeerde elektronische handtekening(

  1. en)moet(
  2. en)uitgaan van de perso(o)n(
  3. en)die bevoegd of gemachtigd is (zijn) om de inschrijver(
  4. s)te verbinden. […] In het kader van de machtiging om een vennootschap te verbinden, vestigt de aanbestedende overheid de aandacht van de inschrijver op het feit dat de ondertekening van een offerte voor een overheidsopdracht niet als een handeling van dagelijks bestuur kan worden beschouwd.” 3.4. De opening der offertes vindt plaats op 7 juli 2020. De verzoekende partij dient een offerte in voor de percelen 5 en 6. Voor die percelen dient ook de nv Krinkels Greencare een offerte in. 3.5. Voor de beide percelen 5 en 6 worden “evaluatieverslag[en]” opgesteld op 22 januari 2021. Daarin wordt voor de offerte van de verzoekende partij telkens vastgesteld dat deze niet rechtmatig is ondertekend. Voorgesteld wordt de percelen 5 en 6 te gunnen aan de nv Krinkels Greencare. 3.6. Bij afzonderlijke en niet gedateerde beslissingen gunt de Minister van Financiën onder verwijzing naar de voormelde evaluatieverslagen de percelen 5 en 6 aan de nv Krinkels Greencare. 3.7. Per aangetekend schrijven gedateerd 4 maart 2021 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat haar offerte voor de percelen 5 en 6 onregelmatig is. De kennisgeving bevat de redengeving zoals ze in de evaluatieverslagen is vermeld. 3.8. Met zijn arrest nr. 250.328 van 14 april 2021 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van de onder randnummer 3.6 vermelde beslissingen XII-9108-3/13 om reden van de gebrekkigheid van de motieven die in deze beslissingen vervat is en die impliceert dat geen correcte toepassing is gemaakt van de geschonden geachte artikelen 44 en 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017). 3.9. Na het voormelde schorsingsarrest worden op 31 mei 2021 nieuwe evaluatieverslagen opgesteld voor de percelen 5 en 6 van de opdracht. Daarin wordt opnieuw besloten dat de offerte van de verzoekende partij voor deze percelen niet geldig werd ondertekend en bijgevolg als substantieel onregelmatig moet worden verworpen. 3.10. Op 24 juni 2021 trekt de verwerende partij de eerdere gunningsbeslissingen in, verklaart zij de offerte van de verzoekende partij voor de percelen 5 en 6 opnieuw substantieel onregelmatig, verwijzend naar de nieuwe evaluatieverslagen, en gunt zij die twee percelen opnieuw aan de nv Krinkels Greencare. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden 5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. XII-9108-4/13 5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissingen in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het enig middel 6. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 44 en 76 koninklijk besluit plaatsing 2017 en van artikel 13 van de wet van 27 juni 1921 ‘betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen’ (hierna: VZW-wet), alsook van het materiëlemotiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 6.1. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat haar offerte wel degelijk rechtsgeldig werd ondertekend. In de eerste plaats stelt zij dat de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid geldig werd gedelegeerd. Daarnaast betoogt zij dat de ondertekening van de offerte een daad van dagelijks bestuur uitmaakt. XII-9108-5/13 6.1.1. Wat de delegatie van de algemene vertegenwoordigings- bevoegdheid betreft, wijst de verzoekende partij erop dat artikel 13.6 van haar statuten bepaalt dat de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden opgedragen aan een of meer personen, al dan niet bestuurder. Dat is conform artikel 13 VZW-wet. Zij stelt dat haar raad van bestuur op 27 augustus 2013 heeft beslist om de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid te delegeren aan Aart Lehembre. Het mandaat is zodanig ruim geformuleerd dat ook het intekenen op aanbestedingen eronder valt. Ten onrechte oordeelt de verwerende partij dat de volmacht als onbestaande moet worden beschouwd wegens strijdigheid met artikel 9:7 WVV. Op het ogenblik van de ondertekening van de offerte op 24 juni 2020 diende de verwerende partij enkel rekening te houden met artikel 13 VZW-wet. De wetgever heeft immers in een overgangsperiode voorzien, zodat vanaf 1 januari 2020 enkel de dwingende bepalingen van het WVV van toepassing zijn. Pas op 1 januari 2024 moeten de statuten in volledige overeenstemming met het WVV worden gebracht. Op het ogenblik van de ondertekening waren de statuten nog niet aangepast aan het WVV, zodat enkel de dwingende bepalingen van het WVV van toepassing waren. Artikel 