← België

Arrest 251385 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/08/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.385 Rolnummer: A. 233448/XIV-38669 Zaak: Arrest 251385 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/08/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-10 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 251.385 van 24 augustus 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.385 van 24 augustus 2021 in de zaak A. é.448/XIV-38.669 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de stad NINOVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 16 april 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de stad Ninove van 18 februari 2021, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.669-1/27 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 juni 2021, om 14.10 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is eerste inspecteur van politie bij de lokale politiezone 5442 Ninove. 3.
  5. Op 6 december 2018 meldt de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, aan de korpschef van de lokale politiezone Ninove dat zij lastens verzoeker een informatieonderzoek voert inzake heling van motorfietsen. 3.
  6. Verwijzend onder meer naar de onder punt 3.
  7. voormelde kennisgeving, stelt de korpschef op 12 maart 2019 een onderzoeker aan voor een voorafgaand onderzoek inzake feiten mogelijk gepleegd door verzoeker. Op 15 maart 2019 meldt de korpschef dit aan de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, alsook dat dit vooronderzoek hem niet in staat stelt om met voldoende kennis van zaken te XIV-38.669-2/27 kunnen oordelen over het geheel van het dossier en de ernst en zwaarwichtigheid van de feiten. Hij stelt voorts zijn beslissing te handhaven om, op basis van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten” (hierna: de tuchtwet), het opstarten van een tuchtprocedure uit te stellen tot wanneer de gerechtelijke overheid hem in kennis stelt dat er een gerechtelijke beslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering is vervallen. 3.
  8. Op 8 juli 2019 meldt de korpschef aan de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, dat hij het verslag van het voorafgaand onderzoek heeft ontvangen, maar dat hij nog steeds niet beschikt over voldoende concrete informatie om met kennis van zaken een tuchtprocedure lastens verzoeker op te starten en/of een ordemaatregel te nemen. Hij stelt dat uit het door het parket gevoerde onderzoek belangrijke elementen naar voor kunnen komen die de context van de feiten verduidelijken en dat het gevolg dat aan het opsporingsonderzoek zal worden gegeven eveneens heel belangrijk zal zijn bij het beoordelen van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheden in dit dossier. Voorts handhaaft hij zijn beslissing tot toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en vraagt hij “met het oog op het zo snel mogelijk nemen van passende tuchtmaatregelen”, om hem zo spoedig mogelijk de stand van het dossier mee te delen, “om in de mate van het mogelijke te elaboreren over de feiten ten laste van [verzoeker] en, indien toegestaan, een kopie van het gerechtelijk bundel of van de relevante elementen uit het gerechtelijk bundel over te maken, vergezeld met [de] toestemming [van de procureur des Konings] om de stukken ervan in tuchtzaken te mogen gebruiken.” 3.
  9. Op 21 augustus 2019 zendt het parket van de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, een afschrift van het strafdossier lastens verzoeker aan de korpschef. Het afschrift is overgemaakt voor verder gevolg op tuchtgebied. XIV-38.669-3/27 Aansluitend hierbij bezorgt de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, op 8 oktober 2019 de dagvaarding van (onder meer) verzoeker in de strafzaak. 3.
  10. Op 14 januari 2020 verleent de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, zetelend in correctionele zaken, een vonnis in eerste aanleg over de feiten die het voorwerp uitmaken van het in sub punt 3.
  11. vermelde strafdossier. 3.
  12. Op 3 juli 2020 stelt de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op met daarin een voorstel van zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege. 3.
  13. Op 18 augustus 2020 stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  14. In zijn definitief advies van 14 december 2020 adviseert de Tuchtraad het volgende: “In hoofdorde: dat het gepast voorkomt voor de feiten tenlastelegging sub 1 (motorfietsen) (van punt 5.3) af te zien van de tuchtvordering nu deze vervallen is door verjaring; dat de feiten van het eerste onderdeel van feit van tenlastelegging sub 3 (uitoefenen nevenactiviteit) (van punt 5.3.) niet bewezen is; dat de feiten van tenlastelegging sub 2 (snelheidsovertreding, gebruik dienstvoertuig en niet invullen documenten) (van punt 5.3.) en het tweede onderdeel van feit van tenlastelegging sub 3 ( aanvraag attesten) (van punt 5.3) bewezen zijn; - dat het feit van het tweede onderdeel van feit van tenlastelegging sub 3 (aanvraag attesten) geen tuchtvergrijp uitmaakt in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de feiten van tenlastelegging sub 2 (snelheidsovertreding, gebruik dienstvoertuig en niet invullen documenten) wel tuchtvergrijpen uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; XIV-38.669-4/27 dat het gepast voorkomt voor deze feiten van tenlastelegging sub 2 de zware straf van inhouding van wedde van VIJF procent gedurende EEN MAAND op te leggen; In ondergeschikte orde, in zoverre de tuchtvordering van feiten van de tenlastelegging sub 1 (van punt 5.3.) niet vervallen is door verjaring, - dat de feiten van het eerste onderdeel van feit van tenlastelegging sub 3 (uitoefenen nevenactiviteit) (van punt 5.3.) niet bewezen is; - dat de feiten van tenlastelegging sub 1 (motorfietsen), tenlastelegging sub 2 (snelheidsovertreding, gebruik dienstvoertuig en niet invullen documenten) (van punt 5.3) en het tweede onderdeel van feit van tenlastelegging sub 3 (aanvraag attesten) (van punt 5.3) bewezen zijn; dat het feit van het tweede onderdeel van feit van tenlastelegging sub 3 (aanvraag attesten) geen tuchtvergrijp uitmaakt in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; - dat de feiten van tenlastelegging sub 1 en sub 2 wel tuchtvergrijpen uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; - dat het gepast voorkomt voor deze feiten van tenlasteleggingen sub 1 (motorfietsen) en sub 2 (snelheidsovertreding, gebruik dienstvoertuig en niet invullen documenten) de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen;” De Tuchtraad vat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als volgt samen: “2 Samenvatting van de ten laste gelegde feiten Op basis van het dossier oordeelt de Tuchtraad dat aan verzoeker door de tuchtoverheid het volgende tuchtvergrijp wordt ten laste gelegd:
