← België

Arrest 251353 - Dierenwelzijn - 06/08/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.353 Rolnummer: A. 234195/VII-41177 Zaak: Arrest 251353 - Dierenwelzijn - 06/08/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-08-09 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 251.353 van 6 augustus 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 251.353 van 6 augustus 2021 in de zaak A. 234.195/VII-41.177 In zake: Oya UNAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kilian Stulens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 juli 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de bestemmingsbeslissing genomen op 22 juli 2021 door het Afdelingshoofd Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplannen en- projecten van het Vlaams Gewest, Departement Omgeving, waarbij 1 hond (chipnummer 900182001719749), in toepassing van artikel 42, §2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren […] op bevel van de Dienst Dierenwelzijn, definitief in volle eigendom gegeven werd aan het erkende asiel, dat daarmee instemt”. De vordering strekt er eveneens toe “voorlopige maatregelen te bevelen zodat kan worden vermeden dat de hond wordt

(1)geadopteerd of
(2)geëuthanaseerd”. VII-41.177--1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2021, om 10.30 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kilian Stulens, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Na een eerste controle door de politie van de zone Limburg Regio Hoofdstad op 8 juni 2021, gevolgd door drie hercontroles op verschillende datums, wordt de hond Zeyna, eigendom van verzoekster, op 25 juni 2021 in beslag genomen. Met een bestemmingsbeslissing, gedateerd op 22 juli 2021 doch ondertekend op 23 juli 2021, wordt de hond Zeyna definitief in volle eigendom gegeven aan het erkend dierenasiel, dat hiermee instemt. Dit is de bestreden beslissing. VII-41.177--2/14 IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel. 5. Verzoekster werpt in een eerste middel de schending op van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Zij voert aan dat de verwerende partij heeft nagelaten te onderzoeken of er minder verregaande maatregelen mogelijk zijn, minstens dat enige overweging hieromtrent niet blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing, dat de opgelegde sanctie disproportioneel is in het licht van het boogde doel, namelijk het verzekeren van het welzijn van dieren, en dat de verwerende partij heeft nagelaten verzoeksters financiële situatie in te schatten en te beoordelen, hoewel verzoekster hiervan een duidelijk overzicht heeft gegeven via haar raadsman. Verzoekster licht toe dat de verwerende partij uiterst lichtzinnig is omgesprongen bij het nemen van de bestreden beslissing. Haar advocaat heeft per e-mail verschillende voorstellen gedaan aan de dienst Dierenwelzijn om in de toekomst het dierenwelzijn te kunnen vrijwaren en verzoekster heeft ook een gedetailleerd overzicht van haar financiële situatie gegeven, waaruit blijkt dat zij VII-41.177--3/14 maandelijks 400 à 500 euro aan haar hond kon spenderen, zonder enige schuld op te bouwen. Ondanks de zekerheden die aan de dienst Dierenwelzijn werden gegeven, is men zonder enige nadere toelichting overgegaan tot overdracht van de eigendom van de hond en dit terwijl uit alle aangeleverde informatie blijkt dat verzoekster alle nodige stappen wilde zetten zodat zich geen problemen meer zouden voordoen in de toekomst. Verzoekster citeert hiertoe uit een e-mail van 23 juli 2021 van haar raadsman aan de dienst Dierenwelzijn en zij verwijst naar de contacten van haar raadsman met de dienst Dierenwelzijn. Zo heeft verzoekster duidelijkheid geschapen over haar financiële situatie en heeft zij haar mannelijke hond laten castreren zodat geen pups meer geboren kunnen worden. Ondanks het naleven van de gestelde voorwaarden en de zekerheden voor de toekomst, werd de bestreden beslissing toch genomen. Verzoekster haalt ook aan dat zij in 2020 het slachtoffer is geworden van een traumatische ervaring. Volgens verzoekster waren andere bestemmingen mogelijk en is er een wanverhouding tussen de zware gevolgen van de bestreden beslissing en de ernst van de vastgestelde feiten. Zo blijkt uit de verslagen van de dierenarts-dermatoloog dat de hond een goed en eenvoudig te behandelen allergie had en heeft verzoekster de nodige zekerheden voor behandeling gegeven. Verzoekster heeft bevestigd dat zij deze behandeling wilde toepassen voor de rest van het leven van de hond. Zij stelt dat geen enkele redelijke en zorgvuldig handelende overheid dezelfde beslissing zou hebben genomen in de gegeven omstandigheden. De verwerende partij had voorwaarden moeten opleggen zodat de eigendom van de hond alsnog kon worden overgedragen indien verzoekster zich niet aan die voorwaarden zou houden. Beoordeling 6. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, VII-41.177--4/14 dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formelemotiveringsplicht houdt niet in dat de overheid uitdrukkelijk moet antwoorden op ieder argument van de betrokkene, maar wel dat impliciet of expliciet moet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en dat daaruit minstens impliciet kan worden afgeleid waarom die argumentatie in het algemeen niet werd aanvaard. Tot slot volstaan de motieven om een bepaalde beslissing te nemen en vereist de formelemotiveringsplicht niet dat ook wordt gemotiveerd waarom geen andere beslissing werd genomen. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