9:7 WVV is een aanvullende bepaling en geen dwingende bepaling. Om het dwingend karakter van artikel 9:7 WVV aan te nemen, verwijst de verwerende partij niet naar een officieel standpunt. De verzoekende partij verwijst op haar beurt naar een nota van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, die een lijst bevat met dwingende bepalingen van het WVV, waarop artikel 9:7 WVV niet wordt vermeld. De verzoekende partij meent dat artikel 13.6 van haar statuten op het ogenblik van de ondertekening van de offerte nog steeds rechtsgeldig was overeenkomstig artikel 13 VZW-wet. De verwerende partij stelt ten onrechte dat er geen geldig beroep kan worden gedaan op de volmacht van 27 augustus 2013 aangezien deze dateert van vóór de statuten van 29 januari 2019 waarin artikel 13.6 is opgenomen. Er dient immers enkel rekening te worden gehouden met de statuten die op het ogenblik van de ondertekening van toepassing zijn. In elk geval voorzien ook de oude statuten van 5 oktober 2004 in de mogelijkheid om de vertegenwoordigingsbevoegdheid te delegeren aan leden van het dagelijks bestuur, XII-9108-6/13 ongeacht of deze bestuurder zijn. De omstandigheid dat de duur van het mandaat niet is bepaald, houdt louter in dat het een volmacht van onbepaalde duur betreft. Artikel 13.6 van de statuten vereist niet dat de duur van de volmacht wordt bepaald. 6.1.2. Wat haar standpunt dat de ondertekening van de offerte een daad van dagelijks bestuur uitmaakt, betreft, betoogt de verzoekende partij dat Aart Lehembre algemeen directeur is van de vzw en dat hij als dusdanig bevoegd is voor daden van dagelijks bestuur van de vereniging. Artikel 9:10 WVV heeft de definitie van het begrip dagelijks bestuur verruimd. In de memorie van toelichting wordt het intekenen op een overheidsopdracht zelfs uitdrukkelijk vermeld als een handeling die voortaan onder het begrip dagelijks bestuur valt. Artikel 9:10 WVV is volgens de verzoekende partij van dwingend recht en bijgevolg van toepassing op het ondertekenen van de offerte. De verzoekende partij betoogt dat geval per geval in concreto moet worden nagegaan welke handelingen juist onder het begrip dagelijks bestuur vallen en dat wel degelijk dient besloten te worden dat het ondertekenen van de offerte een daad van dagelijks bestuur uitmaakt. Waar de verwerende partij in de bestreden beslissing wijst op de beperking van de bevoegdheid van de algemeen directeur tot verbintenissen met een waarde van minder dan 5.000 euro, doet de verzoekende partij gelden dat die bevoegdheidsbeperking louter uitgaven betreft. Het ondertekenen van een offerte betreft geen enkele uitgave in hoofde van de verzoekende partij, enkel de aanbestedende overheid verbindt zich tot een uitgave door de offerte te aanvaarden. De 5000-eurobeperking is in elk geval niet tegenwerpbaar aan de verwerende partij op basis van het Prokurasysteem. Zelfs indien Aart Lehembre in strijd met de beperking heeft gehandeld, wordt op grond van die leer de handeling toch toegerekend aan de vzw. Een overschrijding van zijn bevoegheid kan hoogstens tot de interne aansprakelijkheid van Aart Lehembre leiden, maar belet niet dat de verzoekende partij gebonden is door die handeling. XII-9108-7/13 6.2. In een tweede middelonderdeel meent de verzoekende partij dat de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden werden. Zij betoogt in dit verband: “- De aanbestedende overheid hield geen rekening met de volmacht van de heer Lehembre, omdat deze volmacht strijdig zou zijn met art. 9:7 WVV. De aanbestedende overheid ging er bijgevolg vanuit dat art. 9:7 WVV van dwingend recht is. Ze verwees hiervoor naar twee websites. Dat twee websites aangeven dat art. 9:7 WVV van dwingend recht is, betekent vanzelfsprekend niet dat dit eveneens het standpunt is van de Belgische wetgever of de juridische dienst van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid heeft in werkelijkheid dus louter ‘aangenomen’ dat art. 9:7 WVV van dwingend recht is, zonder dat de aanbestedende overheid naar een officieel standpunt dienaangaande kan verwijzen. - De aanbestedende overheid beweert dat er geen rekening gehouden moet worden met art. 13.6. van de statuten, omdat de volmacht van de heer Lehembre dateert van vóór de statuten waarin dit artikel werd opgenomen. Nochtans dient de aanbestedende overheid op grond van art. 76 en art. 44 van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017 betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren te onderzoeken of de heer Lehembre over de noodzakelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikte op het ogenblik van de ondertekening van de offerte. Dit impliceert dat de aanbestedende overheid de toepasselijke rechtsregelingen en statutaire bepalingen, zoals deze bestaan op het ogenblik van de ondertekening, zorgvuldig diende te onderzoeken, waaronder art. 13.6. van de statuten. - Volgens de aanbestedende overheid kan de ondertekening van de offerte in het kader van de overheidsopdracht niet gekwalificeerd worden als een daad van dagelijks bestuur. Uit de weigeringsbeslissing blijkt echter niet dat de aanbestedende overheid hier enig onderzoek naar verricht heeft, terwijl de aanbestedende overheid in concreto had moeten nagaan of het indienen van een offerte voor de opdracht door verzoekende partij als een handeling van dagelijks bestuur kan worden beschouwd en dit gelet op de definitie van het begrip ‘dagelijks bestuur’, opgenomen in het WVV, en het arrest van de Raad van State van 5 februari 2021.” Beoordeling 7.1. Overeenkomstig artikel 76, § 1, vierde lid, 2º, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 vormt het niet naleven van de vereisten van artikel 44 van datzelfde besluit een substantiële onregelmatigheid. Het laatstgenoemde artikel bepaalt onder meer dat handtekeningen worden “afgeleverd door de perso(o)n(
  5. en)XII-9108-8/13 die bevoegd of gemachtigd is/zijn om de inschrijver te verbinden”. Krachtens artikel 76, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 is een substantieel onregelmatige offerte nietig. Wanneer een offerte behept is met een substantiële onregelmatigheid beschikt de aanbestedende overheid over geen enkele beoordelingsruimte en is zij verplicht deze offerte nietig te verklaren. 7.2. Artikel 13.5 van de statuten van de verzoekende partij, zoals die golden op het ogenblik van de ondertekening van de offerte, bepaalt dat de bevoegdheid om daden van dagelijks bestuur te stellen, wordt overgedragen aan het dagelijks bestuur (een suborgaan van de raad van bestuur, dat bestaat uit de voorzitter van de raad van bestuur, de algemeen directeur, de financieel directeur en de personeelsdirecteur) en aan de algemeen directeur afzonderlijk. Om de vennootschap te verbinden voor contractuele verbintenissen van 5.000 euro of meer, is volgens artikel 13.5 van de statuten de handtekening vereist van zowel de voorzitter als van de algemeen directeur. Overeenkomstig artikel 13.6 van die statuten kan de bevoegdheid om de vereniging in en buiten rechte te vertegenwoordigen door de raad van bestuur worden opgedragen aan een of meer personen, al dan niet bestuurder. Deze bevoegdheid moet precies worden afgebakend door de raad van bestuur, die tevens de duur van het mandaat bepaalt. 7.3. Op 27 augustus 2013 besliste de raad van bestuur van de verzoekende partij het volgende: “De Raad [van bestuur] stemt in om Aart Lehembre volmachten voor de bank te geven, evenals geeft de Raad [van bestuur] tekenbevoegdheid aan hem. Het bedrag waarvoor de voorzitter mee moet tekenen bij uitgaven wordt bijgesteld naar 5.000 €.” De offerte van de verzoekende partij is ondertekend door Aart Lehembre in zijn hoedanigheid van “Algemeen Directeur”. 7.4.1. Met betrekking tot de vraag of de ondertekening van de offerte onder de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid valt, betoogt de verzoekende XII-9108-9/13 partij dat deze bevoegdheid aan Aart Lehembre is opgedragen middels de voormelde beslissing van haar raad van bestuur van 27 augustus 2013. 7.4.2. Anders dan de verwerende partij het ziet, lijkt het feit dat de beslissing van 27 augustus 2013 dateert van vóór de op het ogenblik van de ondertekening van de offerte geldende versie van de statuten, op zich geen afbreuk te doen aan de geldigheid ervan. Prima facie blijkt niet dat met de beslissing tot vaststelling van die versie van de statuten zou zijn overgegaan tot een intrekking van alle eerder verleende volmachten, mandaten of lastgevingen. Wel is op het eerste gezicht vereist dat de beslissing van 27 augustus 2013 in overeenstemming is met de geldende statuten. 7.4.3. Artikel 13.6 van de statuten laat een delegatie van de bevoegdheid van de raad van bestuur om de vereniging in en buiten rechte te vertegenwoordigen slechts toe onder de vereiste dat deze bevoegdheid “precies [wordt] afgebakend door de Raad van Bestuur, die eveneens de duur van het mandaat bepaalt”. De beslissing van 27 augustus 2013 waar de verzoekende partij zich op beroept, blijkt op het eerste gezicht niet precies afgebakend te zijn. Er is sprake van “volmachten voor de bank” en “tekenbevoegdheid”, maar of die laatste louter betrekking heeft op de voornoemde bankzaken of een algemene tekenbevoegdheid betreft, is prima facie niet duidelijk. Evenmin lijkt de duur van het mandaat te zijn bepaald. Het betoog van de verzoekende partij dat dit louter inhoudt dat een volmacht van onbepaalde duur voorligt en dat artikel 13.6 van de statuten niet vereist dat de duur wordt bepaald, gaat op het eerste gezicht in tegen de duidelijke tekst van artikel 13.6, dat voorschrijft dat de raad van bestuur eveneens de duur van het mandaat bepaalt. 