  15. de verzoeker zou betrokken zijn bij het verschepen via containers van

(10)gestolen motorfietsen naar Senegal in de periode van 1 februari 2018 tot 31 juli 2018, op 3 augustus 2018 en 11 november 2018; 2. op 10 december 2019 om 14u08 zou de verzoeker zich zonder voorafgaande toestemming of enige melding verplaatst hebben naar de eigen woning tijdens de arbeidsuren met een dienstvoertuig (ondanks een eerder uitdrukkelijk verbod om zich nog met een dienstvoertuig naar de eigen woning te verplaatsen) en een snelheidsovertreding begaan hebben te Ninove (na correctie 51km/u); 3. hij zou een bijberoep uitgeoefend hebben meer bepaald het uitbaten van een toeristisch verblijf zonder de nodige procedure te hebben nageleefd, dan wel op 15 januari 2020 onder valse voorwendsels twee exemplaren model 2 bij de dienst Burgerzaken van de stad Ninove te hebben aangevraagd.” Inzake het door verzoeker voor de Tuchtraad aangevoerde argument dat het eerste tuchtvergrijp is verjaard op grond van artikel 56 van de tuchtwet, adviseert de Tuchtraad het volgende: “a. Met betrekking tot het eerste tuchtvergrijp De tuchtoverheid heeft zowel in het inleidend verslag als in het voorstel van zware tuchtstraf geoordeeld over alle constitutieve elementen van het eerste tuchtvergrijp XIV-38.669-5/27 te beschikken inzake: het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst. Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de bevoegde tuchtoverheid om binnen zes maanden de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Op die manier wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens een tuchtprocedure wordt aangevat. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Inzake stelt de Tuchtraad vast dat de tuchtoverheid beslist heeft dat zij zich een duidelijk beeld kon vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten van de eerste tenlastelegging en de toerekening ervan aan de politieambtenaar vermits zij oordeelde zowel in het inleidend verslag als in het voorstel van zware straf dat: de feiten bewezen zijn, deze toerekenbaar zijn aan de verzoeker en deze feiten ernstig zijn. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Centraal staat bijgevolg de vraag of met de kennisneming van de stukken van het strafdossier door de gewone tuchtoverheid op 21 augustus 2019, zijnde het ogenblik dat de procureur des Konings: - in bijlage een eensluidend verklaard afschrift overmaakte van het desbetreffende strafdossier; - uitdrukkelijk vermelde dat het ‘dossierafschrift werd overgemaakt voor verder gevolg op tuchtgebied’; - vroeg om haar op de hoogte te houden van het verloop van de procedure. de tuchtoverheid met betrekking tot de in aanmerking genomen feiten van de eerste tenlastelegging over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtprocedure op te starten, derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld. De tuchtoverheid kan derhalve niet voorhouden dat ‘de verjaringstermijn nog niet is beginnen lopen’. Door dergelijke stelling voor te houden wedt de tuchtoverheid op twee paarden en dit is in strijd met de haar aangenomen houding. Door te oordelen zoals zij deed in het inleidend verslag en het voorstel van zware straf met betrekking tot de constitutieve elementen van het eerste tuchtvergrijp heeft zij immers besloten dat zij beschikte over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens met betrekking tot de feiten van de eerste tenlastelegging en heeft zij de tuchtprocedure in gang gezet. Het is correct dat daaraan een risico is verbonden voor moest de verzoeker worden XIV-38.669-6/27 vrijgesproken door de strafrechter maar dat risico behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde tuchtoverheid. De Tuchtraad is van oordeel dat de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is inderdaad een gegeven dat de omstandigheid dat het bestuur aanvankelijk van oordeel was dat het niet voldoende voorgelicht was om zonder de gegevens van het strafonderzoek de tuchtvordering te starten, niet belet dat het bestuur na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het afsluiten van de strafrechtelijke procedure de tuchtvordering opstart met de gegevens waarover het op dat ogenblik beschikt. Dit neemt niet weg dat dan nog dient bekeken te worden of de tuchtvordering vervallen is op grond van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet meer bepaald dient dan nagegaan te worden vanaf welk ogenblik de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens met betrekking tot de feiten van de eerste tenlastelegging beschikte. Meestal bestaat de koerswijziging in tuchtzaken, nadat toepassing werd gemaakt van art. 56, tweede lid van de tuchtwet, in het gegeven dat de tuchtoverheid in de loop van de strafprocedure (meestal na de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg) kennis krijgt van het strafdossier, waaruit dan elementen geput kunnen worden teneinde te komen tot de voldoende kennis nopens de constitutieve elementen van het ten laste tuchtvergrijp. Inzake werden aan de tuchtoverheid, na de kennisgeving van het strafdossier, geen nieuwe of bijkomende elementen verstrekt die tot voormeld inzicht geleid hebben zodat, zoals de Inspecteur-Generaal in het deskundigenverslag van 3 november 2020 oordeelde, dient besloten te worden dat de gegevens, waarop de tuchtoverheid zich nu baseert om een beoordeling te maken op tuchtrechtelijk gebied, in haar bezit waren vanaf 21 augustus 2019, ogenblik dat het strafdossier ter beschikking van de tuchtoverheid werd gesteld. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg d.d. 14 januari 2020 is geen nieuw element waarmee rekening kan gehouden worden ter bepaling van de voldoende kennis in hoofde van de tuchtoverheid nu deze geen kracht van gewijsde heeft en nu vaststaat dat daarin geen nieuwe elementen er sprake genomen zijn dan deze vermeld in het strafdossier. Ook blijkt geenszins dat er zich in het strafdossier nieuwe stukken, te verstaan als toegevoegd zijnde na de eerste mededeling van he strafdossier, zouden bevonden hebben en/of overgemaakt werden aan de tuchtoverheid (zie brief d.d. 11 februari 2020 van de gewone tuchtoverheid aan de procureur des Konings) waarop deze zich dan zou hebben gebaseerd teneinde tot het besluit te komen dat ze zich plots wel een duidelijk beeld kon vormen over de constitutieve elementen van het tuchtvergrijp in hoofde van de verzoeker. Volgens de Tuchtraad is de tuchtvordering nopens de eerste tenlastelegging (heling van motorfietsen) vervallen door verjaring nu het vertrekpunt van de termijn van zes maanden zich situeert op 21 augustus 2019 en het inleidend verslag pas door verzoeker ondertekend werd voor ontvangst op 8 juli 2020.” 3.10. Op 15 januari 2021 formuleert de hogere tuchtoverheid haar intentie om van het advies van de Tuchtraad af te wijken. Zij stelt enkel af te wijken van het in hoofdorde verleende advies en dat zij het in ondergeschikte orde verleende advies integraal bijtreedt. XIV-38.669-7/27 Op 28 januari 2021 dient verzoeker een aanvullend schriftelijk verweer in. 3.11. De hogere tuchtoverheid beslist op 18 februari 2021 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 16 januari 2020. Dit is de bestreden beslissing. Inzake de datum van de kennisneming van de feiten, stelt de bestreden beslissing het volgende: “4. Datum van de kennisname van de feiten Artikel 7, Tuchtwet Artikel 7, eerste lid, Tuchtwet luidt ais volgt: Wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf. De tuchtoverheid gedraagt zich naar voormelde bepaling en heeft één enkel inleidend verslag opgemaakt teneinde tot een globale bestraffing te komen van de verschillende tenlasteleggingen. Datum van de kennisname van de felten van 11 november 2018 (DE.[…]) Op 06 december 2018 heeft de procureur des Konings aan de korpschef meegedeeld dat zijn ambt een informatieonderzoek inzake heling van motorfietsen voert ten laste van [verzoeker]. Het onderzoek onder de referentie DE.[…] wordt gevoerd door de lokale politiezone Denderleeuw/Haaltert. Het strafrechtelijk onderzoek en de daaropvolgende strafrechtelijke procedure is en wordt van nabij opgevolgd. Op 14 januari 2020 is in openbare zitting kennis genomen van de uitspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde zetelend In correctionele zaken waarbij [verzoeker] schuldig is bevonden aan de feiten waarvan sprake in het bevel tot dagvaarding van 23 september 2019 en is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, volledig met uitstel gedurende een periode van drie jaar. De strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] is op heden nog niet definitief. De gerechtelijke overheid heeft de lokale politiezone Ninove nog niet in kennis gesteld van een gerechtelijke eindbeslissing. Artikel 56, eerste en tweede Tuchtwet luidt als volgt: […]. De toepassing van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet volgt uit de wet. ([…]) De verjaringstermijn is nog niet beginnen lopen. […].” XIV-38.669-8/27 Inzake het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad inzake de verjaring van het eerste aan verzoeker ten laste gelegde feit, stelt de bestreden beslissing het volgende: “9. Voornemen tot afwijken van het advies van de Tuchtraad […]. 2. Verjaring van de eerste tenlastelegging
  1. a)De hogere tuchtoverheid is het fundamenteel oneens met de zienswijze in het advies van de Tuchtraad (en het deskundigenverslag) inzake de voorgehouden verjaring van artikel 56, Tuchtwet.
  2. b)Artikel 56, tweede lid, Tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  3. c)De hogere tuchtoverheid is los van de problematiek van de verjaring ertoe gehouden het beginsel van de redelijke termijn te respecteren. De redelijke termijn kan reeds geschonden zijn als er nog geen sprake is van verjaring.
  4. d)De verjaring én de redelijke termijn beogen beide bescherming te bieden aan het personeelslid, in de zin dat op zo kort mogelijke termijn uitspraak wordt gedaan over de onzekere situatie waarin het personeelslid zich bevindt.
  5. e)De hogere tuchtoverheid heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat het wenselijk was om de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek respectievelijk de strafrechtelijke procedure af te wachten met betrekking tot de eerste tenlastelegging. De toepassing van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet volgt uit de wet zonder dat daartoe enige mededeling is vereist. De hogere tuchtoverheid plaatst zich op het standpunt dat de verjaringstermijn voor wat betreft de eerste tenlastelegging nog steeds niet is beginnen lopen.
  6. f)Het strafrechtelijk onderzoek, respectievelijk de strafrechtelijke procedure zijn van nabij opgevolgd zoals wordt vereist door het algemeen rechtsbeginsel inzake de XIV-38.669-9/27 redelijke termijn. De hogere tuchtoverheid wenst immers te vermijden dat de gerechtvaardigde toepassing van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet zou leiden tot een schending van het vereiste van de redelijke termijn. Het enkele gegeven dat [verzoeker] zichzelf nestelt in de periode van voorlopige schorsing en zelf heeft verklaard dat het vereiste van de redelijke termijn (nog) niet is geschonden doet aan de voorgaande zorgvuldigheidsverplichting in hoofde van de hogere tuchtoverheid geen afbreuk.