  1. is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteits- beginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid VII-41.177--5/14 7. In de bestreden beslissing worden onder meer de volgende elementen vermeld: de hond Zeyna, die het voorwerp uitmaakt van de bestemmingsbeslissing, was op één jaar tijd driemaal drachtig van een andere hond van verzoekster en heeft telkens geworpen. Verzoekster heeft verklaard nooit op de hoogte te zijn geweest van het feit dat haar hond drachtig was. Een dierenasiel is in december 2020 negen pups gaan ophalen bij verzoekster. Enkele dieren waren overleden, omdat zij waren gevallen van het bed in de slaapkamer waarop de hond had geworpen. Eén pup die nog leefde, was zodanig verwond, dat een voetje was geamputeerd. Verzoekster werd door het dierenasiel verzocht om de in huis aanwezige reu te laten castreren en de hond Zeyna te laten steriliseren. Bij een controle door de politie op 8 juni 2021 worden vier honden aangetroffen, waaronder de reu en de hond Zeyna. Verzoekster deelt mee dat de castratie van de reu nog niet heeft plaatsgevonden, onder meer wegens financiële problemen, en dat zij nog niet naar de dierenarts is kunnen gaan met de in april 2020 geboren pup, net zomin als met de in april 2021 geboren pup. Er wordt ook vastgesteld dat de wijfjeshond duidelijke en ernstige huidproblemen vertoont. Verzoekster verklaart dat zij nog niet naar de dierenarts is kunnen gaan doch er wordt afgesproken dat zij dat “zo snel mogelijk” zal doen, ook om de reu te laten castreren. Bij een hercontrole op 18 juni 2021 meldt verzoekster dat zij geen afspraak heeft gehad met een dierenarts. De hond vertoont nog steeds dezelfde huidproblemen. Er wordt verzoekster gevraagd dat zij onmiddellijk contact opneemt met een dierenkliniek, wat zij ook doet. In aanwezigheid van de politie-inspecteur wordt een afspraak gemaakt voor het nazicht van de hond later op de dag en voor castratie van de reu op 5 juli 2021. Dit laatste was nog niet gebeurd wegens financiële problemen, zo verklaart verzoekster later gedurende het politieverhoor. Op 21 juni 2021 gaat verzoekster naar de dierenarts met de hond Zeyna. De dierenarts schrijft antibiotica voor, maar verzoekster laat weten dat zij VII-41.177--6/14 die niet aanschaft wegens financiële moeilijkheden en dat zij de geneesmiddelen later komt ophalen. De politie contacteert op 24 juni 2021 de dienst Dierenwelzijn. Op 25 juni 2021 begeeft de politie zich naar de woning van verzoekster die erkent dat zij de antibiotica nog steeds niet heeft gehaald. De hond Zeyna wordt in beslag genomen om de nodige diergeneeskundige verzorging te bieden en een nieuwe dracht te vermijden. Verzoekster deelt in een e-mail van 5 juli 2021 mee dat de mannelijke hond is binnengebracht voor castratie en dat er met de wijfjeshond “toch niks aan de hand [is,] enkel en al[l]een soor[t] huid allergie”. Wat de financiële mogelijkheden (of het gebrek daaraan) van verzoekster betreft om in te staan voor de verzorging en de behandeling van de hond Zeyna, wordt in de bestreden beslissing herhaaldelijk melding gemaakt van het door verzoekster zelf aangehaalde gebrek aan financiële middelen, zowel voor castratie van de reu, sterilisatie van Zeyna, laten chippen van de overlevende pups, en verzorging van Zeyna en dit over een langere periode, minstens sedert december 2020. Ook wordt in de bestreden beslissing een kostenraming gemaakt van de vereiste blijvende behandeling van Zeyna, geschat op ongeveer 105 euro per maand aan medicatie. In de bestreden beslissing wordt aangegeven dat er onvoldoende besef is van de situatie, dat er onvoldoende elementen worden aangereikt om het dierenwelzijn in te toekomst te vrijwaren, dat verzoekster telkens niet wist dat de hond Zeyna drachtig was, hetgeen wijst op onvoldoende toezicht zodat geen hulp werd geboden tijdens de bevalling in 2020, dat verzoekster pas na veel aanmaningen naar de dierenarts is gegaan met Zeyna en dat verzoekster telkens aangeeft niet over voldoende financiële middelen te beschikken. Verder wordt in de bestreden beslissing overwogen dat de hond Zeyna een levenslange consequente behandeling nodig heeft die voldoende financiële middelen vereist, dat deze blijkens het proces-verbaal van de politie en verzoeksters eigen VII-41.177--7/14 verklaringen onvoldoende aanwezig zijn en dat er nog drie honden aanwezig zijn die voeding, verzorging en diergeneeskundige begeleiding nodig hebben. 