7.4.4. De vaststelling in de evaluatieverslagen dat de volmacht niet rechtsgeldig is wegens niet in overeenstemming met de op dat ogenblik geldende statuten, inzonderheid wat het niet beperken van de duur ervan betreft, volstaat prima facie om het besluit te dragen dat de verzoekende partij zich bij de XII-9108-10/13 ondertekening van de offerte niet kan beroepen op een algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid in hoofde van Aart Lehembre. Het motief dat artikel 9:7 WVV van dwingend recht is, zodat aan een niet-bestuurder überhaupt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid mag worden toegekend, betreft op het eerste gezicht een overtollig motief, waarvan de gebeurlijke onwettigheid niet tot vernietiging kan leiden. 7.5.1. Artikel 13.5 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt met betrekking tot de daden van dagelijks bestuur dat om de vennootschap te verbinden voor contractuele verbintenissen van 5.000 euro of meer, de handtekening is vereist van zowel de voorzitter als van de algemeen directeur. Aan die vereiste is te dezen op het eerste gezicht niet voldaan, nu de offerte prima facie een contractuele verbintenis van meer dan 5.000 euro betreft en de voorzitter van de raad van bestuur de offerte niet mee heeft ondertekend. Het betoog in het verzoekschrift dat de beperking ratione pecuniae enkel “uitgaven” betreft, is op het eerste gezicht niet dienend. De verwijzing naar “uitgaven” komt immers enkel voor in de meer vermelde beslissing van 27 augustus 2013, die de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid en niet de daden van dagelijks bestuur aangaat. Voor deze laatste geldt artikel 13.5 van de statuten. 7.5.2. Waar de verzoekende partij doet gelden dat de limiet van 5.000 euro niet tegenwerpbaar is aan de verwerende partij op basis van de zogenaamde Prokuraleer, zij erop gewezen dat artikel 44 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 de aanbestedende overheid er uitdrukkelijk toe verplicht om na te gaan of de ondertekening is gebeurd door de persoon of de personen die bevoegd of gemachtigd is/zijn om de inschrijver te verbinden. De niet geldige ondertekening betreft, zoals gezien, een grond van substantiële onregelmatigheid van de offerte die overeenkomstig artikel 76, § 3, van het voormelde koninklijk besluit leidt tot de verplichte verwerping van de betrokken offerte als nietig. Op grond van de betrokken bepalingen van het overheidsopdrachtenrecht is de aanbestedende overheid er prima facie toe XII-9108-11/13 gehouden een onderzoek te voeren naar de geldige ondertekening van een offerte, waarbij zij op het eerste gezicht wel degelijk de bijzondere statutaire bevoegdheid tot het ondertekenen en de geldigheid van eventuele volmachten daartoe, dient na te gaan. 7.5.3. Prima facie volstaat de vaststelling in de evaluatieverslagen dat de ondertekening als daad van dagelijks bestuur niet rechtsgeldig door Aart Lehembre, alleen handelend als algemeen directeur, kon gebeuren om het besluit te dragen dat de verzoekende partij zich bij de ondertekening van de offerte niet kan beroepen op een daad van dagelijks bestuur in hoofde van Aart Lehembre. Het motief in de evaluatieverslagen dat te dezen geen handeling van dagelijks bestuur in de zin van artikel 9:10 WVV voorligt, betreft op het eerste gezicht een overtollig motief, waarvan de gebeurlijke onwettigheid niet tot de vernietiging kan leiden. 7.6. Gelet op wat voorafgaat, is prima facie niet aangetoond dat de verwerende partij op onwettige wijze tot het besluit zou zijn gekomen dat de offerte niet rechtsgeldig ondertekend is. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. 7.7. Het tweede middelonderdeel betreft prima facie een herneming van kritieken die reeds onder het eerste middelonderdeel werden aangevoerd. 7.8. Het middel is in zijn geheel niet ernstig. VII. Besluit 8. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9108-12/13 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juli tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Stephan De Taeye XII-9108-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.