  7. g)Op 06 december 2018 is kennisgegeven van een strafrechtelijk onderzoek in hoofde van [verzoeker]. De feiten inzake de eerste tenlastelegging hebben betrekking op de periode vanop of rond 01 februari 2018 tot op 31 juli 2018, 03 augustus 2018 en 11 november 2018. Op 14 januari 2020 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, zetelend in correctionele zaken een vonnis in eerste aanleg verleend. Na de kennisname van het vonnis in eerste aanleg waartegen [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld, heeft de hogere tuchtoverheid consequent gehandeld door een voorlopige schorsing op te leggen. De hogere tuchtoverheid heeft zich nadien bevraagd over de (timing van
  8. de)beroepsprocedure. Deze bevraging heeft geleerd dat er geen enkel concreet uitsluitsel kon worden gegeven over het de periode waarbinnen de strafrechtelijke beroepsprocedure zou kunnen worden afgerond. Begin juli 2020 heeft de hogere tuchtoverheid nog steeds geen bericht bereikt dat de behandeling van de strafrechtelijke procedure eraan zat te komen. De hogere tuchtoverheid heeft daaropvolgend in het kader van het vereiste van de redelijke termijn het risico genomen om de tuchtvervolging te starten zonder de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten. In het voorstel van zware tuchtstraf heeft de tuchtoverheid daarover reeds uitdrukkelijk het volgende gezegd: ‘De hogere tuchtoverheid heeft echter gelet op het gebrek aan concreet uitzicht op de afhandeling van de strafprocedure discretionair én zorgvuldig beslist om de tuchtprocedure thans reeds aan te vatten. [Verzoeker] erkent dat zulks tot de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid gebeurt. Evenzeer erkent de hogere tuchtoverheid dat daar mogelijks een risico aan is verbonden in het geval 1INP [verzoeker] zou worden vrijgesproken door de strafrechter. Het bewezen zijn van de eerste tenlastelegging, de toerekenbaarheid en schuld van [verzoeker] is evenwel gebaseerd op een eigen beoordeling gesteund op de stukken van het strafdossier.’ Tot op heden blijkt zulks een correcte beoordeling te zijn aangezien er nog steeds geen nieuws is over de behandeling van de strafrechtelijke beroepsprocedure. In het advies van de Tuchtraad wordt geen aandacht geschonken aan deze overwegingen en de op de hogere tuchtoverheid rustende zorgvuldigheidsplicht. Het stuit de hogere tuchtoverheid zelfs tegen de borst dat haar zorgvuldigheid in het kader van het vereiste van de redelijke termijn thans tegen haar wordt gebruikt om van de weeromstuit te beweren dat de eerste tenlastelegging is verjaard. De hogere tuchtoverheid is er nochtans toe gerechtigd om terug te komen op haar oorspronkelijk standpunt om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet en daarmee het risico op zich te nemen dat de gerechtelijke einduitspraak desgevallend in strijd zou zijn met de tuchtbeslissing. In voorkomend geval wordt de regelmatigheid van de tuchtbeslissing aangetast. De stelling van de Tuchtraad - daarin voorafgegaan in het deskundigenverslag - komt er op neer dat een tuchtoverheid niet mag terugkomen op de toepassing van XIV-38.669-10/27 artikel 56, tweede lid, Tuchtwet in het kader van het vereiste van de redelijke termijn én aldus lijdzaam de uitkomst van de strafrechtelijke procedure zou moeten afwachten. Het lijdzaam afwachten van de uitkomst van de strafrechtelijke procedure is dan weer in strijd met de vaststaande rechtspraak van de Raad van State... In een dergelijke zienswijze verliest de tuchtoverheid altijd: ofwel is er sprake van verjaring ofwel is er sprake van een schending van het vereiste van de redelijke termijn. Heeft het dan wel nog zin om de tuchtbevoegdheid uit te oefenen? Zelfs als ondergeschikt wordt geoordeeld dat de hogere tuchtoverheid volkomen terecht de eerste tenlastelegging heeft weerhouden en tot de tuchtstraf van ontslag van ambtswege komt als gepaste sanctionering...
  9. h)De hogere tuchtoverheid - geconfronteerd met de tot op heden blijvende onduidelijkheid over de afhandeling van de strafrechtelijke procedure - heeft zo goed als mogelijk op basis van de haar beschikbare stukken een inleidend verslag opgemaakt. Er is een eigen beoordeling gemaakt van de stukken van het strafdossier daarin gesterkt door het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, zetelend in correctionele zaken van 14 januari 2020. Het voormelde vonnis is inderdaad niet definitief, maar wel degelijk een nieuw element waaruit kon worden geput zonder er zich eenvoudig op te verlaten gezien hoger beroep is ingesteld. Zoals eerder aangegeven is ook de - tot op heden - blijvende onduidelijkheid over de afhandeling van de strafrechtelijke procedure een nieuw element op grond waarvan de tuchtoverheid tot een nieuwe beoordeling mag komen. De hogere tuchtoverheid heeft daarmee bewust een risico genomen voor wat betreft het ‘zich een duidelijk beeld kon vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten van de eerste tenlastelegging en de toerekening ervan aan de politieambtenaar.’ Een risico waartoe de hogere tuchtoverheid wordt gedwongen op grond van het vereiste van de redelijke termijn, minstens op grond waarvan het gerechtvaardigd is dat de hogere tuchtoverheid op grond van de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht tot een andere beoordeling komt. Zulks heeft weinig tot niets vandoen met het wedden op twee paarden, maar met het proberen de tuchtprocedure zo zorgvuldig mogelijk te voeren. De ontvangst van een kopie van het strafdossier kan eveneens een element vormen om niet langer toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet, maar hoeft zulks niet noodzakelijkerwijs te zijn. Zulks geldt des te meer - zoals in de voorliggende zaak - dat het personeelslid de feiten die het voorwerp uitmaken van het strafdossier blijft ontkennen en betwisten. Hetzelfde geldt na de tussenkomst van een vonnis in eerste aanleg waartegen hoger beroep wordt ingesteld om reden - zoals in de voorliggende zaak - dat het personeelslid de feiten nog steeds blijft ontkennen en betwisten en zijn onschuld staande houdt. Uit het advies van de Tuchtraad blijkt uitdrukkelijk dat geen rekening wordt gehouden met de afwegingen die de hogere tuchtoverheid dient te maken op grond van het vereiste van de redelijke termijn. Het