8. Op het eerste gezicht blijkt uit het voorgaande duidelijk, wat de verzorging en het dierenwelzijn van de hond Zeyna betreft, op grond van welke elementen wordt besloten “dat het onverantwoord zou zijn om de hond te laten terugkeren gezien er onvoldoende garanties zijn dat het dierenwelzijn kan gegarandeerd worden in de toekomst”, namelijk omwille van het langdurige gebrek aan toezicht en/of verzorging en het gebrek aan voldoende financiële middelen. Het geven van de hond in volle eigendom aan een dierenasiel is één van de bestemmingsmogelijkheden waarover de verwerende partij beschikt. Als er draagkrachtige motieven zijn om over te gaan tot die beslissing, vereist de formelemotiveringsplicht prima facie niet dat wordt aangegeven waarom geen andere bestemming werd gekozen. Te dezen betwist verzoekster niet het in de bestreden beslissing geschetste verloop van de feiten, wel gaat zij in op haar financiële mogelijkheden. Wat dit laatste betreft, beperkt zij zich grotendeels tot de verwijzing naar een e-mail van haar raadsman van 23 juli 2021. Op het eerste gezicht kon noch moest de verwerende partij rekening houden met de inhoud van deze e-mail vermits de bestreden beslissing werd opgesteld op 22 juli 2021 en op 23 juli 2021 werd ondertekend. Daarenboven lijkt moeilijk in te zien dat verzoeksters bewering met een werkloosheidsvergoeding per maand 400 à 500 euro te kunnen besteden aan de hond afbreuk kan doen aan de vaststellingen in de bestreden beslissing, inbegrepen haar eigen verklaringen, temeer daar zij als alleenstaande moeder zorg draagt voor haar elfjarig kind en zij nog drie andere honden in huis heeft. Verzoekster laat nog gelden dat zij na enkele telefonische contacten niet kon verwachten dat de bestreden beslissing zou worden genomen en dat zij dus zeker niet heeft getalmd alvorens op 23 juli met een e-mail van haar advocaat haar financiële gegevens toe te lichten. Hierbij lijkt verzoekster over het VII-41.177--8/14 hoofd te zien dat vanaf 8 juni 2021 stelselmatig melding wordt gemaakt van financiële problemen, ook bij de inbeslagname op 25 juni. Op het eerste gezicht blijkt niet dat de verwerende partij een nader standpunt over verzoeksters financiële mogelijkheden moest afwachten alvorens de bestreden beslissing te nemen. Verzoekster verwijst in het verzoekschrift tot schorsing naar een trauma dat zij in 2020 heeft opgelopen en waarvan zij een proces-verbaal bijbrengt, doch zij heeft dit op geen enkel ogenblik aangehaald alvorens de bestreden beslissing werd genomen. De verwerende partij kon of moest dan ook geen rekening houden met dit element. Een schending van de formelemotiveringsplicht lijkt derhalve niet te zijn aangetoond. 9. Gelet op de historiek en de vaststellingen waarop de bestreden beslissing is gesteund, kan op het eerste gezicht ook niet worden aangenomen dat de verwerende partij de perken van de redelijkheid is te buiten gegaan door te beslissen om de hond in volle eigendom aan een dierenasiel te geven, hetgeen een van de mogelijkheden is die in de wet van 14 augustus 1986 zijn voorzien. Daarenboven heeft verzoekster meermaals de kans gekregen om alle op haar rustende verplichtingen die volgen uit haar beslissing om thuis dieren te houden, na te komen. De overheid is pas opgetreden wanneer bleek dat verzoekster in gebreke bleef om de hond de nodige verzorging te bieden en de bestreden beslissing is pas genomen na meerdere controles en aanmaningen. Verzoekster toont prima facie dan ook geen schending aan van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel. 10. Het eerste middel is niet ernstig. VII-41.177--9/14 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoekster werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en machtsafwending en machtsoverschrijding. Verzoekster voert aan dat de bestreden beslissing werd ondertekend door afdelingshoofd L.G., een persoon die daarvoor niet bevoegd is. Met verwijzing naar artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: de wet van 14 augustus 1986) en naar artikel 32 van het decreet van 13 juli 2018 ‘tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming’, waarmee artikel 34 van de wet van 14 augustus 1986 werd gewijzigd, is verzoekster van oordeel dat de bestreden beslissing in ieder geval onwettig tot stand is gekomen. Zij citeert daartoe ook uit ’s Raads arrest nr. 249.060 van 26 november 2020. Beoordeling 12. De bestreden beslissing is genomen door afdelingshoofd L.G., op het ogenblik dat de secretaris-generaal van het departement Omgeving met vakantie was. Verzoekster laat in essentie gelden dat “uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de persoon die de bestemmingsbeslissing heeft genomen daartoe wel degelijk de vereiste bevoegdheid had op het moment van de beslissing”. VII-41.177--10/14 13. Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juli 2014 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’ luidt: “De leden van de Vlaamse Regering kunnen hun bevoegdheden, gedelegeerd overeenkomstig hoofdstuk 2, delegeren aan personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest. Ze kunnen die personeelsleden machtigen om, als ze daarvan kennis geven, die bevoegdheden verder te delegeren en te laten subdelegeren aan personeelsleden die onderworpen zijn aan hun hiërarchisch gezag. […] De delegaties die aan personeelsleden zijn verleend in aangelegenheden die aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest zijn overgedragen, blijven gelden tot ze gewijzigd of opgeheven worden, binnen de grenzen bepaald door dit besluit.” In uitvoering van voornoemde bepaling is het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 ‘tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen’ aangenomen, dat in zijn artikel 17 bepaalt: “Het hoofd van het departement of agentschap heeft delegatie om beslissingen te nemen over: […] 6° toezichts-, controle- en inspectietaken; […]”. 14. Waar niet wordt betwist dat de secretaris-generaal van het departement Omgeving bevoegd is om, op basis van vaststellingen van de inspecteur-dierenarts bij de inspectie Dierenwelzijn van het departement Omgeving, een bestemmingsbeslissing te nemen, dient te worden nagegaan of afdelingshoofd L.G. te dezen de secretaris-generaal kon vervangen. Artikel 22 van het voornoemd besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 bepaalt: “De bij dit besluit verleende delegaties worden ook verleend aan het personeelslid dat met de waarneming van de functie van hoofd van het departement of hoofd van het agentschap belast is of dat het hoofd van het departement of agentschap vervangt bij tijdelijke afwezigheid of verhindering. VII-41.177--11/14 In geval van tijdelijke afwezigheid of verhindering plaatst het betrokken personeelslid, boven de vermelding van zijn graad en handtekening, naar gelang het geval een van de volgende formules: 1° ‘voor de secretaris-generaal, afwezig’; 2° ‘voor de administrateur-generaal, afwezig’.” Uit het administratief dossier blijkt dat de secretaris-generaal van het departement Omgeving op 8 juli 2021 heeft laten weten dat hij vakantie neemt vanaf 22 juli en dat L.G. hem in zijn afwezigheid, en meer bepaald in de periode van 22 juli tot en met 30 juli, vervangt. Anders dan verzoekster ter terechtzitting voorhoudt, kan uit dit stuk op het eerste gezicht geenszins worden afgeleid dat die delegatie beperkt was tot de materies van de afdeling waarvan L.G. het hoofd is. De bestreden beslissing is op 22 juli 2021 genomen “voor de secretaris-generaal, afwezig” en ondertekend door L.G., afdelingshoofd. Op het eerste gezicht is er dus wel degelijk een beslissing voorhanden die, in toepassing van artikel 22 van het meergenoemd besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 wegens de tijdelijke afwezigheid van de secretaris-generaal, L.G. machtigde om de bestreden beslissing te nemen. Uit de voormelding “voor de secretaris-generaal, afwezig” blijkt uitdrukkelijk dat toepassing werd gemaakt van artikel 22. De verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 249.060 van 26 november 2020 is op het eerste gezicht niet dienstig omdat in die zaak, anders dan in de huidige zaak, net geen beslissing van de secretaris-generaal voorlag om in zijn vervanging te voorzien. Verzoekster toont prima facie niet aan dat de bestreden beslissing niet werd genomen door een daartoe niet bevoegd persoon. 15. In het opschrift van het middel vermeldt verzoekster nog machtsafwending doch zij komt hierop nergens terug in de uiteenzetting van het middel. 16. Het tweede middel is niet ernstig. VII-41.177--12/14 VI. Conclusie 17. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. VII. De vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid 18. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen voorlopige maatregelen slechts worden bevolen indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of reglement prima facie kan verantwoorden. Vermits geen van de middelen ernstig is gebleken, dient de vraag tot het opleggen van voorlopige maatregelen te worden verworpen. VIII. Kosten – begroting van de rechtsplegingsvergoeding 19. De verwerende partij vraagt dat haar een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro zou worden toegekend. Vermits verzoekster als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. VII-41.177--13/14 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes augustus tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Carlo Adams, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.177--14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.353 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.366 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.