gaat er niet om dat de hogere tuchtoverheid zich plots wel een duidelijk beeld kan vormen op grond van stukken die zij reeds eerder in haar bezit heeft gekregen. Het gaat om de vaststelling - nogmaals tot op heden - dat er geen enkele vooruitgang in het vooruitzicht wordt gesteld met betrekking tot de afhandeling van de strafrechtelijke beroepsprocedure waardoor een geactualiseerde beoordeling in het kader van het vereiste van de redelijke termijn zich opdringt.” XIV-38.669-11/27 Als antwoord op het bijkomend schriftelijk verweer van verzoeker inzake deze verjaringsproblematiek, antwoordt de verwerende partij in de bestreden beslissing: “4. De loutere verwijzing naar het standpunt van de algemene inspectie en het advies van de Tuchtraad in hoofdorde noodzaakt niet tot een bijkomende motivering vanwege de hogere tuchtoverheid. Op geen enkele wijze ontkent de hogere tuchtoverheid haar rol of verantwoordelijkheid. Wel integendeel, in het voornemen om in afwijking van het advies van de Tuchtraad - in hoofdorde - de tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen wordt uitdrukkelijk, concreet en pertinent uiteengezet welke rol en verantwoordelijkheid de hogere tuchtoverheid in het kader van het respecteren van zowel artikel 56, tweede lid, Tuchtwet als het vereiste van de redelijke termijn heeft opgenomen. De hogere tuchtoverheid stelt vast dat de verdediging van [verzoeker] op geen enkele wijze ingaat op deze overwegingen van de hogere tuchtoverheid, laat staan enige poging onderneemt om deze te weerleggen. Het is de hogere tuchtoverheid niet spontaan duidelijk op welke wijze (thans nog) zonder meer de afloop van de strafrechtelijke procedure kan worden afgewacht. Zulks geldt des te meer nu de verdediging van [verzoeker] op geen enkele wijze tegenspreekt dat er nog steeds geen enkele duidelijkheid bestaat over wanneer de strafrechtelijke procedure in graad van beroep zal worden behandeld. Het zich beroepen op artikel 56, tweede lid, Tuchtwet houdt geen (blinde) verplichting in om de gerechtelijke einduitspraak af te wachten. De hogere tuchtoverheid heeft de verplichting om het vereiste van de redelijke termijn te respecteren en in het kader daarvan in te staan voor een permanente concrete beoordeling van de zaak. In het kader van deze actuele beoordeling kan wel degelijk worden teruggekomen op de toepassing van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet zonder dat het niet meer gebruiken van de toepassing van artikel 56, tweede lid, Tuchtwet voor gevolg heeft dat er dan sprake zou zijn van verjaring. Het gegeven dat daarmee een risico wordt genomen doordat de voorliggende tuchtbeslissing in strijd zou kunnen zijn met een gebeurlijke vrijspraak in het kader van de strafrechtelijke procedure in graad van beroep, is een onbetwist gegeven, maar zulks maakt de voorliggende tuchtbeslissing niet onwettig en in elk geval is ze niet aangetast door verjaring. Artikel 57bis, Tuchtwet biedt [verzoeker] - zelfs zonder beroep bij de Raad van State - de mogelijkheid om een aanvraag tot herziening van de tuchtstraf te richten aan de hogere tuchtoverheid wanneer hij een nieuw element kan aantonen, bijvoorbeeld in het geval van een ermee conflicterende uitspraak in graad van beroep door de strafrechter. Het gegeven dat de verdediging van [verzoeker] tot een andere beoordeling zou komen en meent dat het vereiste van de redelijke termijn niet zou zijn geschonden, maakt de voorliggende tuchtbeslissing evenmin onwettig. De hogere tuchtoverheid neemt er akte van dat de verdediging van [verzoeker] meent dat het de hogere tuchtoverheid siert aandacht te hebben voor het vereiste van de redelijke termijn (en de doelstelling waarnaar wordt gestreefd met het vereiste van de redelijke termijn). Het gegeven dat [verzoeker] zich liever nestelt in de situatie van een voorlopige schorsing en het uitstel van de tuchtprocedure tot een gerechtelijke eindbeslissing waarover geen enkele inschatting bestaat naar timing, houdt evenmin enige verplichting in om daarnaar te handelen.” XIV-38.669-12/27 3.12. Op 31 mei 2021 doet het hof van beroep te Gent bij arrest uitspraak over het door verzoeker ingestelde hoger beroep tegen het onder supra, punt 3.6 vermelde vonnis. Het spreekt verzoeker hierbij vrij voor de feiten van de jegens hem gestelde tenlasteleggingen. 3.13. Op 28 juni 2021 dient verzoeker een aanvraag tot herziening van de tuchtstraf in. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 5. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker zet uiteen dat de hogere tuchtoverheid, ten einde tot de toerekenbaarheid van het verweten tuchtfeit te besluiten, put uit elementen bekomen uit zowel het voorafgaand onderzoek als uit het strafdossier. Omtrent de datum van kennisname van de feiten betreffende de zogenaamde heling van motorfietsen (gebeurtenis van 11 november 2018), stelt de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing dat volgens haar de verjaringstermijn nog niet is beginnen lopen, verwijzend naar art. 56, tweede lid van de tuchtwet en het gegeven dat zij nog niet in kennis is van een gerechtelijke eindbeslissing. XIV-38.669-13/27 Verzoeker van zijn kant meent dat er te dezen sprake is van verjaring in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aangezien de datum van afdoende kennisname - het moment waarop de tuchtoverheid voldoende kennis had om zich een oordeel te vormen omtrent de constitutieve bestanddelen van de verweten tuchtinbreuk, - zich plaatst op het moment van de terbeschikkingstelling van het strafdossier, zijnde op 21 augustus 2019. Alwaar het inleidend verslag meer dan zes maanden later is betekend, is er sprake van verjaring en aldus schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet. Verzoeker licht toe dat te dezen de tuchtoverheid zich zonder deugdelijke reden verschuilt achter het verloop van de strafrechtelijke procedure. De tuchtoverheid heeft immers door de betekening van een inleidend verslag te kennen gegeven dat zij zich een afdoende beeld kon vormen, dat zij voldoende kennis had nopens de constitutieve elementen van het ten laste gelegde tuchtvergrijp. De tuchtoverheid is op grond van een eigen beoordeling van de voorliggende materiële gegevens tot een besluit gekomen en daar staat de strafrechtelijke benadering en afhandeling van de feiten los van. Aan verzoeker is tuchtrechtelijk geen misdrijf (heling) verweten als zijnde een tuchtfeit in de zin van de tuchtwet, maar wel een eigen omschrijving. Aldus was er in hoofde van de tuchtoverheid geen enkele dienstige en deugdelijke reden om de gerechtelijke afhandeling af te wachten en om, op een moment dat er een vonnis in eerste aanleg is tussengekomen, het geweer van schouder te veranderen en alsnog de definitieve gerechtelijke afhandeling te laten voor wat het is. Dienaangaande verwijst verzoeker naar de rechtspraak van de Raad van State - die hij omstandig citeert - die, samengevat, inhoudt dat er slechts reden is om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om op basis van een eigen onderzoek alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Het doel en nut van de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, is meer bepaald om in geval van twijfel over een constitutief bestanddeel van een tuchtinbreuk, af te wachten. Te dezen is de tuchtoverheid bij haar beoordeling evenwel niet uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, heeft deze niet correct beoordeeld en is niet binnen de perken XIV-38.669-14/27 van de redelijkheid tot haar besluit gekomen. Immers meent zij haar gewijzigde houding te verantwoorden op grond van de redelijke termijn en de onduidelijkheid over de (duur van) de strafrechtelijke procedure. Hierbij ziet zij evenwel over het hoofd dat de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet slechts speelt indien en voor zover de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen en aldus de zorgvuldigheid gebiedt om de gerechtelijke afhandeling af te wachten. Alwaar de tuchtoverheid evenwel met de kennisname van het strafdossier, benevens de elementen uit het eigen vooronderzoek, over alle gegevens beschikte welke haar toelieten tot de nodige klaarheid te komen, diende zij te handelen binnen de termijn van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet. Opgemerkt dient dat de tuchtoverheid eveneens argumenteerde dat het in eerste aanleg gewezen vonnis weliswaar niet definitief is maar wel degelijk een nieuw element betreft waaruit kon worden geput. Nochtans verduidelijkt zij helemaal niet in welke zin het vonnis in eerste aanleg een nieuw element was waaruit kon worden geput. Het “putten” dient immers in relatie te staan tot het beschikken over alle gegevens welke haar toelieten tot de nodige klaarheid te komen omtrent het finaal verweten tuchtfeit. Alwaar de strafrechter een beoordeling maakt in het licht van de strafrechtelijke tenlastelegging staat die los van de nodige gegevens om een beoordeling te maken omtrent het verweten tuchtfeit, dat geen misdrijf is. Het zogenaamde “risico” dat de tuchtoverheid beweert aldus op zich genomen te hebben doet daar geen afbreuk aan gelet dat dit zich niet noodzakelijkerwijze hoeft te realiseren. Aangezien de verweten tuchtinbreuk niet is gekwalificeerd als een misdrijf en de tuchtoverheid zich beroept op een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid inzake de appreciatie en kwalificatie van feiten als tuchtinbreuken, is het helemaal geen vaststaand gegeven dat een finale strafrechtelijke vrijspraak effectief tot een herziening aanleiding zal geven. Ook een zogenaamde “geactualiseerde beoordeling”, al dan niet op grond van voortschrijdende inzichten, doet hier geen enkele afbreuk aan. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt duidelijk dat de tuchtoverheid de verplichting heeft om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet XIV-38.669-15/27 op te starten. Alwaar finaal blijkt dat de tuchtoverheid in staat is om een tuchtrechtelijk verwijt te maken en de tuchtprocedure aanvangt middels betekening van een inleidend verslag en zij alle daartoe voor haar nodige gegevens kon terugvinden in het strafdossier en de resultaten van het eigen vooronderzoek, diende de tuchtoverheid tot dat inzicht en handelen te zijn gekomen binnen een termijn van zes maanden vanaf het moment dat zij over de daartoe noodzakelijke gegevens beschikte. Verzoeker besluit dat de verjaring is ingetreden en artikel 56 van de tuchtwet is geschonden. 6. De verwerende partij bemerkt in haar nota vooreerst dat verzoeker er thans een andere mening op nahoudt dan die welke hij steeds aanhield tijdens de tuchtprocedure. Zij wijst erop dat verzoeker in die procedure steeds voorhield dat er geen sprake was van verjaring, noch van schending van het vereiste van de redelijke termijn. Meer nog, de hogere tuchtoverheid diende lijdzaam de strafrechtelijke procedure in graad van beroep af te wachten. Vervolgens doet zij gelden dat de tuchtvordering niet is verjaard. Zij doet gelden dat de hogere tuchtoverheid, gelet op de betwisting door verzoeker van de feiten, toepassing kon maken van artikel 56, tweede lid, van de Tuchtwet. Zulks is nooit betwist geworden door verzoeker. Nadat evenwel bleek dat de afhandeling van de strafrechtelijke procedure in graad van beroep onbepaald lang op zich zou laten wachten, heeft de hogere tuchtoverheid het risico genomen om de tuchtvordering op te starten teneinde te vermijden ultiem het verwijt te krijgen dat de vereiste van de redelijke termijn zou zijn geschonden. Na het citeren van het standpunt dat de hogere tuchtoverheid daarover heeft ingenomen in de bestreden beslissing, inzake de weerlegging van de zienswijze van de Tuchtraad en van verzoeker, betoogt de verwerende partij dat de hogere tuchtoverheid volkomen rechtmatig heeft gehandeld vanuit de noodzaak om te voldoen aan de vereiste van de redelijke termijn. Het ontgaat haar om welke reden die zorgvuldigheid aanleiding zou kunnen geven tot de vaststelling van de verjaring van de tuchtvordering. Verzoeker verliest volgens haar uit het oog dat hij is blijven beweren onschuldig te zijn en zelfs een XIV-38.669-16/27 slachtoffer te zijn en dat er geen sprake was van verjaring, noch schending van het vereiste van de redelijke termijn. Op dat ogenblik dat zij kennis neemt van de uitspraak in hoger beroep zal definitieve duidelijkheid ontstaan omtrent het al dan niet bewezen zijn van de feiten en of de eigen beoordeling van de hogere tuchtoverheid verenigbaar is met de definitieve strafrechtelijke uitspraak. Tot op heden kan sowieso evenwel niet worden voorgehouden dat de hogere tuchtoverheid niet in alle redelijkheid tot haar beoordeling zou kunnen zijn gekomen. Beoordeling 7. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden: “Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. XIV-38.669-17/27 Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is. XIV-38.669-18/27 Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd. 8. Uit wat voorafgaat volgt dat de politieambtenaar krachtens artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet weet dat tegen hem een tuchtprocedure kan worden ingeleid binnen de zes maanden nadat de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de feiten, en dat na het verstrijken van deze termijn, geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld - behalve wanneer het tweede lid van de voornoemde bepaling van toepassing is. 9. Verzoeker stelt zich ter zake op het standpunt dat de tuchtvordering is verjaard omdat sinds de kennisneming bij brief van 21 augustus 2019, van het strafdossier met toelating om het in tuchtzaken aan te wenden, de hogere tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte wat de wezenlijke elementen betreft die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, terwijl het inleidend verslag hem pas werd betekend op 3 juli 2020, hetgeen buiten de vervaltermijn van zes maanden valt. De verwerende partij van haar kant, plaatst zich in de bestreden beslissing op het standpunt dat de verjaringstermijn nog niet XIV-38.669-19/27 is beginnen lopen met toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en zulks, in essentie, omdat er, gelet op de lopende procedure voor de strafrechter, nog geen gerechtelijke eindbeslissing is. Centraal staat aldus het gegeven of de kennisneming van de stukken van het strafdossier op 21 augustus 2019 de tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid bood om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk beeld kan of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld. 10. De bestreden beslissing stelt dat de verjaringstermijn nog niet is beginnen te lopen, in wezen omdat de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker nog niet definitief is en de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet uit de wet volgt. Op het eerste gezicht overtuigt dat standpunt niet. Het is een gegeven (zie supra, punt 3.4) dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel was dat zij niet voldoende was voorgelicht om, zonder de gegevens van het strafdossier of het strafonderzoek, de tuchtvordering op te starten en derhalve toepassing maakte van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet (zie supra, punt 3.4). Deze bepaling vormt evenwel geen op zichzelf staande regel. Zoals hiervoor is verduidelijkt (zie supra, punt 7), is de mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen immers een uitzondering op de regel vervat in het eerste lid van artikel 56 van de tuchtwet die inhoudt dat de tuchtvordering moet worden ingesteld (door middel van een inleidend verslag) binnen zes maanden na (te dezen) de kennisneming van de feiten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan op het eerste gezicht immers slechts regelmatig het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van XIV-38.669-20/27 wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. De opschorting van de verplichting om binnen de zes maanden na de kennisgeving van de feiten het inleidend verslag te betekenen, stelt de tuchtoverheid aldus prima facie niet vrij van de verplichting om de zaak zelf ter hand te nemen en een onderzoek te voeren op grond van de gegevens die haar worden bezorgd en op grond van het onderzoek dat zij zelf kan voeren. De mogelijkheid voor de tuchtoverheid om op grond van die bepaling de aanvangsdatum van de verjaringstermijn te verschuiven neemt aldus prima facie een einde op het moment dat de tuchtoverheid een voldoende duidelijk beeld kan (of moest) vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de ambtenaar en zich aldus een beeld kan vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. Aangezien uit wat voorafgaat volgt (zie supra, punt 7), dat een inleidend verslag wordt opgesteld wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen beoordeling, oordeelt dat de gegevens waarover zij beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen - met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de ambtenaar - mag worden aangenomen dat een zorgvuldig optredende tuchtoverheid pas een inleidend verslag ter kennis brengt - en dus de tuchtvordering opstart - wanneer zij over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens daartoe beschikt. Op het eerste gezicht blijkt te dezen uit het inleidend verslag dat de hogere tuchtoverheid met betrekking tot de in aanmerking genomen feiten van de eerste tenlastelegging, zich uitsluitend heeft gebaseerd op de stukken van het door de procureur des Konings op 21 augustus 2019 “voor verder gevolg op tuchtgebied” overgemaakt strafdossier (zie supra, punt 3.5) en op het op 17 juni 2019 afgerond voorafgaand onderzoek (zie supra, punt 3.4). Niet blijkt uit het administratief dossier, noch wordt aangetoond dat er nieuwe stukken, te verstaan als toegevoegd aan het tuchtbundel, zijn overgemaakt aan de hogere XIV-38.669-21/27 tuchtoverheid na de kennisneming van het afschrift van het strafdossier. In de mate dat de verwerende partij een nieuw element lijkt te zien in het tussengekomen veroordelend vonnis van de correctionele rechtbank van 14 januari 2020 (zie supra, punt 3.6), maakt zij niet aannemelijk, noch blijkt uit het dossier dat dit (mede)bepalend was voor het vaststaan in hoofde van de tuchtoverheid van de voldoende kennis inzake de constitutieve elementen van het als eerste aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp, zodat zij vanaf dat ogenblik wel een duidelijk beeld kon vormen van die elementen. In de mate dat de verwerende partij aanbrengt dat verzoeker de feiten steeds heeft ontkend en beweert zelf het slachtoffer ervan te zijn, is bepalend de vraag of de tuchtoverheid bij ontkenning van de feiten door de tuchtrechtelijk vervolgde, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige elementen beschikt over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, om de tuchtvordering op te starten. De verwerende partij maakt op het eerste gezicht niet aannemelijk dat door de ontkenning van de feiten door verzoeker, haar dat inzicht in de weg stond en zij dus afhankelijk was van de uitkomst van het onderzoek van de gerechtelijke instanties. In dat verband bemerkt de Raad van State overigens dat het feit dat verzoeker de feiten betwist niet verduidelijkt waarom de hogere tuchtoverheid, na kennisneming van het strafdossier, weliswaar heeft gewacht om de tuchtprocedure op te starten, maar dat zij, ondanks ongewijzigde omstandigheden, na verloop van tijd toch meende niet langer te kunnen wachten met het opstarten – en dus dan wel oordeelde dat zij toch over het vereiste kennis beschikte. 11. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker in het middel op het eerste gezicht aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid met betrekking tot de in aanmerking genomen feiten van de eerste tenlastelegging vanaf de kennisneming op 21 augustus 2019 van de stukken van het strafdossier, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om zich een duidelijk beeld te vormen van de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn en om hiervoor de tuchtvordering lastens verzoeker in te stellen. XIV-38.669-22/27 Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, is de verjaringstermijn derhalve beginnen te lopen op 21 augustus 2019. Aangezien het vertrekpunt van de verjaringstermijn van zes maanden zich situeert op 21 augustus 2019 en het inleidend verslag pas door verzoeker ondertekend werd voor ontvangt op 8 juli 2020 is de tuchtvordering inzake de eerste tenlastelegging vervallen. 12. Het standpunt van de verwerende partij dat zij volkomen rechtmatig heeft gehandeld vanuit de noodzaak om te voldoen aan de eveneens op haar rustende vereiste om binnen een redelijke termijn te handelen, is op het eerste gezicht geen argument waarmee rekening kan worden gehouden ter bepaling van de voldoende kennis in hoofde van de tuchtoverheid. Niet bepalend is immers de vraag of de tuchtoverheid bij haar optreden genoodzaakt was om te voldoen aan het vereiste van de redelijke termijn, maar wel de vraag wanneer de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige elementen beschikte over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, om de tuchtvordering (tijdig) op te starten. Eenmaal dat vaststaat in hoofde van de tuchtoverheid, is er immers sprake van een kennisneming in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, hetgeen het vertrekpunt vormt van de vervaltermijn van zes maanden. Eenmaal die termijn is verstreken, is de tuchtbevoegdheid van de tuchtoverheid uitgeput en is op het eerste gezicht elke reden waarom zij alsnog meent tuchtrechtelijk te moeten of te kunnen optreden, in rechte irrelevant. Het feit dat verzoeker gedurende de administratieve tuchtprocedure zich niet verzette tegen het feit dat de procedure veel tijd in beslag nam, dat de duurtijd van de voorliggende procedure verzoeker geen nadeel berokkende, alsook dat verzoeker zelf zou menen dat er geen sprake zou zijn van verjaring of miskenning van de redelijke termijn, stelt de hogere tuchtoverheid niet vrij van haar plicht om tijdig de tuchtvordering op te starten. Het gegeven dat verzoeker zich niet verzet tegen het talmen met het instellen van de XIV-38.669-23/27 tuchtprocedure, kan immers op het eerste gezicht niet worden ingepast in de beoordelingsbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen. Niet blijkt immers prima facie dat verzoekers houding heeft belet dat de hogere tuchtoverheid tijdig een voldoende duidelijk beeld kon vormen van de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde waren en om daarop de tuchtprocedure op te starten. 13. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. XIV-38.669-24/27 VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen 14. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing een einde stelt aan zijn tewerkstelling en dit met (retroactieve) uitwerking vanaf de dag van de voorlopige schorsing. Hij valt aldus door de bestreden beslissing zonder inkomen, behoudens de precaire mogelijkheid van een werkeloosheidsvergoeding, terwijl verder in het gebruikelijke levensonderhoud van het gezin moet worden voorzien. Verzoeker brengt ter zake bewijzen voor van zijn vaste uitgaven en merkt op dat de weinige spaargelden wegslinken aan lopende uitgaven. Hij dreigt met zijn gezin aldus in een schuldenspiraal terecht te komen welke hem en bij uitbreiding zijn gezin, onherroepelijk ernstig zal schaden. Aldus is er sprake van een sterke financiële weerslag, waarbij het afwachten van het gewone procesverloop van het beroep tot nietigverklaring, hem zo niet in een toestand van armoede, dan wel in een toestand van ernstige financiële problemen zal brengen. 15. De verwerende partij betwist de vereiste van de spoedeisendheid niet. Beoordeling 16. Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met XIV-38.669-25/27 onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). 17. De opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft voor verzoeker ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak. Het kan bezwaarlijk worden betwist dat het volledig wegvallen van verzoekers maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast en dat het volledig verlies aan wedde hem in een moeilijke financiële situatie zal plaatsen. Verzoeker maakt voorts aannemelijk dat in de persoonlijke financiële situatie waarin hij zich bevindt, deze financiële schade onherroepelijk dreigt te worden indien hij zou dienen te wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. De verwerende partij betwist overigens het spoedeisendheid karakter van de vordering niet in haar nota met opmerkingen. 18. Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie 19. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten 20. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. XIV-38.669-26/27 BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de stad Ninove van 18 februari 2021, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig augustus tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.669-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.385 Gerelateerde publicatie(
  10. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.